-A +A

Persoonlijk onderhoudsgeld na echtscheiding economische terugval - staat van behoefte - Levensstandaard tijdens huwelijk

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 03/11/2016
A.R.: 
C.15.0217.F

Hoewel de rechtbank bij het bepalen van het bedrag van de onderhoudsuitkering na echtscheiding met name rekening kan houden met de levensstandaard van de partijen tijdens het huwelijk, heeft die uitkering niet tot doel de echtgenoot-eiser dezelfde levensstandaard als tijdens het samenleven te waarborgen.

Publicatie
tijdschrift: 
T.Fam
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/10
Pagina: 
273
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0217.F
B. T.,
tegen
Y. V. M.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant van 9 mei 2014.II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Luidens artikel 301, § 3, eerste en derde lid, Burgerlijk Wetboek legt de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leef-tijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

Hoewel de rechtbank bij het bepalen van het bedrag van de onderhoudsuitkering na echtscheiding met name rekening kan houden met de levensstandaard van de partijen tijdens het huwelijk, heeft die uitkering niet tot doel de echtgenoot-eiser dezelfde levensstandaard als tijdens het samenleven te waarborgen.

Het bestreden vonnis, dat de eiser veroordeelt om aan de verweerster een onder-houdsuitkering van 1.417,50 euro per maand te betalen, op grond dat de verweerster voornoemd bedrag "nodig heeft om dezelfde levensstandaard als tijdens het samenleven van de partijen te kunnen blijven genieten", schendt artikel 301, § 3, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Tweede middel
(...)

Tweede onderdeel

Luidens artikel 203bis, § 3, Burgerlijk Wetboek omvatten de kosten de gewone kosten en de buitengewone kosten. De gewone kosten zijn alle gebruikelijke kosten met betrekking tot het dagelijks onderhoud van het kind. Onder buitengewone kosten wordt verstaan de uitzonderlijke, noodzakelijke of onvoorzienbare uitgaven die voortvloeien uit toevallige of ongewone gebeurtenissen en die het gebruikelijk budget voor het dagelijks onderhoud van het kind dat desgevallend als basis diende voor de vaststelling van de onderhoudsbijdragen, overschrijden.

Krachtens artikel 1321, § 1, 2° en 3°, Gerechtelijk Wetboek vermeldt elke rechterlijke beslissing die de onderhoudsbijdrage vaststelt op grond van artikel 203, § 1, Burgerlijk Wetboek de gewone kosten waaruit het budget voor het kind is samengesteld alsook de manier waarop deze begroot zijn en de aard van de buitengewo-ne kosten die in acht genomen kunnen worden, het deel van die kosten dat elk van de ouders voor zijn rekening dient te nemen alsook de modaliteiten voor de aanwending van die kosten.

Krachtens artikel 1321, § 1, 7°, vermeldt die rechterlijke beslissing daarenboven het aandeel van elk van de ouders in de tenlasteneming van de kosten voortvloei-ende uit artikel 203, § 1, Burgerlijk Wetboek en de daarop eventueel vastgestelde onderhoudsbijdrage.

Die bepalingen sluiten niet uit dat de rechter, in bijzondere omstandigheden, de bijdrage van de ouders in de buitengewone kosten vaststelt op een forfaitair bedrag en dat bedrag samenvoegt met dat van de gewone kosten.

In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

Voor het overige stelt het bestreden vonnis vast dat de verweerster haar vordering tot veroordeling van de eiser tot betaling van een forfaitair bedrag, dat alle gewo-ne en buitengewone kosten omvat, verantwoordt op grond dat de eiser weigert bij te dragen in de buitengewone kosten en dat de kinderen niet bij de eiser verblij-ven.

Het wijst erop dat G. geboren is op 4 mei 1987, dat hij zijn masterdiploma in bio-medische wetenschappen heeft behaald in juni 2011, dat hij geen logies had in Louvain-en-Woluwe, dat hij zich van Nijvel naar Brussel verplaatste met de trein en dat de verweerster zijn maandbudget raamt op 1.322,10 euro. Het bestreden vonnis preciseert aldus de wijze waarop de gewone en de buitengewone kosten van G. worden geraamd alvorens zijn gemiddeld maandbudget, "met inbegrip van de buitengewone kosten, op 1.100 euro" vast te stellen.

Wat betreft P.-A. wijst het bestreden vonnis erop dat hij geboren is op 10 februari 1992, dat hij een opleiding installateur centrale verwarming is beginnen te volgen vanaf 1 oktober 2011, dat zijn brandstofkosten niet door de werkgever ten laste worden genomen (415 euro) en dat de verweerster zijn maandbudget raamt op 1.244,65 euro. Het preciseert aldus de wijze waarop de gewone en de buitenge-wone kosten van P.-A. worden geraamd alvorens zijn gemiddeld maandbudget, "met inbegrip van de buitengewone kosten, op 800 euro per maand, van december 2010 tot september 2011, [en op] 1.000 euro per maand vanaf september 2011" vast te stellen.

