-A +A

Schuldenaarsverklaring van de nalatige of laattijdeige derde-beslagene als sanctie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
zat, 22/03/2014

Artikel 1452 Ger.W. verplicht de derde-beslagene om binnen de vijftien dagen na het bewarend derdenbeslag een verklaring van derde-beslagene te doen van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag.

De verklaring van derde-beslagene moet overeenkomstig artikel 1452 Ger.W., 2e lid Ger.W. nauwkeurig alle dienstige gegevens vermelden voor de vaststelling van de rechten van partijen en, naargelang het geval, in het bijzonder:

1 ° de oorzaken en het bedrag van de schuld, de dag van haar opeisbaarheid en in voorkomend geval haar modaliteiten;

2° de bevestiging door de derde-beslagene dat hij niet of niet meer de schuldenaar is van de beslagene;

3° de opgave van de beslagnemingen onder derden, waarvan aan de derdebeslagene reeds kennis is gegeven;

4° in voorkomend geval, de bedragen voorzien van een code die op de creditzijde van een zichtrekening ingeschreven werden en de datum van inschrijving ervan indien deze gebeurde tijdens de dertig dagen die de datum van het beslag voorafgaan.

De tijdige afgifte van deze verklaring is van fundamenteel belang voor de beslagleggende schuldeiser, omdat zij hem in staat stelt zo spoedig mogelijk te vernemen of de derde-beslagene al dan niet schuldenaar is van zijn debiteur en hij zo kan te weten komen of zijn vordering door het beslag verzekerd is, dan wel of hij bijkomende maatregelen moet nemen.

Indien de derde-beslagene zijn verklaring niet heeft gedaan binnen de wettelijke termijn, of niet met nauwkeurigheid heeft gedaan, kan hij, nadat hij daartoe voor de beslagrechter werd opgeroepen, geheel of ten dele schuldenaar worden verklaard van de oorzaken en de kosten van het beslag, onverminderd de kosten van de tegen hem ingestelde rechtspleging, die in die gevallen te zijnen laste zijn. Deze sanctie is bepaald in artikel 1456 Ger.W.

De toepassing van artikel 1456 Ger.W. kan er enkel toe strekken de derde schuldenaar te doen "verklaren" van het geheel of een deel van de oorzaken en de kosten van het bewarend beslag. Een veroordeling tot effectieve betaling van de bedragen, waarvoor bewarend beslag werd gelegd, is immers (nog) niet mogelijk wegens het ontbreken van een uitvoerbare titel lastens de beslagen schuldenaar.

Door zijn verklaring tot schuldenaar door de beslagrechter wordt de derdebeslagene aldus tot dezelfde schuld gehouden als de beslagene. De beslagene en de derdebeslagene gelden tegenover de beslaglegger slechts/hoogstens als in solidum gehouden schuldenaars (Cass., 20 mei 2008, RW, 2010-11, 1257). leder van hen is gehouden op grond van een eigen oorzaak. Voor de derde-beslagene is dit het niet afleggen na het beslag van een nauwkeurige verklaring van derdebeslagene.

Bij de toepassing van de sanctie van schuldenaarsverklaring heeft de beslagrechter een zekere beoordelingsmacht. Het gaat om een facultatieve sanctie, zoals blijkt uit de formulering ervan ("kan") en bovendien beschikt de rechter over een matigingsrecht ("geheel of ten dele"). De rechter oordeelt in feite, op onaantastbare wijze, of de sanctie bepaald in artikel 1456 al dan niet dient te worden toegepast en zo ja, in welke mate (zie Cass.3 december 1990, Arr.Cass. 1990-91, 365; Cass.11 april 1997, Arr. Cass. 1997, nr.182).

Hij mag daarbij onderzoeken of er sprake is van bedrog, opzet of nalatigheid van de derde-beslagene. Hij kan beslissen dat de sanctie niet wordt opgelegd wanneer de omstandigheden van de zaak dit rechtvaardigen.

Hij kan rekening houden met de omstandigheden, zoals de verschoonbaarheid van het verzuim, de hoedanigheid van partijen, de vertrouwdheid met het derdenbeslag. De schuldenaarsverklaring wordt in ieder geval uitgesproken wanneer er sprake is van fraude, collusie en in gevallen van onverschoonbare onzorgvuldigheid, maar de sanctie is niet tot deze gevallen beperkt. Bij een vastgestelde inbreuk op de verklaringsplicht, moet de sanctie in principe worden opgelegd en kan de rechter enkel besluiten tot het niet-opleggen van de sanctie wanneer de omstandigheden van de zaak het rechtvaardigen (zie Cass. 26 april 2002, Arr.Cass. 2002, 1131).

De sanctie van de schuldenaarsverklaring heeft geen indemnitair karakter. Zij strekt er niet toe beweerde schade te vergoeden die de beslagleggende schuldeiser lijdt ten gevolge van het verzuim van de derde-beslagene, maar enkel de derdebeslagene te sanctioneren voor zijn verzuim. De omvang van de veroordeling van de derdebeslagene is niet afhankelijk van de schade van de beslaglegger.

