-A +A

Parkeerretributie onmogelijk voor plaatsen waar parkeren strijdig is met parkeerverbod

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 16/02/2012
A.R.: 
C.10.0309.N

Indien het gemeentelijk parkeerreglement parkeerplaatsen voorbehoudt voor een bepaalde categorie van voertuigen en een andere categorie voertuigen uitsluit van het recht op die plaatsen te parkeren, kan de gemeente geen aanspraak maken op een parkeerretributie voor de voertuigen die geparkeerd staan waar dit hen op grond van dit reglement verboden is, ook al mogen andere voertuigen aldaar wel parkeren tegen retributie (1). (1) Zie Cass. 5 nov. 2010, AR C.10.0028.N, AC 2010, nr 659.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.10.0309.N
A.G.B. GEMEENTELIJK AUTONOOM PARKEERBEDRIJF ANTWERPEN, met zetel te 2000 Antwerpen, Jordaenskaai 25,
eiser,
tegen
F.V.,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de vrederechter van het negende kanton te Antwerpen van 19 november 2009.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 1 van de Wet van 22 februari 1965 waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan parkeergeld op motorrijtuigen in te voeren, zoals gewijzigd door artikel 37 van de Wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, bepaalt dat wanneer de gemeenteraden, overeenkomstig de wetgeving en de reglementen op de politie van het wegverkeer, reglementen inzake het parkeren vaststellen, die betrekking hebben op parkeren voor een beperkte tijd, het betalend parkeren en het parkeren dat voorbehouden is aan de bewoners, zij parkeerretributies of -belastingen kunnen instellen die van toepassing zijn op motorvoertuigen.

2. Uit deze bepaling blijkt dat de gemeenten alleen parkeerplaatsen tegen retributie ter beschikking kunnen stellen overeenkomstig de wetgeving en de reglementen op de politie van het wegverkeer.

De gemeenten kunnen geen plaatsen ter beschikking stellen waar het op grond van die wetgeving en reglementen verboden is te parkeren.
Indien het gemeentelijk parkeerreglement parkeerplaatsen voorbehoudt voor een bepaalde categorie van voertuigen en een andere categorie voertuigen uitsluit van het recht op die plaatsen te parkeren, kan de gemeente geen aanspraak maken op een parkeerretributie voor de voertuigen die geparkeerd staan waar dit hen op grond van dit reglement verboden is, ook al mogen andere voertuigen aldaar wel parkeren tegen retributie.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede middel

3. De door het eerste middel vergeefs bestreden reden dat de gemeente geen aanspraak kan maken op een parkeerretributie voor voertuigen die geparkeerd staan op een plaats waar parkeren voor dat soort voertuigen verboden is, schraagt op zich de bestreden beslissing.

4. Het middel komt op tegen een overtollig motief en kan, ook al was het gegrond, niet tot cassatie leiden.

Het middel is niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 468,05 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en uitgesproken in openbare rechtszitting van 16 februari 2012
 

Noot: 

Het Hof van Cassatie stelde reeds dat de rechtsverhouding tussen consument en een parkeerretributiebedrijf niet van contractuele aard is maar wel van reglementaire aard.

In eerdere vonnissen werd reeds gesteld dat buiten het contractenrecht en dus in het gebied van reglementaire aard, de rechter eigenlijk ook een matigingsbevoegdheid heeft

in dezelfde zin: Arrondrb. Gent 20 april 1998, TAVW 2000, 86; Arrondrb. Gent 4 december 2000, T.Vred. 2004, 148; Arrondrb. Brugge 12 oktober 2001, RW 2002-03, 1433, noot A. Vandeplas.

Overige rechtspraak:

Vred. Eeklo 25 februari 2010, RW 2010-2011, 1188

De gemeente kan conform 173 GW retributies opleggen mits deze evenredig zijn met de kosten van de dienstverlening. Zo kan zij het parkeergebeuren in haar gemente uitbesteden aan een derde op een contractuele basis. Maar deze concessiehouder dient zich te houden aan de contractuele opdracht en strikt binnen deze grenzen te blijven.. Wanneer de concessiehouder voor de rechter tot invordering overgaat, dient deze de concessieovereenkomst voor te leggen, zodat de rechter deze contuele opdracht kan nagaan en of de in rekening gebrachte kost in verhouding is met de verstrekte dienstverlening. Bovendien dienen de contractuele voorwaarden van de concessieovereenkomst aan de burger zijn medegedeeld..

De werknemers van een concessiebedrijf zijn geen beëdigde ambtenaren. Derhalve heeft hun vastelling geen absolute bewijskracht. mede gelet op het belang van het retributiebedrijf bij de inning, hebben de vaststellingen van hun werknemers, slechts een geringe bewijskracht.

Tekst van het vonnis:

NV V.P.S.B. t/ BVBA H.S.M.-B.

I. De vordering

De vordering strekt ertoe verwerende partij te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 75 euro, zijnde de vergoeding voor drie onbetaalde parkeerretributies voor overtredingen die zouden zijn vastgesteld respectievelijk:

– op 14 april 2008 om 16.29 uur te Maldegem, Kanunnik Andrieslaan ter hoogte van 2, waarbij niet is aangeduid of dit laatste om een huisnummer dan wel om een andere nummering gaat;

– op 19 juni 2008 om 11.41 uur te Maldegem, Kanunnik Andrieslaan, zonder verdere aanduiding;

– op 20 juni 2008 om 11.54 uur te Maldegem, Kanunnik Andrieslaan, zonder verdere aanduiding, vermeerderd met de kosten van aanmaning, dit alles onverminderd de veroordeling van verwerende partij tot de gedingkosten.

II. Beoordeling

De vordering heeft betrekking op de betaling van een parkeerretributie, gebaseerd op een gemeenteraadsbeslissing van de gemeente Maldegem van 23 februari 2005.

