-A +A

Overschrijding van de termijn - Overmacht - Verzending per post - Vertraagde postbedeling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Datum van de uitspraak: 
don, 09/02/2017
A.R.: 
2016/ FA/0434

Processtukken kunnen op velerlei manieren worden neergelegd ter griffie. Derhalve (zo oordeelt het Gentse Hof) kan een procespartij zich bezwaarlijk op overmacht beroepen wanneer het verzoekschrift niet tijdig ter griffie is aangekomen ingevolge een vertraagde postbedeling.

Publicatie
tijdschrift: 
P&B
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/2
Pagina: 
94
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

1. J.J.B. en L.D. zijn gewezen feitelijke samenwoners.

Zij twisten over de verdeling van hun onverdeelde vermogen, inzonderheid de verkoopopbrengst van een destijds samen aangekocht vastgoed en toebehoren.

De afrekening zorgt voor aanhoudende discussie.

2. Bij vonnis van 11 oktober 2010 beveelt de rechtbank van eerste aanleg te Brugge de gerechtelijke vereffeningverdeling (in de zin van de oude art. 1207 e.v. Ger.W.) van het onverdeelde vermogen, met aanwijzing van een notarisvereffenaar in de zin van het oude artikel 1209, tweede lid Ger.W. en een notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude artikel 1209, derde lid Ger.W.

Notariële werkzaamheden volgen, inzonderheid (1) een proces-verbaal tot opening van werkzaamheden van 30 mei 2012, (2) een proces-verbaal tot verderzetting van werkzaamheden van 5 oktober 2012, (3) een staat van vereffening-verdeling van 8 maart 2013, (4) een proces-verbaal van bezwaren van 23 april 2013 en (5) een proces-verbaal van advies van 27 mei 2013.

3. Op 3 juli 2013 maakt de notaris-vereffenaar een en ander over ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge met het oog op beslechting van de bedoelde bezwaren (oud art. 1219, § 2 Ger.W.).

4. Op 15 april 2014 overlijdt J.J.B., waarna zijn enige erfgenaam/rechtsopvolger, met name J.E.B., het geding hervat.

5. Bij vonnis van 28 mei 2015, gewezen in de zaak van AR nummer 2010/065 7 / A, homologeert de vijfde familiekamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de notariële staat van vereffening-verdeling van 8 maart 2013 (oud art. 1224 Ger.W.)

De rechtbank legt de niet nader begrote gedingkosten ten laste van de onverdeeldheid.

6. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 26 mei 2016 laat L.D. overgaan tot betekening van het vonnis van 28 mei 2015.

7. Bij verzoekschrift (met aangetekende postzending) toegekomen/afgestempeld ter griffie van het hof op 28 juni 2016 stelt J.E.B. hoger beroep in.

Hij beoogt daarbij, met (gedeeltelijke) hervorming van het beroepen vonnis, de inwilliging van zijn aangehouden bezwaren.

8. Aangezien het hoger beroep is ingesteld na het verstrijken van de in artikel 1051, eerste lid Ger.W. bedoelde beroepstermijn van één maand rijst prealabele discussie over het (laat) tijdige en derhalve (on)ontvankelijke karakter ervan.

Het hof behandelt die discussie in kort debat met toepassing van artikel 1066, eerste lid Ger.W. (J. Laenens e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 398, nr. 904).

Daar waar de zaak, ingeleid voor het hof op 8 september 2016, meermaals (kort) is uitgesteld met het oog op instaatstelling van de discussie in kort debat, weert het hof, anders dan L.D. opwerpt, geen van de ter griffie van het hof neergelegde conclusies uit het debat (art. 1042 juncto art. 735, §§ 1-3 Ger.W.).

Het hof heeft de zaak voor als zover nodig hernomen en behandeld met de actuele samenstelling van de zetel (art. 779 Ger.W.)

Het hof heeft de partijen in hun middelen gehoord op de openbare terechtzitting van 2 februari 2017, waarna het hof het debat heeft gesloten en de zaak in beraad heeft genomen. Het hof heeft het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken ingezien.

Het hof aanziet (1) de conclusie van J.E.B. van 18 januari 2017 en (2) de conclusie van L.D. van 22 januari 2017 als alomvattende syntheseconclusies in de zin van artikel 748bis Ger.W., om ze aldus (met alle bijhorende stukken) in het debat te houden.

9. Zoals L.D. opwerpt, is het hoger beroep laattijdig en derhalve onontvankelijk (art. 860, tweede lid Ger.W.).

De neerlegging van het verzoekschrift tot hoger beroep heeft plaatsgevonden buiten de in artikel 1051, eerste lid Ger.W. bedoelde beroepstermijn van één maand.

