-A +A

Persoonlijk onderhoudsgeld na echtscheiding economische terugval en staat van behoefte

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 06/05/2015

Overeenkomstig artikel 301,§3 Burgerlijk Wetboek legt de rechter het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die tenminste de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet dekken.

Vermits – zoals blijkt uit de echtscheidingshervorming – het actuele huwelijksconcept niet langer uitgaat van een levenslange verbintenis, kan ook niet langer worden uitgegaan van het levenslange genot van de huwelijkse levensstandaard na beëindiging van het huwelijk.

Tijdens het huwelijk geniet de economisch zwakkere echtgenoot weliswaar een van de hogere welvaart van de economische sterkere echtgenoot, maar bij beëindiging van het huwelijk moet deze terug in zijn eigen levensonderhoud voorzien, overeenkomstig diens eigen financiële draagkracht.

De economische zelfredzaamheid van de gewezen echtgenoten is sinds de wet van 27 april 2007 dan ook het uitgangspunt en tevens de minimumnorm. Het betreft een verwijzing in abstracto naar de normale of gemiddelde levensstandaard van om het even welke uitkeringsgerechtigden in een soortgelijke situatie (met die welbepaalde opvoeding, sociale status, opleiding, leeftijd en gezondheidstoestand) en niet naar de levensstijl in concreto van de uitkeringsgerechtigde ex-echtgenoot.

Zoniet, wordt de notie “staat van behoefte” uitgehold en geassimileerd met de huwelijkse levensstandaard van de uitkeringsgerechtigde. De formulering in artikel 301,§drie, eerste lid dat de uitkering tenminste de staat van behoefte moet dekken, verliest bovendien elke zin van betekenis wanneer deze enkel zou worden gedetermineerd door de (vroegere) levensstandaard.
 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/15
Pagina: 
1075
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

[…]
De vrouw vraagt thans blijkens haar laatste conclusie de bevestiging van het bestreden vonnis waarbij haar een uitkering na echtscheiding van € 1200 werd toegekend, geïndexeerd, en dit voor de duur van het huwelijk en doet dus impliciet afstand van haar in haar verzoekschrift hoger beroep geformuleerde vordering, meer bepaald aan haar onderhoudsgeld toe te kennen van € 2000 per maand, geïndexeerd.

De man stelt dat de vrouw niet gerechtigd is op enige onderhoudsuitkering op grond van zware fout in haar hoofde (artikel 301 §2, tweede lid Burgerlijk Wetboek), ondergeschikt omdat de behoeftigheid door een eenzijdige beslissing van de vrouw werd veroorzaakt en deze geenszins het gevolg is van de noden van het huwelijk, meer ondergeschikt omdat zij haar verdienvermogen niet heeft geoptimaliseerd en zij niet in staat van behoeftigheid verkeert. Meest ondergeschikt, indien het Hof toch een onderhoudsuitkering gerechtvaardigd zou achten, vordert hij deze drastisch te verminderen zowel wat het bedrag als wat de duurtijd betreft.

Overeenkomstig artikel 301,§3 Burgerlijk Wetboek legt de rechter het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die tenminste de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet dekken.

Vermits – zoals blijkt uit de echtscheidingshervorming – het actuele huwelijksconcept niet langer uitgaat van een levenslange verbintenis, kan ook niet langer worden uitgegaan van het levenslange genot van de huwelijkse levensstandaard na beëindiging van het huwelijk.

Tijdens het huwelijk geniet de economisch zwakkere echtgenoot weliswaar een van de hogere welvaart van de economische sterkere echtgenoot, maar bij beëindiging van het huwelijk moet deze terug in zijn eigen levensonderhoud voorzien, overeenkomstig diens eigen financiële draagkracht. De economische zelfredzaamheid van de gewezen echtgenoten is sinds de wet van 27 april 2007 dan ook het uitgangspunt en tevens de minimumnorm. Het betreft een verwijzing in abstracto naar de normale of gemiddelde levensstandaard van om het even welke uitkeringsgerechtigden in een soortgelijke situatie (met die welbepaalde opvoeding, sociale status, opleiding, leeftijd en gezondheidstoestand) en niet naar de levensstijl in concreto van de uitkeringsgerechtigde ex-echtgenoot. Zoniet, wordt de notie “staat van behoefte” uitgehold en geassimileerd met de huwelijkse levensstandaard van de uitkeringsgerechtigde. De formulering in artikel 301,§drie, eerste lid dat de uitkering tenminste de staat van behoefte moet dekken, verliest bovendien elke zin van betekenis wanneer deze enkel zou worden gedetermineerd door de (vroegere) levensstandaard.