De gemeenteraadsbeslissing is duidelijk in die zin dat de gemeente Maldegem heeft gekozen voor een retributie, zijnde een billijke vergoeding die door de overheid wordt opgelegd wegens het individueel voordeel dat de vergoedingsplichtige uit een dienst, waarop hij vrijwillig een beroep heeft gedaan, heeft gehaald.

Het beheer van de betalende parkeerplaatsen en de controle van deze parkeerheffing werden bij beslissing van het college van burgemeesters en schepenen van 3 april 2006 door de gemeente Maldegem in concessie gegeven aan eisende partij.

De gemeenteraadsbeslissing van de gemeente Maldegem van 23 februari 2005 bepaalt met name in art. 3 en art. 4 dat de retributie betaalbaar is aan de aangestelde van de gemeente, en dat het eveneens een aangestelde van de gemeente is die de gebruiker van het voertuig dan wel de titularis van de nummerplaat van het betrokken voertuig via een vermelding op de voorruit zal uitnodigen tot betaling van de parkeerretributie.

De eigenlijke concessieovereenkomst wordt niet overgelegd, enkel de princiepsbeslissing van de gemeente Maldegem van 23 februari 2005, alsmede de gunnigsbeslissing van de concessie aan de eisende partij, van 3 april 2006.

Voorts blijkt er een document te zijn, gedateerd 2 juli 2009, getiteld: «Bevestiging van de overeenkomsten tussen de stad Maldegem en de NV V.P.S.B. aangaande de uitvoering van de concessie voor het beheer van het parkeren van 3 april 2006». Dit document vangt aan met de vaststelling: «V.P. verzekert een goede, ononderbroken en niet-discriminatoire exploitatie van de in concessie gegeven materie». Deze vaststelling noopt tot de conclusie dat er wordt getoetst aan een op dat ogenblik reeds bestaande regelgeving en taakomschrijving, vervat in een overeenkomst, die evenwel niet wordt voorgelegd.

Ter zake rijst de vraag of de gemeente de burger aan een controle op de naleving van haar retributiereglement kan onderwerpen.

Art.162, tweede lid, 2o, GW bepaalt dat bij wet aan de gemeenteraden alles opgedragen is wat van gemeentelijk belang is, behoudens goedkeuring van hun handelingen in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald (zie: A. Mast, J. Dujardin et al., Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, p. 493, nr. 7). Aan de bevoegdheid van de gemeente om een parkeerheffing als retributie in te voeren, is inherent verbonden, bij gebreke van een afwijkende bepaling, de bevoegdheid om tot een doelgebonden controle op de naleving van het retributiereglement over te gaan.

Er is geen discussie over dat de gemeente deze controle- en opvolgingsbevoegdheid in concessie kan geven aan een concessiehouder, in casu eisende partij, wat hier ook is gebeurd krachtens de beslissing van 3 april 2006.

Het behoort aan de rechtbank na te gaan of de concessiehouder voor het doen van vaststellingen, de verzameling van deze vaststellingen en de rapportering van de vaststellingen en de niet-naleving daarvan zich houdt aan de opdracht die hij van de gemeentelijke overheid heeft gekregen en of hij binnen de grenzen van hem krachtens overeenkomst toegewezen bevoegdheden handelt.

a. Er wordt geen concessieovereenkomst voorgelegd

Opdat kan worden nagegaan of de feitelijke gang van zaken in verband met het doen van vaststellingen, het overzenden daarvan, de eventuele opsporing van persoonsgegevens via de dienst D.I.V. en alle andere taken die aan eiseres werden toebedeeld overeenstemmen met de voorwaarden van de concessieovereenkomst, dient uiteraard deze concessieovereenkomst te worden voorgelegd.

Voorts is het noodzakelijk na te gaan of de concessieovereenkomst de eigen voorwaarde die de gemeente Maldegem impliciet stelt in haar gemeenteraadsbeslissing van 23 februari 2005, namelijk dat de uitnodiging tot betaling van retributie wordt aangebracht door de «aangestelde» van de gemeente, waarbij de vraag rijst of de wederpartij van de gemeente Maldegem als haar aangestelde is te beschouwen.

Omdat er geen stuk voorligt dat aangeeft wat op het ogenblik van de ten processe voorliggende vaststelling de precieze inhoud was van de tussen de gemeente en de concessiehouder gesloten overeenkomst, is enige toetsing niet mogelijk.

Het komt de rechtbank voor dat er vanaf het ogenblik dat de uitvoering van de concessie een aanvang neemt een overeenkomst dient te bestaan die duidelijk omschrijft volgens welke modaliteiten en binnen welke perken de concessiehouder zijn opdracht dient uit te voeren. Het post factum opgestelde stuk van 2 juli 2009 – dat zich voordoet als «bevestiging van overeenkomsten» – voldoet hieraan niet, en houdt in zijn eigen terminologie de vaststelling in dat er een overeenkomst, meer zelfs, overeenkomsten bestaan van vroegere datum.

Op dit ogenblik moet worden vastgesteld dat eiseres de eigenlijke concessieovereenkomst niet voorlegt. Ter zake worden immers volgende stukken voorgelegd:

1) een bestek/offerteaanvraag van 21 december 2005, goedgekeurd in de gemeenteraad van de gemeente Maldegem op 21 december 2005.

Dit bestek beschrijft wel algemene voorwaarden, maar geen concrete manier van werken nopens het doen van vaststellingen en de verdere administratieve afhandeling van de inning van de retributie. Zo is niet of slechts in algemene bewoordingen bepaald hoe vaststellingen dienen te gebeuren, zodat hieromtrent zelfs niet duidelijk is of er ten tijde van het verlenen van de concessie wel degelijk regelgevingen of richtlijnen bestonden die bepaalden hoe de vaststelling van een overtreding van het parkeerreglement dan wel diende te gebeuren.

