-A +A

rascistische beledinging niet strafbaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 03/02/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
453
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

Hof van Beroep te Gent
4e Kamer – 3 februari 2009


Voorzitter: de h. Van Damme
Raadsheren: de h. Doom en mevr. Gassée
Openbaar ministerie: de h. Cool
Advocaten: mrs. De Wilde en Van Den Bossche
Rechten van de mens – Gelijkheid en niet-discriminatie – Antiracismewet – Aanzetten tot discriminatie jegens een groep of een gemeenschap wegens het ras, de huidskleur, de afkomst of de nationale of etnische afstamming – Begrip – Bijzonder opzet – Intentiedelict
De Antiracismewet voorziet niet in bestraffing voor racistische beledigingen op zich. Een loutere belediging tegen een persoon wegens diens ras, is niet strafbaar. Opdat de Antiracismewet van toepassing zou zijn, moet niet enkel het strafbaar feit zelf bewezen worden (materieel element van het misdrijf), maar moet bovendien de opzettelijke wil bewezen worden om aan te zetten tot een reactie (moreel element van het misdrijf), ongeacht of deze reactie plaatsgrijpt of niet.
O.M. en A.Z.A. t/ P.M.
...
Ter terechtzitting van 9 september 2008 bracht het hof partijen ter kennis dat de omschrijving van de tenlastelegging A ten aanzien van de beklaagde, P.M., als volgt dient te worden verbeterd, en aangevuld: «In de omstandigheden genoemd in art. 444 Sw. te hebben aangezet tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon wegens zijn zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst of zijn nationale of etnische afstamming (art. 1, derde lid, 1o) van de wet van 30 juli 1981 en gewijzigd door de wet van 12 april 1994 (B.S. 14 mei 1994) en de wet van 20 januari 2003 (B.S. 12 februari 2003), namelijk door het gebruik van het woord «neger/negro» jegens Z.A.A., feit thans strafbaar overeenkomstig art. 20, 1o en/of 2o, van de wet van 30 juli 1981, zoals gewijzigd door de wet van 10 mei 2007 tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden (B.S. 30 mei 2007)», op 26 juli 2006 te 9000 Gent.
Daartoe op dezelfde voormelde terechtzitting uitgenodigd heeft de voornoemde beklaagde zijn verdediging met betrekking tot bovenstaande telastelegging aangepast.
Op grond van het voor het hof gevoerde debat getoetst, aan een nieuw en kritisch onderzoek van alle gegevens, zoals vervat in het voorliggend strafdossier, komt het hof tot de volgende besluiten:
Op strafrechtelijk gebied
1. Wat betreft de tenlastelegging A, zoals naar omschrijving verbeterd en aangevuld
De eerste rechter heeft het feit, voorwerp van voormelde tenlastelegging in de persoon van de voornoemde beklaagde bewezen verklaard, louter op grond van zijn weergave van de feiten onder dezelfde rubriek op het tweede blad van het bestreden vonnis, in het bijzonder door te oordelen dat de beklaagde voornoemd de burgerlijke partij, A.Z.A. voor negro/neger uitmaakte. De eerste rechter heeft bij zijn voormelde beslissing niet het minste gewag gemaakt van het al of niet vervuld zijn van de constitutieve elementen van voormelde tenlastelegging in de persoon van de voornoemde beklaagde.
Met betrekking tot de beoordeling van het feit, voorwerp van voormelde tenlastelegging in de persoon van de voornoemde beklaagde, zijn de volgende gegevens, zoals vervat in het voorliggend strafdossier, relevant:
– de burgerlijke partij, A.Z.A., verklaarde op 15 oktober 2006 o.m.: «Hedenavond zat ik samen met S.H. op het terras van herberg «G.» die gelegen is op het Gemeenteplein te (...). Eerder die avond, omstreeks 22 uur, had een man mij beledigd van «neger» in de herberg «G.». Ik was toen aan het dansen en mijn vriendin heeft dit ook gehoord. Voor de rust en omdat ik geen ruzie wilde, ging ik naar buiten. Net nadat S. naar buiten is gekomen kwam diezelfde man ook naar buiten, hij wilde een confrontatie uitlokken. Hij zei «neger», ik zei «ik heb een naam». Hetzelfde werd nogmaals herhaald. Ik zei toen «ik ga mij kwaad maken als ge zo blijft doen».
