-A +A

Regresrecht van de hoofdelijke schuldenaar op zijn medeschuldenaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
vri, 08/01/2010

Een hoofdelijke schuldenaar die aan zijn schuldeiser meer betaalt dan zijn aandeel in de totale schuld heeft een recht op terugvordering op zijn medeschuldenaar en ook op diens rechtsopvolger. De wettelijke subrogatie van artikel 1251 lid 3 BW maken een rechtsgrond voor dit regresrecht.

Een hoofdelijke schuldenaar kan zich beroepen op de gronden van tenietgaan van de verbintenis ten aanzien van de schuldeiser. Zo kan de hoofdelijke schuldenaar ook de verjaring inroepen.

Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018-1
Pagina: 
15
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR: 2013/ AR/1272

Inzake van: M.D./J.W.

( ... )

1. Feitenrelaas

Partijen huwden in 1977.

Op 28 oktober 1982 heb partijen een hypothecaire lening afgesloten met Fidisco (thans KBC) voor 1.000.000 Belgische frank, omgerekend 24.789,35 euro, ter financiering van de aankoop van een onroerend goed.

Sinds 1984 leefden partijen feitelijk gescheiden.

Volgens de heer J.W. (geïntimeerde) werd dit onroerend goed gedwongen verkocht in 1986 en heeft hij het saldo van de lening alleen verder aangezuiverd.

De heer J.W. vordert van mevrouw M.D. (appellante) de helft van de bedragen die hij aan KBC heeft betaald, terug.

( ... )

4. Beoordeling

4.1. Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep

(. .. )

4.2. Over de gegrondheid van het hoger beroep

Hoewel mevrouw M.D. ook hoger beroep heeft ingesteld tegen het tussenvonnis van 9 november 2012, formuleert zij geen enkele grief tegen dat tussenvonnis. Dat tussenvonnis heeft mevrouw M.D. ook niet gegriefd, aangezien in dat tussenvonnis enkel werd overwogen dat de eis verband kon houden met de vereffening en verdeling van het huwelijksstelsel van partijen en voorts de overlegging van hun echtscheidingsvonnis werd bevolen.

Het hoger beroep is ongegrond in de mate dat het tegen het voormelde tussenvonnis gericht is.

Er wordt geen enkele uitdrukkelijke of stilzwijgende afstand van hoofdelijkheid bewezen. Artikel 1212 van het Burgerlijk Wetboek is hier niet van toepassing aangezien KBC op geen enkele wijze genoegen heeft genomen met de enkele betaling van het aandeel van de heer J.W. in de intrestschuld, maar de volledige intrestschuld heeft geïnd.

Krachtens artikel 1213 van het Burgerlijk Wetboek is een hoofdelijke verbintenis van rechtswege deelbaar tussen de schuldenaars, die onder elkaar slechts ieder voor hun aandeel verbonden zijn. Het regresrecht van de hoofdelijke schuldenaar op zijn medeschuldenaar ontstaat op het ogenblik waarop hij meer dan zijn aandeel in de hoofdelijke schuld betaalt aan de schuldeiser.

Uit de voorgelegde stukken - inzonderheid stuk 3 van de stukkenbundel van de heer J.W., zijnde een afrekening van KBC - blijkt dat de totale schuldvordering van KBC, onder aftrek van de som van 14.873,61 euro die voortkwam uit de gedwongen verkoop van het desbetreffende onroerend goed, 42.793,92 euro bedroeg (18.822,38 euro in hoofdsom en 23.971,54 euro aan intresten).

Bij gebrek aan andersluidende overeenkomst, zijn beide partijen gehouden tot de helft van deze hoofdelijke schuld, hetzij ieder tot betaling van 21.396,96 euro.

De heer J.W. heeft zijn eis in hoofdsom echter beperkt tot de helft van de som van 42.319,79 euro, die middels loondelegatie door de Stad Antwerpen aan KBC werd gestort, hetzij 21.159,90 euro.