De afwezigheid van schade is dan ook geen beletsel voor het uitspreken van de sanctie, nu de sanctie geen indemnitair karakter heeft. Om die reden moet de sanctie ook niet beperkt blijven tot het bedrag van de schuldvordering van de debiteur op de derde-beslagene, d.w.z. tot het voorwerp van het beslag, maar kan zij uitgebreid worden tot de oorzaken van het beslag. De afwezigheid van schade kan wel een element zijn waarmee rekening kan worden gehouden bij de uitoefening van het matigingsrecht (zie Cass. 24 april 2008, AR C.07.0180.N, www.juridat.be).

De sanctie moet dus worden opgelegd telkens de handelwijze van de derdebeslagene ertoe strekt de figuur van het derdenbeslag te frustreren. Bij een vastgestelde inbreuk moet de sanctie in principe worden opgelegd. De rechter kan enkel besluiten tot het niet opleggen van de sanctie wanneer de omstandigheden van de zaak het rechtvaardigen.

Aangezien het gaat om een resultaatsverbintenis, kan enkel overmacht de derde-beslagene exonereren. Aan de verdere concrete omstandigheden van het geval kan vervolgens voldoende recht worden gedaan bij de uitoefening van het matigingsrecht.

Om na te gaan of de sanctie van schuldenaarsverklaring zich ten aanzien van geïntimeerde opdringt en, zo ja, of deze moet gematigd worden, dient rekening te worden gehouden met de concrete omstandigheden van de zaak.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018
Pagina: 
548
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Gent 22 maart 2018, NjW2018, 548.

1. Dubaere N.V.,[ ... ]

2. Jonckheere Wood N.V., [ ... ]

3. Xella België N.V., [ ... ]

4. Joris Ide. N.V., [ ... ]

5. Winsol N.V., [ ... ]

appellanten, oorspronkelijk eiseressen,[ ... ]

tegen:

Van De Walle Bouwgroep N.V.,[ ... ] geïntimeerde, oorspronkelijk verweerster,

1. VOORGAANDEN

1.1. Appellanten zijn alle schuldeisers van VAN DE WALLE CONSTRUCTION N.V., met maatschappelijke zetel te 9880 Aalter, Knokkeweg 25, die actief is in de bouwsector.

Deze vennootschap maakt deel uit van een groep van vennootschappen en is een dochtervennootschap van geïntimeerde, de NV.VAN DE WALLE BOUWGROEP, die de holdingvennootschap is van diverse vennootschappen in de groep.

In november 2013 hebben verschillende vennootschappen van de groep VAN DE WALLE, waaronder N.V.' VAN DE WALLE CONSTRUCTION en geïntimeerde een verzoekschrift neergelegd bij de rechtbank van koophandel met het oog op de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord. Bij vonnis van 13 november 2013 van de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Gent, werd de procedure van gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord geopend van zowel N.V. VAN DE WALLE CONSTRUCTION, debiteur van appellanten als van geïntimeerde.

Bij vonnis van 12 maart 2014 van diezelfde rechtbank werd het reorganisatieplan van zowel N.V. VAN DE WALLE CONSTRUCTION als van geïntimeerde gehomologeerd.

Appellanten, die vrijwillig waren tussengekomen in de procedure m.b.t. de gerechtelijke reorganisatie van hun debiteur VAN DE WALLE CONSTRUCTION N.V., stelden hoger beroep in tegen het homologatievonnis van 12 maart 2014 omdat zij van oordeel waren dat het gehomologeerde reorganisatieplan in strijd was met de openbare orde.

Het plan voorzag immers in een vrijwillige kwijtschelding door hun debiteur VAN DE WALLE CONSTRUCTION N.V. van een aanzienlijke schuldvordering die zij in de rekening-courantverhouding had op de moedervennootschap VAN DE WALLE BOUWGROEP N.V., thans geïntimeerde. Het hoger beroep van appellanten werd gegrond verklaard.

Bij arrest van 22 december 2014 heeft het Hof van Beroep te Gent de homologatie van het reorganisatieplan van de N.V. VAN DE WALLE CONSTRUCTION geweigerd omdat het aan de gewone schuldeisers in de opschorting een kwijtschelding van hun vorderingen met 50% oplegt, maar er tegelijk voor kiest om een zeer aanzienlijke rekening-courant vordering van NV.VAN DE WALLE CONSTRUCTION van niet minder dan 9,4 miljoen EUR niet of slechts in zeer beperkte mate op de moedervennootschap te verhalen, meer nog deze schuld na verloop van drie jaar kwijt te schelden. Het hof stelde vast dat uit niets blijkt dat tegenover de kwijtschelding van schuld t.a.v. VAN DE WALLE BOUWGROEP voor VAN DE WALLE CONSTRUCTION een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel zou staan. Hierdoor wordt de wettelijke specialiteit en het vennootschapsbelang van de NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION miskend, wat in strijd is met de openbare orde.

