-A +A

Regresrechtsmisbruik

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 17/02/2012
A.R.: 
C.10.0651.F

De rechter kan (zelfs ondersteld [...] dat het op artikel 25, 3°, van de modelovereenkomst gegronde regres automatisch zou zijn), het aanvoeren van recht van regres in het licht van de omstandigheden van de zaak bestempelen als rechtsmisbruik.

Aldus kan de rechter misbruik van regresrecht weerhouden wanneer het regres wordt uitgeoefend wegens een tekortkoming die louter betrekking heeft op een formaliteit.

Met die redenen voegt de rechter aan artikel 25, 3°, b), geen voorwaarde toe die het artikel niet bevat, maar overweegt hij daarentegn dat, gelet op de toedracht van de zaak, de verzekeraar een misbruik van recht begaat door het in die clausule van de modelovereenkomst bedoelde verhaalsrecht uit te oefenen.

Bovendien kan er misbruik van recht zijn onder meer wanneer het recht zonder redelijk en voldoende belang wordt uitgeoefend; dat is inzonderheid het geval wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het door de houder van dat recht nagestreefde of verkregen voordeel; bij de afweging van de voorhanden zijnde belangen moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

Hoewel het adagium "de minimis non curat praetor" geen rechtsregel naar Belgisch recht is, kan de regel met berekking tot de loutere formele nalatigheid in het regresrecht aanzien worden als een indirecte toepassing ervan. 

De minimis non curat praetor, in de vertaling: "de rechter houdt zich niet bezig met het ministe (het minimale/het banale)", dient dan gelezen in de zin dat "de rechter weerhoudt niet het banale om een (regres)recht toe te kennen".
Let wel in het aansprakelijkheidsrecht geldt nog steeds de lichtste fout, de culpa levissima.

Publicatie
tijdschrift: 
Juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.10.0651.F
AXA nv,
tegen
E. M.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Luik van 22 januari 2010.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 25, 3°, b), van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 december 1992;

- de artikelen 11, eerste lid, en 88, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;

- artikel 1134, eerste en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Eerst geeft het bestreden vonnis de bewoordingen weer van artikel 25, 3°, b), van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, die is vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 december 1992, vervolgens verwerpt het, met bevestiging van het beroepen vonnis, de regresvordering van de eiseres die ertoe strekte de verweerder te doen veroordelen om haar de bedragen terug te betalen die zij had uitgekeerd na het ongeval van 1 april 2002 en veroordeelt haar in de kosten van het hoger beroep; het baseert die beslissing op de onderstaande redenen:

"De regresvordering, die onder meer wordt geregeld bij artikel 25 van de modelpolis vindt haar grondslag in het uitgebreide stelsel van de niet-tegenwerpelijkheid van de excepties die verbonden zijn aan de rechtstreekse vordering van het slachtoffer tegen de verzekeraar en op grond waarvan laatstgenoemde vaak een prestatie zal moeten leveren die hij in zijn betrekkingen met de verzekerde zou kunnen weigeren.

Aangezien de regresvordering de tegenhanger is van de niet-tegenwerpelijkheid van de excepties aan de benadeelde derden, is zij van contractuele aard.

Bijgevolg is de regresvordering, aangezien zij het gevolg is van een verval van de contractuele dekking, onderworpen aan artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 dat het verval doet afhangen van de voorwaarde dat de tekortkoming in verband moet staan met het ontstaan van de schade.

Het doet er niet toe dat de modelverzekeringsovereenkomst, die is vastgelegd bij koninklijk besluit van 14 december 1992, onder de contractuele fouten, een onderscheid maakt tussen die welke, omdat ze in oorzakelijk verband staan met het ongeval, leiden tot het verval, en die welke automatisch een verval zouden teweegbrengen.

Een lagere norm kan immers niet afwijken van een hogere norm.

De (eiseres) voert ten onrechte aan dat het niet om een grond van verval maar om een uitsluitingsgrond gaat.

De dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen heeft immers betrekking op een welbepaald voertuig en niet op een persoon. Wanneer een voertuig bij een ongeval betrokken is, zal de aansprakelijkheid van de bestuurder dan ook in beginsel gedekt zijn. Pas als de bestuurder niet beantwoordt aan sommige van de hem opgelegde verplichtingen, zal de verzekerde, de bestuurder, zijn recht op dekking verliezen.
(...) Uit de strafrechtelijke beslissing (van 21 juni 2004) volgt dat de onderstaande feiten bewezen zijn en voortvloeien uit de door de strafrechter onderzochte stukken:

- (de verweerder) reed sneller dan toegelaten is; terwijl er een snelheidsbeperking van 50 km/u gold, geeft hij toe dat hij tussen 70 tot 75 km/u reed,

- de bestuurders konden elkaar vanop een afstand van 75 meter zien,

- de bestuurder A., die voorrang moest verlenen, is het kruispunt opgereden toen het door (de verweerder) bestuurde voertuig zich op een afstand van 62,5 meter bevond,

- op het ogenblik van het ongeval was (de verweerder) reeds geslaagd voor het theoretisch en praktisch rijexamen, maar hij had niet tijdig de nodige stappen ondernomen om in het bezit te komen van het rijbewijs waarop hij recht had.

Uit die gegevens volgt dat het ongeval te wijten is aan het feit dat bestuurder A. weigerde voorrang te verlenen en dat laatstgenoemde (de verweerder), ondanks diens overdreven snelheid, toch heeft moeten zien voordat die het kruispunt overstak.

(De verweerder) heeft geen enkele rijfout begaan die het ongeval zou hebben veroorzaakt; het feit dat hij te snel reed, heeft enkel de gevolgen van het ongeval verergerd.

Uit de toedracht van het ongeval blijkt dat het precies op dezelfde wijze zou zijn gebeurd indien (de verweerder) op administratief vlak minder slordig was geweest.

Bijgevolg staat het feit dat (de verweerder) geen rijbewijs bezat niet in oorzakelijk verband met het ongeval zoals het zich heeft voorgedaan en, bijgevolg, moet de regresvordering van (de eiseres) worden afgewezen.

Ten overvloede, in de onderstelling, quod non, dat het op artikel 25, 3°, van de modelovereenkomst gegronde regres automatisch zou zijn, zou het aanvoeren van dat recht in het licht van de omstandigheden van de zaak rechtsmisbruik opleveren.

De tekortkoming (van de verweerder) heeft immers louter betrekking op een formaliteit, aangezien vast staat dat hij aan alle voorwaarden voldeed om, zonder enige beperking, de afgifte van zijn rijbewijs te verkrijgen.

De (eiseres) die zich enkel beroept op het administratieve verzuim van haar verzekerde om de nagenoeg volledige terugbetaling van haar uitgaven te krijgen, wil hiermee een buitensporig profijt halen omdat haar dekking ten gunste van de benadeelde derden beperkt is tot het risico zelf, dat niet verzwaard is door haar wettelijke contractuele verplichting".

Grieven

(...)

Derde onderdeel

De rechter mag niet beslissen dat het aanvoeren van een wettelijke of verordenende bepaling, of van een contractueel beding rechtsmisbruik oplevert wanneer de beslissing tot gevolg heeft dat die bepaling of clausule haar uitwerking verliest. Artikel 25, 3°, b), van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 december 1992, waarop de eiseres haar rechtsvordering baseerde, bepaalt niet dat de verzekeraar het bewijs moet leveren van het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het ongeval en het niet naleven van de in de Belgische wet en reglementen opgelegde voorwaarden om een voertuig te besturen, en evenmin dat hij de ernst van die tekortkoming moet bewijzen.

Het bestreden vonnis oordeelt, "ten overvloede", dat "het aanvoeren van dat recht (op een regresvordering) in het licht van de omstandigheden van de zaak rechtsmisbruik zou opleveren" daar "de tekortkoming (van de verweerder) (...) louter betrekking (heeft) op een formaliteit, aangezien vast staat dat hij aan alle voorwaarden voldeed om, zonder enige beperking, de afgifte van zijn rijbewijs te verkrijgen", en verwijt de eiseres dat zij zich "enkel beroept op het administratieve verzuim van haar verzekerde om de nagenoeg volledige terugbetaling van haar uitgaven te krijgen", en aldus uit die tekortkoming "een buitensporig profijt" haalt.

Het bestreden vonnis dat aldus beslist, in de feitelijke omstandigheden die het vermeldt, dat het verzuim, zoals dat van de verweerder, niet volstaat opdat de regresvordering gegrond zou zijn, voegt aan de clausule van de modelovereenkomst waarvan het toepassing maakt, een voorwaarde toe die zij niet bevat, aangezien zij uitsluitend de vaststelling vereist van een overtreding die erin bestaat, op het ogenblik van het schadegeval, een rijtuig te besturen zonder te voldoen aan de voorwaarden van de Belgische wet en reglementen, onder meer door niet in het bezit van een rijbewijs te zijn. Het doet er niet toe dat de bewuste bestuurder "aan alle voorwaarden voldeed om, zonder enige beperking, de afgifte van (dat document) te verkrijgen", wanneer wordt vastgesteld dat hij het op de dag van het ongeval niet bezat en hij trouwens daarvoor strafrechtelijk werd veroordeeld en het doet er evenmin toe of het voor hem, in dat geval, gaat om "een louter formele tekortkoming" dan wel om "een administratief verzuim".

