-A +A

Schadebeperkingsplicht niet tot het mogelijke maar tot het redelijk

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Beringen
Datum van de uitspraak: 
din, 10/03/2015

De schadebeperkingsplicht nazicht van een eventuele miskenning van de zorgvuldigheidsnorm van art. 1382 BW en of anderzijds die fout de omvang van de schade beïnvloed heeft.

Publicatie
tijdschrift: 
T.Pol
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016
Pagina: 
19
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

Schadebeperkingsplicht niet tot het mogelijke maar tot het redelijke

De schadebeperkingsplicht nazicht van een eventuele miskenning van de zorgvuldigheidsnorm van art. 1382 BW en of anderzijds die fout de omvang van de schade beïnvloed heeft.

( ... )

2. Als BA-verzekeraar van de heer B. dient verweerster de door hem veroorzaakte schade te vergoeden, met inbegrip van de door aanlegger geleden schade.

Het staat immers vast dat aanlegger schade geleden heeft hetgeen ook door verweerster niet betwist wordt.

Deze schade heeft onder meer betrekking op de schade aan een boom en de

bodemverontreiniging die is ontstaan in de tuin van aanlegger.

Omtrent het probleem van de bodemverontreiniging is er discussie tussen partijen.

Het voertuig van de heer B. werd weggekatapulteerd in de tuin van aanlegger waar het op zijn dak terechtkwam en vuur vatte.

Klaarblijkelijk zijn er vloeistoffen uit het brandende wrak gelekt en in de bodem gedrongen, waarbij er mogelijk ook contaminatie kan gebeurd zijn met het bluswater of poeder.

Aanlegger heeft de morgen na het ongeval nog een plastiek zeil gelegd op de bodem in zijn tuin doch dit heeft de verontreiniging niet kunnen beletten.

Verweerster is van oordeel dat aanlegger niet gehandeld heeft zoals van een normaal zorgvuldig persoon in dezelfde omstandigheden mocht verwacht worden doordat hij niet onmiddellijk na

het ongeval de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen heeft en hij niet tijdig verweerster van de bodemproblematiek verwittigd heeft waardoor de schade en verontreiniging van de bodem zou verergerd zijn.

Volgens het standpunt van verweerster zou aldus aanlegger tekortgeschoten zijn in zijn schadebeperkingsplicht.

De schadebeperkingsplicht in hoofde van het slachtoffer-benadeelde moet op een redelijke wijze beoordeeld worden waarbij dient nagegaan te worden of er enerzijds sprake is van een inbreuk van deze benadeelde op het zorgvuldigheidscriterium zoals bedoeld in artikel 1382 BW en of anderzijds deze fout de omvang van de schade van de benadeelde beïnvloed heeft.

Omtrent het principe van de schadevergoedingsplicht van de aansprakelijke derde versus de schadebeperkingsplicht van de benadeelde werd onder meer geoordeeld:

- Cass. 14 mei 1992, RGAR 1993, 12312:

"Het slachtoffer van een ongeval heeft in principe recht op het herstel van de gehele schade die het heeft geleden. Het heeft niet de verplichting de schade te beperken in de mate van het mogelijke, maar dient uitsluitend redelijke maatregelen te nemen om de schade te beperken en is slechts tot een dergelijke verbintenis gehouden indien het de houding zou zijn geweest van een redelijk en voorzichtig individu.".

- Gent 10 oktober 1997, RW 1999-2000, 502: "Een verplichting tot schadebeperking kan niet in die zin worden begrepen dat ze het recht van de benadeelde op een volledig schadeherstel zou beknotten. Van de benadeelde mag wel worden verwacht dat hij

zijn recht op schadevergoeding uitoefent met inachtneming van de algemene zorgvuldigheidsverplichting of, in het contractenrecht, op een wijze die strookt met de goede trouw.".

Er wordt tevens verwezen naar:

- L. DE SoMER, "Beperking van de schade door de benadeelde", Handboek Letselschade Gemeen Recht, A.II-1 / 1-A. Il-8/1 (14p.):

"Men kan niet stellen dat een schadelijder verplicht is de schade 'tot elke prijs' te beperken. Wel kan het nalaten passende maatregelen te treffen ter beperking van de schade een schuldig verzuim uitmaken. Het criterium hierbij is de houding die een redelijk mens in dezelfde omstandigheden in zijn eigen belang zou hebben aangenomen, ook al had hij mogelijk aanspraak op schadeloosstelling. In dat geval blijft de schade, die niet het gevolg is van de onrechtmatige daad, maar wel van het schuldige nalaten van de benadeelde zelf, ten laste van de benadeelde.

Het is het foutcriterium van artikel 1382 BW hetwelk wordt toegepast op het slachtoffer. Het is slechts wanneer het slachtoffer door een eigen fout de schade doet vergroten, hij deze zelf dient te dragen.".

