-A +A

Orde van advocaten kan niet als burgerlijke partij optreden tegen een niet-advocaat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 10/11/2015

Artikel 10, eerste lid wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen bepaalt: “De vereniging mag in rechte optreden, hetzij om te eischen, hetzij om te verweeren, voor de verdediging van de persoonlijke rechten waarop hare leden aanspraak mogen maken als deelgenooten, ongeminderd het recht voor die leden om rechtstreeks op te treden, zich bij het geding aan te sluiten of tusschen te komen in de loop van het rechtsgeding.”

Deze zeer precieze bevoegdheden die de wetgever aan de beroepsverenigingen heeft toegekend, komen alleen toe aan de beroepsverenigingen in de strikte zin, namelijk diegene die werden opgericht overeenkomstig deze wet. Dit is niet het geval voor de Orde van advocaten van een welbepaalde balie.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/10
Pagina: 
698
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(L.C.J.Q. / Orde van advocaten Kortrijk, C.B. en E.C. - Rolnr.: P.13.0982.N)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 25 april 2013.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
(…)

Eerste middel
(…)

Tweede middel
(…)

Derde middel
(…)

Vierde middel
(…)

Vijfde middel
15. Het middel voert schending aan van artikel 6, 1. EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 430 en 455 tot en met 471 Gerechtelijk Wetboek en de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen: het arrest stelt, eensdeels, dat de argumentatie over de schuld of onschuld van de eiser aan de telastlegging A enkel steunt op de door de appelrechters vermelde vaststellingen en gegevens, en anderdeels, dat het wat betreft de openbaarheid, het bijzonder opzet en de niet-inschrijving op het tableau van advocaten of de lijst van de stagiairs verwijst naar de correcte argumentatie van het beroepen vonnis; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd; bovendien beantwoordt het arrest eisers verweer wat betreft het bijzonder opzet en de openbaarheid niet door te verwijzen naar het beroepen vonnis dat daarop niet antwoordt; de Orde van advocaten is een onbestaande rechtspersoon; door artikel 455 Gerechtelijk Wetboek uit te leggen alsof het de vertegenwoordiging van de Orde van advocaten naar buiten betreft, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht; door te oordelen dat de vordering van de Orde van advocaten te Kortrijk ontvankelijk is zonder voorafgaandelijk vast te stellen dat zij een beroepsvereniging is in de zin van de wet van 31 maart 1898, geeft het arrest geen adequaat antwoord op eisers verweer en schendt het de artikelen 2 en 10 van de vermelde wet; door te oordelen dat de Orde van advocaten te Kortrijk bevoegd is om in rechte op te treden ter verdediging van het beroepsbelang, schendt het arrest de artikelen 430 en 455 tot en met 471 Gerechtelijk Wetboek.

16. Artikel 10, eerste lid wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen bepaalt: “De vereniging mag in rechte optreden, hetzij om te eischen, hetzij om te verweeren, voor de verdediging van de persoonlijke rechten waarop hare leden aanspraak mogen maken als deelgenooten, ongeminderd het recht voor die leden om rechtstreeks op te treden, zich bij het geding aan te sluiten of tusschen te komen in de loop van het rechtsgeding.”

Deze zeer precieze bevoegdheden die de wetgever aan de beroepsverenigingen heeft toegekend, komen alleen toe aan de beroepsverenigingen in de strikte zin, namelijk diegene die werden opgericht overeenkomstig deze wet. Dit is niet het geval voor de Orde van advocaten te Kortrijk.

Het Gerechtelijk Wetboek bevat geen bepaling die een gelijkaardig recht geeft aan de Orde van advocaten. Artikel 455 Gerechtelijk Wetboek bepaalt weliswaar dat de raad van de Orde de opdracht heeft “om de eer van de Orde van advocaten op te houden en de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen en een behoorlijke beroepsuitoefening moeten waarborgen, te handhaven”. Hieruit kan evenwel geen recht worden afgeleid om door middel van burgerlijke partijstelling een rechtsvordering wegens miskenning door een niet-advocaat van de beroepsbelangen van een advocaat in te stellen.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Zegt voor recht dat voor de beslissing op de strafvordering het bestreden arrest zonder uitwerking blijft.

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het betrekking heeft op de burgerlijke rechtsvordering ingesteld door de Orde van advocaten te Kortrijk.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot 4/10 van de kosten en de eerste verweerder tot 1/10 van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Verwijst voor het overige de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Bepaalt de kosten op 291,28 EUR.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 12/07/2017 - 16:30
Laatst aangepast op: wo, 12/07/2017 - 16:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.