1.3. Bij verzoekschrift dd. 13 januari 2015 legde NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION opnieuw een verzoekschrift neer bij de rechtbank van koophandel te Gent om te worden toegelaten tot de procedure van gerechtelijke reorganisatie, ditmaal door overdracht onder gerechtelijk gezag. Appellanten zijn opnieuw vrijwillig tussengekomen in deze tweede procedure.

De rechtbank van koophandel te Gent oordeelde dat de door VAN DE WALLE CONSTRUCTION ingediende financiële informatie op grond van artikel 17, 92, 5" en 6" eerder schraal was en bedrijfsrevisor Christophe De Paepe werd door de rechtbank gelast om meer toelichting te geven over de intra-groepsverhoudingen (rekening/ couranten).

1.4. Daags na de indiening van dit nieuwe verzoekschrift van hun schuldenaar om toegelaten te worden tot de procedure van gerechtelijke reorganisatie, hebben appellanten bij exploot van 14 januari 2015 lastens deze schuldenaar bewarend beslag onder derden laten leggen in handen van geïntimeerde N.V. VAN DE WALLE BOUWGROEP omwille van de aanzienlijke rekening-courant schuldvordering die hun debiteur op deze vennootschap had.

Bij aangetekend schrijven van 27 januari 2015 heeft geïntimeerde haar verklaring van derde-beslagene overgemaakt, waarvan de inhoud luidt als volgt:

"In de akte bewarend beslag wordt uitdrukkelijk verwezen naar de vordering die Van De Walle Construction heeft op Van De Walle Bouwgroep. De schuld van NV Van De Walle Bouwgroep aan NV Van De Walle Construction bedraagt op datum van het beslag 6.959.825,52 EUR. Zoals uw mandanten weten, werd Van De Walle Bouwgroep NV op 13.11.2013 ook toegelaten tot de procedure gerechtelijke reorganisatie.

De vordering die Van De Walle Construction had op Van De Walle Bouwgroep N.V., werd mee opgenomen in het reorganisatieplan voor Van De Walle Bouwgroep.

Dit reorganisatieplan werd gehomologeerd bij vonnis dd. 12.03.2014 van de Rechtbank van Koophandel OostVlaanderen, afdeling Gent.

De betalingsverplichting van N Van De Walle Bouwgroep aan NV Van De Walle Construction is onderworpen aan de bepalingen van het gehomologeerd herstelplan.

1.5. Bij brief van 27 januari 2015 heeft de raadsman van appellanten het waarheidsgetrouw karakter van de verklaring van derde-beslagene betwist en werd aan geïntimeerde gevraagd om de juiste toedracht van de zaak toe te lichten.

Bij daaropvolgend schrijven van 6 februari 2015 aan de raadsman van appellanten heeft geïntimeerde haar standpunt bevestigd, stellende dat de vordering van NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION ten aanzien van geïntimeerde een schuld is b de opschorting, waarvoor noch NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION noch haar schuldeisers uitvoeringsmaatregelen kunnen treffen lastens geïntimeerde. Zij voegde eraan toe dat in de uitvoering van het herstelplan van geïntimeerde de uitbetaling van de intercompany-schuld aan haar dochter NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION ondergeschikt is aan de betaling van de schuldeisers in de opschorting van geïntimeerde NV VAN DE WALLE BOUWGROEP.

Het tenietgaan van het herstelplan voor de NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION heeft volgens geïntimeerde de facto noch de jure als gevolg dat zij haar schuld aan haar dochter integraal moet voldoen. Bovendien heeft zij daarvoor de gelden niet ter beschikking.

1.6. Bij vonnis van 10 februari 2015 heeft de rechtbank van koophandel te Gent de procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag van de activiteiten van NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION geopend. Een gerechtsmandataris, de heer D., werd aangesteld om de overdracht te realiseren. Er werd een-opschorting toegekend voor een periode van 3 maanden tot 10 mei 2015.

1.7. Bij schrijven van 19 februari 2015 heeft de raadsman van appellanten geintimeerde nogmaals gewezen op het onjuist karakter van haar verklaring van derde-beslagene, waarbij voorbehoud werd gemaakt voor de toepassing van artikel 1456, 2e lid Ger.W.

Bij exploot van 5 maart 2015 hebben appellanten geïntimeerde gedagvaard voor de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, teneinde haar in toepassing van artikel 1456 schuldenaar te horen verklaren van de oorzaken van het beslag, nader begroot voor elk van hen.

1.8. Bij vonnis van 28 april 2015 werd door de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Gent, machtiging verleend om over te gaan tot overdracht onder gerechtelijk gezag van het handelsfonds en twee onroerende goederen van NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION, voor een globale prijs van 1.477.400,00 EUR. De gewone schuldeisers (onder wie appellanten) zullen geen aanspraak kunnen maken op betaling van - zelfs maar een deel - van hun schuldvordering, nu de verkoopprijs integraal zal worden toegekend aan de buitengewone (i.e. bevoorrechte) schuldeisers in de opschorting. Uiteindelijk heeft NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION de boeken neergelegd en werd zij bij vonnis van 9 juni 2015 failliet verklaard.