Het bestreden vonnis dat zijn beslissing niet naar recht verantwoordt in het licht van de voornoemde clausule, heeft bijgevolg uit de gegevens die het vaststelt niet kunnen afleiden dat de eiseres misbruik heeft gemaakt van haar recht om die clausule aan te voeren en het verantwoordt derhalve niet naar recht zijn beslissing om de door haar ingestelde regresvordering te verwerpen (schending van artikel 25, 3°, b) van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 14 december 1992, en, bijgevolg, van artikel 1134, eerste en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat misbruik van recht verbiedt).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
(...)

Derde onderdeel

Het bestreden vonnis overweegt "dat, ondersteld [...] dat het op artikel 25, 3°, van de modelovereenkomst gegronde regres automatisch zou zijn, het aanvoeren van dat recht in het licht van de omstandigheden van de zaak rechtsmisbruik zou opleveren. [Verweerders] tekortkoming heeft immers louter betrekking op een formaliteit, aangezien vast staat dat hij aan alle voorwaarden voldeed om zonder enige beperking de afgifte van zijn rijbewijs te verkrijgen".

Met die redenen voegt het bestreden vonnis aan artikel 25, 3°, b), geen voorwaarde toe die het artikel niet bevat, maar overweegt het dat, gelet op de toedracht van de zaak, de verzekeraar een misbruik van recht begaat door het in die clausule van de modelovereenkomst bedoelde verhaalsrecht uit te oefenen.

In zoverre het onderdeel staande houdt dat het bestreden vonnis aan de clausule van de modelovereenkomst waarvan het toepassing maakt, een voorwaarde toevoegt die er niet in voorkomt, mist het feitelijke grondslag.

Bovendien kan er misbruik van recht zijn onder meer wanneer het recht zonder redelijk en voldoende belang wordt uitgeoefend; dat is inzonderheid het geval wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het door de houder van dat recht nagestreefde of verkregen voordeel; bij de afweging van de voorhanden zijnde belangen moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

Eerst vermeldden de appelrechters dat de tekortkoming van de verweerder bij het litigieuze ongeval louter betrekking op een formaliteit had, aangezien hij aan alle voorwaarden voldeed om de afgifte van een rijbewijs te verkrijgen en vervolgens beslisten zij dat "de [eiseres] die zich enkel beroept op het administratieve verzuim van haar verzekerde om de nagenoeg volledige terugbetaling van haar uitgaven te krijgen, [...] hiermee een buitensporig profijt [wil] halen omdat haar dekking ten gunste van de benadeelde derden beperkt is tot het risico zelf, dat niet verzwaard is door haar wettelijke [en] contractuele verplichting".

Uit die vermeldingen hebben de appelrechters naar recht kunnen afleiden dat de regresvordering die de eiseres op grond van artikel 25, 3°, b), van de modelovereenkomst tegen de verweerder heeft ingesteld, rechtsmisbruik oplevert.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
(...)

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, en in openbare terechtzitting van 17 februari 2012 uitgesproken 

Noot: 

zie T.Pol 2013, 21 Noot van Dirk Van Trimpont onder Pol. Nivelles 11 juni 2012, met zelfs de liefdesgeschiedenis achter dit ongeval en met toelichting  over de "loutere formele nalatigheid" versus het harde regresrecht en zelfs over het misbruik van regresrecht, gelardeerd met kritische bedenking en voorzichtigheid.

Cassatie 11/02/2016, RW 2017-2018, 19

Aangezien artikel 11, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, zoals hier van toepassing, krachtens artikel 3 van voormelde wet, van dwingend recht is, dient de rechter na te gaan of een clausule van de verzekeringsovereenkomst die op een andere manier wordt verwoord, geen vervalbeding is.

Een verzekeringspolis kan voorzien in uitsluitingen. Dit zijn uitgesloten risico's waarvoor de tussenkomst van de verzekering wordt uitgesloten.Voor de toepassing van een uitsluitingsgrond dient geen causaal verband bewezen

Een verzekering kan ook voorzien in een vervalbeding. .Het vervalbeding legt een sanctie op aan de verzekerde. Indien hij een bepaalde plicht niet nakomt is verzekeringsmaatschappij niet meer verplicht om tussenkomst te verlenen

Vervalbedingen betreffen omstandigheden die uitdrukkelijk bedongen zijn in de polis waarbij mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen deze niet-nakoming en het schadegeval, de verzekering niet meer dient tussen te komen.(art. 65 Verzekeringswet, art. 11 WLVO).

