-A +A

Samenwonen en samenbouwen op niet-gezamenlijke bouwgrond

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 26/12/2014
A.R.: 
C.14.0121.N

Wanneer 2 samenwonenden bouwen op de grond van één van hen en samen:

1. bouwvergunnning aanvragen
2. samen hypothecaire lening aangaan
3. werken en materialen samen hebben besteld en met een gezamelijke rekening hebben betaald
4. samen van het fiscaal voordeel hebben genoten

dan verliest de eigenaar van de grond het recht van natrekking van zijn grond en is de woning onverdeelde eigendom

De grondeigenaar kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van het recht van natrekking. Dit kan door feitelijke handelingen die de rechter beoordeelt, maar die evenwel voor geen andere interpretatie dan de afstand van het recht mogen vatbaar zijn.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat

Nr. C.14.0121.N
I. G.,
eiseres,
tegen
J. V. D.,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 11 september 2013.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 552 tot 555 en 1341 Burgerlijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van een recht niet vermoed wordt en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen enkele andere uitlegging vatbaar zijn.

Aangevochten beslissingen

De appelrechters beslissen dat, nu de woning gebouwd is op een grond die exclusief aan de eiseres toebehoort, deze vermoed wordt haar toe te behoren ingevolge natrekking maar dat het vermoeden van natrekking wordt weerlegd en stellen een notaris aan met opdracht de bestaande onverdeeldheid van de woning tussen partijen te vereffenen en te verdelen, na schatting van de woning, die partijen samen hebben opgetrokken op de grond die aan de eiseres toebehoort, op grond van de volgende overwegingen:
"4 Beoordeling ten gronde:

Nu partijen niet gekozen hebben voor het huwelijk, en/of voor de wettelijke samenwoonst zijn de regels die voor die respectieve samenwoonstvormen gelden niet van toepassing, ook niet "bij analogie".

In deze feitelijke samenwoonst gelden de regels van het gemeen recht.

Hier blijkt uit de overgelegde stukken dat partijen gedurende veertien jaar hebben samengewoond en dat zij een gezamenlijke bankrekening aanhielden, waarop zij hun respectieve inkomsten uit arbeid lieten toekomen, en waarmee zij ook alle huishoudelijke uitgaven betaalden, alsook de afbetaling van hun woonlening en de betaling van diverse investeringen/facturen in hun woning.

Te dezen is er geen betwisting over het feit dat de inboedel tussen partijen verdeeld is.

Anders dan wat [de eiseres] voorhoudt en dan wat de eerste rechter aannam, moet hier worden vastgesteld dat er wel degelijk sprake is van een onverdeeldheid betreffende de woning, zodat er dient overgegaan tot aanstellen van een notaris, die de woning ook dient te schatten:

- het feitelijk concubinaat doet geen afbreuk aan de exclusieve eigendom van iedere partner op de goederen die hij bezat bij het begin van het samenleven en deze die hij tijdens het samenleven verwerft;

- iedere partner kan dus, bij het einde van het concubinaat, zijn eigen goederen terugnemen, mits hij zijn exclusief eigendomsrecht bewijst;

- indien geen der partijen slaagt in de bewijslast van zijn exclusieve eigendom, worden de goederen geacht tussen hen in onverdeeldheid te zijn en dringt een verdeling bij helften zich op (zie o.m. DIRIX, E., Vermogensrechtelijke aspecten van het concubinaat, in: Concubinaat, Acco, 1992, nr. 346);

- het eigendomsrecht mag geleverd worden door alle middelen van recht, inclusief, getuigenissen en vermoedens (ibidem, nr. 348);

- gezien de woning, gebouwd is op een grond die exclusief aan [de eiseres] toebehoort, wordt deze vermoed haar toe te behoren ingevolge natrekking (artikel 553 Burgerlijk Wetboek);

- dat vermoeden kan evenwel weerlegd worden met alle middelen van recht (zie o.m. DE PAGE, H, Traité élémentaire de droit civil Belge, t VI, 1942, p 69, n° 80; Het onroerend goed in de praktijk, I. G.3-3);

- [de verweerder] brengt hier de stukken bij waaruit blijkt dat beide partijen samen de vergunning aanvroegen met betrekking tot het bouwen van een woonhuis met carport (zie de bouwvergunning

- stuk 39 van [de verweerder]), dat beide partijen het gezamenlijke krediet bij Fortis Bank aangingen, opnamen en afbetaalden, nadien vervangen door een lening bij Record Bank, en waarmee onder meer het openstaand saldo bij Fortis Bank is aangezuiverd, en waarop eveneens met gezamenlijke middelen (lees: hun inkomsten uit arbeid) is afbetaald; dat zij de diverse aankopen en werken met betrekking tot de oprichting van "hun" woning op beider naam bestelden en betaalden via hun gemeenschappelijke rekening door resp. opnames op het krediet; dat zij ook fiscale voordeel van die woonlening genoten".