2) een document, gedateerd op 2 juli 2009 (zijnde van geruime tijd na de vaststelling van de overtreding op het parkeerreglement dat aan de basis ligt van onderhavige procedure).

In dit document wordt wél degelijk de procedure voor het doen van vaststellingen en de navolgende behandeling van onbetaalde retributies voorgeschreven, waarbij zowel criteria voor de neutrale vaststelling van overtredingen op het parkeerreglement als criteria voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer worden vooropgesteld en aan V.P. opgelegd.

Het is echter totaal onduidelijk of de criteria die vermeld staan in het stuk van 2 juli 2009 reeds van toepassing waren op het ogenblik van het uitschrijven van de retributiebon waarvan thans betaling wordt gevraagd. Alleszins wordt door de eiseres geen enkel stuk voorgelegd waaruit dit zou blijken.

Alle verklaringen a posteriori ten spijt kan bij gebreke van valabele stukken niet worden uitgemaakt of ten tijde van de voorliggende vaststellingen de beweerde overtreding werd vastgesteld en administratief verwerkt overeenkomstig de principes van goed bestuur, onder meer met inachtneming van respect voor de privacy.

Het gegeven dat het eerste geschreven stuk dat een concrete werkwijze en administratieve verwerkingsprocedure voorschrijft de datum van 2 juli 2009 draagt, en derhalve van ruim na de litigieuze vaststellingen dateert, noopt tot de conclusie dat er ten tijde van de vaststellingen hetzij geen, hetzij andersluidende afspraken/richtlijnen waren.

Hoe dan ook is bij gebreke van voorlegging van de eigenlijke concessieovereenkomst dit niet te controleren en toont eiseres niet aan dat zij de gedane vaststellingen en opvolgende handelingen die hebben geleid tot invordering heeft gedaan binnen het kader en de richtlijnen van de uitoefening van de concessieovereenkomst die immers niet wordt voorgelegd.

De in het dossier van eiseres voorkomende bevestiging a posteriori dat een bepaalde overeenkomst bestaat, verschaft nog geen gegevens nopens de inhoud van de beweerde bestaande overeenkomst die aldus zowel qua inhoud als qua formele totstandkomingsvereisten aan de toetsing van de rechter wordt onttrokken.

Zo kan ook niet worden uitgemaakt of er in de concessieovereenkomst zaken vermeld staan die kunnen leiden tot de conclusie dat eiseres te dezen te beschouwen is als een «aangestelde» in de zin van de bepalingen van de gemeenteraadsbeslissing van 23 februari 2005.

Opdat er sprake zou zijn van het voorleggen van enige concessieovereenkomst had eiseres het bod dienen bij te brengen dat zij heeft gedaan als reactie op het door de gemeente uitgeschreven bestek en dat heeft geleid tot het gunningsbesluit van 3 april 2006.

Daar de eigenlijke overeenkomst niet wordt voorgelegd, faalt eiseres te bewijzen dat zij de vaststelling van feiten, opsporing van betrokkene en verdere administratieve afhandeling heeft uitgevoerd binnen de bevoegdheden en volgens de regelen die daartoe werden bepaald.

b. Onderzoek en beoordeling van de vordering van eiseres in het licht van art. 173 van de Grondwet – Is de gevorderde retributie een retributie?

Blijkens het gemeentereglement van 23 februari 2005 wordt het bedrag van de retributie als volgt vastgesteld:

– gratis voor de maximumduur die vastgesteld is door de verkeersborden;

– een forfaitair bedrag van 25 euro per dag voor elke periode die langer is dan die welke gratis is.

Krachtens de bepalingen van art. 173 van de Grondwet behoort het tot de bevoegdheid van de gemeentelijke overheden om onder meer een retributie op te leggen.

Rechtspraak en rechtsleer hebben evenwel al algemeen aanvaarde beperkingen aan deze bevoegdheid gekoppeld. Kern daarvan is dat de retributies die de overheid aan de belastingplichtigen oplegt, gelijk of op zijn minst evenredig dienen te zijn met de kosten van de bewezen diensten of de verstrekte dienstverlening.

Te dezen bestaat de dienstverlening in het verstrekken van locatie voor het parkeren van voertuigen op het openbaar domein.

Hoewel als principe kan worden aanvaard dat deze dienstverlening een kostprijs heeft, wordt nergens aangetoond wat de werkelijke kost hiervan concreet betekent voor de gemeentelijke overheid.

Op basis van het retributiereglement kan op geen enkele manier duidelijk vastgesteld of beredeneerd worden wat de werkelijke kost voor de dienstverlening inhoudt, zodat ook niet kan worden vastgesteld of de gevraagde retributie met deze kost in verhouding staat.

Indien de eiseres en het opdrachtgevend bestuur geen indicatie geven van de werkelijke kostprijs van de dienstverlening waarvoor de burger een retributie dient te betalen, kan er tussen beide geen toetsing gebeuren.

Bij gebreke daarvan zijn de gevraagde bedragen niet te beschouwen als retributies maar als belastingen die via andere kanalen en zeker niet via deze rechtbank kunnen worden ingevorderd.

c. Onvoldoende bewijskracht van de gedane vaststellingen

Uit de gegevens die door eiseres worden voorgebracht blijkt dat de overtreding van het parkeerreglement en het dienovereenkomstig verschuldigd zijn van een retributie wordt vastgesteld als volgt:

– van het voertuig dat zich in overtreding zou bevinden worden een aantal foto‘s gemaakt, waarop op elektronische wijze een datum en uur worden geprint;

– er blijven een retributiebon en betalingsverzoek achter op het voertuig;

– bij gebrek aan betaling wordt de eigenaar van de nummerplaat opgespoord, en deze ontvangt een gewone brief van het parkeerbedrijf;

– bij gebrek aan betaling volgt, eveneens per gewone brief, een aanmaning door gerechtsdeurwaarder, waarin reeds aanmaningskosten en inningsrechten zijn verwerkt.