Alcoholintoxicatie of dronkenschap wordt aldus vaak opgenomen in omiumverzekeringen en omschreven als uitsluitingsgrond. Door alcoholintoxicatie en dronkenschap te omschrijven als uitsluitingsgrond en niet van vervalbeding, dient de verzekering niet meer het bewijs te leveren tiussen dronkenschap en alcoholintoxicatie en het ongeval om zich op de uitsluiting te kunnen beroepen. Ze dienen door deze truc dus niet meer te bewijzen dat de dronkenschap of de intoxicatie de oorzaak is van het ongeval om zich op de uitsluiting te kunnen beroepen.

Maar het Hof van Cassatie stelt met zoveel woorden in har arrest van 11/02/2016, dat de omschrijving als uitsluitingsbeding verkeerd is, aangezien het hier in werkelijkheid een vervalbeding betreft waardoor de verzekeringsmaatschappij ook bij omniumverzekering het bewijs moet leveren tussen de alcohol en de schade om zich van haar tussenkomstplicht ontslaan te zien.

Tekst arrest

Nr. C.15.0180.N
DEVOSA bvba, met zetel te 9031 Gent (Drongen), Jan-Baptist Lombaertdreef 11,
eiseres,
tegen
KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Professor Roger Van Overstraetenplein 2,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 5 juni 2014.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens, artikel 11, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, zoals hier van toepassing, mag in de verzekeringsovereenkomst geen geheel of gedeel-telijk verval van het recht op verzekeringsprestatie bedongen worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het ongeval.

2. Aangezien deze bepaling, krachtens artikel 3 van voormelde wet, van dwin-gend recht is, dient de rechter na te gaan of een clausule van de verzekeringsover-eenkomst die op een andere manier wordt verwoord, geen vervalbeding is.

3. Het beding op grond waarvan de verzekeraar zijn dekking kan weigeren wegens de niet-nakoming door de verzekerde van zijn contractuele verplichtingen vormt een vervalbeding in de zin van voormeld artikel 11.

4. De appelrechters stellen vast dat artikel 4b van de verzekeringsovereenkomst bepaalt dat "de verzekering niet geldt wanneer u of de toegelaten bestuurder (...) het schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0.65 mg/l), in een staat van dronkenschap of in een gelijkaardige toestand die het gevolg is van het gebruik van andere producten dan alcoholische dranken".

5. De appelrechters die, ondanks de in dit artikel opgenomen contractuele ver-plichtingen, oordelen dat in artikel 4b van de verzekeringsovereenkomst geen verval van dekking wordt omschreven en dat het bijgevolg aan de eiseres als ver-zekerde behoort het bewijs te leveren dat het schadegeval niet werd veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 pro mille, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

6. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de eiseres ongegrond verklaart en oordeelt over de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 11 februari 2016 uitgesproken

24084/W/10
VOORZIENING IN CASSATIE

Aan het Hof van Cassatie van België

geeft te kennen:

bvba DEVOSA, met zetel te 9031 GENT, aan de Jan-Baptist Lombaert-dreef 11 en met ondernemingsnummer 0896.503.001,
eiseres tot cassatie,wat volgt.

De eiseres, voornoemd, ver¬klaart hierbij zich in cassatie te voorzien tegen het hieronder nader omschreven arrest en cassatieberoep aan te tekenen tegen de hier-onder nader aangewezen partij.

I. BESTREDEN UITSPRAAK EN PARTIJ WAARTEGEN CASSATIE-BEROEP WORDT AANGETEKEND

Dit cassatieberoep is gericht tegen het arrest dat op 5 juni 2014 door de eerste kamer van het hof van beroep te Gent op tegen¬spraak werd gewezen in de zaak, ingeschreven op de algemene rol onder het nummer 2012/AR/1305, van de eise-res, als eerste appellante, tegen:

de naamloze vennootschap KBC VERZEKERINGEN, met zetel te 3000 LEUVEN, aan het Professor Roger Van Overstraetenplein 2 en met ondernemingsnummer 0403.552.563,
toen geïntimeerde, thans verweerster in cassatie,

en tegen die verwerende partij.

Deze voorziening in cassatie is gesteund op de volgende middelen en conclusie.