Artikel 301 Burgerlijk Wetboek voorziet in een basissolidariteit na het huwelijk via de alimentaire functie van de uitkering na echtscheiding, waarbij de mogelijkheid tot uitgebreidere solidariteit legt aan de orde is bij zogenaamde economische terugval, die bovendien aanzienlijk moet zijn en geheel of gedeeltelijk kan worden gecompenseerd wanneer hiertoe bijzondere redenen voorhanden zijn.

De wet somde op exemplatieve wijze een aantal redenen op, op basis waarvan een beroep kan worden gedaan op een uitgebreidere solidariteit, met name de duur van het huwelijk, de leeftijd van de partijen en de gekozen taakverdeling en het daarmee gepaard gaande verlies van verdienvermogen.

De terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde kan het gevolg zijn van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar ook van de echtscheiding zelf. Daaruit volgt dat de mogelijkheid van toekenning van een hogere uitkering dan wat nodig is om de staat van behoefte te dekken, niet uitsluitend bestaat in geval de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde de wegens het huwelijk is verminderd, maar eveneens, om bijzondere redenen van redelijkheid en billijkheid, wanneer er – zonder verlies aan verdienvermogen – een aanzienlijke terugval door de echtscheiding wordt veroorzaakt. De huwelijkse levensstandaard maakt een beoordelingselement uit dat in acht kan worden genomen bij de begroting van de uitkering, om een te aanzienlijke economische terugval te vermijden.

De rechter houdt in essentie rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten: het inkomen van de ex echtgenoten dat vergeleken wordt is het netto-inkomen, zijnde het bedrag dat zij overhouden, na aftrek van de lasten die opgelegd worden door de sociale en fiscale wetten.

Voor het bepalen van de maximumgrens van de uitkering na echtscheiding tot een derde van de inkomsten (artikel 301, §3 in fine Burgerlijk Wetboek) moet worden uitgegaan van de netto inkomsten, dit is het bedrag dat de onderhoudsplichtig je overhoudt na aftrek van de sociale en fiscale lasten, zonder dat rekening wordt gehouden met andere lasten waartoe de onderhoudsplichtig gehouden is in het kader van zijn bestedingspatroon of ten behoeve van anderen.
Het huwelijk van partijen heeft circa 17 jaar geduurd.

De man faalt in de op hem rustende bewijslast van een zware fout in hoofde van de vrouw van een beweert overspelige relatie met een zekere P.S. ligt geen enkel bewijs voor. Evenmin is bewezen dat er vrouwen zonder enige reden de echtelijke woonst heeft verlaten.

De echtscheiding werd inmiddels uitgesproken op grond van artikel 229§2 Burgerlijk Wetboek (gezamenlijk verzoek).

Het feit dat de vrouw zelf de echtelijke woning verlaten heeft volstaat evenmin als bewijs van zware fout, nu de vrouw op haar beurt de man verwijt diverse overspelige relaties te hebben gehad tijdens het huwelijk. Dat daarvan evenmin bewijs wordt voortgebracht doet daaraan geen afbreuk. Op de vrouw rust immers geen bewijslast dienaangaande.

Bij gebrek aan bewijs wordt de door de man opgeworpen exceptie van zware fout afgewezen.

De vrouw geboren op 23 juli 1967 is op heden 47 jaar oud. Zij heeft een diploma Handel A2 behaalde 1985, zij is zowel voor als tijdens het huwelijk tewerkgesteld geweest, aanvankelijk voltijds, later deeltijd (aanvankelijk 50%, later 80%).

De man voert aan dat het feit dat de vrouw deeltijds werkte niet was ingegeven door de noden van het gezin. Dit standpunt kan niet aanvaard worden vermits de beslissing tijdens het huwelijk werd genomen en het aan te nemen is dat dit gebeurde in onderlinge afspraak tussen de echtgenoten en met het akkoord van de man. Het tegendeel wordt door de man in elk geval niet bewezen.

Bovendien kan men er niet omheen dat de beslissing klaarblijkelijk samenviel met de komst van M. (De toen 14-jarige zoon van de man uit een vorig huwelijk) in het gezin. De discussie tussen partijen nopens de al of niet noodzaak voor de jongen tot extra zorg en aandacht om wille van al of niet bewezen dyslexie en ADD, is niet relevant, nu in elk geval de beslissing van de vrouw om deeltijds te werken destijds genomen werd in onderling akkoord tussen de echtgenoten. Zoals gezegd, blijkt uit niets dat de man zich daartegen zou gezet hebben.