1.9. Bij het thans bestreden vonnis van 30 juni 2015 werd de vordering van appellanten ongegrond verklaard. De beslagrechter oordeelde weliswaar dat de verklaring van derde-beslagene van geïntimeerde onjuist was, maar kwam tot het besluit dat deze vaststelling niets verandert aan de bewarende maatregel die appellanten hebben genomen en op geen enkele wijze het bewarend beslag onder derden frustreert. De onbeschikbaarheid van het voorwerp van het beslag wordt er niet door geraakt en appellanten verkrijgen niet meer noch minder rechten door deze verkeerde opvatting vanwege geïntimeerde. Volgens de beslagrechter wijzigt de vaststelling van een nauwe relatie tussen de beslagene en geïntimeerde niets aan het voorgaande. Appellanten leveren volgens de beslagrechter geen bewijs van collusie.

ll. HOGER BEROEP

2.1. Appellanten vragen de hervorming van de bestreden beschikking in de mate dat de eerste rechter hun vordering ongegrond verklaarde en hen veroordeelde tot de gedingkosten. Zij herhalen hun oorspronkelijke vordering om geïntimeerde in toepassing van artikel 1456 Ger.W. schuldenaar te verklaren van de oorzaken van het door hen bij exploot van 14 januari 2015 in handen van geïntimeerde gelegde bewarend beslag onder derden en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen.

2.2. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van de bestreden beschikking en de veroordeling van appellanten tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

3.1. Voorwerp van het geschil is de in eerste aanleg afgewezen vordering van appellanten om geïntimeerde schuldenaar te horen verklaren voor het geheel van de oorzaken van het bewarend beslag onder derden dat appellanten op 14 januari 2015 ten laste van hun schuldenaar NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION lieten leggen in handen van geïntimeerde, die de moedervennootschap is van de debiteur van appellanten.

Centraal in de beoordeling van deze vordering is de vraag of geïntimeerde na het bewarend beslag onder derden dat appellanten in haar handen hebben gelegd, een onjuiste, niet waarheidsgetrouwe verklaring van derde-beslagene heeft afgelegd die conform de artikelen 1452-1456 van het Gerechtelijk Wetboek moet worden gesanctioneerd met een schuldenaarsverklaring van geïntimeerde voor het geheel van de oorzaken van het bewarend derdenbeslag, door appellanten voor elk van hen begroot als volgt (in hoofdsom):

- NV DUBAERE: 164.931,74 EUR

- NV JONCKHEERE: 13.258,01 EUR

- NV XELLA BELGIE: 92.423,78 EUR

- NV JORIS IDE: 145.978,56 EUR

- NV WINSOL: 3.895,26 EUR

3.2. Appellanten gaan niet akkoord met de afwijzing van hun vordering door de eerste rechter.

Zij betwisten niet dat geïntimeerde tijdig de wettelijk vereiste verklaring van derdebeslagene heeft afgelegd, maar stellen dat deze verklaring onjuist is omdat geïntimeerde daarin volgens appellanten ten onrechte stelt dat de schuldvordering die de NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION tegenover haar heeft, integraal een schuldvordering is in de opschorting van geïntimeerde, waarvoor noch NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION, noch appellanten als haar schuldeisers, lastens geïntimeerde uitvoeringsmaatregelen kan treffen.

Zij stellen dat een gedeelte van de schuldvordering niet in de opschorting valt. Zij voeren aan dat geïntimeerde tot tweemaal toe heeft verklaard dat de volledige schuldvordering van NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION een schuld in de opschorting is van geïntimeerde, terwijl uit de documenten die NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION naderhand heeft voorgelegd in de nieuwe procedure tot gerechtelijke reorganisatie blijkt de deze vennootschap tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie aan geïntimeerde aanzienlijke betalingen heeft toegestopt waardoor ze een schuldvordering heeft ten belope van minstens 967.648,52 EUR die niet gekwalificeerd kan worden als een schuldvordering in de opschorting.



Tot staving van hun vordering voeren zij aan dat uit de door NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION in het kader van de tweede procedure tot het bekomen van een gerechtelijke reorganisatie voorgelegde stukken, meer specifiek uit de nota opgesteld door bedrijfsrevisor Christophe De Paepe, die de historiek en de samenstelling van de rekeningcourantvordering beschrijft (stuk 12 appellanten), duidelijk blijkt dat de door geïntimeerde afgelegde verklaring van derde-beslagene onjuist was.