Verweerster draagt de bewijslast van haar standpunt dat aanlegger onzorgvuldig zou gehandeld hebben omdat hij niet het nodige zou gedaan hebben om voorzienbare schade te voorkomen waardoor zijn schade zou verergerd zijn.

Hiertoe verwijst verweerster naar het schrijven d.d. 23 oktober 2013 van haar technisch raadsman de heer N. van het expertisebureau P. (stuk 2 verweerster).

Volgens de heer N. waren de door de milieudeskundige aanbevolen onderzoeken niet echt noodzakelijk en leek het hem aangewezen de verontreiniging onmiddellijk aan te pakken door een afgraving uit te voeren.

Hij stelt zich hierbij de vraag waarom dit niet onmiddellijk is gebeurd vermits de ligging van het voertuig gekend was en de eventuele vervuiling door brandresten en olie duidelijk zichtbaar zou zijn geweest zodat een afschraping van de bovenlaag van de bodem wellicht eenvoudig en volledig had kunnen worden uitgevoerd.

Verder beklaagt verweerster zich er dus over dat zij slechts laattijdig op de hoogte zou zijn gebracht van de problematiek van de bodemverontreiniging.

Vooreerst moet vastgesteld worden dat uit het schrijven d.d. 23 oktober 2013 van de heer N. blijkt dat hij zelf niet

ter plaatse is geweest om zich van de toestand te vergewissen en hij dus ook niet nagegaan heeft hoe de aard van de bodem van de tuin van aanlegger is samengesteld.

Hij heeft dus ook geen rekening gehouden met de vraag of het ter plaatse zandgrond, leemgrond of kleigrond betreft, hetgeen natuurlijk al een heel verschil uitmaakt over de absorptie van vloeistoffen in de bodem.

De opmerking van de heer N. dat de eventuele vervuiling ingevolge brandresten en olie duidelijk zichtbaar zou zijn geweest, is een veronderstelling die niet bewezen is en die hij zelf ook niet heeft vastgesteld.

 

Daarenboven moet opgemerkt worden dat de uitleg van de heer N. tegengesproken wordt door de opmerkingen van de heer P. S. van het expertisebureau P., technisch raadsman van aanlegger, gelet op de inhoud van diens schrijven d.d. 5 november 2013 (stuk 5 aanlegger):

"Ik wil even de bemerking maken dat de vastgestelde verontreiniging motorolie betreft. Motorolie in deze concentraties is organoleptisch niet waarneembaar in bodem ( niet zichtbaar, geen geur waarneembaar). De verontreiniging kan dan ook niet vastgesteld worden vlak na het ongeval. Wij gebruiken in zulk geval een oliedetectiepan om ter plaatse na te gaan of er mogelijk olie in de bodem aanwezig is zodat we gericht een staal kunnen nemen. Bovendien zijn de voornaamste verontreinigende stoffen (benzine en olie) vloeibaar zodat ze binnen korte termijn (minder dan een uur) tot aan en in het grondwater (wat zich ter plaatse volgens de gegevens van DOV ondiep bevindt) doorgedrongen kunnen zijn. Onmiddellijk afgraven van de toplaag na de verwijdering van het wrak

zou deze verspreiding niet belet hebben. De restanten benzine in de bodem kunnen door de verhoogde temperatuur (van het brandend wrak) en eveneens door verdamping in de bodemlucht, zodanig vervluchtigd zijn dat ze analytisch niet meer waarneembaar zijn

in de bodem, waar we geen BTEX aantroffen. Indien ze doorgedrongen zijn tot in het grondwater, kunnen ze hierin wel nog gedetecteerd worden.".

Uit het strafdossier blijkt niet dat de vervuiling in de tuin van aanlegger duidelijk zichtbaar zou zijn geweest, zoals reeds hoger gesteld werd.

Indien de (dreigende) bodemverontreiniging merkbaar was, mag aangenomen worden dat de politie en toch minstens de brandweer, die ook ter plaatse is gekomen, maatregelen zouden getroffen hebben, hetzij de nodige opmerkingen zouden gemaakt hebben die hadden moeten toelaten de bodemverontreiniging tegen te gaan.

Uit het fotobundel, hetwelk gehecht

is aan het strafdossier, blijkt overigens dat de politie nadien terug ter plaatse is gegaan om foto's te maken bij daglicht terwijl alsdan ook niets gemeld werd omtrent enige vervuilde toestand.

Er werden toen foto's genomen van de tuin en meer bepaald van de plaats waar het voertuig was terechtgekomen en waarop het plastiek zeil te zien is hetwelk door aanlegger op die plaats werd neergelegd.

Klaarblijkelijk werd aanlegger dus op geen enkel ogenblik door de politie hetzij de brandweer verwittigd dat dit plastiek zeil een onvoldoende veiligheidsmaatregel uitmaakte of dat hij ervoor moest zorgen dat de bovenlaag van die plaats uitgegraven moest worden.

Het ongeval gebeurde op 19 mei 2013 om 21.36 uur, hetzij bij nacht.