Noch op het ogenblik waarop de echtscheiding van partijen werd uitgesproken in 1996, noch op het ogenblik waarop de volledige kapitaalschuld aan KBC werd betaald op 28 november 2000, had de heer J.W. meer dan zijn aandeel in de hoofdelijke schuld betaald. Op 28 november 2000 had de heer J.W. immers slechts 18.822,38 euro aan KBC betaald, terwijl zijn aandeel in de hoofdelijke schuld 21.396,96 euro bedraagt.

Uit de voormelde afrekening van KBC (stuk 3 stukkenbundel van de heer J.W.) blijkt dat hij op 1 oktober 2001 in totaal 21.009,55 euro aan KBC had betaald en dat hij pas op 31 oktober 2001 in totaal 21.578,91 euro aan KBC had betaald. De regresvordering van de heer J.W. op mevrouw M.D. is bijgevolg pas op 31 oktober 2001 ontstaan.

De regresvordering van de heer J.W. op mevrouw M.D. valt niet onder toepassing van kortere verjaringstermijn van 5 jaar, zoals bepaalt in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek. Het betreft een persoonlijke rechtsvordering, die overeenkomstig artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek verjaart door verloop van 10 jaar.

De gedinginleidende dagvaarding werd op 20 juni 2011 uitgebracht binnen de 10 jaar te rekenen van 31 oktober 2001, zodat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat het vorderingsrecht van de heer J.W. niet verjaard was en dat de eis ontvankelijk was.

Mevrouw M.D. kan zich, als hoofdelijke schuldenaar, beroepen op de gronden van tenietgaan van de verbintenis ten aanzien van de schuldeiser, KBC, zoals bijvoorbeeld de exceptie van verjaring. Mevrouw M.D. beweert echter ten onrechte dat de schuldvordering van KBC met betrekking tot de intresten verjaard was. De betalingen die de heer J.W. periodiek heeft gedaan aan KBC hebben immers telkens de verjaring van de intresten gestuit en deze daden van stuiting, stuiten de verjaring ook ten aanzien van mevrouw M.D. aangezien zij hoofdelijk gehouden was met de heer J.W. ten aanzien van KBC. Het betrof geen vrijwillige betalingen van de heer J.W. omdat de verjaring nooit is ingetreden.

De afrekening van KBC, van de heer J.W. en van de eerste rechter is wel degelijk correct. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de gedwongen verkoop slechts 14.873 euro aan KBC heeft opgeleverd. Het verschil van 586,32 euro waarop mevrouw M.D. wijst, betreft een afzonderlijke betaling door de heer J.W. van 17 oktober 1986.

Uit de voorgelegde stukken - inzonderheid het proces-verbaal van rangregeling van notaris Istas (stuk 5 stukkenbundel van de heer J.W.) - blijkt dat de procedure van het uitvoerend beslag op het desbetreffende onroerend goed correct werd nageleefd, zodat mevrouw M.D. wel degelijk in kennis werd gesteld van deze verkoop en de verkoopsvoorwaarden (exploot van de gerechtsdeurwaarder Johan Stroobants van 6 maart 1986 betekend zowel aan de heer J.W., als aan mevrouw M.D.) en in de gelegenheid gesteld om hiertegen tegenspraak te voeren, doch wat zij heeft nagelaten om dit te doen.

Er wordt geen enkele kwade trouw in hoofde van de heer J.W. aangetoond. Er wordt evenmin aangetoond dat er sprake zou zijn van rechtsmisbruik.

Ten slotte wordt niet aangetoond dat er sprake zou zijn van afstand van recht in hoofde van de heer J.W.

Mevrouw M.D. toont niet aan dat zij ongelukkig en te goeder trouw is en zij heeft reeds zeer geruime tijd uitstel van betaling genoten, zodat er geen redenen voorhanden zijn om haar betalingsfaciliteiten toe te staan.

Het hoger beroep is ook ongegrond in de mate dat het tegen het eindvonnis gericht is.

( ... )

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest gewezen op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, maar ongegrond. Bevestigt de bestreden vonnissen in al hun bestreden beschikkingen.

( ... )
 

Noot: 

Noot M. Nounckele Les effets de l'interruption et de la suspension de la prescription en cas de solidarité passive, TBBR 2018, p.16

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 30/05/2018 - 11:01
Laatst aangepast op: di, 05/06/2018 - 21:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.