10. J.E.B. beroept zich (via zijn advocaat) op overmacht. Hij geeft aan en stoffeert dat hij het verzoekschrift tot hoger beroep met aangetekende postzending van 23 juni 2016 aan het hof heeft overgemaakt, zodat hij ervan mocht uitgaan dat het uiterlijk op 27 juni 2016 zou toekomen.

Dit verweer van J.E.B. op de exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep faalt.

Overmacht onderstelt een gebeurtenis buiten de wil van de betrokkene en die hij noch kon voorzien noch kon vermijden (B. Vanlerberghe, "Overmacht in het burgerlijk proces",

in J. Rozie, S. Rutten en A. Van Oevelen (eds.), Overmacht, Antwerpen, Intersentia, 2015, 65-66, nr. 6). Het moet gaan om een onoverkomelijk beletsel dat niet toerekenbaar is aan de betrokkene (of zijn opdrachthouder).

Overmacht is in casu niet aan de orde.

Los van de trage werking van het postbedrijf, waaromtrent J.E.B. een klacht uit bij de ombudsdienst, diende (de advocaat van) J.E.B. te verifiëren of het verzoekschrift tijdig ter griffie van het hof was toegekomen, zodat desnoods nog tot fysieke neerlegging ter griffie van het hof kon worden overgegaan. Op die manier was een laattijdig hoger beroep te vermijden en derhalve niet onoverkomelijk (zie ook en vgl. Gent 25 oktober 2007, TGR-TWVR 2008, 101; Antwerpen 27 april 2009, Limb. Rechts]. 2009, 305; Brussel 11 juni 2013, RW2013-14, 630).

Van belang daarbij is dat inzake onderhavig civiel hoger beroep een tussenkomst van de postwerking niet verplicht is (M. Lernout, "De aansprakelijkheid van de advocaat: enkele verweermiddelen toegelicht", TBBR 2015, 291-292, nr. 8; B. Vanlerberghe, "Overmacht in het burgerlijk proces", in J. Rozie, S. Rutten en A. Van Oevelen (eds.), Overmacht, Antwerpen, lntersentia, 2015, 67-68, nr. 9). Het (gebeurlijk aangetekend) verzenden van het verzoekschrift tot hoger beroep aan de griffie van het hof was in casu een (toegelaten) optie (art. 1056, sub 2° Ger.W.) met de gevolgen van dien.

11. J.E.B. dient als de in het ongelijk gestelde partij de gedingkosten in hoger beroep te dragen (art. 1017, eerste lid Ger.W.).

Deze kosten omvatten onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 Ger.W. (art. 1018, sub 6° Ger.W.). De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (art. 1022, eerste lid Ger.W.). De in het gelijk gestelde partij (met een advocaat) is in dit geval L.D., zodat alleen voor deze partij een rechtsplegingsvergoeding kan worden bepaald.

Het bedoelde geschil is in wezen niet in geld waardeerbaar. In dat geval is het in hoger beroep (vanaf 1 juni 2016) toepasselijke (geïndexeerde) basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 1.440,00 euro (art. 3 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger.W.).

Het hof richt zich naar dit basisbedrag zonder redenen te zien in de zin van artikel 1022, derde lid Ger.W. om ervan af te wijken.

12. Wat betreft de door L.D. blootgestelde kosten van betekening van het beroepen vonnis (202,49 euro), wijst het hof op artikel 1024 Ger.W.

OP DIE GRONDEN, HET HOF,

RECHT DOENDE OP TEGENSPRAAK,

met inachtneming van (de art. 2 e.v. en inz.) artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

verklaart het hoger beroep laattijdig en derhalve onontvankelijk,

veroordeelt J.E.B. tot de gedingkosten in hoger beroep, enkel aan de zijde van L.D. te begroten op een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.440,00 euro.

( ... )

 

Noot: 

zie ook RABG 2012/6, 378, Patricia Van Lersberghe, Rechtsmiddelen verval en overmacht

Noot

Poststaking en overmacht

De niet-tijdige neerlegging van een verzoekschrift door een poststaking maakt geen overmacht uit.

In de regel vertrouwt een advocaat een verzoekschrift tot het instellen van hoger beroep toe aan de postdiensten zodat dit tijdig bij de rechter in hoger beroep, lees de griffie zou toekomen.

Vraag is nu in hoeverre een tekortkoming van de post door ondermeer een poststaking overmacht uitmaakt in hoofde van de advocaat waardoor zijn aansprakelijkheid kan worden bevrijd.

