-A +A

Raad van State Administratief kort geding - Tijdstip indiening vordering tot schorsing

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
don, 19/11/2015

Krachtens artikel 17, § 1 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 kan de vordering tot schorsing “op elk moment” worden ingediend.

Uit de memorie van toelichting blijkt echter dat het administratief kort geding op elk ogenblik “van de procedure ten gronde” kan worden ingediend (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, p. 14). Dit impliceert dat de procedure ten gronde reeds werd aanhangig gemaakt, of minstens dat het verzoek tot schorsing of voorlopige maatregelen samen met het beroep tot nietigverklaring wordt ingediend. De wetgever opteerde voor een vordering tot schorsing die kan worden ingediend na het beroep tot nietigverklaring, indien dit beroep nog steeds hangende is en indien de spoedeisendheid dit rechtvaardigt. De vordering tot schorsing is een accessorium van dit beroep (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, p. 4).

Enkel het administratief kort geding wegens uiterst dringende noodzakelijkheid vormt hierop een uitzondering: het kan ook worden ingediend vóór de bodemprocedure. Artikel 17, § 4 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, bepaalt immers dat in geval van een uiterst dringende noodzakelijkheid die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de vordering tot schorsing of voorlopige maatregelen bedoeld in § 1, de schorsing of voorlopige maatregelen kunnen worden bevolen, zelfs voordat een beroep tot nietigverklaring werd ingediend.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Jaargang: 
2016/12
Pagina: 
876
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(VZW Aurelia / Vlaamse Gemeenschap)

I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 11 juni 2015, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2015 betreffende het maximale aantal te erkennen woongelegenheden voor woonzorgcentra en centra voor kortverblijf in het kader van de erkenningskalender.

II. Verloop van de rechtspleging
(…)

III. Gegevens van de zaak
3.1. Overeenkomstig artikel 48, eerste lid van het woonzorgdecreet erkent de Vlaamse Regering voorzieningen, woonzorgnetwerken en verenigingen.

Volgens het tweede lid zijn de erkenningsvoorwaarden opgenomen in artikel 4 en Hoofdstuk III van het woonzorgdecreet. De Vlaamse Regering kan aanvullende erkenningsvoorwaarden vastleggen met inachtneming van de bepalingen van artikel 4 en Hoofdstuk III. Lid 5 houdt in dat de Vlaamse Regering de erkenningsprocedure bepaalt die de mogelijkheid bevat om een bezwaar in te dienen. Ze kan voorzieningen, woonzorgnetwerken en verenigingen alleen erkennen als ze passen in de programmatie die van toepassing is.

De Vlaamse Regering bepaalt de programmatie van onder meer de woonzorgcentra. De programmatie bepaalt met het oog op een evenredige spreiding afhankelijk van de behoeften, aan de hand van objectief meetbare criteria, de planning in de tijd en ruimte van ofwel het maximale aantal voorzieningen, woonzorgnetwerken en verenigingen, ofwel het maximale aantal plaatsen, subsidiabele uren of personeelsleden (art. 58 woonzorgdecreet).

Uit artikel 59 van het woonzorgdecreet volgt dat een woonzorgcentrum dat een erkenning wenst te bekomen, onderworpen is aan de verplichting om een voorafgaande vergunning te bekomen van de Vlaamse Regering. De procedure wordt geregeld in een besluit door de Vlaamse Regering.

Deze voorafgaande vergunning kan alleen worden verleend als het initiatief past in de programmatie vermeld in artikel 58.

Met een besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 wordt de regeling betreffende de voorafgaande vergunning gewijzigd, voor zover de erkenning van die centra vanaf 1 januari 2015 een verdere “invulling” impliceert van de beschikbare programmatieruimte.

De regeling is van toepassing op de centra waarvoor op 1 januari 2014 reeds een voorafgaande vergunning bekomen is. Voor de centra die ná 31 december 2014 een erkenning aanvragen wordt het principe van de erkenningskalender ingevoerd; dit is de opgave van het trimester waarin de erkenning zal worden aangevraagd. De initiatiefnemer dient uiterlijk op 1 januari van het 2de jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de erkenning zal worden aangevraagd de erkenningskalender te bezorgen. Het trimester waarin de erkenning zal worden aangevraagd, dient binnen de geldigheidsduur van de voorafgaande vergunning te vallen. Voor 2015 en 2016 diende de erkenningskalender vóór 1 januari 2015 te worden ingediend. Voor het jaar 2017 moest de erkenningskalender eveneens vóór 1 januari 2015 te worden ingediend.

De administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid beslist over de erkenningskalender. Een goedgekeurde erkenningskalender maakt integraal deel uit van de voorafgaande vergunning.