– S.H. verklaarde op 15 oktober 2006 o.m.: «De man, M., kwam bijna onmiddellijk achter mij aan en zocht een confrontatie met E. Hij daagde hem uit door «neger» te zeggen. En E. zei: «ik ben beledigd en ga mij kwaad maken». M. daagde E. verder uit en zette zijn glas buiten op tafel, hij zei dan «kom dan». Hij beledigde hem nogmaals door «neger» te roepen».
– P. Van K. verklaarde op 15 oktober 2006 o.m.: «Het is zo dat het kermis is in ons dorp. Ik stond samen met nog enkele vrienden iets te drinken in herberg «Het G.». Ik kan uw diensten meedelen dat er binnen in de herberg een korte discussie ontstaan is tussen E. en P.M. Over wat de discussie ging weet ik niet. Ik heb P. horen zeggen tegen E. «nigro». Ik weet niet of dit gemeend, spottend of gewoon om te lachen bedoeld was. U moet weten dat E. een zwarte huidskleur heeft».
– de beklaagde, P.M., verklaarde op 16 oktober 2006 o.m.: «In de herberg heb ik geen ruzie of woorden gehad met een zwarte manspersoon. Ik ken deze manspersoon van ziens. Ik heb hem nog gezien in de voetbalclub (...), waar mijn kinderen nog voetbal spelen. Ik ken hem niet van naam of ik heb er nog nooit eerder mee gesproken. Toen ik de herberg verliet zat de zwarte manspersoon neer buiten op terras, er was nog iemand in zijn aanwezigheid. Deze persoon ken ik ook niet. Ik zwaaide uitbundig met mijn arm en begroette hem door te roepen «negro». Ik wou hem hier zeker niet mee kwetsen of hem hiermee racistisch benaderen. Ik was niet uit op een confrontatie. De zwarte man werd kwaad en vloog naar mij, hij probeerde mij te slaan en heb hem een viertal keren kunnen afweren. Ik heb hem toen niets meer gezegd. Ik wilde zeker geen racisme plegen, ik wou hem gewoon begroeten. Het spijt me als hij dit verkeerd opnam, ik ben geen racist».
Naar het oordeel van het hof zijn er geen redenen voorhanden om de geloofwaardigheid van de ene of de andere van voormelde verklaringen in twijfel te stellen.
Het hof kan samen met de voornoemde beklaagde het besluit van de eerste rechter niet bijvallen waarbij hij het feit voorwerp van de tenlastelegging A, zoals in onderhavig arrest naar omschrijving verbeterd en aangevuld, in de persoon van de voornoemde beklaagde bewezen verklaarde.
1. De Antiracismewet stelt discriminatie op zichzelf niet strafbaar, maar wel discriminatie om bepaalde redenen, met name: ras, huidskleur, afstamming, afkomst of nationaliteit.
De oorspronkelijke Antiracismewet van 1981 omschreef wel de discriminatiegronden (zoals ras, huidskleur, afstamming, afkomst of nationaliteit), maar definieerde het begrip «discriminatie» zelf niet. De wetswijziging van 1994 introduceerde een omschrijving van discriminatie als «elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur, die tot doel heeft of ten gevolge heeft of kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt tenietgedaan, aangetast of beperkt» (zie art. 1, eerste lid, van de antiracismewet). Deze definitie is grotendeels overgenomen uit het UNO-Verdrag van 1966 inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.
De Antiracismewet bestraft enerzijds woorden of intenties en anderzijds daden of handelingen.
Wat de woorden of intenties betreft, gaat het alleen om uitlatingen die aanzetten (aansporen) tot discriminatie en die in het openbaar gebeuren of uitlatingen waardoor je publiciteit geeft aan je bedoeling om te discrimineren en die in het openbaar gebeuren.