II. FEITEN EN RETROACTA VAN DE PROCEDURE

1. Op 15 april 2008 sloot de eiseres als verzekeringsnemer een polis-personenauto af bij de verweerster, met als verzekerde waarborgen burgerrech-telijke aansprakelijkheid, rechtsbijstand en "omnium alle risico's".

Mevrouw An-Sofie De Vos, die geen partij is in deze cassatieprocedure, werd aangeduid als courante bestuurder van het verzekerde voertuig.

Op 8 juli 2010 om 0 uur 05 was An-Sofie De Vos betrokken bij een verkeerson-geval.

De ademanalyse, uitgevoerd om 1.32 uur, gaf als resultaat 0,64 milligram alcohol per liter uitgeademde alveolaire lucht

De verweerster weigerde aan de eiseres een vergoeding uit te keren voor de door haar geleden eigen schade, op grond van artikel 4 van de algemene voorwaarden "omnium alle risico's", dat luidt als volgt:

"Artikel 4. "Uitsluitingen": "Deze verzekering geldt niet: [...] b. wanneer u of de toegelaten bestuurder: [...] het schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l), in een staat van dronkenschap of in een gelijkaardige toestand die het gevolg is van het gebruik van andere producten dan alcoholische dranken."

Bij dagvaarding van 21 september 2011 vorderde de eiseres de veroordeling van de verweerster tot het vergoeden van de schade aan het voertuig, vermeerderd met de niet-aftrekbare btw en de belasting op de inverkeerstelling (biv) of in totaal 11.209,82 euro, meer de interest.

Bij vonnis van 2 april 2012 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Gent de vordering van de eiseres ontvankelijk maar ongegrond.

2. Tegen dat vonnis tekende de eiseres hoger beroep aan.

Bij arrest van 5 juni 2014 verklaart het hof van beroep te Gent het hoger beroep van de eiseres ongegrond en beslist het, met bevestiging van het bestreden von-nis, dat artikel 4 b van de verzekeringspolis een geval van uitsluiting beschrijft en geen verval van dekking of grove schuld. Aangezien de graad van alcoholintoxi-catie van bestuurster An-Sofie De Vos op het ogenblik van het ongeval meer be-droeg dan 0,65 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht, is de verweerster volgens het hof van beroep dan ook niet tot dekking gehouden.

Tegen dat arrest voert de eiseres het volgende middel tot cassatie aan.

III. MIDDELEN

Enig middel

MIDDEL

Geschonden wettelijke bepalingen

de artikelen 3, 8, tweede lid en 11 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, vóór de opheffing van die laatste twee bepalingen door de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep, recht sprekend over de vordering van de eiseres strekkende tot de betaling, door de verweerster, van een vergoeding op grond van de door de eiseres bij de verweerster afgesloten verzeke-ringspolis "omnium alle risico's", het hoger beroep van de eiseres ongegrond en beslist het, met bevestiging van het beroepen vonnis, dat de verweerster niet tot dekking is gehouden. Het hof van beroep neemt die beslissing op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunt en die hier beschouwd worden inte-graal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende:

"[De verweerster] weigert dekking te verlenen en verwijst daarvoor naar art. 4 van de verzekeringspolis waarin onder meer wordt uitgesloten:
"Deze verzekering geldt niet:
b. wanneer u of de toegelaten bestuurder:
- het schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l), in een staat van dronkenschap of in een gelijk-aardige toestand die het gevolg is van het gebruik van andere producten dan alcoholische dranken."
[...]
Wat de grond van de zaak betreft zijn [de eiseres en An-Sofie De Vos] de me-ning toegedaan dat er geen sprake is van een uitsluiting maar wel van een vervalbeding dat overeenkomstig art. 11 van de wet op de landverzekerings-overeenkomsten maar uitwerking kan hebben voor zover het oorzakelijk ver-band tussen de reden van het verval en het schadebeding wordt bewezen.
De door [de verweerster] genoemde uitsluiting betreft een geval van grove schuld waarop art. 8 van de wet op de landverzekeringsovereenkomsten van toepassing is, zodat het aan de verzekeringsmaatschappij toekomt het oorza-kelijk verband te bewijzen tussen de alcoholintoxicatie en het ongeval, bewijs dat zij niet levert [...]

c. gegrondheid van de vordering van [de eiseres]

De [eiseres] houdt voor dat art. 4 b van de verzekeringspolis ten onrechte in de polis wordt omschreven als een geval van uitsluiting.
Zij kan hierin niet gevolgd worden.