De gevolgen van het ongeval waren bijzonder dramatisch en men kan zich de gemoedstoestand voorstellen van de omstaanders na het ongeval, waaronder aanlegger, die geconfronteerd werden met een brandend voertuig, een bestuurder die ter plaatse overleden was en een passagier die in zeer kritieke toestand naar het ziekenhuis diende afgevoerd te worden.

Dat er dan op dat ogenblik door aanlegger niet stilgestaan werd bij een eventuele verontreiniging van de bodem in zijn tuin, kan hem bezwaarlijk kwalijk genomen worden.

Er zijn verscheidene uren verstreken tussen het ogenblik van het ongeval bij nacht en het ogenblik waarop er terug daglicht was zodat op dat ogenblik de vloeistoffen van het vernielde voertuig reeds in de bodem gedrongen waren.

Ter zitting van 10 februari 2015 werd immers door beide partijen verklaard dat de bodem ter plaatse is samengesteld uit zandgrond zodat de absorptie van vloeistoffen in dergelijke grond groot is.

Aanlegger heeft een plastiek zeil gelegd op de plaats waar het wrak van het voertuig gelegen heeft en zoals ook te zien is op de foto's in het straf dossier waarbij hij stelt dit gedaan te hebben om de vermenging van regenwater en de weggelopen vloeistoffen tegen te gaan.

Dit kan hem dus uiteraard niet ten kwade geduid worden en in zijn nadeel uitgelegd worden.

Het zou verder ook onredelijk zijn om van aanlegger te verwachten dat hij dadelijk de bodem in zijn tuin zou afgegraven hebben zonder zelfs maar te weten tot welke diepte hij dan moest graven of waar hij de verontreinigde grond moest deponeren?

Aanlegger heeft bovendien nog goed willen doen door een plastiek zeil te plaatsen op de plek waar het wrak van het vernielde voertuig gelegen had.

De rechtbank is van oordeel dat verweerster geen inbreuk van aanlegger op het zorgvuldigheidscriterium bewijst, noch het bewijs levert van het oorzakelijk verband tussen deze beweerde fout en de ontstane schade.

In dit verband moet immers ook vastgesteld worden dat aanlegger reeds op 21 mei 2013 aangifte heeft gedaan aan zijn verzekeraar, die nog diezelfde dag verweerster in gebreke heeft gesteld (zie stukken 7 en 10 aanlegger) terwijl verweerster ook reeds op 6 juni 2013 aan de verzekeraar van aanlegger antwoordde:

"Gelieve in bijlage de omstandigheden volgens de makelaar aan te treffen.".

Het is dan ook niet correct van verweerster te stellen dat zij laattijdig door aanlegger op de hoogte zou zijn gebracht vermits verweerster dus reeds op 21 mei 2013 in gebreke werd gesteld.

Het kwam dan ook aan verweerster,

als verzekeraar van de vermoedelijke aansprakelijke derde, toe om zelf ook de nodige vaststellingen en onderzoeken te doen in plaats van een afwachtende houding aan te nemen zodat het niet opgaat om de ontstane bodemverontreiniging af te wentelen op aanlegger.

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen is dat aanlegger anders gehandeld heeft dan een normaal zorgvuldig persoon in dezelfde omstandigheden zou gehandeld hebben vermits niemand hem verwittigd heeft van verontreinigingsgevaar, ook niet de politie of brandweer die ter zake toch uiteraard meer beslagen zijn dan aanlegger terwijl aanlegger ook zo spoedig mogelijk aangifte heeft gedaan aan zijn verzekeraar die op haar beurt verweerster verwittigde zodat het toch wel aan de verzekeraars, die een beroep kunnen doen op tal van specialisten, toekwam om passend op te treden.

Verweerster bewijst ook niet dat de schade anders zou geweest zijn:

- indien bijvoorbeeld daags na het ongeval er reeds maatregelen genomen waren, gelet op de uren die inmiddels reeds na het ongeval verstreken waren en het insijpelen van de vloeistoffen in de bodem toen al een feit was;

- indien zij eerder op de hoogte zou geweest zijn dat er een probleem was van bodemverontreiniging.

Derhalve dient verweerster veroordeeld te worden tot integrale vergoeding van de door aanlegger geleden schade.

Alvorens verder te oordelen omtrent

de omvang van deze schade, wordt een deskundige aangesteld met opdracht zoals omschreven in het dispositief van onderhavig vonnis.

( ... )

 



 

Noot: 

A. VAN OEVELEN, De zgn. schadebeperkingsverplichting van de benadeelde in het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, noot onder Cass. 14 mei 1992, RW 1993- 94, 1395.

