-A +A

Sint-Jan Berchmanscollege- arrest

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
din, 13/11/2012

Middels 5 arresten wordt de besliising van de delibererende klassenraad van het Sint-Jan Berchmanscollege te Genk die een C-attest toekende aan een leerlig met dyslexie en ADD doch met een uitzonderlijke inzet en gemiddelde resultaten omgezet in een A-attest.

Voor dit meisje werden alle mogelijke middelen aangewend, middelen die eigenlijk elk mens verdient, maar vaak niet krijgt. De arrestenreeks is een handleiding voor elke klassenraad bij haar beoordelingen, waarbij ook de inzet en de studie van alle betrokken partijen en niet in het minst de Raad van State alle respect verdient zodat mag verwacht worden dat met de criteria van de Raad van State in de beoordeleingen van klasseraad in het vervlog meer rekening zal worden gehouden en alle llerlingen met respect voor de wet zullen behandeld worden.

Bijzondere waardering dient geutit voor C.P. en haar ouders voor hun uitzonderlijke strijd die ze niet alleen voor zichzelf maar voor alle schoolkinderen hebben gestreden.

Publicatie
tijdschrift: 
niet gepubliceerd

Verloop van de procedure

eerste arrest

tweede arrest

derde arrest

vierde arrest

vijfde en laatste arrest

 

Eerste arrest

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER

A R R E S T

nr. 220.744 van 25 september 2012

in de zaak A. 206.380/XII-7077

In zake: C.P.

tegen:

VZW KASOG SINT-JAN BERCHMANSCOLLEGE

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 21 september 2012, strekt tot de

schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing genomen op 30 augustus 2012 door de delibererende klassenraad van het Sint-Jan Berchmanscollege Genk, 5 economie - moderne talen, waarbij aan C.P. een oriënteringsattest C werd toegekend.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september 2012, om 11.15 uur.

Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht.

[…]

III. Feiten

3.1. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2011-2012 leerling in het

eerste jaar van de derde graad, economie - moderne talen, aan het Sint-Jan Berchmanscollege te Genk.

3.2. De over verzoekster delibererende klassenraad stelt op het einde

van het schooljaar vast dat verzoekster jaartekorten behaalt voor Frans (46,4%), Engels (48,7%), Duits (48,6%) en economie (49,4%) en hij beslist om verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen. De toelichting die daarbij op het individueel syntheseblad wordt vermeld, luidt:

“Oorzaken/opmerkingen: De onvoldoendes wijzen op een structureel tekort in de basiskennis. De sterk dalende uitslagen in het tweede semester bieden weinig perspectief in deze studierichting. We kunnen wel vaststellen dat de leerling inzet vertoont. De leerling kreeg de volgende begeleidingsvorm(en): Individuele studiebegeleiding door studiementor. De extra begeleiding had niet het gewenste resultaat.”

De klassenraad adviseert “5 Handel” als nieuwe studierichting voor het volgende schooljaar.

Op 28 en 29 juni 2012 vindt overleg plaats tussen de ouders van verzoekster en de directeur, waarover de directeur in een niet gedateerde brief meedeelt dat hun “vraag naar bijkomende proeven wellicht is ingegeven door een traditionele visie op herexamens, waarmee men de leerling een ‘tweede’ kans gaf om tekorten weg te werken. Echter, in de huidige regelgeving [ ... ] is er geen sprake meer van een ‘tweede’ zittijd. Integendeel, de klassenraadsbeslissingen kunnen nog slechts uitzonderlijk ná 30 juni vallen. In uw geval heeft de delibererende klassenraad dan ook beslist dat het deliberatiedossier voldoende gegevens bevatte om een beslissing te nemen en/of geen tegenstrijdige gegevens bevatte die een uitstel van de beslissing konden verantwoorden.” De directeur beslist de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen.

3.3. Met een brief van 3 juli 2012 stelt verzoekster een beroep in bij de beroepscommissie. Zij groepeert haar bezwaren onder volgende rubrieken: de adviezen en andere communicatie van de laatste jaren, de opvolging van haar contract voor haar leerstoornissen en haar resultaten en privéproblemen. Zij stelt voor “toch de mogelijkheid van een A-attest te overwegen”, “[e]ventueel in combinatie met onderstaande maatregelen”, waarbij zij de mogelijkheid van vakantietaken suggereert. Mocht de klassenraad daar niet op ingaan, wijst zij nog op de mogelijkheid van een “uitgestelde beslissing”.

Op 23 augustus 2012 adviseert de beroepscommissie om de over verzoekster delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Dat advies is als volgt gemotiveerd:

“- dat beide partijen het er over eens zijn dat C. een grote inzet toont en steeds haar best doet om, ondanks haar beperkingen, de nodige resultaten te behalen.

- dat haar dagelijks werk (65%) niet in evenredigheid is met de resultaten van het laatste examen (55,9%), die verstoord werden door externe factoren (scheiding van ouders, ernstige ziekte van grootvader, einde relatie met haar vriendje, pestgedrag door medeleerlingen);

- dat de 4 onvoldoendes in het jaarrapport: Frans 46,4%, Engels 48,7%, Duits 48,6% en Economie 49,4%, wellicht in normale omstandigheden een andere invulling zouden gekregen hebben;

- dat haar eindresultaat 56,6% geen grote afwijking vertoont van het klasgemiddelde 58,6%;

- dat de leerling, mathematisch gezien, niet geslaagd is. Maar men kan ook de vraag stellen of de punten van het examen niet te zwaar doorwegen bij de beoordeling t.o.v. de punten van het dagelijkse werk. Bij deze leerling is deze vraag zeker gegrond;

- dat in de APR3, waar de moeder van C. naar verwijst, sprake is van bij twijfel een positieve beslissing te nemen en de leerling één jaar respijt te geven: de leerling krijgt een A-attest met een waarschuwing voor bepaalde vakken. Zou deze procedure hier niet kunnen toegepast worden? Het zou C. de kans geven om, mits de nodige steun, zich te kunnen bewijzen”.