Door de bovenvermelde elementen is te dezen het vermoeden van natrekking weerlegd".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 552 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de eigendom van de grond in zich bevat de eigendom van hetgeen op en onder de grond is.

Alle gebouwen, beplantingen en werken op of onder de grond van een erf, worden vermoed door de eigenaar, op zijn kosten, te zijn tot stand gebracht en hem toe te behoren, tenzij het tegenovergestelde bewezen is; onverminderd de eigendom die de derde door verjaring mocht verkrijgen of hebben verkregen, hetzij van een ondergrondse ruimte onder eens anders gebouw, hetzij van enig ander gedeelte van het gebouw (artikel 553 Burgerlijk Wetboek).

Krachtens artikel 554 Burgerlijk Wetboek moet de eigenaar van de grond, die gebouwen, beplantingen en werken met hem niet toebehorende materialen heeft tot stand gebracht, de waarde van deze materialen betalen; hij kan ook tot schadevergoeding worden veroordeeld, indien daartoe reden is; maar de eigenaar van de materialen heeft niet het recht ze weg te nemen.

Krachtens artikel 555 Burgerlijk Wetboek heeft, indien de beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand gebracht door een derde met zijn eigen materialen, de eigenaar van het erf het recht die voor zich te houden, ofwel de derde te verplichten ze weg te nemen.

Indien de eigenaar verkiest die beplantingen en gebouwen te behouden, moet hij de waarde van de materialen en de arbeidslonen vergoeden, zonder dat de min of meer belangrijke vermeerdering der waarde, die het erf kan hebben verkregen, in aanmerking komt. Indien echter de beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand gebracht door een derde, onder wie het goed is uitgewonnen en die niet tot teruggave van de vruchten is veroordeeld, daar hij te goeder trouw was, dan kan de eigenaar de wegruiming van die werken, beplantingen en gebouwen niet vorderen; maar hij heeft de keus om, ofwel de waarde van de materialen en de arbeidslonen te vergoeden, ofwel een bedrag te betalen dat gelijk is aan de door het erf verkregen meerwaarde.

In artikel 553 Burgerlijk Wetboek worden twee wettelijke vermoedens uitgedrukt: alle gebouwen, beplantingen en werken, op of onder de grond van een erf, worden vermoed door de eigenaar, op zijn kosten te zijn tot stand gebracht (eerste vermoeden); bovendien wordt vermoed dat al wat tot stand werd gebracht, aan de eigenaar toebehoort (tweede vermoeden).

Deze beide vermoedens kunnen worden weerlegd. Inzonderheid kan het tweede vermoeden luidens hetwelk al wat tot stand werd gebracht, aan de eigenaar toebehoort, worden weerlegd door te bewijzen dat de gebouwen, beplantingen en werken niet aan de eigenaar toebehoren.

De bouwer moet in dat geval bewijzen dat hij vanwege de eigenaar een recht heeft verkregen op de grond voor hemzelf te bouwen en derhalve een recht op opstal heeft bekomen, dan wel eigenaar is geworden door verjaring.

Het bewijs van het bestaan van een overeenkomst waarbij vanwege de eigenaar het recht werd bekomen om voor hemzelf op diens grond te bouwen dient geleverd te worden door een geschrift overeenkomstig artikel 1341 Burgerlijk Wetboek. Wanneer de derde zich daarentegen op verjaring beroept, kan het bewijs met alle middelen worden geleverd.

Weliswaar kan de eigenaar van de grond afstand doen van zijn recht van natrekking, doch een dergelijke afstand wordt niet vermoed en kan enkel worden afgeleid uit feiten die voor geen enkele andere uitlegging vatbaar zijn (algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk afstand van een recht niet vermoed wordt en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen enkele andere uitlegging vatbaar zijn).

De appelrechters beslissen dat gezien de woning, voor de bouw waarvan leningen werden aangegaan ten belope van 150.000 euro, gebouwd is op een grond die exclusief aan de eiseres toebehoort, deze wordt vermoed haar toe te behoren ingevolge natrekking.

