-A +A

prejudiciële vragen en proceseconomie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 11/03/2008
Publicatie
Referentie: 
Hof van Beroep Brussel 11 maart 2008 RW 2009-2010,

samenvatting:

De prejudiciële bevraging vormt in wezen een techniek waarbij samenwerking wordt mogelijk gemaakt tussen rechters die niet tot dezelfde orde behoren om rechtsvragen op te lossen.
 
 Behoudens in de gevallen waarin deze bevraging door een wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling aan de rechter wordt opgelegd, beslist hij vrij over de toepassing van deze techniek naar gelang van de noodzakelijkheid die hiertoe volgens hem bestaat ter wille van de oplossing van het geschil.
 
 Wanneer naar rede niet kan worden betwijfeld dat de bevraging dienstig is voor de oplossing van het geschil, kan de enkele toepassing van de prejudiciële techniek dan ook geen nadeel berokkenen aan een partij, althans indien die partij niet krachtens een wetsbepaling gerechtigd is om binnen een vastgestelde termijn een eindbeslissing over haar vordering te verkrijgen.
 
 In de gevallen waarin de nationale wetgever de prejudiciële bevraging heeft ingesteld, heeft hij trouwens beslist dat tegen de beslissing van de rechter om zo‘n bevraging toe te passen geen hoger beroep kan worden ingesteld (cf. art. 73, § 1, Wet op de bescherming van de Economische Mededinging en art. 29, § 1, van de Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof).

Wanneer het stellen van een prejudiciële vraag dienstig is voor de oplossing van het geschil en de wet geen termijn vaststelt waarbinnen de rechtbank tot een eindbeslissing over dat geschil moet komen, kan het beroep op een prejudiciële vraagstelling techniek geen nadeel berokkenen aan een partij, zodat deze partij het vereiste belang ontbeert om een ontvankelijk hoger beroep te kunnen instellen tegen de beslissing tot prejudiciële vraagstelling.

Tekst van het arrest:

Bij de beslissing die thans wordt bestreden doet de bodemrechter geen uitspraak over de vorderingen van de partijen maar verzoekt zij het Hof van Justitie EG om een prejudiciële uitlegging van een communautaire rechtsregel.

De bevraging betreft art. 3, 6, van de Verordening EG nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002 en met name of dit voorschrift aldus moet worden uitgelegd dat een motorconcessieovereenkomst die een uitdrukkelijk ontbindend beding bevat niet in aanmerking komt voor de vrijstelling.

De vraag is ingegeven door het gegeven dat de concessieovereenkomst die op 13 mei 2003 tussen de partijen werd gesloten een uitdrukkelijk ontbindend beding bevat en C. de rechtsgeldigheid van dit beding betwist op grond van het vermelde art. 3, 6, van de genoemde Verordening.

...

Geïntimeerde werpt op dat het hoger beroep niet ontvankelijk is, aangezien het beroepen vonnis enkel een voorbereidende maatregel inhoudt die geen enkel nadeel berokkent.

...

Appellante voert in haar conclusie aan dat ze hoger beroep heeft ingesteld omdat de bevraging volgens haar niet noodzakelijk was voor de beoordeling van de vorderingen en de prejudiciële procedure haar ook nadeel berokkende wegens de vertraging die ze veroorzaakt in de rechtspleging.

De vertraging was volgens haar schadelijk, aangezien ze meebracht dat de verhoopte substantiële schadevergoeding niet op korte termijn kon worden verkregen. Dit vormde de onderliggende reden voor de vorderingen die na de uitspraak van het beroepen vonnis in kort geding werden ingesteld.

Thans betoogt ze dat het beroep proceseconomisch zonder voorwerp is geworden wegens de toewijzing van haar vorderingen in kort geding en het feit dat het Hof van Justitie EG inmiddels de vraag heeft beantwoord.

Geïntimeerde betoogt dat de beslissing waarbij een prejudiciële vraag wordt gesteld in wezen een maatregel van inwendige orde vormt, zodat er enkel beroep kan worden tegen ingesteld indien ze een betwiste vraag in feite of in rechte oplost en hierdoor aan een partij een direct nadeel wordt toegebracht. Het nadeel dient dan gelegen te zijn in de oplossing die de rechter beslist. Volgens haar is hiervan evenwel geen sprake, aangezien appellante precies doet gelden dat de oplossing werd verdaagd.

...

De prejudiciële bevraging vormt in wezen een techniek waarbij samenwerking wordt mogelijk gemaakt tussen rechters die niet tot dezelfde orde behoren om rechtsvragen op te lossen.

Behoudens in de gevallen waarin deze bevraging door een wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling aan de rechter wordt opgelegd, beslist hij vrij over de toepassing van deze techniek naar gelang van de noodzakelijkheid die hiertoe volgens hem bestaat ter wille van de oplossing van het geschil.

Wanneer naar rede niet kan worden betwijfeld dat de bevraging dienstig is voor de oplossing van het geschil, kan de enkele toepassing van de prejudiciële techniek dan ook geen nadeel berokkenen aan een partij, althans indien die partij niet krachtens een wetsbepaling gerechtigd is om binnen een vastgestelde termijn een eindbeslissing over haar vordering te verkrijgen.

In de gevallen waarin de nationale wetgever de prejudiciële bevraging heeft ingesteld, heeft hij trouwens beslist dat tegen de beslissing van de rechter om zo‘n bevraging toe te passen geen hoger beroep kan worden ingesteld (cf. art. 73, § 1, Wet op de bescherming van de Economische Mededinging en art. 29, § 1, van de Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof).

In het voorliggende geval heeft de eerste rechter over geen enkele betwisting in rechte of in feite uitspraak gedaan.

Over de rechtsgeldigheid van een beding die bij de gestelde vraag aan het Hof van Justitie werd voorgelegd, waren de partijen het oneens en naar rede kan niet worden gesteld dat ze niet relevant is ter beoordeling van de rechten van partijen.

Ware de bevraging niet dienstig geweest voor de oplossing van het geschil, dan zou het Hof van Justitie ze overigens niet hebben beantwoord.

Van de andere kant kon appellante wegens het penibele van haar toestand wel hopen op een snelle afhandeling van het geding, maar was ze niet bij wetsbepaling gerechtigd op afhandeling met een eindbeslissing binnen een bepaalde termijn.

Het nadeel waarover ze kloeg betreft dus geen vertraging in de rechtspleging die diende te worden vermeden of wegens de draagwijdte van het geschil niet gerechtvaardigd was.

Zodoende kan appellante door de beroepen beslissing ook niet worden gegriefd en heeft ze geen belang om hoger beroep in te stellen.

Het hoger beroep kan dan ook niet worden ontvangen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 21/09/2009 - 17:00
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 17:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.