De rekening-courantvordering van NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION ten aanzien van de NV VAN DE WALLE BOUWGROEP, die in het totaal volgens haar eigen verklaring van derde-beslagene dd. 27 januari 2015 een bedrag van 6.959.825,52 EUR bedraagt, is ten belope van minstens 967.648,52 EUR ontstaan ruim ná de opening van de gerechtelijke organisatie van geïntimeerde (november 2013) door betalingen die NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION nog tussen oktober 2014 en 26 januari 2015 heeft gedaan aan geïntimeerde en die in deze periode in de rekening-courant werden ingeschreven. Het zou gaan om betalingen van 650.000 EUR in september 2014, 813.000,00 EUR in december 2014 en van 150.300,52 EUR in januari 2015. Deze kunnen met toepassing van artikel 2, c) van de Wet van 31 januari 2009 niet worden beschouwd als schuldvorderingen in de opschorting.

Appellanten voelen zich gekrenkt in hun rechtmatige aanspraken ten aanzien van hun inmiddels failliet verklaarde debiteur en menen dat deze in collusie met geïntimeerde een deel van de aanzien - lijke schuldvordering die zij in rekeningcourant kon laten gelden tegenover geïntimeerde heeft laten verdwijnen in hun nadeel door een aantal betalingen verricht door haar debiteur aan geïntimeerde na de opening van de procedure in gerechtelijke reorganisatie van deze laatste.

Door de manifest onjuiste kwalificatie van een deel van de schuldvordering als schuldvordering in de opschorting van geïntimeerde, tracht deze laatste haar eigen betalingsverbintenissen te beperken, zowel wat betreft de opeisbaarheid, als wat betreft de omvang. De onjuiste verklaring van derde beslagene strekte ertoe het derdenbeslag te frustreren. Niet alleen zijn er redenen om de sanctie van schuldenaarsverklaring toe te passen, maar ook zijn er geen redenen om deze te matigen.

Het was volgens appellanten duidelijk de bedoeling van geïntimeerde bij het afleggen van de verklaring van derde-beslagene om de uitvoeringsmaatregelen ten haren laste te verhinderen en haar latere afgifteverplichting tot nihil te beperken. Bovendien is het volgens appellanten vanzelfsprekend dat er sprake is van collusie tussen geïntimeerde en de NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION. De ganse gedachte achter het reorganisatieplan van geïntimeerde bestond erin dat de leveranciers het gelag van de slechte financiële toestand van VAN DE WALLE CONSTRUCTION dienden te betalen en dat geïntimeerde zou gevrijwaard blijven. Om die reden werd de eerste procedure in gerechtelijke reorganisatie strijdig bevonden met de openbare orde.

Ten slotte merken appellanten op dat de beslagrechter bevoegd is om de door partijen aangevoerde rechten prima facie te onderzoeken en zelfs op summiere wijze kennis te nemen van het bodemgeschil.

3.3. Geïntimeerde stelt dat in de betwisting omtrent de aard van een deel van haar schuld aan NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION de leer van de "doorlopende compensatie" van toepassing is. Deze houdt in dat de onderlinge transacties tussen twee partijen die een rekening/courant verhouding voeren, zoals in casu VAN DE WALLE BOUWGROEP (=geïntimeerde) en VAN DE WALLE CONSTRUCTION, constant verrekend worden.

Deze werkwijze loopt gelet op artikel 34 WCO gewoon door na de opening van de gerechtelijke reorganisatie. De wederzijdse verrichtingen die tussen beide vennootschappen van de groep zijn gebeurd, dienen als een compensatie te worden beschouwd. Er was volgens geïntimeerde tussen haar en de NV VAN DE WALLE CONSTRUCTION sprake van een constante R/C verhouding, die tijdens de opschorting van betaling zoals voor de opening van de procedure van gerechtelijke organisatie werd gebruikt om onderlinge betalingen te verrekenen, wat volledig conform de WCOwetgeving is gebeurd. De interpretatie die appellanten geven aan artikel 2 WC0 zou volledig in strijd zijn met de inhoud van de artikelen 30,34 en 49 WCO. Verder zouden appellanten geen rekening houden met de betalingen die geintimeerde heeft verricht aan VAN DE WALLE CONSTRUCTION in de periode februari - april 2014.

Appellanten zouden over het hoofd zien dat de verrichtingen op de rekening-courant zowel - een aangroei als een afbouwhebben ondergaan en al deze 'verrichtingen kaderden binnen de herstructurering en sanering die werden doorgevoerd binnen de vennootschappen.

3.4. Artikel 1452 Ger.W. verplicht de derde-beslagene om binnen de vijftien dagen na het bewarend derdenbeslag een verklaring van derde-beslagene te doen van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag.

De verklaring van derde-beslagene moet overeenkomstig artikel 1452 Ger.W., 2e lid Ger.W. nauwkeurig alle dienstige gegevens vermelden voor de vaststelling van de rechten van partijen en, naargelang het geval, in het bijzonder:

1 ° de oorzaken en het bedrag van de schuld, de dag van haar opeisbaarheid en in voorkomend geval haar modaliteiten;

2° de bevestiging door de derde-beslagene dat hij niet of niet meer de schuldenaar is van de beslagene;

3° de opgave van de beslagnemingen onder derden, waarvan aan de derdebeslagene reeds kennis is gegeven;

4° in voorkomend geval, de bedragen voorzien van een code die op de creditzijde van een zichtrekening ingeschreven werden en de datum van inschrijving ervan indien deze gebeurde tijdens de dertig dagen die de datum van het beslag voorafgaan.