De appelrechters beslissen evenwel dat dit vermoeden kan worden weerlegd met alle middelen van recht, inclusief getuigenissen en vermoedens en leiden vervolgens het eigendomsrecht van de verweerder op de woning af uit:

- de beide partijen vroegen samen de vergunning aan met betrekking tot het bouwen van een woonhuis met carport;

- de beide partijen gingen een gezamenlijk krediet aan bij Fortis Bank, namen dit samen op en betaalden dit samen af, dat nadien vervangen werd door een lening bij Record Bank;

- beide partijen hebben diverse aankopen en werken uitgevoerd met betrekking tot de oprichting van hun woning op beider naam en betaalden deze via hun gemeenschappelijke rekening of door de opnames op het krediet;

- de beide partijen hebben het fiscale voordeel van de woonlening genoten.

Door aldus te beslissen dat het recht van de verweerder om voor zichzelf te bouwen op de grond van de eiseres, dit is het opstalrecht van verweerder dat de waarde van 375 euro te boven gaat, kan bewezen worden door alle middelen van recht, schenden de appelrechters artikel 1341 Burgerlijk Wetboek, evenals de artikelen 552 en 553 Burgerlijk Wetboek.

In zoverre de appelrechters vervolgens uit voormelde vaststellingen afleiden dat de eiseres afstand heeft gedaan van haar recht van natrekking, schenden de appelrechters het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk afstand van recht niet wordt vermoed en enkel kan worden afgeleid uit feiten die voor geen enkele andere uitlegging vatbaar zijn, nu uit voormelde feiten niet noodzakelijk dient te worden afgeleid dat de eiseres afstand deed van haar recht van natrekking.

Uit deze feiten zou immers evenzeer afgeleid kunnen worden dat de verweerder aldus louter een bijdrage leverde in de gezinslasten zonder dat er van enige afstand van het recht van natrekking sprake was.

Door ten slotte op grond van deze vaststellingen te beslissen dat het vermoeden van natrekking is weerlegd en er derhalve sprake is van een onverdeeldheid betreffende de woning, schenden de appelrechters alle in het middel genoemde bepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres in haar aanvullende syntheseberoepsconclusie heeft aangevoerd dat het feit dat de leningen, die werden aangegaan om de woning te bouwen, mee werden aangegaan op naam van de verweerder, "geen vermoeden is dat doet besluiten dat de grond en de woning die erop gebouwd is, geen exclusieve eigendom zouden zijn van de eiseres". De eiseres heeft derhalve niet betwist dat het eigendomsvermoeden van artikel 553 Burgerlijk Wetboek kan worden weerlegd met alle middelen van recht.
In zoverre de eiseres een schending aanvoert van artikel 1341 Burgerlijk Wetboek is het middel nieuw en mitsdien niet ontvankelijk.

2. Luidens artikel 553 Burgerlijk Wetboek worden alle gebouwen, beplantingen en werken op of onder de grond van een erf vermoed aan de grondeigenaar toe te behoren, tenzij het tegenovergestelde bewezen is.

3. De grondeigenaar kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van het recht van natrekking.
De rechter oordeelt in feite of er afstand van recht is.
De afstand van recht wordt niet vermoed en kan slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitleg vatbaar zijn.

4. Het arrest stelt vast dat de beide partijen:

- gezamenlijk de vergunning voor het bouwen van de woning hebben aan-gevraagd;

- gezamenlijk een hypothecaire lening zijn aangegaan die met gezamenlijke middelen werd afbetaald;

- de aankopen en de werken met betrekking tot de oprichting van "hun" woning op hun beider naam hebben besteld en hebben betaald via hun gemeenschappelijke rekening door de respectievelijke opnames op het krediet;

- het fiscale voordeel van de woonlening hebben genoten.

Op grond van die elementen vermochten de appelrechters te oordelen dat de eiseres afstand heeft gedaan van haar recht op natrekking.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 919,54 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Noot: 

Vincent Sagaert, Concubanten bouwen op de eigen grond van één van hen: de stilzwijgende afstand van natrekking als zakenrechtelijk beschermingsmechanisme, noot onder voormeld arrest in het RW 2015-2016, 187.

• E. Dirix, “Vermogensrechtelijke aspecten van het concubinaat” in P. Senaeve (ed.), Concubinaat, Leuven, Acco, 1992, 209-226;

• J. Fonteyn, “La renonciation à accession au sein du couple – Une question de temps”, Rev.not.b. 2013, 82-101;

• I. Samoy, “Investeren in andermans woning bij feitelijke samenwoning” in W. Pintens, J. Du Mongh en Ch. Declerck (eds.), Patrimonium 2008, Antwerpen, Intersentia, 2008, 273-285).

• F. Baudoncq en V. Guffens, “Bouwen op andermans grond in het specifiek geval van concubinaat”, T.Not. 2003, 318-346;

• S. Bouly, “Zakenrechtelijke en vermogensrechtelijke aspecten van bouwen op de grond van een partner”, TBBR 2011, 44-52;

• S. Becqué-Ickowitz, “La construction sur le terrain d’un époux séparé de biens financée par des sommes indivises”, Rev.trim.dr. civ. 2008, 589 e.v.