Het schoolbestuur beslist vervolgens op 27 augustus 2012 dat de delibererende klassenraad opnieuw moet beraadslagen.

3.4. Die klassenraad beslist op 30 augustus 2012 andermaal om aan

verzoekster een C-attest toe te kennen. Die thans bestreden beslissing is als volgt gemotiveerd:

“De klassenraad heeft kennis genomen van de inhoudelijke elementen die aan de grondslag lagen van het advies van de interne beroepscommissie om de delibererende klassenraad terug samen te roepen.

De klassenraad bevestigt de grote inzet van C..

De klassenraad is van oordeel dat de lacunes in de basiskennis voor de hoofdvakken in de studierichting Economie-Moderne Talen (Frans, Engels, Duits en economie) of voor 15 van de 32 weekuren te groot zijn om deze enkel te verklaren door de nieuwe elementen die in het beroepschrift van C. worden aangehaald.

De klassenraad is eveneens van oordeel dat deze lacunes te groot zijn om het 6de jaar van deze studierichting met succes te kunnen volgen.

De klassenraad is tenslotte van oordeel dat er in het geval van C. geen sprake is van twijfel in verband met de kansen van C. in het 6de jaar. Nadat C. een jaar lang nauwgezet werd gevolgd door vakleerkrachten, coördinator van de derde graad en studiementor is men van oordeel een voldoende breed beeld van haar capaciteiten te hebben om in eer en geweten tot een oordeel te komen.

De delibererende klassenraad bevestigt dus [zijn] beslissing om C. een C-attest toe te kennen en haar het advies te geven om over te zitten in het 5de jaar TSO - Handel.”

IV. Ontvankelijkheid van de vordering

Excepties

4.1. Verwerende partij werpt in een eerste exceptie op dat de vordering onontvankelijk is omdat ze enkel is ingediend door de moeder van verzoekster, terwijl het ouderlijk gezag over verzoekster gedeeld wordt met haar vader. De vader van verzoekster heeft weet van het C-attest waarover hem op 11 september 2012 per e-mail is bericht, maar hij wenst blijkbaar niet tussen te komen.

4.2. In een tweede exceptie ontzegt verwerende partij belang aan

verzoekster, omdat zij zich ondertussen elders heeft ingeschreven en daar opnieuw de lessen volgt van het vijfde jaar. Impliciet heeft zij zich dan ook geschikt naar en akkoord verklaard met de bestreden beslissing.

4.3. Aangezien de raadsman van verzoekster ter zitting niet tegenspreekt dat het ouderlijk gezag door beide ouders samen wordt uitgeoefend, noch de vaststelling dat verzoekster thans in een andere school in het eerste jaar van de derde graad is ingeschreven, verzaakt verwerende partij aan haar in de nota geformuleerd verzoek om de zitting uit te stellen totdat hierover door verzoekster overtuigingsstukken zijn neergelegd.

Beoordeling

5.1. Verzoekster is, op het ogenblik van indienen van de

voorliggende vordering, minderjarig.

Artikel 376 van het Burgerlijk Wetboek luidt:

“Wanneer de ouders het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, beheren zij ook gezamenlijk zijn goederen en treden zij gezamenlijk als zijn vertegenwoordiger op.

Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een daad van beheer van de goederen van het kind stelt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.

Oefenen de ouders het gezag over de persoon van het kind niet gezamenlijk uit, dan heeft alleen de ouder die dat gezag uitoefent, het recht om de goederen van het kind te beheren en het kind te vertegenwoordigen, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.

De andere ouder behoudt het recht om toezicht te houden op het beheer. Met dat doel kan hij bij degene die het gezag uitoefent of bij derden alle nuttige informatie inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden.”

Een vordering indienen tot schorsing van tenuitvoerlegging is, anders dan een annulatieberoep, geen daad van beschikking maar een daad van beheer. Eén ouder vermag alleen op te treden en wordt vermoed te handelen met instemming van de andere ouder.

Verwerende partij keert dit vermoeden niet om, door het enkele feit dat de vader van verzoekster door haar per e-mail van de bestreden beslissing is ingelicht. Deze van verwerende partij uitgaande handeling levert niet het minste bewijs voor de stelling dat de vader zich uiteindelijk niet bij een annulatieberoep zou aansluiten. Dit afleiden uit de enkele afwezigheid van de vader in de schorsingsprocedure, zou het door artikel 376 BW ingesteld vermoeden volkomen zinloos maken.

5.2. Evenmin volstaat het gegeven dat een partij zich voorlopig schikt

naar de uitvoerbare administratieve rechtshandeling die zij met een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid aanvecht om haar belang bij die vordering te ontzeggen. Het doel van haar vordering is precies om de delibererende klassenraad ertoe te bewegen voor haar een meer gunstige beslissing te nemen, op een ogenblik waarop die beslissing nog enig nuttig effect kan hebben.

5.3. De excepties worden verworpen.

V. De schorsingsvoorwaarden

6. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

VI. Spoedeisendheid en nadeelvereiste

Standpunt van de partijen

7. Verzoekster betoogt dat haar vordering met de “meeste spoedeisendheid” dient te worden behandeld, dat zij door de bestreden beslissing immers haar jaar moet overdoen, dat het vaste rechtspraak is van de Raad van State dat het dreigend verlies van een schooljaar een moeilijk te herstellen nadeel uitmaakt en dat een vordering ingesteld volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen om dat dreigend verlies te keren, omdat het schooljaar dan te ver gevorderd zal zijn.

8. Verwerende partij betwist in de nota met opmerkingen niet uitdrukkelijk het aangevoerde nadeel; wel is zij van mening dat verzoekster niet diligent heeft gehandeld.

Beoordeling

9. Verzoekster mag zich wat de besproken schorsingsvoorwaarden betreft terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State beroepen. Het dreigend verlies van een schooljaar maakt voor de betrokken leerlinge een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit. Een vordering ingesteld volgens de gewone schorsingsprocedure zal te laat komen om het dreigend verlies van een schooljaar te keren.