Aangenomen kan dan ook worden dat de vrouw ingevolge het huwelijk en de echtscheiding en economische terugval heeft.

Het feit dat zij vanaf oktober 2011 in ziekteverlof was wegens burn-out is geobjectiveerd en afdoende bewezen aan de hand van de stukken (stukken II.3 tot 7 van de vrouw). Vanaf mei 2014 is er een einde gekomen aan de tijdelijke invaliditeit en is de vrouw werkzoekend. Zij geniet actueel een werkloosheidsvergoeding van 1300 A € 1400 per maand.

Met haar professionele ervaring en mogelijkheden en gelet op haar leeftijd is aan te nemen dat de vrouwen minstens terug 80% aan het werk kan en daarbij een inkomen kan genereren van minimaal € 1500. Er is geen enkele indicatie dat zij niet (meer) in de mogelijkheid zou zijn om te werken. Het feit dat zij ingeschreven is als werkzoekende bevestigt dit.

De vrouw huurt actueel appartement tegen een maandelijkse huurprijs van € 650 meer € 50 kosten. Nochtans blijkt zij eigenares te zijn van een woning destijds met haar eerste echtgenoot gebouwd op een perceel eigendom van haar moeder, welke op basis van de voorgelegde stukken (stuk 15 van de man) een volwaardige woning blijkt te zijn. Uit het voorgelegde aanslagbiljet (aanslagjaar 2014 inkomsten 2013) blijkt trouwens dat zij een eigen woning heeft met een kadastraal inkomen van € 1192, de bewering dat het slechts een “tuinhuis” zou betreffen wordt door dit alles tegengesproken. Het behoort aan de vrouw om optimaal gebruik te maken van haar mogelijkheden, hetzij doorverhuren van de desbetreffende woning, dan wel door de woning zelf te betrekken. De potentiële huur inkomst wordt door het hof geraamd op minimaal € 700.

Bovendien ontving de vrouw – net als de man – een overschot op de vereffeningverdeling, meer bepaald de helft van het spaartegoed van partijen, hetzij om en bij de € 62.000 elk.

Het is niet bewezen dat de vrouw andere bronnen van inkomsten heeft, zoals door de man voorgehouden. Met de verbrekingsvergoeding die werd uitbetaald in 2013 thans geen rekening meer worden gehouden, vermits deze zoals blijkt uit het aanslagbiljet betreffende de inkomsten 2013 (aanslagjaar 2014 Stuk V3 van de vrouwen) integraal belast werk als inkomsten 2013, hetzij tijdens de echtscheidingsprocedure.

Dat zij thans nog inkomsten zou verwerven (in het zwart) als masseuse komt evenmin bewezen voor.

De man geboren op 16 oktober 1962 is thans 52 jaar oud.

De man is directeur in de automobielsector. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat zijn netto maandinkomen (stukken vijf, 21,28 en 29) minstens € 6700 netto per maand bedraagt.

Hij woont thans nog steeds in de echtelijke woning en betaalt de daarop rustende hypothecaire lening de bedragen van € 231,94 (stuk zes van de man). Verder betaalt hij nog de hypothecaire lening gevestigd op een gemeenschappelijke bouwgrond gelegen naast de echtelijke woning (€ 374,36 per maand).

Een en ander zal uiteraard verrekend worden bij de vereffening-verdeling van de huwgemeenschap tussen partijen.

De man woont samen met zijn inmiddels meerderjarige zoon die zelf ook werkt.

Het Hof kan zich niet uitspreken over de door de man opgeworpen hypothetische onzekerheid van zijn werkomstandigheden.

Het hof wijst, voor zoveel als nodig, evenwel op de mogelijkheid tot herziening van de uitkering zoals bepaald in artikel 301§7 Burgerlijk Wetboek.

Uit het voorgaande volgt dat de vrouw naar redelijkheid en billijkheid, recht heeft op een maandelijkse onderhoudsuitkering na echtscheiding van € 300, hetgeen noodzakelijk nog voldoende is om in haar behoeften en in haar economische terugval te kunnen voorzien, en dit voor de duur van het huwelijk.

Voornoemd bedrag overschrijdt de 1/3 grens van het netto-inkomen van de man geenszins, terwijl dit onderhoudsgeld ook fiscaal aftrekbaar is ten bedrage van 80%.