• V. Sagaert, Goederenrecht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2014, nrs. 333 en 982

Aanvullende rechtspraak

• Antwerpen 31 januari 2017 AR: 2015/FA/100, TBBR 2018/4, 230

Samenvatting

Tussen samenlevers, waar de ene partner in de regel bouwt in opdracht en voor rekening van de andere partner, eigenaar van het onroerend goed, is artikel 555 BW zinledig.

Tekst arrest

( ... )

1. Wat voorafgaat

Appellante heeft op 5 november 2005 een woning gekocht te Bornem aan de ( ... ).

Nadat partijen in februari 2008 een relatie zijn begonnen, heeft geïntimeerde zich op 7 januari 2009 laten inschrijven op het adres van appellante.

Vervolgens hebben zij op 19 augustus 2009 een verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Bornem.

Uit hun relatie is één kind geboren, te weten: M.-A.R., op ( ... ).

Op 17 september 2009 hebben partijen een onderhandse overeenkomst afgesloten, betreffende een financiële regeling "omtrent het huis dat door hen beiden wordt bewoond, maar (voorlopig) in eigendom is van R.F. ".

In deze overeenkomst is onder meer het volgende bedongen: - "maandelijks zal WR. een som van 600 EUR betalen aan R.F., hetgeen overeenkomt met de helft van de afbetaling van de woning. Vanaf januari 2010 zullen deze bedragen gezien worden als investering ....

- Alle investeringen aan de woning(. .. ) die enkel door WR. worden gedragen, zullen minimaal 2 maal per jaar worden vastgelegd tussen de partijen, om een vlotte opvolging van de staat van de kosten te garanderen.

- In geval dat WR. verhuist en geen mede-eigenaar wil worden van de woning, zal het totaal van deze investeringen aan hem worden terugbetaald."

Die overeenkomst bevatte ook een addendum, door beide partijen ondertekend, houdende de omschrijving van een reeks aankopen tussen 11 juni 2009 en 5 september 2009 voor in totaal 14.599,02 EUR.

Geïntimeerde heeft op 22 februari 2013 een eenzijdige verklaring van beëindiging van de wettelijke samenwoning afgelegd.

Op 22 oktober 2013 heeft geïntimeerde appellante doen dagvaarden

Zijn oorspronkelijke vordering strekte ertoe:

- appellante te horen veroordelen tot betalen van 76.752 EUR, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten aan de conventionele rentevoet van 8 % vanaf de datum van investering of afbetaling woonkrediet tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke intresten sedertdien tot aan de volledige betaling;

- appellante te horen veroordelen tot de gerechtskosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 5.500 EUR, basisbedrag voor vorderingen vanaf 100.000,01 EUR;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Hij baseerde zijn vordering op de verrijking zonder oorzaak en/of de leer van de natrekking om vergoeding te bekomen voor investeringen ten bedrage van 50.955 EUR, voor terugbetaling van het woonkrediet voor 17.040 EUR en onkosten voor 8.757,22 EUR, hetzij in totaal 76.752 EUR, nog te vermeerderen met conventionele intresten.

Appellante besloot tot de ongegrondheid van die vordering en stelde in haar conclusie neergelegd op 24 januari 2014 een tegenvordering, die ertoe strekte geïntimeerde te horen veroordelen tot betalen van een gebruiksvergoeding over de periode van 7 januari 2009 tot 22 februari 2013 van 600 EUR x 38 = 22.800, onder aftrok van de bedragen die hij zou bewijzen effectief betaald te hebben, en tot betalen van de gedingkosten, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 2.300 EUR.

In conclusies neergelegd op 27 februari 2014 vorderde geïntimeerde dan:

- appellante te horen veroordelen tot betalen van 67.996,27 EUR, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten aan de conventionele rentevoet van 8 % vanaf de datum van investering of afbetaling woonkrediet tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke intresten sedertdien tot op de dag van de volledige betaling;

- haar tevens te veroordelen tot betalen van 8.789,79 EUR, te vermeerderen met de intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum der onkosten tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke intresten sedertdien tot op de dag van de volledige betaling;

- de tegeneis af te wijzen als ongegrond;

- appellante te veroordelen tot de gerechtskosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 5.500 EUR. - het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

In conclusies neergelegd op 10 april 2014 herleidde appellante haar tegenvordering en vorderde nog een saldo van 6.560 EUR, meer intresten vanaf 22 februari 2013, meer de betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 2.300 EUR. In zijn syntheseconclusies baseerde geïntimeerde zich in hooforde op de overeenkomst van 17 september 2009, ondergeschikt op de overeenkomst die zij hierover bij notaris MAES hebben bereikt, meer ondergeschikt op de leer van de natrekking, meest ondergeschikt op de verrijking zonder oorzaak.