De bestreden beslissing dateert van 30 augustus 2012 en werd met een 6 september 2012 gedateerd schrijven aan verzoekster betekend, zending die verzoekster pas op dinsdag 11 september 2012 verklaart te hebben ontvangen. Het voorliggende verzoekschrift is ingediend op vrijdag 21 september 2012. Dit strookt met de vereiste van spoed en voortvarendheid, waarmee in het geval van een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid door een verzoekende partij moet worden gehandeld. Indien belangrijke tijd verloren is gegaan, zoals verwerende partij betoogt, lijkt dat vooral gelegen te zijn in het feit dat de klassenraad een ganse vakantie laat voorbij gaan om te beslissen over het bezwaar en dat de school vervolgens dagen wacht om die beslissing mee te delen aan de beide ouders van verzoekster.

10. Er is aan de beide besproken schorsingsvoorwaarden voldaan.

Middelen

Standpunt van de partijen

11. In een eerste middel betoogt verzoekster dat de delibererende klassenraad op manifeste wijze zijn motiveringsplicht heeft geschonden.

Zij brengt de hiervóór aangehaalde redenen in herinnering die de beroepscommissie ertoe hebben gebracht om een nieuwe samenkomst van de klassenraad te adviseren en die in grote lijnen gelijklopend waren met haar grieven. De klassenraad laat volgens verzoekster na om hierop ook maar één antwoord te formuleren.

Dat er een gebrek aan basiskennis zou zijn bij verzoekster noemt zij een gratuite bewering waarvoor geen enkel voorbeeld wordt gegeven en die wordt tegengesproken door haar stijgend gemiddelde en goede punten voor dagelijks werk.

Verzoekster herhaalt dat de slechte eindresultaten enkel veroorzaakt zijn door de zwakke examens in juni, waarvoor de voornoemde omstandigheden een verklaring geven. De klassenraad laat na een objectief onderzoek te doen naar deze specifieke situatie en heeft voor een puur cijfermatige benadering gekozen zonder te motiveren waarom enkel belang wordt gehecht aan de laatste examens, wars van de persoonlijke situatie van verzoekster -die daarenboven met een leerstoornis kampt- en zonder oog te hebben voor haar eerdere prestaties die een vermeend gebrek aan basiskennis tegenspreken.

Verzoekster betoogt dat de eigen pedagogische reglementering van verwerende partij vraagt oog te hebben voor de medische en sociale problemen van een leerling die mogelijk slechte resultaten kunnen verklaren en die wijst op de mogelijkheid van bijkomende proeven in het geval van een onverwacht zwak resultaat dat deels te verklaren is door externe factoren, optie die door de delibererende klassenraad nooit lijkt te zijn onderzocht. Hetzelfde geldt voor andere opties zoals een waarschuwing of een vakantiewerk:

“Deze optie wordt tevens door de interne beroepscommissie specifiek belicht, doch de delibererende klassenraad motiveert nergens waarom deze optie niet kan gebruikt worden en blijft zich beroepen op de lege vermelding: er is een gebrek aan basiskennis!”

12. In haar nota met opmerkingen antwoordt verwerende partij dat het probleem bij verzoekster ligt in het feit dat zij geen grote hoeveelheden leerstof kan verwerken en dat zij dus ook elementaire stukken van de leerstof niet kan verwerken.

De verwijzing naar de resultaten voor dagelijks werk zijn daarom niet van toepassing. Bovendien heeft de school vastgelegd welk gewicht aan dagelijks werk en aan examens wordt toegekend. Ook tijdens de kerstexamens had verzoekster twee onvoldoendes. De slechte studieresultaten worden dus niet veroorzaakt door de zwakkere eindexamens van juni. Ook de privé problemen, waarvan de school geen weet had tijdens de examenperiode, zijn door de klassenraad in de eindbeslissing in rekening gebracht maar niet van aard bevonden dat ze het bewijs vormen dat verzoekster pech zou hebben gehad en de stof wel beheerst maar dit onvoldoende tot uiting heeft kunnen laten komen tijdens de examens. Eerder komt het verwerende partij voor dat de moeder van verzoekster haar frustraties in verband met de echtelijke moeilijkheden heeft geventileerd bij haar dochter en als deze dan slechte examens zou maken kan dit aan de school niet worden verweten.

Verwerende partij betwist ook dat de klassenraad andere maatregelen niet in overweging zou hebben genomen. Een bijkomende proef was daarenboven nooit aan de orde en een vakantiewerk werd nooit gevraagd. De klassenraad heeft in juni geoordeeld dat hij alle informatie had om tot een besluit te komen. Een bijkomende proef is slechts een uitzonderlijk redmiddel en verzoekster kan ze dan ook niet als een recht opeisen. Een identieke redenering kan worden toegepast voor de waarschuwing.

Beoordeling

13. Verzoekster heeft tegen de klassenraadbeslissing op het einde van het schooljaar de in artikel 115/4 van de Codex Secundair Onderwijs georganiseerde verhaalmogelijkheid op gang gebracht.

Grieven, vragen en opmerkingen van de leerling die van aard zijn dat ze, mochten ze gegrond zijn, mogelijk tot een voor de leerling beter resultaat zouden kunnen leiden, mogen op het eerste gezicht in de loop van die beroepsprocedure niet zonder onderzoek blijven. Wil ze immers enig nut hebben, moet die beroepsprocedure er in ieder geval op gericht zijn om de klachten en argumenten van een leerling te onderzoeken, ze daadwerkelijk in de nieuwe beoordeling te betrekken en de antwoorden van de klassenraad daarop -met andere woorden: de motieven van de klassenraad- te veruitwendigen in de definitieve beslissing.

14. Uit de brief waarmee de algemeen directeur van het Sint-Jan Berchmanscollege het resultaat van het overleg aan de ouders van verzoekster meedeelt, blijkt dat deze laatsten de tekorten op zich niet in vraag hebben gesteld, noch de conclusie dat jaartekorten voor al de richtingbepalende vakken in beginsel een C-attest wettigen. Wél blijken zij gevraagd te hebben aan hun dochter bijkomende proeven op te leggen alvorens zich uit te spreken over haar al dan niet slagen. Daarop kwam als reactie van de algemeen directeur dat die vraag getuigt van een “traditionele visie op herexamens”, dat in de huidige regelgeving geen sprake meer is van een “tweede zittijd”, dat klassenraadbeslissingen nog slechts “uitzonderlijk” na 30 juni vallen en dat in dit geval de delibererende klassenraad over voldoende gegevens meende te beschikken om een beslissing te nemen “en/of” geen tegenstrijdige gegevens zag die een uitstel van de beslissing konden verantwoorden.

