-A +A

Rechter kan met toepassing van de vermogensverschuiving zonder oorzaak enkel uitspraak doen over het verleden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 22/06/2017

De toepassing van het algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak houdt het bestaan in van een vermogensoverdracht tussen twee vermogens waaruit de verplichting voortvloeit voor de verrijkte om aan de verarmde de verrijking te restitueren die hij zonder oorzaak verkreeg ten koste van die laatste.

Bijgevolg mag de rechter met toepassing van dat beginsel enkel uitspraak doen over het verleden.

Wanneer de recjhter de uitwerking van zijn beslissing niet beperkt tot de datum van uitspraak, miskent hij  het voornoemd algemeen rechtsbeginsel.

Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017-8
Pagina: 
466

Nr. C.10.0188.F

N. N.,

tegen

1. A. S.,

2. R. A.,

in tegenwoordigheid van

M. S.-L.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Hoei, van 9 september 2009.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan die als volgt zijn gesteld:

(...)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand zich zonder oorzaak ten koste van een ander mag verrijken;

- voor zoveel als nodig, artikelen 1235, 1376 en 1377 Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis bevestigt het beroepen vonnis met de wijziging dat "[de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] en [de eiseres] elk worden veroordeeld tot betaling van een provisioneel maandelijks bedrag ten belope van honderdvijfentwintig (125) euro, geïndexeerd vanaf 1 september 2005, ter vergoeding van de kosten die volgen uit de opvoeding en het levensonderhoud van M. en D., naast de kinderbijslag; [dat] in dat bedrag de buitengewone kosten zijn inbegrepen, [en dat] die partijen worden veroordeeld tot betaling van de kosten van eerste aanleg [van de verweerders], vastgesteld op zeshonderd vijftig (650) euro rechtsplegingsvergoeding", op grond van

"1. Elke ouder dient te zorgen voor het levensonderhoud, de opvoeding en de opleiding van zijn kinderen naar evenredigheid van zijn vermogen om bij te dragen (artikel 203 Burgerlijk Wetboek).

Het vermogen om bij te dragen van de ouders wordt met name bepaald door hun respectieve inkomsten en lasten. Bovendien moet ook rekening worden gehouden met de noden van de kinderen.

Het bestaan van artikel 203bis Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat elk van de ouders van de andere ouder diens bijdrage kan vorderen in de kosten van levensonderhoud en opvoeding en dat de verhouding regelt tussen de bijdragen aan de schuld van de ouders als medeschuldenaars, doet geen afbreuk aan de onderhoudsverplichting van de ouders zoals bepaald wordt in artikel 203.

De verplichting tot levensonderhoud en opvoeding van de kinderen is persoonlijk voor vader en moeder, zodat indien een derde, zonder animus donandi, het kind onderhoudt, hij tegen de onderhoudsplichtige ouders beschikt over een vordering op grond van verrijking zonder oorzaak of, eventueel, een stilzwijgende lastgeving of zaakwaarneming.

In het voorliggende geval is de verrijking zonder oorzaak een voldoende grond voor de vordering [van de verweerders]. Er is sprake van verrijking zonder oorzaak wanneer een persoon ten koste van een ander een verrijking bekomt die samengaat met een overeenstemmende verarming, zonder dat die verrijking noch die verarming worden gerechtvaardigd door enige oorzaak, zoals een contractuele, wettelijke of natuurlijke verplichting, of de wil van de verarmde.

De verarming [van de verweerders] is onbetwistbaar daar zij volledig voorzien in de noden van twee kinderen van bijna veertien jaar; [de eiseres] erkent dit bovendien aangezien zij bevestigt dat de kinderen bij [de verweerders] een comfortabel leven leiden (televisie, computer en Playstation in de kamer, quads, dure vakanties, abonnement bij Standard ...). In tegenstelling tot wat [de eiseres] betoogt, kan niet worden geoordeeld dat de verarming [van de verweerders] rechtvaardiging vindt in hun wil om te zorgen voor het levensonderhoud en de opvoeding van M. en D. Enerzijds hebben zij nooit hun wil geuit om het levensonderhoud en de opvoeding van de kinderen gratis ten laste te nemen, an-derzijds is de onderhoudsverplichting die voortvloeit uit artikel 203 Burgerlijk Wetboek van openbare orde, zodat die verplichting niet kon worden overgedragen door de ouders [aan de verweerders].

Er is wel degelijk sprake van verrijking van [de eiseres] daar zij haar verplichting om te voorzien in het levensonderhoud en de opvoeding van M. en D. niet nakomt. Hetzelfde geldt voor [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij], die de verplichting slechts gedeeltelijk nakomt.

Aangezien de verrijking zonder oorzaak is aangetoond, hebben de ouders de verplichting het bedrag van hun verrijking [aan de verweerders] te vergoeden, zonder dat het vergoede bedrag het bedrag van de verarming kan overschrijden. Bijgevolg dient te worden nagegaan hoeveel elk van de ouders moet betalen in de kosten van het levensonderhoud en de opvoeding van M. en D., elk naar evenredigheid van zijn middelen.