Het vaststellen van het loutere feit van het parkeren in strijd met gemeentelijke regelgeving is een gegeven dat door alle wettelijke bewijsmiddelen, inclusief getuigen en vermoedens kan worden bewezen.

In principe kan de door eiseres gemaakte foto gelden als een bewijs van het feit, op voorwaarde dat aan de hand van het fotomateriaal alle bewijzen verschaft worden van het bestaan van een overtreding van de parkeerreglementering.

Het is duidelijk dat de voorgelegde foto‘s zowel het voertuig als de nummerplaat duidelijk identificeren, terwijl de gebeurlijke detailfoto van de voorruit de toestand van de al dan niet aanwezige parkeerschijf weergeeft.

De foto toont evenwel niet aan:

– de precieze locatie, tenzij dit toevallig door herkenning van de achtergrond zou op te maken zijn;

– a fortiori, of op deze locatie (waarvan, omdat het een doorgangsweg betreft, niet kan worden uitgemaakt waar zij zich precies bevindt) de parkeerregelgeving waarvoor retributie kan worden gevorderd van toepassing is;

– het precieze tijdstip, wat essentieel is voor het al dan niet bestaan van enige overtreding. Het is immers slechts uit de combinatie van de tijd vermeld op de parkeerschijf (of de afwezigheid van de parkeerschijf) samen met het tijdstip van vaststelling dat het bestaan van enige overtreding bewezen kan worden.

Eiseres verwijst in dat verband tevergeefs naar de datum/tijdsaanduiding die op de foto‘s prijkt. Immers, dit zijn gegevens die door iedere willekeurige gebruiker op eender welk ogenblik gewijzigd kunnen worden en die zelfs volkomen fictief kunnen zijn, zonder dat aan de hand van de foto‘s en de daarop aangebrachte aanduiding uit te maken is of de tijdsvermelding enige binding met de realiteit heeft.

Als van de vaststellingen van toestellen die bv. snelheidsovertredingen meten, vereist wordt dat deze toestellen getest worden, geijkt worden en bediend worden door personeel dat beëdigd is en voor het bedienen van het toestel een bijzondere opleiding heeft genoten, is hier van een dergelijke controle of vereisten geen sprake.

Eiseres toont niet op afdoende wijze aan dat het fotomateriaal dat zij voorbrengt dateert van het ogenblik dat zij beweert, omdat dit op geen enkele manier is te controleren.

Bij gebrek aan zekerheid nopens het uur waarop de beweerde overtreding werd vastgesteld, is ook het bestaan van de overtreding zelf niet bewezen, zelfs niet in de gevallen waarin er geen schijf aanwezig is. Het kan immers gaan om een periode dat het gebruik van de schijf niet verplicht is.

Hoewel de wetgever het parkeergebeuren deels gedepenaliseerd heeft, mag nochtans van de manier van vaststellen van overtredingen worden verwacht dat een en ander vergelijkbaar blijft met de manier waarop een eigenlijke verkeersovertreding wordt vastgesteld, minstens dat de eenzijdige vaststellingen van beweerde overtredingen, gedaan door een partij die financieel voordeel haalt uit het bestaan en vaststellen van overtredingen, gebeuren op een wijze waaraan niet kan worden getornd.

Dit is te dezen niet het geval en eisers faalt in haar bewijslast aan te tonen dat de vaststellingen die zij beweert te hebben gedaan zijn gebeurd op het uur en de locatie als wordt aangevoerd.

Anders zou het bijvoorbeeld zijn als eiseres bv. met een gecontroleerd en geijkt fototoestel zou werken, als een lijst met tijdstippen van vaststellingen van overtredingen wordt voorgelegd, zodat een bepaald traject in de vaststellingen kan worden gevolgd, als door een tweede persoon of andere tijds- en locatiemeting het ogenblik van het nemen van de foto‘s wordt bevestigd, kortom als de vaststellingen derwijze zijn dat zij met elkaar genomen het bewijs door getuigen en vermoedens vormen dat de wet ter zake vereist.

Dit is des te meer het geval nu op geen enkel ogenblik voorafgaand aan de dagvaarding de beweerde overtreder bij wijze van aangetekende zending in kennis is gesteld van het gegeven dat het op zijn naam geïmmatriculeerde voertuig voorwerp is geweest van het overtreden van een parkeerreglementering, zodat zelfs niet uit te sluiten is dat de beweerde overtreder voorafgaandelijk aan de dagvaarding in totale onwetendheid verkeert nopens wat hem ten laste wordt gelegd. Dit ontneemt de burger iedere mogelijkheid tot een zinvol debat over het gegeven of diens voertuig al dan niet op het gegeven ogenblik op de gegeven locatie (die ook uit de schriftelijke gegevens nopens de vaststelling ternauwernood blijkt) stond.

d. Onvoldoende bewijs van instemming met de geldende voorwaarden

Ingevolge de voormelde depenalisering van het parkeergebeuren (wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid) is het parkeren zoals in casu in wezen geschoeid op contractuele basis.

De gemeentelijke overheid biedt een dienstverlening of het gebruik van een accommodatie aan, tegen een bepaalde prijs en voorwaarden, en door geen parkeerschijf te leggen of deze foutief te gebruiken of de toegelaten parkeerduur te overschrijden wordt de burger geacht zijn instemming te betuigen met de prijs en de voorwaarden, zodat een overeenkomst tot stand komt.

Op zijn minst mag dan toch verwacht worden dat de burger kennisneemt of kan nemen van het gegeven dat hij door zijn handelingen geacht wordt een overeenkomst aan te gaan, en kennis kan nemen van de voorwaarden (bv. tarief) die van toepassing zijn op het contract. Ook dit minimale vereiste wordt niet aangetoond.