In het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 24 september 2014 heeft de eerste rechter - de onderhandse overeenkomst van 17 september 2009 absoluut nietig bevonden, nu zij niet bij authentieke akte is verleden;

- de hoofdvordering van geïntimeerde evenwel gegrond verklaard voor 50.956,27 EUR (voor de door hem betaalde materialen en werken uitgevoerd aan de woning), en appellante veroordeeld tot betalen van dit bedrag aan geïntimeerde, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet, en dit op grond van de verrijking zonder oorzaak, nu deze uitgaven kennelijk de normale lasten van het samenleven te boven gingen;

- het overige van de hoofdvordering (de afbetalingen van het hypothecair krediet en diverse onkosten) alsook de tegenvordering ongegrond verklaard;

- partijen ieder in de eigen gerechtskosten verwezen. Dit vonnis is betekend op 8 januari 2015.

2. De vorderingen in beroep

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 6 februari 2015, heeft appellante een naar vorm en termijn regelmatig beperkt hoger beroep ingesteld, in zover zij op grond van de vermogensverschuiving zonder oorzaak veroordeeld werd tot betalen van 50.956,27 EUR, meer de gerechtelijke intresten.

Het hoger beroep strekt ertoe de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren en rechtdoende op de oorspronkelijke tegeneis van appellante, deze tegeneis, voor zover geen compensatie van de prestaties van beide partijen in het kader van de kosten van huishouding zou aanvaard worden, quod non, ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens vordert appellante geïntimeerde te veroordelen tot betalen van een gebruiksvergoeding over de periode van 7 januari 2009 tot 22 februari 2013 van 600 EUR x 38 = 22.800 EUR, onder aftrok van de bedragen die hij bewijst effectief betaald te hebben voor het woningkrediet hetzij 15.840 EUR, blijft verschuldigd 6.960 EUR, meer de intresten vanaf 22 januari 2013.

Zij vordert tevens geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van de procedure, en begroot deze op een rechtsplegingsvergoeding van 2.300 EUR per aanleg, alsook het rolrecht hoger beroep p.m.

Geïntimeerde vorderde in conclusies de laattijdig neergelegde conclusies van appellante van 19 december 2015 uit de debatten te weren, alsook de wering van de niet-meegedeelde stukken. Ter terechtzitting van 27 september 2016 verklaarde geïntimeerde die exceptie van laattijdigheid van conclusies en van wering van stukken niet aan te houden. Geïntimeerde besluit ten gronde tot de ongegrondheid van het beroep en vordert op incidenteel beroep, ingesteld bij conclusies neergelegd op 26 juni 2015, en zoals geherformuleerd in conclusies neergelegd op 28 december 2015:

- appellante te veroordelen tot betaling van 67.996,27 EUR, vermeerderd met de nalatigheidintrest conform de conventionele intrestvoet aan 8 % vanaf de datum investering of afbetaling woningkrediet tot op de dag van de dagvaarding, meer de gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding tot op de dag van de volledige betaling.

- appellante te veroordelen tot betalen van 8. 789, 79 EUR, meer de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum der onkosten tot de datum dagvaarding, meer de gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele betaling.

- ondergeschikt, te oordelen dat de mondelinge overeenkomst tussen partijen in aanwezigheid van notaris MAES van 3 september 2012 bindend is en dienvolgens appellante te veroordelen tot betalen van 85.500 EUR, meer de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 3 september 2012.

- ondergeschikt, notaris MAES met studie te 2540 HOVE, Kapelstraat 90 op te roepen als getuige ten einde onder eed te worden verhoord nopens het bestaan van de overeenkomst van 3 september 2012.

- de initiële tegeneis van appellante af te wijzen als ongegrond.

- appellante te veroordelen tot alle gerechtskosten, met inbegrip de rechtsplegingsvergoeding van 5.500 EUR per aanleg.

- dit alles bij 'vonnis' uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling of kantonnement.

3. Beoordeling

3.1. Over de exceptie van laattijdigheid van de conclusie van appellante van 19 december 201 Sen over het weren van die conclusie en van stukken

Geïntimeerde heeft op de zitting van 27 september 2016 zijn exceptie van laattijdigheid van de conclusie van appellante van 19 december 2015 en van het weren van niet-medegedeelde stukken niet aangehouden.

Er dienen bijgevolg geen conclusies en /of stukken te worden geweerd uit het beraad.