Zie ook Cassatie 13/06/2016, juridat

samenvatting:

De benadeelde van een onrechtmatige daad heeft in beginsel recht op volledige vergoeding van zijn schade; hij is niet verplicht de schade zoveel als mogelijk te beperken; hij moet alleen de redelijke maatregelen nemen om het nadeel te beperken als dat met de houding van een redelijk en voorzichtig persoon strookt

De appelrechters steunen blijkens de bewoordingen van het bestreden vonnis hun oordeel met betrekking tot de schadeposten 'brillen verleden' en 'brillen toekomst' mede op niet aan de tegenspraak van partijen onderworpen informatie, die werd ingewonnen door één van de rechters bij haar schoonbroer, opticien van beroep, en miskennen aldus het recht van verdediging.

Tekst arrest

Nr. C.15.0305.N

M.S.,

eiseres,

tegen

VIVIUM nv, met zetel te 1210 Sint-Joost-Ten-Node, Koningsstraat 153,

verweerster.
 
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, van 3 februari 2015.
 
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
 
III. BESLISSING VAN HET HOF
 
Beoordeling
 
Eerste middel
 
Eerste onderdeel
 
1. De benadeelde van een onrechtmatige daad heeft in beginsel recht op volle-dige vergoeding van zijn schade. Hij is niet verplicht de schade zoveel als mogelijk te beperken. Hij moet alleen de redelijke maatregelen nemen om het nadeel te beperken als dat met de houding van een redelijk en voorzichtig persoon strookt.
 
2. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:
 
- een onderzoek van de lijst met verplaatsingen op basis van de tussenkomsten van de mutualiteit leert dat de eiseres vanaf haar verhuis naar Ucimont (nabij Bouillon) dezelfde dokters rond Lier bleef raadplegen, die nu in plaats van minder dan 2 km van haar woonplaats, meer dan 160 km van haar woonplaats gelegen waren;
 
- het de plicht van elke schadelijder is om de schade zoveel als mogelijk te beperken;
 
- de eiseres haar schade in grote mate had kunnen beperken door bijvoorbeeld een huisarts dicht bij haar nieuwe woonplaats uit te kiezen;
 
- de eiseres mag kiezen om bij dezelfde artsen in behandeling te blijven doch dan zelf de extra kosten van de verre verplaatsingen moet dragen.
 
3. De appelrechters die de eiseres op deze gronden slechts een vergoeding toe-kennen ten belope van een bedrag dat de verplaatsingen naar een arts met een kabinet op een aanvaardbare afstand vergoedt, zonder vast te stellen dat het gedrag van de eiseres niet strookte met de houding van een redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
 
Het onderdeel is gegrond.
 
Tweede middel
 
4. De appelrechters steunen blijkens de bewoordingen van het bestreden von-nis hun oordeel met betrekking tot de schadeposten "brillen verleden" en "brillen toekomst" mede op niet aan de tegenspraak van partijen onderworpen informatie, die werd ingewonnen door één van de rechters bij haar schoonbroer, opticien van beroep, en miskennen aldus het recht van verdediging.
 
Het middel is gegrond.
 
Dictum

Het Hof,

eenparig beslissend,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de posten "verplaatsingskosten", "brillen verleden" en "brillen toekomst" en over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Limburg, rechtszitting houdend in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, en in openbare rechtszitting van 13 juni 2016 uitgesproken
 
VOORZIENING IN CASSATIE
 
VOOR : M.S.,
Eiseres tot cassatie, 
TEGEN: De naamloze vennootschap VIVIUM, met onderne-mingsnummer 0404.500.094 en zetel te 1210 Sint-Joost-Ten-Node, Konings-straat 153,
Verweerster in cassatie.
 
Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en Heren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,
 
Hooggeachte Dames en Heren,
 
Eiseres heeft de eer het vonnis, gewezen door de MB1-kamer van de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, op 3 februari 2015 (A.R. 13/1659/A) aan het toezicht van Uw Hof te onderwerpen.
 
FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN
 
Eiseres was op 18 november 2002 slachtoffer van een verkeers-ongeval te Lier. Zij liep hierbij een zwaar whiplashletsel op, dat onder meer leidde tot ernstige verstoring van de visus.
 
De aansprakelijkheid van de heer Petit, verzekerde van de nv ING Insurance, thans nv Vivium, werd niet betwist.
 
Eiseres en (de rechtsvoorgangster van) verweerster sloten op 20 juli 2004 een overeenkomst tot minnelijke medische expertise. Deze expertise kon echter niet tot een goed einde worden gebracht, zodat eiseres (de rechtsvoorgangster van) verweerster op 5 oktober 2005 dagvaardde voor de Politierechtbank te Mechelen, die bij vonnis van 21 februari 2007 Dr. Mathys als deskundige aanstelde.
 
Na neerlegging van het deskundigenverslag verzocht eiseres om, alvorens uitspraak te doen over de hoegrootheid van de schade, een college van drie deskundigen aan te stellen.
 
De Politierechtbank te Mechelen besliste bij vonnis van 4 sep-tember 2013 dat het onnodig is een college van deskundigen aan te stellen. Nu eiseres er zich in haar laatste conclusie toe beperkte de aanstelling van een college van deskundigen te vragen, werd haar vordering als ongegrond afgewezen.
 