Van eiseres dan wel van haar opdrachtgeefster mag worden verwacht dat zij de burger informeren van het gegeven dat hij/zij een parkeerschijf dient te gebruiken – hetgeen ongetwijfeld gebeurt – en tevens dat bij niet- gebruik of het niet correct gebruik van deze parkeerschijf de parkeerder geacht wordt een overeenkomst te hebben aangegaan tot betaling van een retributie aan deze en gene voorwaarden. Nu wordt zelfs niet plausibel gemaakt dat de toevallige gebruiker zelfs maar moet of kan vermoeden dat er een retributiereglementering van toepassing is, laat staan aan welke voorwaarden.

Om al deze redenen dient de vordering van eiseres te worden afgewezen als ongegrond.

Noot: W. Vandenbruwaene Over publiek en privaat: juridische grenzen aan parkeergelden en aan de bevoegdheden van concessiehouders , RW 2010-2011, 1192

Zie evenwel de rechtspraak van het Hof van Cassatie van 03/06/2010 AR C.08.0581.N juridat

A. G. B. GEMEENTELIJK AUTONOOM PARKEERBEDRIJF ANTWERPEN, met zetel te 2000 Antwerpen, Jordaenskaai 25,
eiseres,

tegen
P.A.,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 7 maart 2006 in laatste aanleg gewezen door de Vrederechter van het vijfde kanton Antwerpen.
Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wetsbepalingen
- de artikelen 170, in het bijzonder §4, en 173 van de gecoördineerde Belgische Grondwet;
- artikel 42 van het Wetboek van de met Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen;
- artikel 1 van de Wet van 22 februari 1965 waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan parkeergeld op motorrijtuigen in te voeren, zoals gewijzigd door artikel 37 van de Wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid maar voor de wijziging ervan door artikel 25 van de Wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer en door artikel 5 van de Wet van 20 maart 2007 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer en van de wet van 22 februari 1965 waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan parkeergeld op motorrijtuigen in te voeren (hierna geciteerd als ‘artikel 1 van de Wet van 22 februari 1965 waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan parkeergeld op motorrijtuigen in te voeren');
- artikel 27.3, in het bijzonder 27.3.3, van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
- de artikelen 1226 en 1231, §1, van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 1, 2, 3 en 5 van het reglement betreffende de retributie op het parkeren van de stad Antwerpen voor de dienstjaren 2005 en 2006, goedgekeurd bij gemeenteraadsbeslissing van 20 december 2004.

Bestreden beslissingen

Het vredegerecht verwerpt het verweer van de eiseres dat de artikelen 1226 e.v. van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zijn op parkeerretributies en beslist dat het tot de taak van de rechtbank behoort om de overdreven omvang van de parkeerretributie als strafbeding tot normale proporties te "herleiden", op grond van de volgende overwegingen:
"Eisende partij wenst de wet toegepast te zien enkel wanneer het haar goed uitkomt.
Zij toont evenwel nergens in haar besluiten aan dat artikel 1231 van het Burgerlijk Wetboek in casu niet van toepassing zou zijn.
Alleszins dient de rechtbank de omvang van een parkeerretributie te beoordelen, wat juist haar controlerende taak ter bescherming van de burger ten opzicht van de overheid is.
Ten onrechte stelt eisende partij dat het niet over schade zou gaan bij niet-naleving.
De burger vergeet 1 euro te betalen voor bijvoorbeeld 1 uur parkeertijd en als sanctie dient hij 21,50 euro (dus 21,5 x meer) te betalen?
Dit staat absoluut niet meer in redelijke verhouding tot het belang van de verleende dienst.

Met het zogenaamde ‘vermoeden voor gekozen te hebben voor zulk tarief' is het zeer duidelijk dat de stad Antwerpen een verdoken strafbeding tracht te creëren met overdreven karakter, waarvan het de taak van de rechtbank is om zulke praktijken tegen te gaan en deze te herleiden tot normale proporties ongeacht of zulk strafbeding nu van contractuele dan wel van wettelijke aard zou zijn.

Wanneer, in geval van 1 onbetaalde euro in de parkeermeter, de overheid 21,5 keer meer mag eisen (zijnde 2.150 pct. meer) kan er wel degelijk sprake zijn van speculatie op wanprestatie in plaats van ‘speculatie op de solidariteitszin van de burgers'.

Het vroegere bedrag van 12,39 euro was al erg hoog en nergens wordt aangetoond dat een verhoging op 2 à 3 jaar naar 21,50 euro verantwoord is. De hoge eraan verbonden onkosten van infrastructuur, onderhoud en invordering heeft de stad Antwerpen vrijwillig gekozen, zodat deze geen reden mogen uitmaken.
In de gegeven omstandigheden herleiden wij dan ook de gevorderde parkeerretributie naar 12,39 euro zijnde in casu 12,39 euro x 8 wat een totaal geeft van 99,12 euro". (cf. p. 6 en 7 van het vonnis).

Grieven

Schending van de artikelen 170, in het bijzonder §4, en 173 van de gecoördineerde Belgische Grondwet, van artikel 42 van het Wetboek van de met Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen, van artikel 1 van de Wet van 22 februari 1965 waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan parkeergeld op motorrijtuigen in te voeren, van artikel 27.3, in het bijzonder 27.3.3, van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, van de artikelen 1226 en 1231, §1, van het Burgerlijk Wetboek, en van de artikelen 1, 2, 3 en 5 van het reglement betreffende de retributie op het parkeren van de stad Antwerpen voor de dienstjaren 2005 en 2006, goedgekeurd bij gemeenteraadsbeslissing van 20 december 2004 (hierna het parkeerretributiereglement).