3.2. Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep

Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn tijdig en naar vorm regelmatig ingesteld. Dit vastgesteld zijnde heeft het hof geen middelen van ontvankelijkheid ambtshalve te onderzoeken.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn ontvankelijk.

3.3. Over de gegrondheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep

3.3.1. Het standpunt van partijen

De vordering van geïntimeerde in betalen van 76. 786,06 EUR omvat drie elementen:

- door hem gedane investeringen in het onroerend goed van appellante voor in totaal 50.956,27 EUR;

- door hem verrichte terugbetalingen op het woonkrediet voor het onroerend goed van appellante voor in totaal 17.040 EUR;

- door hem betaalde onkosten voor in totaal 8.789,79 EUR. Hij steunt zich in rechte op het art. 1134 BW, ingevolge de onderhandse overeenkomst van 17 september 2009, verder op de verrijking zonder oorzaak en/of de leer van de natrekking, nu zijn bijdragen aan het woonkrediet en aan de investeringen voor renovatie niet kunnen worden aangezien als bijdrage in het samenleven.

Appellante stelt dat

- de overeenkomst tussen partijen van 17 september 2009 nietig is;

- alle betalingen door geïntimeerde uitgevoerd moeten worden aangezien als een bijdrage aan het samenleven, overeenkomstig het bepaalde onder art. 1477 BW;

- zij niet op de hoogte werd gebracht van de investeringen in het onroerend goed, zoals de onderhandse overeenkomst vereiste;

- de door geïntimeerde uitgevoerde werken gebreken vertonen zodat deze geen meerwaarde betekenden voor haar onroerend goed.

3.3.2. Over de geldigheid van de onderhandse overeenkomst van 17 september 2009

Het artikel 1478, vierde lid BW bepaalt dat de samenwonenden "voorts" hun wettelijke samenwoning naar goeddunken regelen door middel van een overeenkomst, voor zover deze geen beding bevat dat strijdig is met artikel 1477, met de openbare orde of de goede zeden, noch met de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch met de regels die de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen. En, in fine: "Die overeenkomst wordt in authentieke vorm verleden voor de notaris .... "

De tussen wettelijk samenwonenden gesloten samenlevingsovereenkomst is een plechtige akte. Indien de betrokkenen ervoor opteren een samenlevingsovereenkomst op te stellen, dan moet zij om geldig te zijn noodzakelijkerwijze de vorm van een authentieke akte aannemen en dus worden verleden voor een notaris (art. 1478, vierde lid, in fine BW). Doordat het gaat om een formele rechtshandeling, leidt de niet-naleving van deze geldigheidsvereiste tot absolute nietigheid. Ook bij een latere wijziging van de samenlevingsovereenkomst moet de notariële vorm worden aangehouden. (zie ook: Verslag namens de commissie voor de Justitie, Parl. St. Kamer 1995-96, nr. 49K0170/008, 95; en: W. PINTENS, C. DECLERCK, J. DU MONGH en K. VANWINCKELEN, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, lntersentia, 2010, 501, nr. 943; en: J.-F. TAYMANS, 'Les contrats de vie commune' in Y.-H. LELEU, Y. PARENT en J.-F. TAYMANS (eds.), Le couple. Vie commune et rupture, Brussel, Larcier, 2009, 162, nr. 183)

Anders dan wat geïntimeerde voorhoudt heeft het vormgebrek, doordat de wil der partijen niet is vastgelegd door een notaris, wel degelijk vérstrekkende gevolgen: ingevolge het niet nakomen van het zogenaamde wilsformalisme is die overeenkomst absoluut nietig. Immers, de wetgever heeft bij het opmaken van een samenlevingsovereenkomst tussen wettelijk samenwonenden kennelijk dezelfde garanties geeist als bij het opmaken van een huwelijkscontract, en heeft in tegenstelling tot een louter consensueel contract (de regel) geëist dat er een plechtige overeenkomst (de uitzondering) zou worden opgesteld door een notaris. Deze vorm is een essentiële vereiste "ad solemnitatem et non ad probationem" (lees: de vervulling van de formaliteit wordt vereist voor de rechtsgeldigheid van de rechtshandeling en niet slechts voor het bewijs ervan), (zie terzake het plechtig contract en het wilsformalisme o.m. R. DEKKERS, Handboek Burgerlijk Recht, II, 1971, nr. 39 en H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, t. 1, 28-29 ent. Il, 454)

Nu er geen geldige samenlevingsovereenkomst bestaat, kunnen partijen daarvan ook niet de uitvoering eisen.