Door middel van uitsluitingen beperkt de verzekeraar een algemeen omschre-ven dekking. Dit wordt ook zo verwoord in artikel 1 van de polis waarin wordt gezegd dat de verzekering het voertuig dekt tegen alle risico's, wat betekent dat in principe elk schadegeval verzekerd is tenzij het onder de beperkte lijst van niet-verzekerde gevallen valt.
Het staat de verzekeraar, voor wat betreft een omniumverzekering auto, vrij de grenzen van de door hem verleende waarborg vast te leggen.

In art. 4 b wordt geen verval van dekking of geval van grove schuld omschre-ven. Er is maar prestatieverval wanneer de verzekerde tekort schiet in een contractueel opgelegde verplichting en er een oorzakelijk verband bestaat tussen deze tekortkoming en het schadegeval. Het feit dat een schadegeval niet verzekerd is wanneer de bestuurder een schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l) is geen geval van het niet naleven van een contractuele verplichting en evenmin te be-schouwen als een in de polis omschreven geval van grove schuld.

Dit betekent dat het aan [de eiseres] toekomt het bewijs te leveren dat het schadegeval niet werd veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l)."
(p. 3 t.e.m. 6 van het arrest).

Grieven

Krachtens artikel 3 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereen-komst (hieronder afgekort als Wet Landverzekeringsovereenkomst) zijn de bepa-lingen van die wet van dwingend recht, tenzij uit de bepalingen zelf blijkt dat de mogelijkheid wordt gelaten ervan af te wijken bij bijzondere bedingen.

Krachtens artikel 8, tweede lid, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, vóór de opheffing ervan bij de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, dekt de verzekeraar de schade veroorzaakt door de schuld, zelfs de grove schuld, van de verzekerde. Volgens diezelfde bepaling kan de verzekeraar zich enkel van zijn verplichtingen bevrijden voor de gevallen van grove schuld die op uitdrukkelijke en beperkende wijze in de overeenkomst zijn bepaald.

Overeenkomstig artikel 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, even-eens vóór de opheffing ervan bij de wet van 4 april 2014, mag in de verzeke-ringsovereenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op verzeke-ringsprestatie bedongen worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval.

Eerste onderdeel

1.1. Het beding op grond waarvan de verzekeraar zijn dekking kan weigeren we-gens de niet-nakoming door de verzekerde van zijn contractuele verbintenissen vormt een vervalbeding in de zin van voormeld artikel 11.

Aangezien die bepaling van dwingend recht is, dient de rechter na te gaan of een clausule van de verzekeringsovereenkomst die op een andere manier wordt ver-woord, geen vervalbeding is.

Dat geldt ook wanneer het gaat om een verzekering-eigen schade ("omniumver-zekering auto"), waarbij het de verzekeraar in beginsel vrij staat de grenzen van de door hem verleende waarborg vast te leggen.

Uw Hof is bevoegd na te gaan of de rechter wettig heeft beslist of een beding van een verzekeringsovereenkomst een vervalbeding is in de zin van artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

1.2. Volgens de vaststellingen van het hof van beroep wordt in artikel 1 van de verzekeringspolis "omnium alle risico's" die de eiseres bij de verweerster afsloot, gezegd dat de verzekering het voertuig dekt tegen alle risico's (p. 5, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest).

Het hof van beroep stelt voorts vast dat het beding in artikel 4 b van die polis be-paalt dat de verzekering "niet geldt" wanneer de verzekeringsnemer of de toege-laten bestuurder het schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l), in een staat van dronkenschap of in een gelijkaardige toestand die het gevolg is van het gebruik van andere producten dan alcoholische dranken.

Het besturen van een wagen in een staat van alcoholintoxicatie, een staat van dronkenschap of een gelijkaardige toestand wordt bestraft door de artikelen 34 tot en met 37/1 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.

Uit wat voorafgaat, volgt dat het voornoemde artikel 4 b geen risico beschrijft dat als zodanig buiten het toepassingsgebied van de door de eiseres bij de verweer-ster afgesloten verzekeringspolis "omnium alle risico's" valt (dat zijn trouwens, volgens de vaststellingen van het hof van beroep op basis van artikel 1 van de polis "alle risico's"), maar met het verval van het recht op een verzekeringspresta-tie, de tekortkoming bestraft aan een bepaalde, in de verzekeringsovereenkomst opgelegde verplichting, waarvan de miskenning deels ook een strafrechtelijke overtreding uitmaakt.

Zoals de eiseres voor het hof van beroep aanvoerde (zie de nrs. 19-21 op de bladzijden 8-10 van de "tweede conclusie in hoger beroep" voor de eiseres, neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 27 mei 2013), gaat het dan ook om een vervalbeding in de zin van artikel 11 van de Wet Landverzekeringsover-eenkomst, dat pas uitwerking kan hebben wanneer de verzekeraar het bewijs le-vert van het oorzakelijk verband tussen de tekortkoming en het schadegeval.