2. [De eiseres] beweert dat zij alleen moet voorzien in het levensonderhoud en de opvoeding van haar twee kinderen die onder haar dak wonen en dat haar financiële situatie bijzonder penibel is. Ze legt echter geen enkel bewijs voor van haar inkomsten en lasten. Ze heeft enkel aangegeven tijdens de rechtszitting van 17 juni 2009 dat ze tegemoetkomingen van het ziekenfonds genoot. Aangezien [de eiseres] wat betreft haar financiële situatie niet op haar woord kan worden geloofd, zal worden aangenomen dat zij het vermogen heeft om bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud en de opvoeding van M. en D.

[De eiseres] voert aan om M. en D. te ontvangen en aldus in natura bij te dragen in hun onderhoud. Het staat de rechtbank niet zich uit te spreken over de regeling van de huisvesting van de kinderen, maar uitsluitend om het bedrag te bepalen dat de ouders moeten verschuldigd zijn als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en opvoeding, rekening houdend met de huidige situatie, dat wil zeggen zonder bijdrage in natura. Het staat aan [de eiseres] om bij de bevoegde rechtbank de nodige procedures te voeren indien zij die feitelijke toestand wil wijzigen.

3. [De tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] betwist niet te moeten bijdragen in de kosten van levensonderhoud en opvoeding van haar kinderen, wat zij reeds doet ten belope van tweehonderd euro per maand.

Zoals hieronder zal blijken, zijn zowel [de eiseres] als [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] gehouden tot bijdrage in die kosten.

4. [De verweerders] leggen geen enkel stuk neer met betrekking tot de uitgaven gedaan voor het levensonderhoud en de opvoeding van M. en D.

Op heden ontvangen zij per maand 280,97 euro kindergeld, alsook een maandelijkse storting van tweehonderd euro van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] sinds september 2007 (in plaats van de honderd vijfentwintig euro die zij voorheen stortte).

5. In de huidige staat van het dossier, die niet het minste stuk bevat over de financiële situatie van de ouders, noch over de noden van de kinderen, dient het bedrag dat verschuldigd is door elk van de ouders van M. en D., provisioneel en in afwachting van de neerlegging van meer volledige dossiers, te worden vastgesteld op de maandelijkse som van honderd vijfentwintig euro.

In dat bedrag zullen de buitengewone kosten inbegrepen zijn. Zonder dialoog (minstens wat betreft [de eiseres]) tussen de ouders en [de verweerders] is het immers wenselijk de buitengewone kosten in het maandelijks verschuldigde bedrag voor het levensonderhoud en de opvoeding van M. en D. op te nemen".

Grieven

De verrijking zonder oorzaak impliceert een verarming van een vermogen dat een overeenstemmende verrijking van een ander vermogen met zich meebrengt, terwijl die vermogensoverdracht geen enkele oorzaak, dat wil zeggen rechtvaardiging, kent.

De verarmde put uit die toestand een vordering tegen de verrijkte, met name een actio de in rem verso, die hem toestaat de vermogensoverdracht tegen bepaalde voorwaarden te compenseren.

De actio de in rem verso is immers afhankelijk van de vervulling van de volgende voorwaarden:

1° een verarming van het vermogen van de eiser,

2° een verrijking van het vermogen van de verweerder,

3° een oorzakelijk verband tussen de verarming en de verrijking,

4° de afwezigheid van enige oorzaak voor de vermogensverschuiving.

De verrijking moet het noodzakelijke gevolg zijn van de verarming. Het oorzakelijk verband wordt net zoals bij burgerlijke aansprakelijkheid aangetoond door de toepassing van de equivalentieleer. Tussen de verarming en de verrijking moet een noodzakelijk verband worden vastgesteld, zodat, zonder de verarming, de verrijking zich niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan.

Net zoals bij de burgerlijke aansprakelijkheidsregeling heeft de verrijking zonder oorzaak tot doel aan de verarmde een vergoeding toe te kennen, niet om de schade ten gevolge van een fout te vergoeden, maar om de schadelijke gevolgen van de ongerechtvaardigde vermogensverschuiving te compenseren.

Derhalve moet er bovenal een vermogensverschuiving plaatsgevonden hebben.

Zoals het bestreden vonnis in herinnering brengt, dient, krachtens artikel 203 Burgerlijk Wetboek, elke ouder naar evenredigheid van zijn middelen te zorgen voor het levensonderhoud, de opvoeding en de opleiding van zijn kinderen.

Wanneer een derde, zonder animus donandi, zorgt voor het levensonderhoud, de opvoeding en de opleiding van een kind waarvan hij niet de vader of moeder is, verrijken laatstgenoemden laatsten zich in hun hoedanigheid van onderhoudsplichtigen ten gevolge van het feit dat zij de last die de wet hen oplegt, niet op zich nemen.