3.3.3. Over de toepassing van art. 544-554 B.W. c.q. de kosten/eer Geïntimeerde beroept zich tevergeefs op de gevolgen van de natrekking ex. art. 554 BW en/of op de kostenleer (art. 1381 BW):

Het art. 554 BW bepaalt:

"De eigenaar van de grond, die gebouwen, beplantingen en werken met hem niet toebehorende materialen heeft tot stand gebracht, moet de waarde van deze materialen betalen; hij kan ook tot schadevergoeding worden veroordeeld indien daartoe reden is; maar de eigenaar van de materialen heeft niet het recht ze weg te nemen.".

Het art. 555 BW bepaalt:

"Indien de beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand gebracht door een derde met zijn eigen materialen, heeft de eigenaar van het erf het recht die voor zich te behouden, ofwel de derde te verplichten ze weg te nemen ....

Indien de eigenaar verkiest die beplantingen en gebouwen te behouden, moet hij de waarde van de materialen en het arbeidsloon vergoeden, zonder dat de min of meer belangrijke vermeerdering der waarde, die het erf kan hebben verkregen, in aanmerking komt .... "

Het art. 1381 BW bepaalt:

"Hij aan wie de zaak teruggegeven wordt, moet zelfs aan de bezitter te kwader trouw alle noodzakelijke en nuttige uitgaven vergoeden, die tot behoud van de zaak gedaan zijn." De ingeroepen natrekkingsleer (hier in essentie artikel 555 BW) biedt geen uitweg aan de geïntimeerde: er kan slechts een beroep worden gedaan op de natrekkingsleer indien het nagetrokken goed nog individualiseerbaar is, zodat de wegname - strikt gezien - mogelijk blijft, zij het desgevallend met minwaarde/economisch verlies tot gevolg (zie en vgl. Cass. 18 april 1991, Arr. Cass. 1990-91, 891 alsook H. De Page, Traité élémentaire de droit civil beige, VIII, Brussel, Bruylant, p. 9, nr. 420), hetgeen hier evenwel niet het geval is: de geïncorporeerde materialen zijn duidelijk niet vatbaar voor individualisatie en gebeurlijke wegneming.

Artikel 555 BW is bovendien slechts bedoeld voor de situatie waarbij de eigenaar van een onroerend goed, die er niet in het bezit van is, vaststelt dat een derde werken aan het goed heeft uitgevoerd. Een derde is diegene die niet krachtens een overeenkomst heeft gebouwd. Derde is eenieder die gebouwd heeft op de grond van iemand anders of op deze grond werken heeft opgericht op zijn eigen kosten en voor zijn eigen rekening, en waarbij het eigendomsconflict door geen enkele wet en door geen enkele overeenkomst tussen beide partijen werd geregeld (zie ook: F. Van Neste, "Zakenrecht", in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Brussel, Story-Scientia, 1990, 377, nr. 213). Dit maakt artikel 555 BW zinledig in een rechtsverhouding tussen samen/evers, waar de ene partner, desgevallend met bijstand in natura van zijn familie, in de regel bouwt in opdracht en voor rekening van de andere partner, eigenaar van het onroerend goed, hetgeen hier trouwens niet anders was.

De kostenleer is in principe bedoeld voor de situatie waarin de eigenaar zijn onroerend goed terugvordert van een derde die dat goed onder zich heeft en beoogt meer bepaald de hypothese waarin deze derde werken uitvoerde aan het onroerend goed gedurende een tijdspanne of in een periode dat de eigenaar niet in het bezit was van dit goed. Het spreekt voor zich dat geïntimeerde niet kan worden gekwalificeerd als een derde die het onroerend goed van appellante onder zich gehouden heeft. De kostenleer, die uitgaat van de hypothese dat er geen overleg of samenspraak is geweest tussen de vergoedingsgerechtigde en de vergoedingsplichtige, kan in beginsel niet worden toegepast in de verhouding tussen samenlevers, omdat de werken daar in de regel in gezamenlijk overleg worden uitgevoerd, hetgeen hier trouwens kennelijk niet anders was.

3.3.4. Over de verrijking zonder oorzaak

Ook de verrijking zonder oorzaak, die een subsidiair karakter heeft, biedt geen soelaas aan de vordering van geïntimeerde.

Immers, van zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving moet de aanspraak van geïntimeerde worden afgewezen: de oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog onderlijnd dat wanneer de verarmde (bij hypothese geïntimeerde) speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken (het langdurig mogen samenwonen in de voormalige gezinswoning met appellante en hun gemeenschappelijk kind) - dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd- of handelde uit eigen belang de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil beige, III, blz. 54, nr. 40; vgl. met A. DE BERSAQUES, "Le caractère subsidiaire de l'actio de in rem verso", RCJB 1957, (121), 128, nr. 17).