Bovendien overweegt het bestreden vonnis enerzijds dat van het budget van G. de voor hem gestorte kinderbijslag tot beloop van 185 euro moet worden afgetrokken en stelt dat vonnis het aandeel van de eiser "in de gewone en de buitengewone kosten" van het kind van 1 december 2010 tot 5 maart 2012 vast op 450 euro.

Het overweegt anderzijds dat van het budget van P.-A. zijn eigen inkomsten moe-ten worden afgetrokken, waarvan het vonnis het bedrag vermeldt, alsook de kinderbijslag, en stelt dat vonnis het aandeel van de eiser "in de gewone en buiten-gewone kosten vast op 375 euro per maand vanaf 1 september 2010, 200 euro per maand vanaf 1 september 2011 en 60 euro per maand vanaf 1 september 2013".

Het bestreden vonnis, dat aldus toelaat het aandeel van beide ouders in de tenlas-teneming van de onderhouds-, opvoedings- en opleidingskosten, met inbegrip van de buitengewone kosten, ongeacht de aard ervan, vast te stellen, omkleedt met voldoende redenen zijn beslissing om de eiser tot de voormelde forfaitaire bedragen te veroordelen teneinde de gewone en de buitengewone kosten van de twee kinderen te dekken.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis, in zoverre het bij voorraad uitspraak doet over de door de eiser aan de verweerster verschuldigde onderhoudsuitkering na echtscheiding.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, zitting houdende in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, en in openbare terechtzitting van 3 november 2016 uitgesproken

Noot: 

• C. Van Roy, Het Hof van Cassatie sluit nog beter aan bij de ratio legis van art. 301 BW, T. Fam. 2017/10, 272

• C. VaN Roy, De onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting: de voowaardelijke "ja" voor de levensstandaard vervangen door een "ja, maar", T. Fam. 2014/5, 107, Noot onder de weergave van dit arrest in zelfde tijdschrift.

• S. Brouwers, Rechtsmisbruik” en de principiële onwijzigbaarheid van de uitkering na een (oude) EOT, RABG 2011/05, 357 (noot onder Brussel, 19/10/2010, RABG 2011/5,357)

• Gerd Verschelden, Cassatie aanvaardt afschaffing alimentatie na rechtsmisbruik bij EOT overeenkomst, Juristenkrant 228, 20 april 2011, pagina 3 en Cass. 14 oktober  2010.De auteur wijst erop dat dit arrest, dat weliswaar kan toegejuicht worden, toch inhoudt dat een contractueel recht werd verbeurd, hetgeen een wrang gevoel heeft en waarbij de vraag kan gesteld worden waarom geen toevlucht werd gezocht tot een procedure tot vermindering van onderhoudsgeld. Persoonlijk begrijpen wij deze opmerking, doch deze opmerking benatwoordt de problemen niet bij een reeds verleende titel, een nog niet gewijzigd onderhoudsgeld, een uitvoering voor achterstallige betalingen, naast de moeilijkheden verbonden aan een procedure tot vermindering van een persoonlijk onderhoudsgeld na EOT.

Dit arrest werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor Familierecht en aldaar voorzien van een noot van P. Sennaeve, Aangaande het bepalen van het onderhoudsgerechtigd zijn en aangaande de begroting van de onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, T. Fam. 2014/3-4, 98. In deze noot maakt de auteur het onderscheid tussen het principieel gerechtigd zijn op onderhoudsgeld en de wijze van begroting van de onderhoudsuitkering.

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 6 maart 2014, RW 2014-2015, 1462

AR nr. C.12.0184.N

A. t/ D.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 6 mei 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

...

2. Krachtens art. 301, § 3, eerste en tweede lid BW legt de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun behoeften en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

Uit deze bepalingen volgt dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding niet alleen rekening kan houden met de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar dat hij, indien daartoe bijzondere redenen voorhanden zijn, zoals de zeer lange duur van het huwelijk of de hoge leeftijd van de uitkeringsgerechtigde, ook rekening kan houden met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding.

3. Het onderdeel dat er voor het overige geheel van uitgaat dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding verplicht is rekening te houden met de aanzienlijke terugval van de economische situatie die het gevolg is van de echtscheiding, zodat de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet worden bepaald op grond van de levensstandaard van tijdens het huwelijkse samenleven, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 08/01/2018 - 15:27
Laatst aangepast op: ma, 08/01/2018 - 15:27

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.