De tijdige afgifte van deze verklaring is van fundamenteel belang voor de beslagleggende schuldeiser, omdat zij hem in staat stelt zo spoedig mogelijk te vernemen of de derde-beslagene al dan niet schuldenaar is van zijn debiteur en hij zo kan te weten komen of zijn vordering door het beslag verzekerd is, dan wel of hij bijkomende maatregelen moet nemen.

3.5. Indien de derde-beslagene zijn verklaring niet heeft gedaan binnen de wettelijke termijn, of niet met nauwkeurigheid heeft gedaan, kan hij, nadat hij daartoe voor de beslagrechter werd opgeroepen, geheel of ten dele schuldenaar worden verklaard van de oorzaken en de kosten van het beslag, onverminderd de kosten van de tegen hem ingestelde rechtspleging, die in die gevallen te zijnen laste zijn. Deze sanctie is bepaald in artikel 1456 Ger.W.

De toepassing van artikel 1456 Ger.W. kan er enkel toe strekken de derde schuldenaar te doen "verklaren" van het geheel of een deel van de oorzaken en de kosten van het bewarend beslag. Een veroordeling tot effectieve betaling van de bedragen, waarvoor bewarend beslag werd gelegd, is immers (nog) niet mogelijk wegens het ontbreken van een uitvoerbare titel lastens de beslagen schuldenaar.

Door zijn verklaring tot schuldenaar door de beslagrechter wordt de derdebeslagene aldus tot dezelfde schuld gehouden als de beslagene. De beslagene en de derdebeslagene gelden tegenover de beslaglegger slechts/hoogstens als in solidum gehouden schuldenaars (Cass., 20 mei 2008, RW, 2010-11, 1257). leder van hen is gehouden op grond van een eigen oorzaak. Voor de derde-beslagene is dit het niet afleggen na het beslag van een nauwkeurige verklaring van derdebeslagene.

3.6. Bij de toepassing van de sanctie van schuldenaarsverklaring heeft de beslagrechter een zekere beoordelingsmacht. Het gaat om een facultatieve sanctie, zoals blijkt uit de formulering ervan ("kan") en bovendien beschikt de rechter over een matigingsrecht ("geheel of ten dele"). De rechter oordeelt in feite, op onaantastbare wijze, of de sanctie bepaald in artikel 1456 al dan niet dient te worden toegepast en zo ja, in welke mate (zie Cass.3 december 1990, Arr.Cass. 1990-91, 365; Cass.11 april 1997, Arr. Cass. 1997, nr.182).

Hij mag daarbij onderzoeken of er sprake is van bedrog, opzet of nalatigheid

van de derde-beslagene. Hij kan beslissen dat de sanctie niet wordt opgelegd wanneer de omstandigheden van de zaak dit rechtvaardigen. Hij kan rekening houden met de omstandigheden, zoals de verschoonbaarheid van het verzuim, de hoedanigheid van partijen, de vertrouwdheid met het derdenbeslag. De schuldenaarsverklaring wordt in ieder geval uitgesproken wanneer er sprake is van fraude, collusie en in gevallen van onverschoonbare onzorgvuldigheid, maar de sanctie is niet tot deze gevallen beperkt. Bij een vastgestelde inbreuk op de verklaringsplicht, moet de sanctie in principe worden opgelegd en kan de rechter enkel besluiten tot het niet-opleggen van de sanctie wanneer de omstandigheden van de zaak het rechtvaardigen (zie Cass. 26 april 2002, Arr.Cass. 2002, 1131).

3.7. De sanctie van de schuldenaarsverklaring heeft geen indemnitair karakter. Zij strekt er niet toe beweerde schade te vergoeden die de beslagleggende schuldeiser lijdt ten gevolge van het verzuim van de derde-beslagene, maar enkel de derdebeslagene te sanctioneren voor zijn verzuim. De omvang van de veroordeling van de derdebeslagene is niet afhankelijk van de schade van de beslaglegger.

De afwezigheid van schade is dan ook geen beletsel voor het uitspreken van de sanctie, nu de sanctie geen indemnitair karakter heeft. Om die reden moet de sanctie ook niet beperkt blijven tot het bedrag van de schuldvordering van de debiteur op de derde-beslagene, d.w.z. tot het voorwerp van het beslag, maar kan zij uitgebreid worden tot de oorzaken van het beslag. De afwezigheid van schade kan wel een element zijn waarmee rekening kan worden gehouden bij de uitoefening van het matigingsrecht (zie Cass. 24 april 2008, AR C.07.0180.N, www.juridat.be).