De algemeen directeur kan, op het eerste gezicht, worden bijgevallen als hij bijkomende proeven een uitzondering noemt. Artikel 37, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs, bepaalt immers in dat verband:

“De in § 1 bedoelde beslissingen worden in beginsel genomen uiterlijk op 30 juni van het betrokken schooljaar, doch deze termijn kan voor individuele gevallen worden verlengd tot uiterlijk de eerste schooldag van het daaropvolgend schooljaar.”

Die bepaling houdt in dat de delibererende klassenraad in beginsel wordt geacht over de noodzakelijke elementen te beschikken om zich uiterlijk op 30 juni over de prestaties van een leerling te buigen en om zelfs tegenvallende resultaten te duiden en op grond van alle gegevens van het leerlingendossier te beslissen of de leerling het schooljaar al dan niet met vrucht heeft beëindigd. Die bepaling geeft ook aan dat diezelfde delibererende klassenraad in individuele gevallen autonoom oordeelt of een leerling uitzonderlijk aan een bijkomende proef onderworpen wordt. Zoals de Raad van State reeds eerder overwoog, bijvoorbeeld in het arrest nr. 170.231 van 19 april 2007 inzake Van Montfort:

“Het is precies omdat een delibererende klassenraad door bijzondere omstandigheden meent op het einde van het schooljaar toch niet over alle nuttige gegevens te beschikken om over het al dan niet slagen van de leerling oordeelkundig te beslissen, dat hij over de mogelijkheid beschikt om zijn beslissing uit te stellen en om de leerling, uitzonderlijk, bijkomende proeven te laten afleggen. Een voor de hand liggend voorbeeld, ter illustratie van dergelijke bijzondere omstandigheden, is de ziekte van de leerling gedurende een periode van het jaar of het overlijden van een naaste tijdens de examenperiode. Een uitgestelde proef kan, zo de delibererende klassenraad daar reden toe ziet, uitwijzen of een onverwacht zwak resultaat mogelijk door dergelijke externe factor is veroorzaakt veeleer dan door het inherente falen van de leerling.”

15. De autonomie van de klassenraad staat er prima facie dan weer niet aan in de weg dat een leerling z6lf uitzonderlijke omstandigheden inroept die naar zijn of haar mening 66n of meer bijkomende proeven rechtvaardigen. In zo een geval moet, zo lijkt, de delibererende klassenraad die vraag ernstig onderzoeken en valt het hem toe zijn weigering om erop in te gaan in voorkomend geval te verantwoorden.

In dat verband stellen verzoeksters ouders in hun bezwaarschrift voor de beroepscommissie uitdrukkelijk de vraag of de klassenraad wel wist dat verzoekster “priv6 de laatste tijd een aantal zaken te verwerken heeft gehad”, waarbij zij vervolgens wijzen op de tijdens de examenperiode nakende echtscheiding van haar ouders en de spanningen die deze met zich mee heeft gebracht, de hospitalisatie en kritieke toestand van verzoeksters grootvader, de beëindiging van de relatie door de vriend van verzoekster en een gebrek aan psychologische begeleiding net voor en tijdens de examenperiode.

Nu verklaart verwerende partij in de nota met opmerkingen (blz. 8) dat de privéproblemen van verzoekster aan de school niet bekend waren tijdens de examenperiode en herhaalt de algemeen directeur ter terechtzitting dat die gegevens maar voor het eerst door de ouders duidelijk onder de aandacht van de school zijn gebracht in het bezwaarschrift voor de beroepscommissie.

Het zijn op het eerste gezicht evenwel feitelijke omstandigheden die, zoals de Raad als gezien reeds eerder overwoog, inderdaad aanleiding kunnen geven tot onverwachte en abnormale resultaten en waardoor mogelijk het correcte beeld van kennis en kunde van een leerling wordt vertekend. Het lijkt dan ook van belang dat een klassenraad die problemen mee in zijn onderzoek betrekt, wat alvast voortgaande op de verklaringen van verwerende partij, in juni niet gebeurd blijkt te zijn.

16. Daarop verneemt verzoekster in de bestreden eindbeslissing van 30 augustus 2012 als antwoord van de delibererende klassenraad niets meer dan dat hij van oordeel is dat “de lacunes in de basiskennis voor de hoofdvakken [ ... ] te groot zijn om deze enkel te verklaren door de nieuwe elementen die in het beroepschrift van [verzoekster] worden aangehaald”.

Daartegenover staat dan weer dat de beroepscommissie oordeelde dat “haar dagelijks werk (65%) niet in evenredigheid is met de resultaten van het laatste examen (55,9%), die verstoord werden door externe factoren (scheiding van ouders, ernstige ziekte van grootvader, einde relatie met haar vriendje, pestgedrag door medeleerlingen)”, “dat de 4 onvoldoendes in het jaarrapport [ ... ] wellicht in normale omstandigheden een andere invulling zouden gekregen hebben” en “dat haar eindresultaat 56,6% geen grote afwijking vertoont van het klasgemiddelde 58,6%”, waarbij die commissie uitdrukkelijk vaststelt “dat in de APR3, waar de moeder van [verzoekster] naar verwijst, sprake is van bij twijfel een positieve beslissing te nemen en de leerling één jaar respijt te geven: de leerling krijgt een A-attest met een waarschuwing voor bepaalde vakken. Zou deze procedure hier niet kunnen toegepast worden? Het zou [verzoekster] de kans geven om, mits de nodige steun, zich te kunnen bewijzen”. Het zijn overwegingen die het door de klassenraad aangevoerde gebrek in de basiskennis, dat hij afleidt uit de examenresultaten, toch ernstig lijken te relativeren of te nuanceren. Terecht ook werpt verzoekster de vraag op of het haar verweten kennelijk gebrek aan basis-kennis -wat op het eerste gezicht niet hetzelfde is als ‘moeilijk grote gehelen leer-stof verwerken’, waarop de nota thans alludeert- niet evenzeer uit haar prestaties voor dagelijks werk had moeten blijken, hetgeen toch niet het geval lijkt. Het zijn ook, in lijn met de klacht van verzoekster, de redenen voor de beroepscommissie om te adviseren en voor het schoolbestuur om te beslissen de over verzoekster delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen.