1. Artikel 170, §4, van de Grondwet bepaalt dat geen last of belasting door de gemeente kan worden ingevoerd dan door een beslissing van de raad.
Artikel 173 van de Grondwet voegt hieraan toe dat behalve voor de provincies, de polders en wateringen en de gevallen uitdrukkelijk uitgezonderd door de wet, het decreet en de regelen bedoeld in artikel 134, van de burgers geen retributie kan worden gevorderd dan alleen als belasting ten behoeve van de Staat, de gemeenschap, het gewest, de agglomeratie, de federatie van gemeenten of de gemeente.

De gemeenten werden door artikel 1 van de wet van 22 februari 1965 gemachtigd om parkeergeld op motorrijtuigen te heffen.
Omdat de boetes die werden opgelegd in geval van niet-betaling van deze parkeerheffing niet aan de gemeenten ten goede kwamen, werden zij door artikel 27.3, in het bijzonder 27.3.3, van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer ook gemachtigd om parkeergeld op langdurig parkeren te heffen.

Deze heffing op langdurig parkeren berust op de veronderstelling dat, zo men niet (afdoende) gebruik maakt van de parkeerautomaat, men geacht wordt te opteren voor het systeem langdurig parkeren en de bijhorende heffing.

In voorliggend geval bepalen de artikelen 1, 2, 3 en 5 van het parkeerretributiereglement dat voor de dienstjaren 2005 en 2006 een retributie wordt geheven voor het parkeren van een motorvoertuig op parkeerplaatsen waar het gebruik van de parkeerautomaat verplicht is. De bestuurder of in voorkomend geval de houder van de nummerplaat en/of de eigenaar van de wagen wordt geacht het tarief voor langparkeren van 21,50 euro te hebben gekozen indien op het ogenblik van nazicht door de functionaris belast met toezicht blijkt dat geen geldig parkeerticket werd aangebracht.

2. Indien er een redelijke verhouding bestaat tussen de gevorderde heffing op langdurig parkeren en de verleende dienst, maakt deze heffing een retributie uit.
Bij gebrek aan dergelijke redelijke verhouding is daarentegen sprake van een verboden belasting in de zin van artikel 42 van het Wetboek van de met Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen.

3. Ook in het bestreden vonnis van de vrederechter is sprake van het vereiste van een "redelijke verhouding tot het belang van de verleende dienst" (cf. p. 6, voorlaatste alinea van het vonnis).

Deze vaststelling maakt evenwel geen deel uit van een onderzoek naar de aard van de gevorderde heffing langdurig parkeren.
De vrederechter oordeelt daarentegen - zonder te tornen aan de kwalificatie ervan als retributie - dat de heffing langdurig parkeren op een verdoken strafbeding berust en dat het aan de rechter toekomt - onder vigeur van de artikelen 1226 en 1231 van het Burgerlijk Wetboek - om de overdreven omvang ervan tot normale proporties te herleiden (cf. p. 5, derde alinea e.v., p. 6, laatste alinea en p. 7 van het arrest).

4. Overeenkomstig artikel 1226 van het Burgerlijk Wetboek is een strafbeding een beding waarbij een persoon zich voor het geval van niet-uitvoering van de overeenkomst verbindt tot betaling van een forfaitaire vergoeding van de schade die kan worden geleden ten gevolge van de niet-uitvoering van de overeenkomst.
Artikel 1231, §1, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de rechter ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar de straf kan verminderen die bestaat in het betalen van een bepaalde geldsom, wanneer die som kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden.

De toepassing van deze bepalingen veronderstelt dus onmiskenbaar een contractueel kader. Buiten de contractuele rechtsverhouding hebben de regels inzake het strafbeding geen bestaansreden.

In zoverre het vredegerecht beslist dat "met het zogenaamde ‘vermoeden voor gekozen te hebben voor zulk tarief' het zeer duidelijk (is) dat de stad Antwerpen een verdoken strafbeding tracht te creëren met overdreven karakter, waarvan het de taak van de rechtbank is om zulke praktijken tegen te gaan en deze te herleiden tot normale proporties ongeacht of zulk strafbeding nu van contractuele dan wel van wettelijke aard zou zijn" (cf. p. 6, in fine) en verderop in het vonnis overweegt dat "nergens wordt aangetoond dat een verhoging op 2 à 3 jaar naar 21,50 euro verantwoord is" (cf. p. 7, 2de alinea), om dan vervolgens de retributie te herleiden tot acht maal 12,39 euro, is het vonnis dan ook niet naar recht verantwoord.

5. Van een contractuele rechtsverhouding tussen de eiseres en de verweerster is geen sprake. De rechtsverhouding tussen partijen wordt daarentegen beheerst door de bepalingen van het parkeerretributiereglement.

In zoverre het vredegerecht beslist dat ongeacht de wettelijke of contractuele aard van het beweerde strafbeding dat de parkeerretributie zou zijn, een matigingsrecht in de zin van de artikelen 1226 en 1231 van het Burgerlijk Wetboek kan worden uitgeoefend, past het vonnis deze artikelen dan ook onwettig toe op een rechtsverhouding die erdoor niet beheerst wordt.
De beslissing om de omvang van de gevorderde parkeerretributies bij wijze van strafbeding te verminderen, verleent aan de rechterlijke bevoegdheid tot matiging van strafbedingen in de artikelen 1226 en 1231, §1, van het Burgerlijk Wetboek een toepassingsgebied dat die matigingsbevoegdheid niet heeft (schending van de artikelen 1226 en 1231, §1, van het Burgerlijk Wetboek).

Deze beslissing miskent tevens de reglementaire aard van de rechtsverhouding tussen partijen, die beheerst wordt door het parkeerretributiereglement en door de hiervoor uiteengezette grondwettelijke en wettelijke bepalingen (schending van artikel 1 van de Wet van 22 februari 1965 waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan parkeergeld op motorrijtuigen in te voeren, van de artikelen 1, 2, 3 en 5 van het reglement betreffende de retributie op het parkeren van de stad Antwerpen en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 170, §4, en 173 van de Grondwet, van artikel 27.3, in het bijzonder 27.3.3, van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van artikel 42 van het Wetboek van de met Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 1 van de Wet van 22 februari 1965, kunnen de gemeenteraden, overeenkomstig de wetgeving en de reglementen op de politie van het wegverkeer, parkeerretributies instellen wanneer zij reglementen inzake het parkeren vaststellen, die betrekking hebben op het parkeren onder bepaalde omstandigheden.

