-A +A

Rechtsplegingsvergoeding en vordering in tussenkomst en vrijwaring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 23/06/2016

Krachtens bovenstaande bepalingen creëert een vordering tot tussenkomst en vrijwaring een nieuwe procesverhouding tussen de eiser in vrijwaring en de verweerder in vrijwaring. De partij die binnen deze procesverhouding in het ongelijk wordt gesteld, dient een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de in het gelijk gestelde partij. Deze rechtsplegingsvergoeding wordt afzonderlijk bepaald op basis van de vordering tot tussenkomst en vrijwaring.

Indien de rechter de hoofdvordering afwijst en de vordering tot tussenkomst en vrijwaring zonder voorwerp verklaart, dient de eiser in vrijwaring aldus een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de verweerder in vrijwaring.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/17-18
Pagina: 
1302
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(B.VMG-D.C. NV / O.L.V.I. VZW en A.A.T BVBA - Rolnr.: C.14.0110.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 oktober 2013.

Afdelingsvoorzitter Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. Cassatiemiddelen
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, twee middelen aan.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste middel
(…)

Tweede middel
11. Artikel 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij zelfs ambtshalve in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Artikel 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de kosten de rechtsplegingsvergoeding omvatten, zoals bepaald in artikel 1022.

Artikel 1022, eerste lid Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij is.

Artikel 15 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat tussenkomst een rechtspleging is waarbij een derde persoon partij wordt in het geding. Zij strekt ertoe, hetzij de belangen van de tussenkomende partij of van een der partijen in het geding te beschermen, hetzij een veroordeling te doen uitspreken of vrijwaring te doen bevelen.

Artikel 16 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de tussenkomst vrijwillig is, wanneer de derde opkomt om zijn belangen te verdedigen. Zij is gedwongen, wanneer de derde in de loop van een rechtspleging gedagvaard wordt door één of meer partijen.

12. Krachtens bovenstaande bepalingen creëert een vordering tot tussenkomst en vrijwaring een nieuwe procesverhouding tussen de eiser in vrijwaring en de verweerder in vrijwaring. De partij die binnen deze procesverhouding in het ongelijk wordt gesteld, dient een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de in het gelijk gestelde partij. Deze rechtsplegingsvergoeding wordt afzonderlijk bepaald op basis van de vordering tot tussenkomst en vrijwaring.

Indien de rechter de hoofdvordering afwijst en de vordering tot tussenkomst en vrijwaring zonder voorwerp verklaart, dient de eiser in vrijwaring aldus een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de verweerder in vrijwaring.

13. De appelrechters stellen vast dat:

de eiseres een hoofdvordering heeft ingesteld tegen de eerste verweerster tot betaling van een schadevergoeding;
de eerste verweerster vervolgens de tweede verweerster heeft gedagvaard in tussenkomst en vrijwaring;
de tweede verweerster in hoger beroep de afwijzing van de hoofdvordering van de eiseres vordert, minstens de afwijzing van de vordering tot vrijwaring van de eerste verweerster.
De appelrechters oordelen dat de hoofdvordering van de eiseres ongegrond is en de vordering tot vrijwaring van de eerste verweerster zonder voorwerp.

14. Door de eiseres vervolgens tot een rechtsplegingsvergoeding te veroordelen, niet alleen ten opzichte van de eerste verweerster maar ook ten opzichte van de tweede verweerster, terwijl noch de hoofdvordering noch de vordering tot vrijwaring een procesverhouding heeft doen ontstaan tussen de eiseres en de tweede verweerster, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres veroordeelt tot het betalen aan de tweede verweerster van een rechtsplegingsvergoeding voor de beide aanleggen.

Voorziening in cassatie

(…)

Feiten en procedurevoorgaanden
(…)

Eerste middel tot cassatie
(…)

Tweede middel tot cassatie
Geschonden wetsbepalingen en beginselen
artikelen 12, 13, 15, 16, 564, 1017, eerste en vierde lid, 1018, 6°, 1022, eerste en vijfde lid, en 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek;
artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat;
het algemene rechtsbeginsel betreffende de eerbied voor het recht van verdediging;
het algemene rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, dat de rechter verbiedt meer toe te kennen dan gevorderd.