17. De delibererende klassenraad spreekt nergens tegen, zo lijkt, dat de uitzonderlijke samenloop van gebeurtenissen die verzoekster voorlegt, niet met de realiteit zou stroken.

In die omstandigheden mocht verzoekster dan ook verwachten, zo lijkt, dat op die elementen een uitdrukkelijk antwoord zou komen, een antwoord dat er blijk van zou geven dat de klassenraad deze ook effectief in de beoordeling heeft betrokken. Gemeenplaatsen als dat de klassenraad “van oordeel [is] een voldoende breed beeld van [verzoeksters] capaciteiten te hebben om in eer en geweten tot een oordeel te komen”, volstaan op het eerste gezicht in het licht van de hierboven aangehaalde verstrengde motiveringsplicht, hoegenaamd niet.

18. Met motieven die verwerende partij thans in haar nota bijkomend aanvoert om de Raad van State van de wettigheid van de genomen beslissing te overtuigen en die niet hun veruitwendiging hebben gekregen in de bestreden be-slissing, kan prima facie geen rekening worden gehouden. Het formuleren van motieven post factum strijdt niet alleen met het wezen van de forme-le-motiveringsplicht; het biedt verzoekster, noch de Raad van State de zekerheid dat die motieven daadwerkelijk aan de delibererende klassenraad kunnen worden toegeschreven.

19. Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig.

20. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.

VIII. Voorlopige maatregelen

Vordering

21. Verzoekster vordert dat de Raad van State haar bij voorlopige maatregel toelating verleent om de lessen en examens aan te vatten in het zesde jaar en dat, wanneer de Raad niet op die vraag kan ingaan, verwerende partij zou worden verplicht om de delibererende klassenraad opnieuw bijeen te roepen om tot een eventuele nieuwe beslissing te komen.

Ter terechtzitting verklaart zij alle vertrouwen in de school kwijt te zijn en afstand te doen van de eerstgenoemde gevorderde maatregel.

Beoordeling

22. De Raad van State mag overeenkomstig artikel 18, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State onder de in artikel 17, § 2, eerste lid, bepaalde voorwaarden, alle nodige maatregelen bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten. Die maatregelen kunnen ook, overeenkomstig artikel 18, derde lid, van dezelfde wetten, worden bevolen in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid.

23. Om de hiervoor uiteengezette redenen is de Raad van oordeel dat de grondvoorwaarden van, kort gezegd, uiterst dringende noodzakelijkheid, ernstige middelen en moeilijk te herstellen ernstig nadeel vervuld zijn.

De voorlopige maatregelen die de Raad dan mag bevelen, moeten “nodig” zijn om “de belangen van de partijen” veilig te stellen. Dit houdt in dat de voorlopige maatregelen die verzoekster vraagt aan de verwerende partij op te leggen niet verder moeten strekken dan nodig om haar belangen veilig te stellen.

24. Wat betreft de vordering om toelating te verlenen om de lessen in het tweede jaar van de derde graad te mogen aanvatten en er desnoods examens af te leggen, wordt vastgesteld dat hiervan afstand is gedaan ter zitting.

25. Wat de tweede gevorderde voorlopige maatregel betreft, namelijk om verwerende partij te verplichten binnen tien dagen de delibererende klassenraad opnieuw te doen samenkomen met het oog op een nieuwe beslissing, laat in principe niets aanzien dat een leerling te vrezen heeft dat haar onderwijsinstelling haar zaak niet met de vereiste spoed -en naar mag worden verhoopt zelfs in minder dan tien dagen- opnieuw zal behandelen. In de regel is er dan ook geen reden om een delibererende klassenraad uitdrukkelijk te bevelen om te doen wat hij verondersteld mag worden te zullen doen, namelijk onverwijld na de kennisgeving van een schorsingsarrest opnieuw samenkomen om te beraadslagen over het eraan te geven gevolg en aldus de leerling zekerheid te geven over haar studieresultaten.

In de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij verwerende partij er in het verleden al geen blijk van heeft gegeven met passende voortvarendheid te handelen en waarbij verzoekster daarenboven een leerstoornis heeft en des te meer met een spoedige beslissing is gebaat en bovendien niet langer is ingeschreven in de school van verwerende partij, is de Raad van oordeel dat er reden is om een voorlopige maatregel op te leggen.

IX. Rechtsplegingsvergoeding

26. De kosten die verbonden zijn aan procedures bij de Raad van State worden geregeld door artikel 30, §§ 5 tot 9, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en door artikel 66 van zijn algemeen procedurereglement. Er is daarin geen sprake van een rechtsplegingsvergoeding.

Deze aan de Raad van State eigen regeling sluit uit dat toepassing wordt gemaakt van de gemeenrechtelijke bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met eenzelfde onderwerp. Niet ingegaan wordt dan ook op de vordering van verwerende partij om haar een rechtsplegingsvergoeding van 1320 euro toe te kennen, nog daargelaten de vraag hoe zulk verzoek verenigbaar kan zijn met de inwilliging van de hoofdvordering.

BESLISSING

1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing genomen op 30 augustus 2012 door de delibererende klassenraad van het Sint-Jan Berchmanscollege Genk, 5 economie - moderne talen, waarbij aan C.P. een oriënteringsattest C werd toegekend.