Met toepassing van artikel 1056 Ger.W. dient een verzoekschrift in hoger beroep te worden ingediend op de griffie binnen de maand na de betekening van de bestreden beslissing.

De termijn van 1 maand is de vervaltermijn.

Van een normaal voorzichtige advocaat mag worden verwacht dat hij het nodige doet om zijn verzoekschrift in hoger beroep binnen de vervaltermijn neer te leggen.

Het betreft hier een resultaatsverbintenis van de advocaat.

De advocaat beschikt over verschillende mogelijkheden om een verzoekschrift in hoger beroep neer te leggen.

Volgens de al oude regel wordt een verzoekschrift door de advocaat persoonlijk ter griffie neergelegd.

Maar sinds lang wordt toegelaten dat een verzoekschrift ook per post aan de griffie wordt toegezonden en ook de nieuwe elektronische methodes vinden stilaan hun ingang.

Indien een advocaat kiest voor het laten neerleggen van een verzoekschrift via de post, dan had de advocaat voor het verstrijken van de vervaltermijn zich moeten vergewissen dat het procedurestuk wel degelijk tijdig was ingediend.

In een goede advocatenpraktijk wordt de uiterste vervaltermijn van een beroepstermijn genoteerd en wordt er op de middag van deze uiterste termijn gebeld naar de griffie om te vragen of een stuk dat per post werd toegestuurd daadwerkelijk is aangekomen.

Bij gebreke hieraan kan de advocaat dan nog tot 16u alle nodige en nuttige maatregelen nemen om het verzoekschrift alsnog tijdig te gaan neerleggen.

Wanneer een advocaat deze controlemaatregel niet uitvoert, kan dit aanzien worden als een vorm van laksheid en als een tekortkoming van zijn professionele verplichtingen.

Aldus kan een advocaat zich ten onrechte op overmacht beroepen wegens een poststaking of een tekortkoming van een derde confrater die hij gelast heeft om een verzoekschrift neer te leggen.

Ook wanneer een advocaat een andere advocaat gelast om loco hem een verzoekschrift neer te leggen, dan nog zal de advocaat voor het verstrijken van de termijn een telefonisch contact hebben met de opdrachthoudende advocaat teneinde bevestiging te bekomen van de neerlegging of een contact met de griffie hebben om bevestiging te bekomen zodat hij in ontkennend geval nog over voldoende tijd beschikt om op zijn eigen verantwoordelijkheid desnoods in persoon of op een andere wijze het verzoekschrift tijdig neer te leggen.

Overmacht kan enkel voortvloeien uit een gebeurtenis buiten de wil van de betrokkene, die door deze niet kon worden voorzien, noch vermeden.

Een poststaking kan niet worden beschouwd als een geval van overmacht.

De wet vereist niet dat een advocaat wanneer hij hoger beroep instelt, hij een verzoekschrift zoals bijvoorbeeld bedoeld in artikel 1056, 2de Ger.W., de indiening zelf verricht. Maar wanneer een advocaat kiest voor een andere wijze dan doet de advocaat dit op eigen risico en kan hij geen overmacht meer aanvoeren als hij er niet zelf heeft op toegezien dat de indiening werkelijk heeft plaats gevonden.

Een advocaat dient er rekening mee te houden dat er bij de post een fout kan gebeuren of dat er een lokale of nationale poststaking plots optreedt, of in het algemeen dat er vertraging optreedt bij de postbedeling wat in ons land nu niet zo uitzonderlijk is, waardoor een advocaat in alle omstandigheden de nodige maatregelen moet nemen opdat een procedurestuk waaraan een vervaltermijn verbonden is, tijdig wordt neergelegd en hierbij ook tijdig de nodige verificaties leest.

Voor een concreet toepassingsgeval zie Hof van Beroep te Brussel, 11.06.2013, RW 2013-2014, kolom 630.

zie ook: Cassatie, 24/09/2012, RW 2014-2015, conclusie van procureur-generaal J.-F. Leclercq (Pas. 2012, nr. 483)

"Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel volgens welk “overmacht de fout uitschakelt en het verval belet van de uitoefening van een recht die de wet afhankelijk stelt van een bepaalde termijn”.

Wanneer overmacht zich voordoet in de loop van een vervaltermijn, wordt die termijn slechts verlengd met de tijd die nodig is om te handelen en niet met die welke overeenstemt met de duur van de verhindering."

zie ook: Cass. 27 maart 1919, Pas. 1919, I, 112; Cass. 12 maart 1923, Pas. 1923, I, 233.

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 25/06/2018 - 19:49
Laatst aangepast op: ma, 25/06/2018 - 19:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.