De sanctie moet dus worden opgelegd telkens de handelwijze van de derdebeslagene ertoe strekt de figuur van het derdenbeslag te frustreren. Bij een vastgestelde inbreuk moet de sanctie in principe worden opgelegd. De rechter kan enkel besluiten tot het niet opleggen van de sanctie wanneer de omstandigheden van de zaak het rechtvaardigen.

Aangezien het gaat om een resultaatsverbintenis, kan enkel overmacht de derde-beslagene exonereren. Aan de verdere concrete omstandigheden van het geval kan vervolgens voldoende recht worden gedaan bij de uitoefening van het matigingsrecht.

3.8. Om na te gaan of de sanctie van schuldenaarsverklaring zich ten aanzien van geïntimeerde opdringt en, zo ja, of deze moet gematigd worden, dient rekening te worden gehouden met de concrete omstandigheden van de zaak. Geïntimeerde heeft na het bewarend derdenbeslag in haar handen van 14 januari 2015 niet nagelaten om binnen de 15 dagen een verklaring van derde-beslagene over te maken aan appellanten. Hij geeft dit ook toe. Zij legde een verklaring van derdebeslagene af op 27 januari 2015. Geïntimeerde werd door appellanten gedagvaard wegens miskenning van haar wettelijke verplichting van derdebeslagene om een nauwkeurige en waarheidsgetrouwe verklaring van derdebeslagene af te leggen na het bewarend beslag onder derden. Deze verplichting zou geïntimeerde niet hebben nageleefd omdat de verklaring inhoudelijk onjuist zou zijn, wat door deze ten stelligste wordt betwist.

Op grond van de voorliggende stukken blijkt dat:

- appellanten alle chirografaire

schuldeisers zijn van de NV VAN DE WALLE CONSTRUCTIONS, dochteronderneming van geïntimeerde, ten belope van de hiervoor in hoofdsom genoemde bedragen;

- dat zij op 14 januari 2015, daags nadat hun debiteur een nieuw verzoek had ingediend bij de rechtbank van koophandel om te worden toegelaten tot de procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, zijn overgegaan tot het leggen van bewarend beslag lastens hun debiteur, in handen van geïntimeerde, de moedervennootschap, die blijkens de rekeningcourantverhouding nog een aanzienlijke schuld aan de NV VAN DE WALLE CONSTRUCTIONS verschuldigd was;

- dat geïntimeerde tijdig een verklaring van derde-beslagene aflegde, waarin zij het bedrag van haar schuld aan de NV VAN DE WALLE CONSTRUCTIONS correct meedeelde, maar hieraan de opmerking toevoegde dat de schuldvordering die haar dochtermaatschappij tegenover haar bezat volledig in de opschorting was, zodat appellanten geen uitvoeringsmaatregelen meer konden treffen op die vordering;

- dat appellanten de inhoud van deze verklaring betwistten omdat een deel van schuldvordering, met name een bedrag van minstens 967.648,52 EUR niet gekwalificeerd kan worden als een schuldvordering in de opschorting omdat de debiteur van appellanten tijdens en dus na de toelating van geïntimeerde tot de procedure van gerechtelijke reorganisatie aan geïntimeerde aanzienlijke betalingen heeft toegestopt die niet geen schuldvorderingen zijn in de opschorting;

- dat de schuldenaar van appellante inmiddels failliet werd verklaard bij vonnis dd. 9 juni 2015.

3.10. Het hof is van oordeel dat geïntimeerde een nauwkeurige verklaring van derde-beslagene heeft afgelegd omtrent de omvang van haar schuldvordering en correct heeft aangegeven wat het precieze bedrag was van haar schuldvordering ten tijde van het beslag, met name een bedrag van 6.959.825,52 EUR, al is er een ernstige betwisting tussen partijen gerezen omtrent het karakter van een deel van deze schuldvordering.

Partijen zijn het oneens over de vraag of de schuld van geïntimeerde ten aanzien van de NV VAN DE WALLE CONSTRUCTIONS in zijn totaliteit een schuld in de opschorting is (standpunt geïntimeerde), dan wel of een aantal betalingen ten belope van minstens 967.648,52 EUR buiten de opschorting vallen (standpunt appellanten). De discussie betreft de vraag of de betalingen door NV VAN DE WALLE CONSTRUCTIONS verricht aan geïntimeerde na de opening van de procedure gerechtelijke reorganisatie, al dan niet deel uitmaken van de schuldvordering van NV VAN DE WALLE CONSTRUCTIONS in de opschorting van geïntimeerde.

Het hof is van oordeel dat de beslechting van dit geschil niet aan haar toekomt maar aan de bevoegde rechter ten gronde. De uitvoerige discussie ten gronde die partijen desbetreffend voeren kunnen geen afbreuk doen aan het feit dat de enige rechtsvraag die thans aan de orde is, deze is of er redenen zijn om geïntimeerde schuldenaar te horen verklaren van (het geheel) van de oorzaken van het bewarend beslag dat appellanten in haar handen lieten leggen.