Teneinde te bepalen wat de omvang is van de verrijking in verhouding tot de verarming, die de toekenning rechtvaardigt van een bedrag ter compensatie van de schadelijke gevolgen van de ongerechtvaardigde vermogensverschuiving wegens verrijking zonder oorzaak, moet de rechter noodzakelijkerwijs oordelen over het verleden.

Meer bepaald moet hij de vereniging van de vier hierboven genoemde voorwaarden vaststellen, aangezien de vaststelling van die voorwaarden pas mogelijk is na de vervulling ervan.

Het bestreden vonnis beslist dat er sprake is van verrijking zonder oorzaak, aangezien de eiseres haar verplichting om te zorgen voor het levensonderhoud en de opvoeding van M. en D. niet meer nakomt, terwijl de verarming van de verweerders onbetwistbaar is aangezien zij bijna volledig instaan voor de noden van twee kinderen van bijna veertien jaar.

Het bestreden vonnis kent bijgevolg een provisionele maandelijkse som toe van honderdvijfentwintig euro, geïndexeerd vanaf 1 september 2005, bij wijze van vergoeding van de kosten die voortvloeien uit de opvoeding en het levensonderhoud van M. en D.

Aldus kent dit vonnis een schadevergoeding toe die bedoeld is om de verarming van de verweerders te vergoeden, zowel voor het verleden als voor de toekomst.

Echter, voor de toekomst kan de rechter geenszins het bestaan van de noodzakelijke voorwaarden om de actio de in rem verso gegrond te verklaren, op voorhand vaststellen.

In de mate waarin het bestreden vonnis uitspraak doet voor de toekomst door een maandelijkse som vanaf een datum voorafgaand aan de uitspraak toe te kennen zonder te preciseren dat het dat bedrag toekent tot en met de datum van uitspraak, en aldus een veroordeling uitspreekt voor een periode na het vonnis, willigt het vooraf voor die periode de actio de in rem verso van de verweerders in zonder vast te stellen dat alle constitutieve voorwaarden voor de gegrondheid vervuld zijn en miskent het derhalve het algemene rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand zich zonder oorzaak ten koste van een ander mag verrijken en schendt het, voor zoveel als nodig, de artikelen 1235, 1376 en 1377 Burgerlijk Wetboek.

Het vonnis is bijgevolg niet naar recht verantwoord.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede middel

Het bestreden vonnis overweegt dat "de verrijking zonder oorzaak een voldoende voorwaarde voor de vordering [van de verweerders]" is, wiens "verarming [...] onbetwistbaar [is] daar zij volledig voorzien in de noden van twee kinderen van bijna veertien jaar", terwijl "[er sprake is] van verrijking van [de eiseres]", die "haar verplichting om te zorgen voor het levensonderhoud en de opvoeding" van haar kinderen niet nakomt.

De toepassing van het algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak houdt het bestaan in van een vermogensoverdracht tussen twee vermogens waaruit de verplichting voortvloeit voor de verrijkte om aan de verarmde de verrijking te restitueren die hij zonder oorzaak verkreeg ten koste van die laatste.

Bijgevolg mag de rechter met toepassing van dat beginsel enkel uitspraak doen over het verleden.

Door de uitwerking van zijn beslissing niet te beperken tot de datum van uit-spraak, miskent het bestreden vonnis het voornoemd algemeen rechtsbeginsel.

Het middel is gegrond.

De verweerster heeft er bovendien belang bij dat dit arrest bindend wordt ver-klaard voor de partijen die daartoe in de zaak voor het Hof zijn opgeroepen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de periode die volgt op de uitspraak ervan en over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Verklaart het voorliggende arrest bindend voor M. S.-L.

Veroordeelt de eiseres tot betaling van de helft van de kosten; houdt de andere helft aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Namen, zitting houdend in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel en in openbare terechtzitting van 22 juni 2017 uitgesproken

Noot: 

Een vermogensverschuiving zonder oorzaak ontstaat wanneer de vermogensverschuiving haar oorsprong vindt in een contractuele, een wettelijke of een natuurlijke verbintenis of in de eigen wil van of een contractuele tekortkoming of een onrechtmatige daad van de verarmde persoon. Er kan geen  vermogensverschuiving zonder oorzaak zijn wanneer de ene partij haar verrijking baseert op een juridisch feit dat de vermogenstoename rechtvaardigt, zelfs wanneer dit een contract is dat met een andere persoon dan de verarmde werd gesloten.

In de voorliggende zaak maakt het verlies van een cheque door een bank een contractuele wanprestatie van deze bank bij het uitvoeren van haar incasso-opdracht, en deze wanprestatie is de oorzaak van zowel de verrijking van degene die de cheque heeft uitgeschreven als de verarming van de bank.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 13/06/2018 - 14:21
Laatst aangepast op: wo, 13/06/2018 - 14:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.