2. De Raad van State beveelt dat voornoemde delibererende klassenraad onverwijld en uiterlijk zaterdag 29 september 2012 samenkomt om zijn beslissing te heroverwegen, in aanmerking nemend de in huidig arrest ernstig bevonden bezwaren van C.P., dat het resultaat van deze beraadslaging aan verzoekster zonder uitstel per e-mail of telefonisch ter kennis wordt gebracht en haar wordt betekend bij aangetekend schrijven uiterlijk maandag 1 oktober 2012.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 25 september 2012, door de Raad van State, XIIe kamer



 

Tweede arrest

 

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER

A R R E S T

nr. 220.963 van 11 oktober 2012

in de zaak A. 206.562/XII-7098

In zake: C.P.

tegen:

de VZW KASOG SINT-JAN BERCHMANSCOLLEGE

I. Voorwerp van de vordering



1. De vordering, ingesteld op 5 oktober 2012, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing genomen op 28 september 2012 door de delibererende klassenraad van het Sint-Jan Berchmanscollege Genk, 5 economie - moderne talen, waarbij aan C. P. een oriënteringsattest C wordt toegekend.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2012, om 11.15 uur.

[…]

III. Feiten

3.1. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2011-2012 leerling in het

eerste jaar van de derde graad, economie - moderne talen, aan het Sint-Jan Berchmanscollege te Genk.

3.2. De over verzoekster delibererende klassenraad stelt op het einde

van het schooljaar vast dat verzoekster jaartekorten behaalt voor Frans (46,4%), Engels (48,7%), Duits (48,6%) en economie (49,4%) en hij beslist om verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen. De toelichting die daarbij op het individueel syntheseblad wordt vermeld, luidt:

“Oorzaken/opmerkingen: De onvoldoendes wijzen op een structureel tekort in de basiskennis. De sterk dalende uitslagen in het tweede semester bieden weinig perspectief in deze studierichting. We kunnen wel vaststellen dat de leerling inzet vertoont. De leerling kreeg de volgende begeleidingsvorm(en): Individuele studiebegeleiding door studiementor. De extra begeleiding had niet het gewenste resultaat.”

De klassenraad adviseert “5 Handel” als nieuwe studierichting voor het volgende schooljaar.

Op 28 en 29 juni 2012 vindt overleg plaats tussen de ouders van verzoekster en de directeur, waarover de directeur in een niet gedateerde brief meedeelt dat hun “vraag naar bijkomende proeven wellicht is ingegeven door een traditionele visie op herexamens, waarmee men de leerling een ‘tweede’ kans gaf om tekorten weg te werken. Echter, in de huidige regelgeving [ ... ] is er geen sprake meer van een ‘tweede’ zittijd. Integendeel, de klassenraadsbeslissingen kunnen nog slechts uitzonderlijk ná 30 juni vallen. In uw geval heeft de delibererende klassenraad dan ook beslist dat het deliberatiedossier voldoende gegevens bevatte om een beslissing te nemen en/of geen tegenstrijdige gegevens bevatte die een uitstel van de beslissing konden verantwoorden.” De directeur beslist de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen.

3.3. Met een brief van 3 juli 2012 stelt verzoekster een beroep in bij

de beroepscommissie. Zij groepeert haar bezwaren onder volgende rubrieken: de adviezen en andere communicatie van de laatste jaren, de opvolging van haar contract voor haar leerstoornissen en haar resultaten en privéproblemen. Zij stelt voor “toch de mogelijkheid van een A-attest te overwegen”, “[e]ventueel in combinatie met onderstaande maatregelen”, waarbij zij de mogelijkheid van vakantietaken suggereert. Mocht de klassenraad daar niet op ingaan, wijst zij nog op de mogelijkheid van een “uitgestelde beslissing”.

Op 23 augustus 2012 adviseert de beroepscommissie om de over verzoekster delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Dat advies is als volgt gemotiveerd:

“- dat beide partijen het er over eens zijn dat C. een grote inzet toont en steeds haar best doet om, ondanks haar beperkingen, de nodige resultaten te behalen.

- dat haar dagelijks werk (65%) niet in evenredigheid is met de resultaten van het laatste examen (55,9%), die verstoord werden door externe factoren (scheiding van ouders, ernstige ziekte van grootvader, einde relatie met haar vriendje, pestgedrag door medeleerlingen);

- dat de 4 onvoldoendes in het jaarrapport: Frans 46,4%, Engels 48,7%, Duits 48,6% en Economie 49,4%, wellicht in normale omstandigheden een andere invulling zouden gekregen hebben;

- dat haar eindresultaat 56,6% geen grote afwijking vertoont van het klasgemiddelde 58,6%;

- dat de leerling, mathematisch gezien, niet geslaagd is. Maar men kan ook de vraag stellen of de punten van het examen niet te zwaar doorwegen bij de beoordeling t.o.v. de punten van het dagelijkse werk. Bij deze leerling is deze vraag zeker gegrond;

- dat in de APR3, waar de moeder van C. naar verwijst, sprake is van bij twijfel een positieve beslissing te nemen en de leerling één jaar respijt te geven: de leerling krijgt een A-attest met een waarschuwing voor bepaalde vakken. Zou deze procedure hier niet kunnen toegepast worden? Het zou C. de kans geven om, mits de nodige steun, zich te kunnen bewijzen.”

Het schoolbestuur beslist vervolgens op 27 augustus 2012 dat de delibererende klassenraad opnieuw moet beraadslagen.

3.4. Die klassenraad beslist op 30 augustus 2012 andermaal om aan

verzoekster een C-attest toe te kennen.

De Raad van State beveelt de schorsing van tenuitvoerlegging van deze beslissing bij arrest nr. 220.744 van 25 september 2012.

3.5. Op 28 september 2012 beslist de delibererende klassenraad om

het oriënteringsattest C te handhaven. Hij notuleert aldus:

“1. De behaalde onvoldoendes zijn te zwaar om een A- attest met waarschuwing voor de 4 vakken waarvoor een onvoldoende werd behaald, of een B-attest te verlenen om volgende redenen:

Het eindresultaat van C. vertoont geen grote afwijking van het klasgemiddelde. Het is echter niet het klasgemiddelde dat de bepalende factor is om na te gaan of een leerling tot het volgende leerjaar kan worden toegelaten.