Onder deze uitspraak werd een schitterende noot geschreven door Steven Brouwers, de terugval van de economische situatie omwille van het huwelijk en/of omwille van de echtscheiding: waar blijft de rechtszekerheid? R.A. B.G.2 1015/15 pagina 1082


Tussen de zelfde partijen middels tussenkomst van dezelfde advocaten werd ook geoordeeld over het onderhoudsgeld tijdens de echtscheidingsprocedure in een arrest van het Hof van beroep te Antwerpen van 6 mei 2015.

Het arrest kwam tussen op een ogenblik dat de echtscheiding inmiddels werd uitgesproken waardoor het Hof van beroep zich uitspreken over de periode tussen de inleiding van de echtscheiding is en de datum waarop het echtscheidingsvonnis kracht van gewijsde heeft.

Uittreksel uit het arrest Hof van beroep Antwerpen 6 mei 2015 R.A.G. 2015/15, 1089

[...] dit hof oordeelt dat de aangesproken onderhoudsplichtige teneinde de vordering tot het bekomen van onderhoudsgeld tijdens de echtscheiding te doen afwijzen zich kan beroepen op de exceptie dat de feitelijke scheiding geheel of ten dele aan de onderhoudsgerechtigde te wijten is (cassatie 22 december 2006, echtscheidingjournaal 2007, met noot Aerts, rechtskundig weekblad 2006 -2007, 1153, met noot Mosselmans; Cassatie 13 april 2001, Act. Dr. Fam. 2008, 57, noot Van Gysel).
Het moet gaan om een zware fout en de bewijslastrust op de verweerder inzake onderhoudsgeld.

In deze faalt de man in de op hem rustende bewijslast. Van de door de man thans ingeroepen overspelige relatie in hoofde van de vrouw ligt geen enkel bewijs voor.

De echtscheiding werd inmiddels uitgesproken op grond van artikel 229 §2 Burgerlijk Wetboek (gezamenlijk verzoek).

Het feit dat de vrouw zelf de echtelijke woning verlaten heeft volstaat evenmin als bewijs van zware fout, nu de vrouw op haar beurt de man verwijt diverse overspelige relaties te hebben gehad tijdens het huwelijk, waarvan evenmin bewijs wordt voortgebracht. Zij stelt op basis van gegronde redenen de echtelijke woning te hebben verlaten. Die beweerd gegronde redenen worden niet verder verduidelijkt. Noch het feit dat de vrouw haar vertrek enigszins georganiseerd heeft, noch de timing (twee dagen naar gezamenlijke vakantie) doet aan dit alles afbreuk. Op de vrouw berust immers geen bewijslast. Zij moet niet bewijzen dat nog het ontstaan nog het voortduren van de feitelijke scheiding aan haar te wijten is.

Bij gebrek aan bewijs word de door de man opgeworpen exceptie van zware fout afgewezen.

Het onderhoudsgeld tijdens het echtscheidingsgeding moet de uitkeringsgerechtigde-echtgenoot (hier: de vrouwen) in staat stellen de levensstijl aan te houden die zij zou hebben gehad indien er geen scheiding was geweest. Het is daarbij geenszins de bedoeling om een gelijke verdeling van de netto inkomsten van de echtgenoten te verzekeren.

Bovendien moeten beide echtgenoten eveneens delen in de daling van de levensstandaard veroorzaakt door de toename van hun huisvestingskosten en bijkomende lasten die het gevolg zijn van het afzonderlijk gaan wonen.

De referentiestandaard is de gemiddelde levensstandaard tijdens het huwelijk.

Daarna moet het inkomen, de draagkracht en de noden van elke echtgenoot worden beoordeeld. Indien de vrouw niet over de mogelijkheid beschikt om op een gelijkwaardige wijze in haar persoonlijk onderhoud te voorzien, dan moet het onderhoudsgeld toelaten over een gelijkwaardig financieel budget te beschikken teneinde de vrouw toe te laten in haar persoonlijk onderhoud te kunnen voorzien.

Op basis van de stukken van de vrouw (aanslagbiljetten betreffende gezamenlijke gezinsinkomsten) blijkt dat het gemiddeld nettogezinsinkomen tijdens het samenleven kan begroot worden op om en bij de € 6000 per maand.

Het gemiddeld netto-inkomen van de man bedroeg in 2012 om en bij de € 5800 per maand. De vrouw genoot beroepsinkomsten, ziekte en invaliditeitsvergoeding en vervangingsinkomsten samen voor een totaal van om en bij de € 1800 netto per maand.

In het jaar 2013 genoot de vrouw (buiten onderhoudsgeld waarmee voor de becijfering evident geen rekening wordt gehouden) een belastbaar beroepsinkomen (wedden en lonen, vervroegd vakantiegeld, opzeggingsvergoeding, ziekte-en invaliditeitsvergoeding) van om en bij de € 2250 netto per maand.