Door te beslissen dat de eiseres niet kan worden gevolgd in haar stelling dat arti-kel 4 b van de verzekeringspolis ten onrechte wordt omschreven als een geval van uitsluiting, op de overwegingen dat de verzekeraar door middel van uitsluitin-gen een algemeen omschreven dekking beperkt, dat dit ook zo wordt verwoord in artikel 1 van de polis waarin wordt gezegd dat de verzekering het voertuig dekt tegen alle risico's, wat betekent dat in principe elk schadegeval is verzekerd, tenzij het onder de beperkte lijst van niet-verzekerde gevallen valt en dat het aan de verzekeraar, voor wat betreft een omniumverzekering auto, vrij staat de grenzen van de door hem verleende waarborg vast te leggen, en vervolgens te beslissen dat in artikel 4 b van de verzekeringspolis geen verval van dekking wordt om-schreven, aangezien er maar prestatieverval is wanneer de verzekerde tekort-schiet in een contractueel opgelegde verplichting en er een oorzakelijk verband bestaat tussen deze tekortkoming en het schadegeval, en het feit dat een scha-degeval niet verzekerd is wanneer de bestuurder een schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l), geen geval is van het niet naleven van een contractuele verplichting (p. 5, onder c, - pagina 6, 1ste en 2de alinea, van het bestreden arrest), neemt het hof van beroep niet wettig aan dat sprake is van een uitsluitingsbeding en niet van een vervalbeding in de zin van artikel 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, waardoor het het wettelijk begrip vervalbeding schendt.

Het hof van beroep beslist op die overwegingen dan ook niet wettig, zonder aan de verweerster het bewijs op te leggen van het oorzakelijk verband tussen de bij An-Sofie De Vos vastgestelde alcoholintoxicatie en het schadegeval, dat de ver-weerster niet gehouden is tot dekking van de door de eiseres geleden schade (schending van de artikelen 3 en 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst).

Conclusie
Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van de eiseres en haar oorspron-kelijke vordering niet wettig ongegrond (schending van de artikelen 3 en 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst).

Tweede onderdeel

Uit de artikelen 8, tweede lid en 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, die van dwingend recht zijn in het voordeel van de verzekerde, volgt dat de ver-zekeraar die zich beroept op een grond van ontheffing van aansprakelijkheid in de zin van voormeld artikel 8, tweede lid, de schade alleen dan niet hoeft te dekken indien hij bewijst dat er een oorzakelijk verband is tussen de in de overeenkomst omschreven grove schuld en het schadegeval.

Zoals de eiseres voor het hof van beroep aanvoerde, bepaalt artikel 4 b van de verzekeringspolis op uitdrukkelijke en beperkende wijze een geval van grove schuld (zie blz. 10, onder C, van de "tweede conclusie in hoger beroep" voor de eiseres neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 27 mei 2013), zodat het gaat om een beding in de zin van artikel 8, tweede lid, van de Wet Landverzeke-ringsovereenkomst en de verweerster, om op grond van dat beding waarborg te kunnen weigeren, een oorzakelijk verband diende te bewijzen tussen de grove schuld en het schadegeval.

Door op de hierboven, in het eerste onderdeel weergegeven overwegingen van het bestreden arrest, te beslissen dat het feit dat een schadegeval niet verzekerd is wanneer de bestuurder een schadegeval veroorzaakt in een staat van alcohol-intoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l), niet is te beschouwen als een in de polis omschreven geval van grove schuld, schendt het hof van beroep de arti-kelen 3, 8, tweede lid en 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst en be-slist het niet wettig, zonder aan de verweerster het bewijs op te leggen van het oorzakelijk verband tussen de bij An-Sofie De Vos vastgestelde alcoholintoxicatie en het schadegeval, dat de verweerster niet gehouden is tot dekking van de door de eiseres geleden schade.

Conclusie
Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van de eiseres en haar oorspron-kelijke vordering niet wettig ongegrond (schending van de artikelen 3, 8, tweede lid, en 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst).

TOELICHTING

Met betrekking tot het eerste onderdeel

1. Uitsluiting van dekking heeft te maken met een als regel vrij bedongen om-vang van de dekking en veronderstelt niet noodzakelijk het bestaan van een schadegeval. Prestatieverval impliceert daarentegen een contractuele wanpres-tatie en het bestaan van een schadegeval (L. SCHUERMANS, Grondslagen van het Belgisch verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia Rechtswetenschappen, 2001, 45, 712).