De vaststelling dat partijen het oneens zijn omtrent de aard van een deel van de schuldvordering van NV VAN DE WALLE CONSTRUCTIONS ten aanzien van geïntimeerde, betekent niet dat geïntimeerde een onjuiste verklaring van derdebeslagene heeft afgelegd die aanleiding moet geven tot een schuldenaarsverklaring van geïntimeerde.

Al kan de juiste kwalificatie van het betwiste deel van de schuldvordering van de debiteur van appellanten ten laste van geïntimeerde gevolgen hebben voor het opeisbaar karakter van deze vordering en aldus voor de latere afgifteverplichting van geïntimeerde in geval van uitvoerend beslag door appellanten waarvoor zij een uitvoerbare titel nodig hebben (wat gelet op het tussengekomen faillissement problematisch is), dit neemt niet weg dat geïntimeerde een volledige verklaring heeft afgelegd.

3.11. Ten overvloede, zelfs indien zou aangenomen worden dat de verklaring van derdebeslagene van geïntimeerde inhoudelijk onjuist is en niet beantwoordt aan artikel 1452 Ger.W. omdat een deel van de schuldvordering van hun debiteur ten aanzien van geïntimeerde gelet op artikel 2, c WCO door geïntimeerde ten onrechte werd gekwalificeerd als een schuldvordering in de opschorting van deze laatste, beschikt de beslagrechter m.b.t. de vordering van appellanten in schuldenaarsverklaring na bewarend derdenbeslag nog steeds over een soevereine appreciatiebevoegdheid, zowel wat betreft het principe van de schuldenaarsverklaring, als wat betreft de omvang ervan.

De beslagrechter, die op onaantastbare wijze oordeelt, mag vrij beslissen of hij de sanctie toepast en, in bevestigend geval, soeverein de hoogte van de sanctie bepalen. Hij kan de sanctie matigen naargelang te omstandigheden, De afwezigheid van schade kan een element zijn waarmee rekening kan worden gehouden bij de uitoefening van het matigingsrecht (zie Cass. 24 april 2008, AR C.07.0180.N, www.iuridat.be).

Er is naar het oordeel van het hof geen sprake is van een onverschoonbare onzorgvuldigheid of kwade trouw in hoofde van geïntimeerde, die het opleggen van de sanctie van schuldenaarsverklaring voor de totaliteit van de oorzaken van het beslag rechtvaardigt. Geïntimeerde heeft tijdig binnen de 15 dagen na het derdenbeslag een verklaring van derde-beslagene afgelegd, waarin zij het bedrag van haar schuldvordering nauwkeurig omschreef. Alleen rees onmiddellijk tussen haar en appellanten een meningsverschil omtrent de vraag of de integrale schuldvordering in de opschorting viel, dan wel of een deel van de schuldvordering (967.648,52 EUR) buiten de opschorting viel.

Het meningsverschil omtrent de aard van een deel van de aangegeven schuldvordering wijst volgens het hof niet op het bestaan van collusie tussen beide verbonden vennootschappen. Appellanten hebben moeten vaststellen dat zij als chirografaire schuldeisers ingevolge de toelating van hun debiteur tot de procedure van gerechtelijke reorganisatie (op 10.02.2015) geen verdere uitvoeringsmaatregelen meer tegen deze debiteur konden nemen en dit a fortiori evenmin konden na de daarop volgende faillietverklaring van hun debiteur.

Zij trachtten thans via de procedure van schuldenaarsverklaring de debiteur van hun debiteur schuldenaar te zien verklaren voor de oorzaken van het bewarend beslag dat zij legden daags nadat hun debiteur opnieuw een procedure van gerechtelijke reorganisatie vroeg.

Op grond van het voorgaande besluit het hof dat niet voldaan is aan de voorwaarden om aan deze vordering van appellanten in schuldenaarsverklaring gevolg te geven.

Het hoger beroep van appellant is ongegrond.

3.12. De kosten van de procedure in hoger beroep, blijven ten laste van appellanten. Gelet op het niet in geld waardeerbaar karakter van de aard van de vordering - de vraag of er aanleiding is om appellant al dan niet schuldenaar te verklaren - wordt de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep bepaald op het basisbedrag voor dergelijke vorderingen, hetzij 1.320,00 EUR.

OM DEZE REDENEN HET HOF

Recht doende op tegenspraak;

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, maar wijst het af als ongegrond; Bevestigt de bestreden beschikking in al haar onderdelen;

[ ... ]

Noot: 

Johanna Waekens, Verklaring van derdebeslagene en schuldenaarsverklaring, NJW 2018, 554.

Rechtsleer:

Alexander Meeuwissen, Gevolgen van de schuldenaarsverklaring, NJW 2017, 330 (noot onder voormelde publicatie van het vonnis in het NJW)

Rechtspraak:

Koophandel Tongeren, 2 december 2002, rechtskundig weekblad 2003 2004,1154-1155

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 29/06/2018 - 15:46
Laatst aangepast op: vr, 29/06/2018 - 15:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.