De vraag die voorligt is de deliberatievraag: heeft de leerling in voldoende mate de leerplandoelstellingen bereikt om zijn/haar studies voort te zetten in – in principe dezelfde studierichting van – het 2de leerjaar van de derde graad in hetzelfde studiegebied? Dit is niet het geval.

C. slaagt niet voor de 4 richtingsvakken van de richting Economie-Moderne Talen of voor 15 van de 32 weekuren en zij heeft duidelijk blijk gegeven in onvoldoende mate de leerplandoelstellingen te hebben bereikt om haar studies voort te zetten in – in principe dezelfde studierichting van – het 2de leerjaar van de derde graad in hetzelfde studiegebied.

Meer concreet waren er tekorten voor:

- Economie: voor de onderdelen algemene economie van het 2de semester en voor bedrijfseconomie.

- Frans: tekort voor kennis van grammatica, woordenschat, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid.

- Engels: tekort voor spreekvaardigheid, leesvaardigheid, schrijfvaardigheid en literatuurkennis.

- Duits: tekort voor mondelinge vaardigheid, spreekvaardigheid en toepassingen op de grammatica.

2. De score van C. voor dagelijks werk doet hieraan geen afbreuk om volgende redenen:

- Dat er in het dossier van C. een groot verschil tussen dagelijks werk en examens merkbaar is, is niet uitzonderlijk. De leerlingen in het 1ste jaar van de derde graad worden voor de eerste maal met een 2 semestersysteem geconfronteerd. Ook andere leerlingen van haar klas scoren opvallend lager t.o.v. hun dagelijks werk (soms nog meer dan C.).

- Bovendien toont de concrete analyse van de vakresultaten voor economie, Frans, Engels en Duits dat de punten op dagelijks werk vooral werden behaald op kleinere overhoringen, taken, projecten en groepswerken (‘kranten in de klas’ en ‘eigen onderneming’ voor economie; ‘In Flanders Fields’ voor de moderne talen), terwijl C. opvallend zwakker scoort voor de grotere toetsen die peilden naar het bereiken van de leerplandoelstellingen en die een vergelijkbare moeilijkheidsgraad hadden met de examens.

3. In verband met de vraag of het examenresultaat niet te zwaar doorweegt bij de beoordeling verwijst de klassenraad opnieuw naar de deliberatievraag. De klassenraad heeft het gehele dossier van de leerling in dit verband in overweging genomen: het dagelijks werk, de examens, de leerstoornissen en de bijkomende aangehaalde elementen. Het zijn al deze elementen die de delibererende klassenraad heeft overwogen om tot een oordeel te komen.

4. Er werd tijdens de deliberatie door de delibererende klassenraad rekening gehouden met de uitzonderlijke omstandigheden vermeld door de moeder van de leerling in haar verzoekschrift tot beroep dd. 03.07.2012. Er is geen verband tussen de zwakke examenresultaten behaald in juni 2012 en deze uitzonderlijke omstandigheden om volgende redenen:

- De lage resultaten op de grote toetsen met een vergelijkbare moeilijkheidsgraad als de examens, die werden afgenomen in de loop van het tweede semester in de lange periode voor de examens wijzen er duidelijk op dat er ook al aanzienlijke tekorten waren in

de maanden voor deze examens.

- Het verslag dat studiementor R. Swinnen maakte op basis van zijn begeleiding vóór de examens geeft eveneens aan ‘dat er weinig veranderd is in vergelijking met de vorige trimesters; dat er een zekere vorm van paniek toeslaat wanneer de leerstof zich begint op te stapelen; dat het laatste rapport voor de eigenlijke examenperiode ook al niet goed was; dat C. moeite heeft om zich aan een realistische planning te houden omdat ze altijd al snel achterstand opliep’

Het feit dat de moeder van C. dit verslag van de studiementor probeert te ontkrachten door zijn werk in een slecht daglicht te plaatsen, betekent niet dat de delibererende klassenraad geen grote waarde hecht aan deze objectieve weergave van de feiten.

De concrete analyse van de resultaten op de rapporten voor dagelijks werk van het tweede semester treedt deze stelling overigens bij :

• Laatste rapport voor de examens (1.06.2012): 5 tekorten voor Nederlands, Frans (25%), natuurwetenschappen, aardrijkskunde, en economie (41%).

• Voorlaatste rapport (11.05.2012): tekort voor Duits (32%); voor Frans (52%); economie (52%)

• 2de rapport 2de semester (23.03.2012): tekort voor Duits (37%);

voor Frans (56%); Engels (58%)

• 1ste rapport 2de semester (10.02.2012): tekorten voor Engels (45%) en economie (49%); voor Frans (51 %); Duits (57%)

Deze uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen geen A-attest met waarschuwing voor de vakken waarvoor een onvoldoende werd behaald, noch een B-attest, noch bijkomende proeven om volgende redenen:

- Zowel de moeder als de beroepscommissie wijzen er op om bij twijfel een positieve beslissing te nemen. De delibererende klassenraad geeft aan dat er voor hem geen twijfel is en dat de vraag naar één of meerdere waarschuwingen dan ook niet aan de orde is. Een waarschuwing voor één of twee hoofdvakken wordt gegeven voor leerlingen die niet geslaagd zijn en onvoldoende inzet hebben betoond voor deze vakken gedurende het schooljaar en waarvan men denkt dat zij het wel zouden kunnen. Een A-attest is dan in gelijkaardige omstandigheden niet meer verdedigbaar het volgende schooljaar.

In dit dossier heeft de leerling zich wel voldoende ingezet, doch behaalde zij niettemin tekorten voor 4 hoofdvakken.