Eiseres tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis, dat door de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, bij vonnis van 3 februari 2015, deels gegrond werd verklaard. De recht-bank veroordeelde verweerster tot betaling aan eiseres van 15.158,06 EUR, meer intresten, onder aftrek van de reeds ontvangen provisies en de negatieve intresten hierop.
 
Tegen dit vonnis meent eiseres volgende middelen tot cassatie te kunnen aanvoeren.
 
EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE
 
Geschonden wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen
 
- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek,

- artikel 1138,2° van het Gerechtelijk Wetboek,

- het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, dat de rechter verbiedt een betwisting, die de openbare orde niet raakt en die door partijen in besluiten werd uitgesloten, op te werpen,

- het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging.
 
Aangevochten beslissing
 
De Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, verklaart in het vonnis van 3 februari 2015 het door eiseres tegen het vonnis, gewezen door de Politierechtbank te Mechelen op 4 september 2013, aangetekende hoger beroep deels gegrond en wijst het voor het overige als ongegrond af.
 
De rechtbank veroordeelt verweerster tot betaling aan eiseres van 15.158,06 EUR, te vermeerderen met vergoedende intresten, en onder aftrek van de betaalde provisies en de negatieve intresten hierop.
 
De rechtbank veroordeelt verweerster aldus o.m. tot betaling van 750 EUR voor verplaatsingskosten.
 
Deze beslissing, waarbij de vordering van eiseres, ertoe strek-kende verweerster te horen veroordelen tot betaling van 21.501,18 EUR voor verplaatsingskosten, slechts deels gegrond wordt ver-klaard, wordt door de rechtbank als volgt gemotiveerd:
 
"Verplaatsingskosten
 
(Eiseres) vraagt een bedrag van euro 23.651,30 (lees: 21.501,18) ter vergoeding van verplaatsingskosten. (Verweerster) vraagt dit te her-leiden naar een bedrag van euro 100,00.
 
Een nader onderzoek van de lijst met verplaatsingen op basis van de tussenkomsten van de mutualiteit leert dat (eiseres) vanaf haar verhuis naar Ucimont (nabij Bouillon) dezelfde dokters rond Lier bleef raadplegen, die nu in plaats van minder dan 2 km (enkel, 3,8 km heen en terug) van haar woonplaats, meer dan 160 km (enkel, 386 km heen en terug) van haar woonplaats gelegen waren. Bovendien rekent (eiseres) op sommige dagen twee maal hetzelfde aantal kilometers, terwijl het ondenkbaar is dat zij op één dag meer dan 700 km zou rijden voor twee consultaties op dezelfde plaats (vb. 07.05.2008 en 11.06.2008 - telkens Dr. Haezaert en Dr. Van Beirs).
 
Het is de plicht van elke schadelijder om de schade zoveel als mo-gelijk te beperken. (Eiseres) had deze schade in grote mate kunnen beperken door bijvoorbeeld een huisarts dicht bij haar nieuwe woon-plaats uit te kiezen. (Eiseres) mag kiezen om bij dezelfde artsen in behandeling te blijven doch dient dan zelf de extra kosten van de verre verplaatsingen (Bouillon - Lier) te dragen.
 
De rechtbank kent slechts een vergoeding toe ten belope van een bedrag dat de verplaatsingen naar een arts met kabinet op een aan-vaardbare afstand vergoedt. Gelet op het groot aantal consultaties wordt in billijkheid een bedrag van euro 750,00 ter vergoeding van ver-plaatsingen toegekend.
Vermits dit een forfaitair toegekend bedrag betreft, begroot op datum van heden, zijn vergoedende intresten inbegrepen in het toegekende bedrag" (vonnis, p. 7).
Grieven
Eerste onderdeel
1. Overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek verplichten elke daad, nalatigheid of onvoorzichtigheid van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden.
Diegene die ingevolge een buitencontractuele fout schade lijdt, heeft in beginsel recht op volledige vergoeding van zijn schade.
De schadelijder is niet verplicht de schade zoveel mogelijk te be-perken. Hij dient slechts alle redelijke maatregelen te nemen om het nadeel te beperken op voorwaarde dat dit strookt met de houding van een redelijk en voorzichtig persoon.
2. De rechtbank kent voor de verplaatsingskosten van eiseres slechts een vergoeding van 750 EUR toe en verwerpt de door eiseres voorgestelde begroting van deze schadepost om reden dat eiseres na haar verhuis naar Ucimont, nabij Bouillon, dezelfde dokters rond Lier bleef raadplegen, meer dan 160 km van haar woonplaats, terwijl "het (...) de plicht (is) van elke schadelijder om de schade zoveel mogelijk te beperken" zodat slechts een vergoeding wordt toegekend ten belope van een bedrag dat de verplaatsingen naar een arts met kabinet op een aanvaardbare afstand vergoedt.
 