Bestreden beslissing

Na het hoger beroep van tweede verweerster en het incidenteel hoger beroep van eerste verweerster toelaatbaar en gegrond te hebben verklaard, het beroepen vonnis te hebben hervormd, en opnieuw rechtsprekende, de hoofdvordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te hebben verklaard en de vordering in vrijwaring van eerste verweerster zonder voorwerp, verwijst het bestreden arrest eiseres in de gedingkosten, vereffend aan de zijde van tweede verweerster op 2.200 EUR (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg), 2.200 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep), 186 EUR (rolrechten hoger beroep), en aan de zijde van eerste verweerster op 2.200 EUR (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 2.200 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep), en dit op volgende gronden

“10.

Overeenkomstig artikel 1017 Ger.W. zijn de gerechtskosten ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.

(Eiseres) is gelet op de gegrondheid van het hoger beroep de in het ongelijk gestelde partij.

Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep bedraagt overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 de som van 2.200 EUR.” (arrest p. 7).

Grieven

1. Krachtens artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Luidens artikel 1017, vierde lid van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.

Overeenkomstig artikel 1018, 6° van het Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van hetzelfde wetboek.

Naar luid van artikel 1022, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Krachtens het artikel 1022, vijfde lid Gerechtelijk Wetboek, bedraagt, wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

2. Naar luid van artikel 12 van het Gerechtelijk Wetboek is de vordering een inleidende vordering of een tussenvordering. De inleidende vordering opent het rechtsgeding.

Naar luid van artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek is een tussenvordering iedere vordering die in de loop van het rechtsgeding wordt ingesteld en ertoe strekt, hetzij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen de partijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn geroepen, erin te betrekken.

Krachtens artikel 15 van het Gerechtelijk Wetboek is tussenkomst een rechtspleging waarbij een derde persoon partij wordt in het geding. Zij strekt ertoe, hetzij de belangen van de tussenkomende partij of van een der partijen in het geding te beschermen, hetzij een veroordeling te doen uitspreken of vrijwaring te doen bevelen.

Krachtens artikel 16 van het Gerechtelijk Wetboek is de tussenkomst vrijwillig, wanneer de derde opkomt om zijn belangen te verdedigen. Zij is gedwongen wanneer de derde in de loop van een rechtspleging gedagvaard wordt door een of meer partijen.

Naar luid van artikel 564 van het Gerechtelijk Wetboek is de rechtbank waarvoor een vordering aanhangig is gemaakt, bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot tussenkomst.

3. Uit de samenhang van voornoemde wetsbepalingen volgt dat de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring een eigen procesverhouding creëert tussen de eiser in tussenkomst en vrijwaring en de verweerder in tussenkomst en vrijwaring, en dat de partij die in het kader van deze procesverhouding in het ongelijk wordt gesteld, een rechtsplegingsvergoeding dient te betalen aan de andere in het gelijk gestelde partij.

De rechtsplegingsvergoeding, verschuldigd in de procesverhouding tussen de eiser en de verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring, dient afzonderlijk te worden begroot in functie van het eigen voorwerp van de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring.

Wanneer de hoofdvordering wordt afgewezen zodat de vordering in tussenkomst en vrijwaring “zonder voorwerp” wordt verklaard, is er een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd door de eiser in vrijwaring aan de verweerder in vrijwaring. Het “zonder voorwerp” verklaren van een vordering komt immers neer op het als ongegrond afwijzen van de vordering.

4. Te dezen leidde eiseres een hoofdvordering in lastens eerste verweerster in betaling van 23.217,92 EUR schadevergoeding. Eerste verweerster dagvaardde vervolgens tweede verweerster in tussenkomst en vrijwaring, waarbij zij de volledige vrijwaring op een eventuele hoofdveroordeling nastreefde.

Tweede verweerster vorderde in conclusie de afwijzing van de hoofdvordering, minstens de afwijzing van de vordering in vrijwaring van eerste verweerster, en verzocht vervolgens de veroordeling van eerste verweerster tot de gerechtskosten en de rechtsplegingsvergoeding in beide aanleggen (“eerste besluiten” tweede verweerster, p. 22).

5. Het bestreden arrest verklaart de hoofdvordering van eiseres opzichtens eerste verweerster ongegrond, en verklaart vervolgens de vordering in vrijwaring van eerste verweerster opzichtens tweede verweerster zonder voorwerp.