2. De rechtsverhouding die hieruit ontstaat met diegene die de retributie verschuldigd is, is niet van contractuele, maar van reglementaire aard.

3. Het artikel 1231, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat de rechter de mogelijkheid biedt het beding te matigen waarbij een persoon zich voor het geval van niet-uitvoering van een overeenkomst tot de betaling van een forfaitaire vergoeding van de schade heeft verbonden, is niet van toepassing op een rechtsverhouding die niet van contractuele, maar van reglementaire aard is.

4. De vrederechter, die vaststelt dat de vordering van de eiseres betrekking heeft op parkeerretributies ingesteld krachtens de wet van 22 februari 1965, past het artikel 1231, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek toe op een reglementaire rechtsverhouding.
Door aldus te oordelen schendt hij de voormelde wetsbepaling.
Het middel is in zoverre gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het vredegerecht van het eerste kanton Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

PARKET VAN HET
HOF VAN CASSATIE
_____
C.08.0581.N

Conclusie van advocaat-generaal Dirk Thijs:

1. Bij het bestreden vonnis deed de vrederechter van het 5de kanton te Antwerpen uitspraak over de parkeerretributies die eiseres langs burgerrechtelijke weg invorderde lastens verweerder.
Na uitvoerig te hebben stilgestaan bij de voor- en nadelen van parkeerretributies en de ‘nefaste gevolgen voor de Antwerpse burgers', oordeelt de vrederechter dat ook de overheid bij het heffen van een parkeerretributie de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende het ‘strafbeding' moet eerbiedigen. Vermits de heffing voor langparkeren, volgens het bestreden vonnis, een strafbeding uitmaakt, kan de rechter de retributie matigen tot normale proporties op grond van artikel 1231 van het Burgerlijk Wetboek.
Het verweer van eiseres dat de artikelen 1226 e.v. van het Burgerlijk Wetboek bij gebrek aan overeenkomst in voorliggend geval niet van toepassing zijn, wordt in het bestreden vonnis verworpen.
De vrederechter vermindert de gevorderde parkeerretributie vervolgens tot 12,39 EUR in plaats van de oorspronkelijk gevorderde 21,50 EUR en bekomt aldus een totaalbedrag van 99,12 EUR aan parkeerretributies.

2. In het enig middel tot cassatie voert eiseres aan dat de vrederechter door in die zin te oordelen onder meer de artikelen 1226 en 1231, §1, van het Burgerlijk Wetboek geschonden heeft.

3. Overeenkomstig artikel 1226 van het Burgerlijk Wetboek is een strafbeding een beding waarbij een persoon zich voor het geval van niet-uitvoering van de overeenkomst verbindt tot betaling van een forfaitaire vergoeding van de schade die kan worden geleden ten gevolge van de niet-uitvoering van de overeenkomst.
Artikel 1231, §1 van dat wetboek bepaalt anderzijds dat de rechter ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar de straf kan verminderen die bestaat in het betalen van een bepaalde geldsom, wanneer die som kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden.

4. Zoals eiseres aanvoert veronderstelt de toepassing van deze bepalingen onmiskenbaar een contractueel kader. Buiten de contractuele rechtsverhouding hebben de regels inzake het strafbeding geen bestaansreden. Zij behoren tot het contractueel aansprakelijkheidsrecht (L. CORNELIS, "Lief zijn voor het verbintenissenrecht (over het virtuele strafbeding)", T.B.H. 2000, 13, nr 22; P. WERY, Les clauses applicables en cas d'inexécution des obligations contractuelles, Brugge, Die Keure, 2001, 254, nr. 5 en 284, nr. 44).

De regels inzake het strafbeding veronderstellen bijgevolg een overeenkomst tussen handelaars of professionelen, dan wel tussen particulieren (C. DELFORGE, "Entre prudence et audace ... réflexions sur la récente modification des dispositions du Code civil relative à la clause pénale et aux intérêts moratoires", Rev. Not. B. 1999, 602-603; P. WERY, "La loi du 23 novembre 1998 modifiant le Code civil en ce qui concerne la clause pénale et les intérêts moratoires: fin de la crise de la clause pénale ou début de nouvelles incertitudes?", T.B.B.R. 1999, 226).

5. Van een contractuele rechtsverhouding tussen eiseres en verweerster is in casu evenwel geen sprake. De rechtsverhouding tussen partijen wordt immers beheerst door de bepalingen van het parkeerretributiereglement.

In zoverre het vredegerecht beslist dat "met het zogenaamde ‘vermoeden voor gekozen te hebben voor zulk tarief' het zeer duidelijk (is) dat de stad Antwerpen een verdoken strafbeding tracht te creëren met overdreven karakter, waarvan het de taak van de rechtbank is om zulke praktijken tegen te gaan en deze te herleiden tot normale proporties ongeacht of zulk strafbeding nu van contractuele dan wel van wettelijke aard zou zijn" en verderop in het vonnis overweegt dat "nergens wordt aangetoond dat een verhoging op 2 à 3 jaar naar 21,50 euro verantwoord is", om dan vervolgens de retributie te herleiden tot acht maal 12,39 EUR, past het de artikelen 1226 en 1231, §1, van het Burgerlijk Wetboek toe op een rechtsverhouding die erdoor niet beheerst wordt.

In zoverre het middel schending aanvoert van deze bepalingen, komt het dan ook gegrond voor.