2. Ten aanzien van de tenlastelegging waaromtrent de voornoemde beklaagde zich dient te verantwoorden en m.a.w. vervolgd wordt, moet de aanzet tot of het geven van publiciteit aan zijn voornemen tot discriminatie, haat of geweld worden gedaan in de omstandigheden van art. 444 Sw. Dit vereiste houdt in dat de discriminatie moet plaatsvinden in openbare plaatsen of in plaatsen die toegankelijk zijn voor een beperkt aantal personen of in om het even welke plaats voor zover er getuigen aanwezig zijn, of verder ook door geschriften die door middel van aanplakking of verkoop worden verspreid, of ten slotte, door geschriften die aan verschillende personen worden toegestuurd of meegedeeld.
De Antiracismewet stelt enkel en nadrukkelijk de «openbare» meningsuiting strafbaar.
Van het aanzetten tot geweld is er in onderhavig geval enerzijds geen sprake, terwijl anderzijds de gewraakte uitlatingen in de persoon van de voornoemde beklaagde wel op een plaats gebeurden zoals vereist in de bepalingen van voormeld art. 444 Sw.
3. Twee soorten discriminerende uitlatingen kunnen worden bestraft, namelijk uitlatingen waardoor je anderen wil aanzetten om te discrimineren en uitlatingen waardoor je publiciteit geeft aan je bedoeling om zelf te discrimineren.
De Antiracismewet bevat immers geen bestraffing voor «racistische beledigingen» op zich. Een loutere belediging tegen een persoon wegens diens ras is niet strafbaar.
Een bijzonder opzet, namelijk de uitdrukkelijke bedoeling om derden ertoe te brengen daden ingegeven door racisme of xenofobie te stellen, wordt vereist. De belediging moet een aanzet vormen tot haat. Beledigingen van individuen wordt in het Strafwetboek immers afzonderlijk geregeld (art. 488 en 561, 7o, Sw.), net zoals laster en eerroof (art. 443 e.v. Sw.).
Of een bepaald scheldwoord of uitlatingen door racisme of xenofobie zijn ingegeven, dient door de rechter in concreto te worden beoordeeld. De bepalingen van de Antiracismewet hebben niet tot doel louter privébeledigingen te bestraffen.
De bepalingen van art. 1, tweede lid, van de Antiracismewet betreffen immers een «intentiedelict», dit wil zeggen dat niet enkel het strafbaar feit moet worden bewezen (materieel element van het misdrijf) maar dat bovendien de opzettelijke wil moet worden bewezen om aan te zetten tot een reactie (moreel element van het misdrijf), ongeacht of deze reactie plaatsgrijpt of niet.
4. Welnu, alle voormelde wetsbepalingen in overwegingen genomen, mede de beginselen eraan ten grondslag, is het hof van oordeel dat, daar de voornoemde beklaagde zelf heeft erkend A.Z.A. als «neger/ negro» te hebben «begroet» (in wezen te hebben aangesproken), diezelfde begroeting – gelet op de concrete feitelijke omstandigheden waarin hij dit deed en eigen aan onderhavige zaak – geen aanzet tot discriminatie of haat inhield om de tenlastelegging A, zoals in onderhavig arrest naar omschrijving verbeterd en aangevuld, in zijn persoon ten genoegen van recht bewezen te verklaren.
Met betrekking tot voormeld besluit voelt het hof zich nog voldoende gesteund door de volgende vaststellingen, namelijk dat:
– enerzijds uit de eigen verklaring van A.Z.A. moet worden besloten dat hij zich «beledigd voelde», wat nog niet moet worden gelijkgesteld met het feit dat hij effectief beledigd werd, omdat op grond van de door de voornoemde beklaagde neergelegde bescheiden moet worden besloten dat de woorden «neger» of «negro» op zichzelf geen negatieve connotatie inhouden.
– anderzijds, uit de verklaring van de voornoemde beklaagde moet worden besloten dat hij zeker geen «racisme» wilde plegen en A.Z.A. gewoon wilde begroeten, en dat het hem spijt als hij dit verkeerd opnam en dat hij hierbij benadrukt dat hij geen racist is.
5. Aan de voornoemde beklaagde dient derhalve ontslag van alle verdere rechtsvervolging te worden verleend, zonder kosten, met betrekking de tenlastelegging A, zoals in onderhavig arrest naar omschrijving verbeterd en aangevuld.
Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 07/11/2009 - 21:09
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 17:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.