Deze beslissing schendt de artikelen 1382 en 1383 van het Bur-gerlijk Wetboek daar zij stoelt op de niet bestaande plicht van de schadelijder om zijn schade zoveel mogelijk te beperken, minstens, daar zij niet vaststelt dat een redelijk en voorzichtig persoon beroep zou doen op artsen met een kabinet op een aanvaardbare afstand van zijn woonplaats zodat het gedrag van eiseres - die beroep bleef doen op artsen rond Lier, meer dan 160 km verwijderd van haar woonplaats - niet strookte met de houding van een redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst.
 
Tweede onderdeel
 
3. Zelfs indien uit de motieven van het bestreden vonnis zou blij-ken dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de houding van eiseres, die geen beroep heeft gedaan op artsen met een kabinet op een aanvaardbare afstand van haar woonplaats, niet strookt met de hou-ding van een redelijke en voorzichtige persoon in dezelfde omstan-digheden geplaatst, is de bestreden beslissing niet naar recht ver-antwoord.
 
Verweerster betwistte in haar eindsyntheseberoepsconclusie (p. 5) immers de vordering van eiseres met betrekking tot de ver-plaatsingskosten, doch dit enkel om reden dat

- alleen de verplaatsingen in verband met de gemeenrechtelijke ge-volgen van het ongeval kunnen worden vergoed en niet de verplaat-singen in verband met procedures voor de arbeidsgerechten,

- de afstanden (van waar naar waar) niet verantwoord worden,

- 71.670,60 km verplaatsingen onmogelijk is gelet op het feit dat de omtrek van de aarde 40.000 km is,

- eiseres door de gerechtsdeskundige werd afgewezen,

- geen vergoeding kan worden toegekend voor bezoeken aan artsen voor imaginaire ziekten.
 
Verweerster betwistte de verplaatsingskosten dus niet om reden dat eiseres was tekort gekomen aan haar schadebeperkingsplicht, meer bepaald omdat zij, na haar verhuis naar Ucimont nabij Bouillon, beroep was blijven doen op artsen rond Lier in plaats van op artsen met een kabinet op een aanvaardbare afstand van haar woonplaats.
 
Door de vordering met betrekking tot de verplaatsingskosten slechts ten belope van 750 EUR gegrond te verklaren om reden dat eiseres de plicht had om de schade zoveel mogelijk te beperken en dus slechts verplaatsingen naar een arts met kabinet op een aan-vaardbare afstand van haar woonplaats voor vergoeding in aanmer-king komen, zonder dit aan de tegenspraak van partijen te onder-werpen, werpt de rechtbank een door partijen uitgesloten betwisting op (schending van het beschikkingsbeginsel en artikel 1138,2° van het Gerechtelijk Wetboek) en miskent het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging.
 
TWEEDE MIDDEL TOT CASSATIE
 
Geschonden wetsbepalingen en algemeen rechtsbeginsel
- de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek,

- artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek,

- het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging.
 
Aangevochten beslissing
 
De Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, verklaart in het vonnis van 3 februari 2015 het door eiseres tegen het vonnis, gewezen door de Politierechtbank te Mechelen op 4 september 2013, aangetekende hoger beroep deels gegrond en wijst het voor het overige als ongegrond af.
 
De rechtbank veroordeelt verweerster tot betaling aan eiseres van 15.158,06 EUR, te vermeerderen met vergoedende intresten, en onder aftrek van de betaalde provisies en de negatieve intresten hierop.
 
De rechtbank veroordeelt verweerster aldus o.m. tot betaling van 2100 EUR en 4750 EUR voor kosten van brilglazen en hernieuwingen.
 
Deze beslissing, waarbij de vordering van eiseres, ertoe strek-kende verweerster te horen veroordelen tot betaling van 5100 EUR en 20.625 EUR voor de reeds geleden en de toekomstige brilschade, slechts deels gegrond wordt verklaard, wordt door de rechtbank als volgt gemotiveerd:
 
"Kosten van brilglazen en hernieuwingen
 
(Eiseres) vraagt (verweerster) te veroordelen tot betaling van de vergoeding van de kosten van verschillende brillen in het verleden voor een bedrag van euro 5.100,00. Voor de toekomst vraagt zij een bedrag van euro 20.625,00.
 
(Verweerster) voert in eerste instantie aan dat dit een kost voor de wetsverzekeraar is, waarop de rechtbank opnieuw stelt dat het geen arbeidsongeval betreft.
 
(Verweerster) vraagt in ondergeschikte orde het gevraagde bedrag te herleiden naar maximaal euro 450,00, hetgeen overeenstemt met de kostprijs van drie brillen aan euro 150,00 per stuk.
 
Rekening houdend met de beschikbare oftalmologische verslagen adviseert Dr. Mathys om te voorzien in de kosten van drie prismabril-len. Uit het verslag blijkt dat dit om drie verschillende brillen gaat: 1 voor verzicht en de horizontale prisma, 1 met verticale prisma en 1 om te kunnen lezen.
 