6. Ten behoeve van de verwijzingsrechter lijkt het mij aangewezen een kritische kanttekening te maken bij het bestreden vonnis.
Op grond van artikel 159 van de Grondwet is de rechter verplicht een gemeentelijk reglement dat voorziet in de heffing van parkeerretributies, buiten toepassing te verklaren wanneer hij tot de bevinding komt dat het reglement strijdig is met de wetten.
Ieder met eigenlijke rechtspraak belast orgaan kan en moet nagaan of de besluiten en verordeningen waarop een vordering, verweer of exceptie is gegrond, met de wet overeenstemmen (Cass. 16 juni 2006, AR nr. C.05.0287.F, A.C. 2006, nr. 334; Cass. 22 maart 1993, A.C. 1993, nr. 154.).

7. Artikel 42 van het Wetboek van de met de Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen (hierna: W.I.G.B.) verbiedt de gemeenten en provinciën om op motorrijtuigen enige belasting te heffen. Anderzijds is de vrederechter niet bevoegd voor betwistingen over belastingen (cfr. art. 569, 32° Ger.W.).
Nadat Uw Hof in enkele arresten oordeelde dat een parkeerheffing een verboden vorm van belasting was (o.m. Cass. 19 nov. 1954, Pas. 1955, I, 253; R.W. 1954, 1462; Cass. 18 feb. 1955, Pas. 1955, I, 653), kwam de wetgever de gemeenten te hulp en werden zij bij wet van 22 februari 1965 gemachtigd om parkeergeld te heffen.

Uw Hof oordeelde in latere arresten dat deze heffing voor een gebruik van het openbaar domein dat normaal niet is toegestaan, als een retributie moest worden beschouwd (Cass. 20 nov. 1972, A.C. 1973, 279; Pas. 1973, I, 275; T. Gem. 1973, 257; Cass. 23 maart 1983, A.C. 1982-83, 901; Pas. 1983, I, 800.).
Omdat de boetes die werden opgelegd in geval van niet-betaling van de bewuste parkeerheffing niet aan de gemeenten ten goede kwamen, werden zij door een wijziging van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, bij koninklijk besluit van 18 september 1991, ook gemachtigd om parkeergeld op langdurig parkeren te heffen.

Deze heffing op langdurig parkeren berust op de veronderstelling dat, zo men niet afdoende gebruik maakt van de parkeerautomaat, men geacht wordt te opteren voor het systeem langdurig parkeren en de daarbij horende heffing (M. DE JONCKHEERE, "De heffing op het langdurig parkeren", noot sub Cass. 10 sept. 1998, L.R.B. 2000, 73; P. PEETERS en A. WEYN, "Het cassatie-arrest van 10 mei 2002: langdurig parkeren (opnieuw) ter discussie", noot sub Cass. 10 mei 2002, T.F.R. 2003, 640).

In de door voornoemde auteurs besproken arresten van 10 september 1998 (Bull. 1998, 942, nr. 397, met concl. van toenmalig advocaat-generaal J.F. Leclercq) en 10 mei 2002 (Pas. 2002, 1123) besliste Uw Hof dat ook de heffing op het langdurig parkeren als een retributie kan worden beschouwd voor zover er een redelijke verhouding bestaat tussen het gevorderde forfait en de verleende dienst.

Bij gebrek aan dergelijke redelijke verhouding is er geen sprake van een retributie maar wel van een (door artikel 42 W.I.G.B. verboden) belasting (cfr. de conclusie van toenmalig advocaat-generaal J.F. Leclercq voor Cass. 10 sept. 1998, Bull. 1998, 944: "c'est en effet là l'examen d'un des critères permettant de déterminer s'il s'agit d'une rétribution ou d'un impôt).

In het bestreden vonnis stelt de vrederechter als principe voorop dat krachtens artikel 159 van de Grondwet de hoven en de rechtbanken alleen de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen (vonnis, p. 5, alinea 2).
De vrederechter wijst er terecht op dat "het bedrag van de retributie evenwel in een redelijke verhouding moet staan tot het bedrag van de verleende dienst, zoniet is zij geen retributie meer, maar moet zij als een belasting worden beschouwd" (vonnis, p. 4, 9de alinea).

De vrederechter onderzoekt daarop de tariefstructuur van het parkeerretributiereglement en spreekt van ‘straatjesmelkerij, louter en alleen ter extra financiering van de stadskas'.

(...) De burger vergeet 1 euro te betalen voor bijvoorbeeld 1 uur parkeertijd en als sanctie dient hij 21,50 euro (dus 21,5 x meer) te betalen? Dit staat absoluut niet meer in redelijke verhouding tot het belang van de verleende dienst. (...) Het vroegere bedrag van 12,39 euro was al erg hoog en nergens wordt aangetoond dat een verhoging op 2 à 3 jaar tijd naar 21,50 euro verantwoord is" (vonnis, p. 6 en 7)

Gelet op deze vaststelling dat de litigieuze retributie niet meer in redelijke verhouding staat tot het belang van de verleende dienst had de vrederechter daaruit moeten afleiden dat deze retributie in werkelijkheid een verdoken belasting betrof in de zin van artikel 42 van het W.I.G.B. zodat er aanleiding toe bestond het parkeerretributiereglement buiten toepassing te verklaren op grond van artikel 159 van de Grondwet.

In voorliggende zaak heeft de vrederechter kennelijk geen onderzoek verricht naar de wettelijkheid van de litigieuze retributie ofschoon hij zulks in het vooruitzicht had gesteld ingevolge de verwijzing naar artikel 159 van de Grondwet.

Uw Hof beschikt in deze zaak cassatietechnisch evenwel niet over de mogelijkheid over te gaan tot substitutie van motieven.
Besluit: VERNIETIGING.
 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 07/09/2017 - 05:03
Laatst aangepast op: do, 07/09/2017 - 05:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.