De verzekerde die aanspraak maakt op dekking, moet het bewijs leveren dat het schadegeval onder de waarborg valt en er niet van uitgesloten is (Cass. 5 januari 1995, Arr.Cass. 1995, 19).

2. Wanneer de verzekeraar echter een beroep doet op een verval van dekking, is de toepassing ervan onderworpen aan de voorwaarden bepaald in artikel 11 Wet Landverzekeringsovereenkomst en moet bovendien de verzekeraar het be-wijs leveren van het oorzakelijk verband tussen de tekortkoming en het schade-geval. Deze bewijslastregeling zet verzekeraars ertoe aan tekortkomingen van de verzekerde in de polis te omschrijven als uitsluitingen.

In een arrest van 20 september 2012 leidt uw Hof uit het dwingende karakter van artikel 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst af dat de rechter een uitsluitingsbeding moet toetsen op zijn werkelijke inhoud en zo nodig herkwalificeren als een vervalbeding wanneer het in werkelijkheid een tekortkoming van de verzekerde aan een contractuele verplichting bestraft (Cass. 20 september 2012, Pas. 2012, afl. 9, 1704, concl. J. GENICOT; G. JOCQUE, "Uitsluitingsbeding of vervalbeding", NJW 2013, afl. 279, 269).

Het feit dat een bepaalde verplichting niet alleen wordt opgelegd door de verzeke-ringsovereenkomst, maar ook door het verkeersreglement wordt bestraft, ontneemt daaraan niet het karakter van verplichting die in de overeenkomst wordt opgelegd, zoals bedoeld in artikel 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst.

Met betrekking tot het tweede onderdeel

Uit de artikelen 3, 8, tweede lid, en 11 van de Landverzekeringsovereenkomst, die dwingend zijn in het voordeel van de verzekerde, volgt dat de verzekeraar die zich beroept op een grond van ontheffing van aansprakelijkheid in de zin van voormeld artikel 8, tweede lid, de schade alleen dan niet hoeft te dekken wanneer hij het oorzakelijk verband tussen de in de overeenkomst bepaalde grove schuld en het schadegeval aantoont (Cass. 12 oktober 2007, Arr. Cass. 2007, afl. 10, 1931 Cass. 13 september 2010, Pas. 2010, afl. 9, 2241, concl. J. GENICOT).

Voor het begrip "grove schuld" in verzekeringstechnische zin dienen twee ele-menten verenigd te zijn: een objectief element, zijnde de vaststelling dat de be-trokken daad of handeling een risicoverzwaring inhoudt, zodat de kans op risico-verwezenlijking objectief groter wordt, en een subjectief element, inhoudende dat de verzekerde wist of alleszins behoorde te weten dat zijn daad de kans op de verwezenlijking van het risico vergrootte. Een auto besturen in staat van dronken-schap wordt als grove fout beschouwd (Ph. COLLE, Algemene beginselen van het Belgisch verzekeringsrecht, Intersentia, Antwerpen, 2006, 82).

OM DEZE REDENEN

Concludeert de eiseres dat het uw Hof behage
- de bestreden beslissing te vernietigen,
- de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep,
- uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Gent, 16 april 2015

Noot:

• De Juristenkrant HEIRMAN, Glenn; VAN LEUVEN, Eva; Noot 'Verzekeraar kan dronken chauffeur met omnium niet meer uitsluiten' 2016, nr. 335, p. 1.

 

commentaar bij voormeld arrest van 11/02/2016

Onverminderd de waarde van dit arrest inzake de verschillen tussen het uitsluitingsbeding en het vervalbeding in het verzekeringsrecht is deze uitspraak van het hof van cassatie mbt het regres inzake alcohol in het verkeer enkel relevant voor verzekeringen andere dan de verplichte aansprakelijkheidsverzekering in het verkeer, zoals bv. in de omnium-verzekering.

Immers, heel wat omnium-verzekeringspolissen bevatten de bijzondere clausule dat de verzekering haar tussenkomst uitsluit bij vastgestelde intoxicatie/dronkenschap. In dit arrest onderzoekt het Hof van Cassatie welk gevolg deze clausule kan en mag resorteren in de omium-verzekering en in alle andere verzekeringen anders dan de verzekeringen met bijzondere regelingen zoals de verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen voor voertuigen geregeld in de zogeheten modelpolis (KB 14 december 1992).

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 07/09/2017 - 09:36
Laatst aangepast op: do, 07/09/2017 - 09:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.