3.3.5. Over de beweerde mondelinge overeenkomst tot vereffening en verdeling bij notaris MAES van 3 september 2012

Geïntimeerde beroept zich in ondergeschikte orde, namelijk "indien het hof de mening zou zijn toegedaan dat met de overeenkomst tussen partijen geen rekening kan worden gehouden en dat in casu geen toepassing kan worden gemaakt van de vermogensverschuiving zonder oorzaak" op het bestaan van een mondelinge overeenkomst in aanwezigheid van notaris MAES, waarbij appellante een vergoeding zou betalen van 85.500 EUR.

Hij verwijst daarvoor naar

- een e-post bericht van notaris MAES van 21 september 2012 dat stelt:

"Ik heb getracht tussen partijen een nieuwe regeling tot stand te brengen. Na een lange bespreking kwam er een nieuw (mondeling) akkoord tussen partijen tot stand, doch de daaropvolgende dag kwam mevrouw FAES terug op de gemaakte afspraken.";

- een e-postbericht van 4 september 2012 van appellante, dat wel degelijk verwijst naar het akkoord over het terug te betalen bedrag, maar waarop is teruggekomen: "Geachte Mevrouw Maes, Alvast bedankt voor uw geduld gisteren. Graag had ik een aantal aanpassingen laten doen in de tekst. Het terug te betalen bedrag van 85.500 EUR mag teruggebracht worden naar 80.000 EUR."

Geïntimeerde meent dat het akkoord tussen partijen bindend was.

Uit de door partijen overgelegde briefwisseling is weliswaar af te leiden dat er tussen partijen onderhandelingen gevoerd werden op basis van hun oorspronkelijke onderhandse overeenkomst die hoger evenwel absoluut nietig is verklaard, en is verder allerminst af te leiden dat er tussen hen een definitief akkoord is tot stand gekomen. Met reden werpt appellante aan geïntimeerde tegen dat zo er al een definitief bindend akkoord zou zijn gesloten, de notaris dat akkoord wel op papier zou hebben gezet.

Ter terechtzitting van 27 september 2016 wierp het hof de vraag op naar de toelaatbaarheid van het door geïntimeerde in meer ondergeschikte orde gevraagde getuigenverhoor, gelet op het bepaalde onder art. 1341 BW, en geïntimeerde heeft daarover standpunt ingenomen.

Het art. 1341 B.W. bepaalt: "Een akte voor een notaris of een onderhandse akte moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375 EUR te boven gaan, zelfs betreffende vrijwillige bewaargevingen; het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten, en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren vóór, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan 375 EUR. Een en ander onverminderd hetgeen wordt voorgeschreven in de wetten betreffende de koophandel."

Te dezen blijkt geen notariële of onderhandse akte te zijn opgesteld over enige regeling tussen partijen aangaande hun vereffening en verdeling, en gelet op het art. 1341 B.W. kan het bewijs door getuigen niet worden toegelaten. Bovendien moet worden vastgesteld dat het verzoek tot bewijs door getuigen onvoldoende bepaald is naar tijd en ruimte om een tegenbewijs mogelijk te maken: ook om die reden is het getuigenbewijs niet toelaatbaar.

Geïntimeerde kan zich derhalve ook niet baseren op enig "mondeling" akkoord tussen partijen.

Kortom: geïntimeerde toont niet aan dat de uitgaven (onder welke vorm ook) die hij verricht heeft tijdens het samenleven van partijen zijn evenredige bijdrage in de kosten van de huishouding en het samenwonen overtreffen.

En ter zake wijst appellante er met reden op dat zijzelf immers ook een ganse reeks uitgaven betaalde (belastingen, verzekeringen, de rekeningen voor nutsvoorzieningen allerhande, de aankoop van de gezinswagen - zie de opsomming onder nr. 6 van haar syntheseconclusies neergelegd op 25 maart 2016 met verwijzing naar haar stukkenbundel). Vermits de (oorspronkelijke) tegeneis van appellante slechts is gesteld voor zover het hof zou oordelen dat er geen compensatie kan gebeuren tussen de prestaties verricht door elk der partijen in het kader van de huishouding, dient daarover verder niets gezegd te worden.

( ... )

4. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Verklaart het beperkt hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, en rechtdoend binnen de perken ervan:

Verklaart het hoger beroep gegrond en het incidenteel beroep ongegrond,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond,

Wijst hem ervan af,

Wijst hem ook af van zijn onderschikte actuele vorderingen; Stelt vast dat de in ondergeschikte orde ingestelde (oorspronkelijke) tegeneis derhalve zonder voorwerp valt,

( ... )

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 26/09/2015 - 15:10
Laatst aangepast op: zo, 10/06/2018 - 17:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.