-A +A

Opzegging door de verhuurder en recht van tegenopzeg door de huurder

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 04/02/2013

Uit de wetsgeschiedenis, de doelstelling van de wetgever om het recht op huisvesting van de huurder beter te beschermen en het gegeven dat de tegenopzegging door de huurder slechts een accessorium is van de hoofdopzegging door de verhuurder waarbij de huurder de tegenopzegging niet kan betekenen wanneer de verhuurder geen opzegging heeft betekend, volgt dat de verhuurder de in artikel 3, §4, Woninghuurwet bepaalde vergoeding bij opzegging zonder motivering ook verschuldigd is wanneer de huurder een tegenopzegging geeft en de huur ingevolge deze tegenopzegging eindigt.  

Met dit arrest komt het Hof terug op het standpunt dat werd ingenomen in de vroegere rechtspraak (zie onder anderen Cass. 22 juni 1998, AR C.97.0355.N, AC 1998, nr. 328). Het Hof oordeelde in het verleden dat bij een tegenopzegging door de huurder deze laatste niet meer gerechtigd was op een vergoeding ten laste van de verhuurder. Dit was gegrond op de overweging dat de huurovereenkomst niet beëindigd werd door de opzegging van de verhuurder maar door de tegenopzegging van de huurder.

Publicatie
tijdschrift: 
Juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.12.0601.N
E.C.,
eiser,
tegen
F.S.,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 4 juni 2012.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

Eerste middel

1. Het is tegenstrijdig enerzijds te oordelen dat de factuur Eandis ten bedrage van 135,29 euro ten laste is van de verweerder en anderzijds het incidenteel hoger beroep van de eiser dat onder meer strekte tot veroordeling van de verweerder tot betaling van voormeld bedrag, ongegrond te verklaren.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

2. Het is tegenstrijdig enerzijds te oordelen dat de huurschade ten laste van de verweerder ten bedrage van 100 euro is bewezen en anderzijds het incidenteel be-roep van de eiser dat onder meer strekte tot veroordeling van de verweerder tot betaling van een provisie van 500 euro voor de huurschade, ongegrond te verkla-ren.
Het middel is gegrond.

Derde middel

3. Op grond van artikel 3, § 4, eerste lid, van de regels betreffende de huur-overeenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder in het bijzonder, opgenomen in boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling II, Burgerlijk Wetboek, hierna Woninghuurwet, kan de verhuurder bij het verstrijken van de eerste en de tweede driejarige periode de huurovereenkomst beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden, zonder motivering, maar met betaling van een vergoeding.

Op grond van artikel 3, § 5, vierde lid, Woninghuurwet, kan wanneer de verhuur-der de huurovereenkomst beëindigt overeenkomstig de paragrafen 2 tot 4, de huurder op zijn beurt de huurovereenkomst te allen tijde beëindigen met inacht-neming van een opzeggingstermijn van een maand. In dat geval is hij de vergoe-ding bedoeld in artikel 3, § 5, tweede lid, niet verschuldigd.

4. Uit de wetsgeschiedenis, de doelstelling van de wetgever om het recht op huisvesting van de huurder beter te beschermen en het gegeven dat de tegenop-zegging door de huurder slechts een accessorium is van de hoofdopzegging door de verhuurder waarbij de huurder de tegenopzegging niet kan betekenen wanneer de verhuurder geen opzegging heeft betekend, volgt dat de verhuurder de in artikel 3, § 4, Woninghuurwet bepaalde vergoeding bij opzegging zonder motivering ook verschuldigd is wanneer de huurder een tegenopzegging geeft en de huur in-gevolge deze tegenopzegging eindigt.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de vordering van de eiser tot betaling van de factuur Eandis en de vordering tot het verkrijgen van een provisionele schadevergoeding wegens huurschade afwijst en oordeelt over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 574,52 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer

Noot: 

Overige relevante rechtspraak

Rb. Brussel 30 juni 2006, JLMB 2007, 996.

Rechtsleer:

Maarten Dambre: "De beeindiging van de woninghuur door tegenopzegging of in der minne na de opzegging gegeven door de verhuurder", TBO, 2016, 4.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 17/07/2015 - 15:09
Laatst aangepast op: do, 11/01/2018 - 14:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.