-A +A

Raad van State overschrijden van de beroepstermijn van 60 dagen doet het recht op beroep niet teniet wanneer de beroepstermijn niet in de administratieve beslissing werd vermeld

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
din, 26/06/2007
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
417
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

R.V.D.B. t/ VZW R.I.B.N.Z. en het Gemeenschapsonderwijs

Arrest nr. 172.737

...

De ontvankelijkheid van het beroep ratione temporis

2.1. Overwegende dat de eerste verwerende partij het beroep «manifest laattijdig» acht; dat die exceptie logischerwijze niet aan de orde zou komen als de Raad van State te dezen zonder rechtsmacht is, zoals de eerste verwerende partij eveneens betoogt; dat de exceptie over de rechtsmacht evenwel niet de bestreden beslissingen van de algemeen directeur betreft en bovendien gepaard gaat met mogelijke prejudiciële vraagstellingen aan het Grondwettelijk Hof; dat het in die omstandigheden past, om reden van proceseconomie, de ontvankelijkheid ratione temporis toch vooraf uit te klaren, zodat geen procedurestappen worden gezet die naderhand toch nutteloos zouden blijken;

2.2. Overwegende dat verzoekster reeds in het inleidend verzoekschrift verklaart dat de bestreden beslissingen van de scholengroep betreffende haar niet- aanstelling haar nooit ter kennis werden gebracht en, wat de beslissingen van of namens de R.I.B.Z. betreft, dat de beslissing van de inspecteur-adviseur van 17 juni 2003 en de beslissing van de R.I.B.Z. van 15 september 2004 haar eerst werden meegedeeld met brief van 5 oktober 2004 en «dat geenszins enige beroepsmogelijkheid bij de Raad van State wordt vermeld, zodat de termijn van zestig dagen nooit wordt geacht een aanvang te hebben genomen»; dat de overtuigingsstukken die verzoekster bij haar verzoekschrift voegt die verklaring staven, terwijl de eerste verwerende partij in haar administratief dossier geen stuk overlegt dat die verklaringen tegenspreekt; dat de tweede verwerende partij zelfs geen administratief dossier heeft neergelegd; dat bijgevolg hoe dan ook niet het bewijs voorligt dat ook maar één van de bestreden beslissingen ooit aan verzoekster is ter kennis gebracht met vermelding van de beroepsmogelijkheden overeenkomstig art. 19, tweede lid, van de R.v.St.-Wet; dat bij niet-naleving van dit voorschrift zoals het gold ten tijde van het treffen van de bestreden beslissingen en het indienen van het voorliggende beroep, de verjaringstermijnen geen aanvang nemen; dat die regel, zoals de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State heeft uiteengezet in het arrest nr. 134.024, Lecocq, van 19 juli 2004, van openbare orde is; dat tegen het voorliggend beroep geenszins het verstrijken van de verjaringstermijn kan worden tegengeworpen;

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 03/11/2009 - 22:22
Laatst aangepast op: do, 05/08/2010 - 10:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.