Hoewel de deskundige niet uitdrukkelijk in een vervanging van de brillen voorziet is het een feit dat een bril niet levenslang meegaat en de rechtbank aldus redelijkerwijze in een vervanging moet voorzien.
 
Indien (eiseres) zich door Prof. Dr. Tassignon had laten onderzoeken zoals door Dr. Matthys werd gevraagd, zouden partijen en de rechtbank op dit punt meer informatie hebben gehad.
 
(Eiseres) toont aan in het verleden reeds drie maal verschillende bril-len te hebben aangekocht.
 
De rechtbank is van oordeel dat een gemiddelde kostprijs per bril met prismaglazen van euro 350,00 redelijk is. Gelet op het feit dat men over drie brillen beschikt is de rechtbank van oordeel dat de levensduur ervan op 6 jaar mag worden geschat. De door (eiseres) aangehaalde levensduur van 2,5 jaar per bril is onredelijk.
 
Mijn schoonbroer is optieker, ben bij hem te rade gegaan, hij zei drie brillen overbodig, twee nodig, kostprijs euro 450 per bril en vervanging om de vier jaar, maar als je verslagen leest zie je dat volgens dr lin-demans de oogproblematiek gefingeerd is, mathys weerhoudt drie brillen zonder meer, ik wil ze daarom toekennen maar vordering toch temperen;)
 
Voor het verleden geeft dit een bedrag van euro 2.100,00 (12 jaar : 6 x euro 1.050,00). Vermits dit een forfaitair toegekend bedrag betreft, begroot op datum van heden, zijn de vergoedende intresten inbegrepen in het toegekende bedrag.
 
Voor de toekomst is de door (eiseres) aangehaalde levensverwachting van 27 jaar aanvaardbaar (ze is op dit ogenblik 58 jaar).
 
De gevraagde vergoedingen voor toekomstige verplaatsings- en administratiekosten (opnieuw berekend op een afstand van 382 km zijn dat evenwel niet. (Eiseres) dient ofwel een oogarts nabij haar woonplaats te bezoeken ofwel de kosten van verplaatsing zelf te be-talen. De administratiekosten bij de aankoop van een bril zijn verwaarloosbaar en inbegrepen in het toegekende bedrag.
 
Dit geeft voor de toekomst de volgende forfaitaire berekening:
27 : 6 = 5,4 x euro 1.050,00 = euro 4.750,00
 
Vermits dit een toekomstig bedrag betreft, worden slechts gerechte-lijke intresten toegekend vanaf heden" (vonnis, pp. 9-10).
 
Grieven
 
1. De rechter mag zijn beslissing slechts stoelen op feitelijke ge-gevens die aan de tegenspraak van partijen werden onderworpen. Hij mag geen rekening houden met feitelijke gegevens waarover partijen geen tegenspraak hebben kunnen voeren en die hij slechts buiten het debat heeft vernomen.
 
De rechter mag dus zelf niet op onderzoek gaan zonder de partij-en daarbij te betrekken, bv. door officieus derden om aanvullende informatie te verzoeken. De rechter mag zijn overtuiging wel steunen op algemeen bekende feitelijke gegevens die op algemene ervaring berusten en die hij dus niet buiten het debat heeft vernomen. Die fei-telijke gegevens behoren steeds tot het debat juist omdat ze algemeen bekend zijn.
 
De rechter die zijn beslissing stoelt op persoonlijke vaststellingen of op een advies dat hij buiten het debat van derden heeft verkregen, zonder dat dit aan de tegenspraak van partijen wordt onderworpen, schendt het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging.
 
De rechter schendt aldus tevens de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek. Uit deze wetsbepalingen volgt immers dat de rechter, wanneer hij het bewijs van een onbekend feit op basis van feitelijke vermoedens aanneemt, dient uit te gaan van een vaststaand feit in het geding en niet van feiten die hem uit eigen wetenschap bekend zijn of die tijdens het geding niet aan de tegenspraak van partijen werden onderworpen en die geen algemeen bekende feiten zijn.
 
2. Overeenkomstig artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek mag de rechter zijn rechtsmacht niet overdragen.
 
3. Eiseres vorderde vergoeding voor brilglazen ten belope van 5100 EUR (reeds geleden schade) en 20.625 EUR (toekomstige schade).
 
Zij argumenteerde dat ze, volgens het deskundigenverslag, drie brillen nodig heeft. In het verleden waren vier stellen van drie brillen, aan een gemiddelde kostprijs van 425,56 EUR per bril, nodig, zodat de reeds geleden schade werd begroot op 425 EUR x 3x 4 = 5100 EUR. De toekomstige vervangingskosten werden geraamd op 1875 EUR voor drie brillen. Rekening houdend met een gemiddelde vervanging van de brillen om de 2,5 jaar en met haar levensverwachting, waren volgens eiseres nog 11 vervangingen in de toekomst noodzakelijk, zodat voor de toekomstige schade een vergoeding van 20.625 EUR werd gevorderd (syntheseberoepsconclusie, pp. 11-12).
 