Wanneer volgens de erkenningskalenders het aantal woongelegenheden hoger is dan de maximale erkenningscapaciteit, dient de administrateur-generaal rekening te houden met het prioriteringssysteem dat is vastgelegd in artikel 4, tweede lid.

Overeenkomstig artikel 7, vijfde lid van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers kan een centrum voor kortverblijf of een woonzorgcentrum of een onderdeel daarvan, alleen worden erkend als het past binnen de voorziene begrotingskredieten. De Vlaamse Regering bepaalt jaarlijks het maximaal aantal te erkennen woongelegenheden in die centra.

Bij besluit van 24 april 2015 bepaalde de Vlaamse Regering het maximaal aantal te erkennen woongelegenheden voor woonzorgcentra en centra voor kortverblijf in het kader van de erkenningskalender. Dit is het bestreden besluit.

3.2. De verzoekende partij is een VZW die onder meer woonzorgcentra opricht en uitbaat. Bij besluit van 29 augustus 2006 van de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid werd haar een voorafgaande vergunning verleend voor de realisatie van 92 woongelegenheden in een woonzorgcentrum te Waregem. Bij besluit van 14 oktober 2011 werd deze voorafgaande vergunning verlengd. Bij besluit van 10 september 2014 werd de voorafgaande vergunning opnieuw verlengd voor een periode van 3 jaar met ingang van 29 augustus 2014 tot 29 augustus 2017.

De verzoekende partij diende op 19 december 2014 haar erkenningskalender in. 50 woongelegenheden zouden het voorwerp uitmaken van een vraag tot erkenning in het 1ste kwartaal van 2017 en voor 42 woongelegenheden zou de erkenning worden aangevraagd in het 3de kwartaal van 2017.

Met een eerste besluit van 29 april 2014 keurt de administrateur-generaal de erkenningskalender voor de 42 woongelegenheden af, met een tweede besluit keurt hij de erkenningskalender voor 50 woongelegenheden goed voor het 1ste trimester van 2018. De verzoekende partij dient hiertegen bezwaar in.

Deze besluiten worden ingetrokken bij besluit van 26 juni 2015.

Met een nieuw besluit van 26 juni 2015 keurt de administrateur-generaal de erkenningskalender van de verzoekende partij voor 50 woongelegenheden goed voor het 1ste trimester van 2018 en wordt de erkenningskalender van de verzoekende partij voor 42 woongelegenheden afgekeurd.

IV. Ontvankelijkheid
4. De verwerende partij stelt dat de vordering tot schorsing niet ontvankelijk is omdat zij werd ingediend vóór het beroep tot nietigverklaring.

Krachtens artikel 17, § 1 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 kan de vordering tot schorsing “op elk moment” worden ingediend.

Uit de memorie van toelichting blijkt echter dat het administratief kort geding op elk ogenblik “van de procedure ten gronde” kan worden ingediend (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, p. 14). Dit impliceert dat de procedure ten gronde reeds werd aanhangig gemaakt, of minstens dat het verzoek tot schorsing of voorlopige maatregelen samen met het beroep tot nietigverklaring wordt ingediend. De wetgever opteerde voor een vordering tot schorsing die kan worden ingediend na het beroep tot nietigverklaring, indien dit beroep nog steeds hangende is en indien de spoedeisendheid dit rechtvaardigt. De vordering tot schorsing is een accessorium van dit beroep (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, p. 4).

Enkel het administratief kort geding wegens uiterst dringende noodzakelijkheid vormt hierop een uitzondering: het kan ook worden ingediend vóór de bodemprocedure. Artikel 17, § 4 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, bepaalt immers dat in geval van een uiterst dringende noodzakelijkheid die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de vordering tot schorsing of voorlopige maatregelen bedoeld in § 1, de schorsing of voorlopige maatregelen kunnen worden bevolen, zelfs voordat een beroep tot nietigverklaring werd ingediend.

De vordering is niet ontvankelijk.

V. Rechtsplegingsvergoeding
De verwerende partij vraagt dat de verzoekende partij, op grond van artikel 30/1 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zou worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke voorziene rechtsplegingsvergoeding. Er is grond om te dezen het basisbedrag van 700 EUR toe te kennen.

BESLISSING

(…)

Noot: 

Delmoitie, P., « De wetswijziging van 20 januari 2014 inzake het ogenblik van het indienen van de vordering tot schorsing bij de Raad van State: derde keer, goede keer? », R.A.B.G., 2016/12, p. 879-887

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 13/07/2017 - 11:59
Laatst aangepast op: do, 13/07/2017 - 11:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.