Op basis van de door de vrouw thans voortgebrachte officiële stukken (aanslagbiljetten) met betrekking tot haar inkomsten in de relevante periode, gaat het Hof niet verder in op de loutere beweringen van de man dat de vrouw bijkomende inkomsten heeft die zij zou verzwijgen. Van deze loutere bewering wordt overigens geen enkel stuk voortgebracht die deze bewering waarachtig gemaakt.
De bewering dat de vrouw haar verdiensten in de relevante periode niet geoptimaliseerd heeft kan niet gevolgd worden, nu de burn-out medisch onderbouwd en gestaafd is door stukken.

De discussie tussen partijen omtrent de vraag of de vrouw haar carrière heeft aangepast in functie van de zorg voor M. (Zoon van de man uit een vorig huwelijk) is evenmin relevant, nu de carrièreswitch reeds plaatsvond tijdens het samenleven van partijen en bij gebrek aan bewijs van het tegendeel, het hof aanneemt dat dit gebeurde in onderling overleg en akkoord van beide echtgenoten.

Rekening houdende met dit alles, bepaalt de levensstandaard tijdens het samenleven, de financiële draagkracht van partijen tijdens de echtscheidingsprocedure en de tussen echtgenoten bestaande hulp-en bijstandsverplichting, is de vrouw voor de duur van de echtscheidingsprocedure gerechtigd op een geïndexeerd onderhoudsgeld door het Hof begroot op: € 850 per maand voor november en december 2012 en € 400 per maand vanaf januari 2013.

De kosten van beide aanleggen met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen worden gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van partijen, omgeslagen (artikel 1017, vierde lid gerechtelijk wetboek).

 

Noot: 

• C. VaN Roy, De onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting: de voowaardelijke "ja" voor de levensstandaard vervangen door een "ja, maar", T. Fam. 2014/5, 107, Noot onder de weergave van dit arrest in zelfde tijdschrift.

• S. Brouwers, Rechtsmisbruik” en de principiële onwijzigbaarheid van de uitkering na een (oude) EOT, RABG 2011/05, 357 (noot onder Brussel, 19/10/2010, RABG 2011/5,357)

• Gerd Verschelden, Cassatie aanvaardt afschaffing alimentatie na rechtsmisbruik bij EOT overeenkomst, Juristenkrant 228, 20 april 2011, pagina 3 en Cass. 14 oktober  2010.De auteur wijst erop dat dit arrest, dat weliswaar kan toegejuicht worden, toch inhoudt dat een contractueel recht werd verbeurd, hetgeen een wrang gevoel heeft en waarbij de vraag kan gesteld worden waarom geen toevlucht werd gezocht tot een procedure tot vermindering van onderhoudsgeld. Persoonlijk begrijpen wij deze opmerking, doch deze opmerking benatwoordt de problemen niet bij een reeds verleende titel, een nog niet gewijzigd onderhoudsgeld, een uitvoering voor achterstallige betalingen, naast de moeilijkheden verbonden aan een procedure tot vermindering van een persoonlijk onderhoudsgeld na EOT.

Dit arrest werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor Familierecht en aldaar voorzien van een noot van P. Sennaeve, Aangaande het bepalen van het onderhoudsgerechtigd zijn en aangaande de begroting van de onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, T. Fam. 2014/3-4, 98. In deze noot maakt de auteur het onderscheid tussen het principieel gerechtigd zijn op onderhoudsgeld en de wijze van begroting van de onderhoudsuitkering.

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 6 maart 2014, RW 2014-2015, 1462

AR nr. C.12.0184.N

A. t/ D.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 6 mei 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

...

2. Krachtens art. 301, § 3, eerste en tweede lid BW legt de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun behoeften en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

Uit deze bepalingen volgt dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding niet alleen rekening kan houden met de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar dat hij, indien daartoe bijzondere redenen voorhanden zijn, zoals de zeer lange duur van het huwelijk of de hoge leeftijd van de uitkeringsgerechtigde, ook rekening kan houden met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding.

3. Het onderdeel dat er voor het overige geheel van uitgaat dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding verplicht is rekening te houden met de aanzienlijke terugval van de economische situatie die het gevolg is van de echtscheiding, zodat de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet worden bepaald op grond van de levensstandaard van tijdens het huwelijkse samenleven, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 10/01/2016 - 16:44
Laatst aangepast op: za, 09/09/2017 - 06:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.