4. De rechtbank beslist dat

- volgens deskundige Mathys dient te worden voorzien in de kosten van drie verschillende prismabrillen,

- een bril niet levenslang meegaat, zodat redelijkerwijze in een ver-vanging moet worden voorzien,

- eiseres aantoont dat in het verleden reeds drie maal verschillende brillen werden aangekocht.
 
De rechtbank begroot vervolgens de gemiddelde kostprijs per bril op 350 EUR en beslist dat, gelet op het feit dat men over drie brillen beschikt, de levensduur van een bril op zes jaar kan worden geschat. Rekening houdend met deze gegevens, worden de reeds geleden en de toekomstige schade bepaald op respectievelijk 2100 EUR en 4750 EUR.
 
Deze beslissing, in het bijzonder wat betreft de kostprijs en de le-vensduur van de brillen, wordt als volgt gemotiveerd:
 
"Mijn schoonbroer is optieker, ben bij hem te rade gegaan, hij zei drie brillen overbodig, twee nodig, kostprijs euro 450 per bril en vervanging om de vier jaar, maar als je verslagen leest zie je dat volgens dr lindemans de oogproblematiek gefingeerd is, mathys weerhoudt drie brillen zonder meer, ik wil ze daarom toekennen maar vordering toch temperen;)" (vonnis, p. 9, voorlaatste alinea).
 
Aldus stoelt de beslissing van de rechtbank op een advies dat één van de rechters die het vonnis hebben gewezen heeft ingewonnen bij haar schoonbroer.
 
De raadgeving van de schoonbroer van een van de rechters (drie brillen overbodig, twee nodig, kostprijs 450 EUR per bril en ver-vanging om de vier jaar), betreft een feitelijk gegeven, dat geen al-gemeen bekend feit uitmaakt en dat de rechtbank heeft vernomen door een derde te ondervragen zonder partijen daarbij te betrekken en zonder dit feitelijk gegeven aan de tegenspraak van partijen te onderwerpen.
 
De bestreden beslissing schendt derhalve het algemeen rechts-beginsel betreffende de eerbied voor het recht van verdediging en de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek.
 
Minstens heeft de rechtbank aldus haar rechtsmacht aan een derde overgedragen, zodat het bestreden vonnis artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek schendt.
 
BIJ DEZE BESCHOUWINGEN,
 
Besluit voor eiseres, ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie, dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het bestreden vonnis te vernietigen en de zaak en de partijen te verwijzen naar een andere rechtbank van eerste aanleg, rechtsprekende in burgerlijke zaken en in hoger beroep, kosten als naar recht.
Brussel, 13 juli 2015

Noot: Stefan Somers, Schadebeperking, rechtsmisbruik en de vrije keuze van medische behandeling, TBBR 2017/6, 338 en Jurabibliotheek

Deze bijdrage onderzoekt de vraag of een toepassing van de schadebeperkingsplicht op basis waarvan een vergoeding die voortkomt uit de benadeelde zijn keuze van geneesheer wordt ingeperkt, verzoenbaar is met het recht op vrije keuze van beroepsbeoefenaar.

Aanleiding daartoe is het arrest van het Hof van Cassatie van 13 juni 2016 dat betrekking heeft op een slachtoffer van een verkeersongeval dat na haar ongeval meer dan 100 kilometer verhuisde, doch nog steeds dezelfde zorgverstrekkers bleef consulteren.

De claim van het slachtoffer om haar mobiliteitskosten mee in de schadevergoedingen op te nemen werd door de feitenrechters in het vonnis a quo grotendeels verworpen wegens strijdigheid met de schadebeperkingsplicht.

Vervolgens werd dit vonnis door het Hof van Cassatie verbroken. Het Hof deed daarbij geen uitspraak over de hier onderzochte vraag, doch steunde de verbreking op het gebruik van de toetsingscriteria bij de toepassing van de schadebeperkingsplicht.

Een onderzoek van deze uitspraak met het oog op het recht op vrije keuze van beroepsbeoefenaar roept evenwel vragen op omtrent de verhouding tussen enerzijds de criteria die het Hof hanteert in het kader van de schadebeperkingsplicht en anderzijds de leer van het rechtsmisbruik.

INHOUD

1. Feiten en voorafgaande procedures 338

2. De schadebeperkingsplicht in het Belgisch recht 339

3. De toepassing op de vrije keuze van beroepsbeoefenaar 341

4. De rechten van de mens en de vrije keuze van een beroepsbeoefenaar 344

5. Besluit 345

Zie ook: A. VAN OEVELEN, De zgn. schadebeperkingsverplichting van de benadeelde in het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, noot onder Cass. 14 mei 1992, RW 1993- 94, 1395.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 13/06/2016 - 14:51
Laatst aangepast op: vr, 15/06/2018 - 17:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.