Het bestreden arrest veroordeelt niettemin eiseres niet alleen tot de rechtsplegingsvergoeding, in eerste aanleg en in hoger beroep, opzichtens eerste verweerster, doch ook opzichtens tweede verweerster, en dit tot het basisbedrag, m.n. 2.200 EUR, overeenstemmend met het basisbedrag verschuldigd voor vorderingen tussen 20.000,01 EUR en 40.000 EUR, zoals blijkt uit artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat.

6. Door in deze omstandigheden eiseres te veroordelen tot de rechtsplegingsvergoeding opzichtens tweede verweerster, begroot op de waarde van de hoofdvordering, dan wel de waarde van de vordering in integrale vrijwaring, terwijl noch de hoofdvordering, noch de vordering in vrijwaring, een tussen eiseres en tweede verweerster gestelde vordering betreft, en eiseres derhalve niet op deze vorderingen, als een opzichtens tweede verweerster in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd, miskent het bestreden arrest de artikelen 12, 13, 15, 16, 564, 1017, eerste en vierde lid, 1018, 6°, en 1022, eerste en vijfde lid van het Gerechtelijk Wetboek.

Tevens miskennen de appelrechters het algemene rechtsbeginsel betreffende de eerbied voor het recht van verdediging door eiseres te veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan tweede verweerster, zonder haar de mogelijkheid te bieden desbetreffend verweer te voeren.

Minstens deden de appelrechters aldus uitspraak over een niet door tweede verweerster opzichtens eiseres gevorderde zaak, en schenden zij het algemene rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, dat de rechter verbiedt meer toe te kennen dan gevorderd, evenals artikel 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek.

Voor zover de door eiseres in conclusie nagestreefde veroordeling van tweede verweerster tot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ten belope van 2.200 EUR (“syntheseconclusie in hoger beroep” eiseres, p. 36), naar het oordeel van Uw Hof, kan worden beschouwd als een tussen eiseres en tweede verweerster gestelde vordering, quod non, dan nog kon de afwijzing van deze vordering geen veroordeling, van eiseres opzichtens tweede verweerster, tot een rechtsplegingsvergoeding van 2.200 EUR verantwoorden, nu het basisbedrag van vorderingen tussen 750,01 EUR en 2500 EUR, blijkens artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, slechts 440 EUR bedraagt (schending van art. 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, de art. 1017, eerste en vierde lid, 1018, 6°, 1022, eerste en vijfde lid Ger.W.).

Toelichting
De dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring creëert een eigen procesverhouding tussen de eiser in tussenkomst en vrijwaring en de verweerder in tussenkomst en vrijwaring. De partij die in het kader van deze procesverhouding in het ongelijk wordt gesteld, dient een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de andere in het gelijk gestelde partij (zie o.m. J.-Fr. Van Drooghenbroeck en B. De Coninck, “La loi du 21 avril 2007 sur la répétibilité des frais et honoraires d'avocat”, JT 2008, (37), 44, nr. 22ter; V. Pire, “Questions d'actualité en matière de répétibilité des frais et honoraires d'avocat”, P&B 2009, (4), 9, nr. 32; S. Voet, “Rechtsplegingsvergoeding per gerechtelijke band: Where will it all end?”, RW 2010-11, (888), 889-890, nr. 5).

De rechtsplegingsvergoeding, verschuldigd in de procesverhouding tussen de eiser en de verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring, dient afzonderlijk te worden begroot in functie van het eigen voorwerp van de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring (J.-Fr. Van Drooghenbroeck en B. De Coninck, “La loi du 21 avril 2007 sur la répétibilité des frais et honoraires d'avocat”, o.c., 44, nr. 22ter; S. Voet, “Rechtsplegingsvergoeding per gerechtelijke band: Where will it all end?”, o.c., 891).

Wanneer de hoofdvordering wordt afgewezen zodat de vordering in tussenkomst en vrijwaring “zonder voorwerp” wordt verklaard, is er een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd door de eiser in vrijwaring aan de verweerder in vrijwaring. Het “zonder voorwerp” verklaren komt immers neer op het als ongegrond afwijzen van de vordering (S. Voet, “De rechtsplegingsvergoeding rechtgetrokken(?)” in CBR Jaarboek 2011-2012, (117), 148).

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN,

Besluit voor eiseres, ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie, dat het U behage, hooggeachte dames en heren, de bestreden beslissing te vernietigen, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, kosten als naar recht.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 14/07/2017 - 08:49
Laatst aangepast op: vr, 14/07/2017 - 08:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.