De delibererende klassenraad is van oordeel dat het niet kan om een waarschuwing te geven voor 4 hoofdvakken aan een leerling waarvan men zeker is dat die het volgende jaar niet met vrucht kan volgen ondanks de inzet die ze tijdens het schooljaar heeft getoond. - De leerling wordt niet uitzonderlijk aan bijkomende proeven onderworpen om volgende redenen:

De klassenraad valt de Raad van State bij dat de opgeworpen externe factoren aanleiding kunnen geven tot onverwachte en abnormale resultaten. Niettemin meent de klassenraad dat de zwakke resultaten niet in verband kunnen worden gebracht met deze ingeroepen omstandigheden. Omdat de klassenraad vindt dat hij zich doorheen het schooljaar een zo volledig en correct mogelijk beeld (kennis, inzichten, vaardigheden, attitudes) van de leerling heeft kunnen vormen (zie supra), zijn bijkomende proeven hier niet aan de orde.

Bovendien zou het gaan om 4 bijkomende proeven voor zowel Frans, Engels, Duits en economie. De op het eerste zicht kleinere totaaltekorten voor Engels, Duits en economie kunnen zeker niet gerelativeerd worden in dit bijzondere geval omdat C. telkens zeer zwak scoort tijdens het tweede semester en het net om die leerstof gaat waar in het 6de jaar moet op verder gebouwd worden. Om te bewijzen dat zij het 6de jaar aankan zou zij dus 4 bijkomende proeven moeten afleggen voor 4 hoofdvakken of voor 15 van de 32 weekuren.

De delibererende klassenraad is unaniem van oordeel dat dit een onrealistische, onhaalbare en onverantwoorde opgave zou zijn en kan dan ook niet op deze vraag ingaan.”

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

Exceptie

4.1. Verwerende partij werpt op dat volgens vaste rechtspraak van de

Raad van State – maar zonder één arrest daarbij te vermelden – na het opnieuw uitreiken van een C-attest door de klassenraad weerom het administratief beroep doorlopen moet worden alvorens verzoekster naar de Raad van State mag stappen; het arrest van 25 september 2012 is immers een eindarrest en het eerste geschil is daarmee definitief beslecht.

Beoordeling

4.2. De beslissing van 30 augustus 2012 is door de Raad van State bij

arrest nr. 220.744 in haar tenuitvoerlegging geschorst, maar nog niet door een

nietigverklaring definitief uit het rechtsverkeer verwijderd. Verwerende partij

heeft het bijgevolg verkeerd voor, als zij zo een schorsingsarrest zomaar beschouwt als een ‘eindarrest’. Hoe dan ook lijkt de beslissing van 30 augustus 2012 ondertussen inderdaad, maar anderszins, uit het rechtsverkeer verdwenen te zijn. Aangenomen wordt immers, zoals de Raad overigens reeds heeft gewezen in bijvoorbeeld het arrest nr. 124.427 van 21 oktober 2003 inzake Verfaille, dat wanneer een klassenraad volgend op een schorsingsarrest een nieuwe beslissing neemt, hij daarmee de eerdere beslissing heeft vervangen en ze dus, minstens impliciet, ingetrokken. Dat betekent dan weer, dat met de thans bestreden beslissing een nieuwe eindbeslissing in de plaats is gekomen van de vorige eindbeslissing. Niet valt in te zien, op welke grond tegen dergelijke eindbeslissing weerom het interne verhaal moet worden uitgeput.

4.3. De exceptie wordt verworpen.

V. De schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

VI. Spoedeisendheid en nadeelvereiste

Standpunt van de partijen

6. Verzoekster betoogt dat zij door de bestreden beslissing dreigt haar jaar te moeten overdoen, dat het vaste rechtspraak is van de Raad van State dat het dreigend verlies van een schooljaar een moeilijk te herstellen nadeel uitmaakt en dat een vordering ingesteld volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen om dat dreigend verlies te keren, omdat het schooljaar dan te ver gevorderd zal zijn.

7. Verwerende partij is van mening dat het nadeel niet meer dreigt, maar ‘effectief i s, omdat het nieuwe schooljaar ondertussen zes weken ver is en niet meer kan worden verwacht van verzoekster dat zij alsnog de leerstof kan inhalen.

Beoordeling

8. Verzoekster mag zich wat de besproken schorsingsvoorwaarden betreft terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State beroepen. Het dreigend verlies van een schooljaar maakt voor de betrokken leerlinge een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit. Een vordering ingesteld volgens de gewone schorsingsprocedure zal te laat komen om het dreigend verlies van een schooljaar te keren.

Zoals verzoekster terecht opmerkt, is verwerende partij slecht geplaatst om het tijdsverloop tegen te werpen als argument, aangezien dit net eraan te wijten is dat de school zo laat de beroepsprocedure heeft afgehandeld met een beslissing die dan nog ondeugdelijk is.

9. De besproken voorwaarden zijn vervuld.

VII. Aangevoerde middelen

A. Eerste middle

Uiteenzetting van het middle

10.1. Het eerste middel is geput uit “schending van de motiverings-

verplichting en machtsoverschrijding”.

10.2. Verzoekster betoogt dat in dat verband “quasi alle bemerkingen”

van haar eerder verzoekschrift in de zaak gekend onder nr. A. 206.380/XII-7077 kunnen worden herhaald “daar deze nog steeds niet opgehelderd zijn”. Ter adstructie knipt verzoekster de tekst van het overeenstemmende middel uit het vorige verzoekschrift en plakt zij die in het nu voorliggende verzoekschrift.

Verzoekster vervolgt dat er “weinig veranderd is met betrekking tot de nieuwe beslissing” van de delibererende klassenraad.

10.3. Verzoekster bestempelt het als een grove fout waar in de klassenraadbeslissing de toekenning van een B-attest wordt belicht, hoewel dat in de derde graad ASO niet tot de mogelijkheden behoort. Volgens haar ontbreekt ook de nodige motivering om een C-attest toe te kennen. De motivering van de beslissing, uitgedrukt in het aantal pagina’s, is weliswaar toegenomen, maar inhoudelijk blijft de klassenraad nog steeds zwaar in gebreke. Hij bedient zich nog steeds van gratuite verklaringen zonder die te staven. Het falen van verzoekster wordt wel uitgebreid toegelicht, maar haar argumenten om dat falen te verklaren, worden in de beslissing niet ontmoet.

10.4. Het argument dat verzoekster geen grote gehelen leerstof kan verwerken wordt volgens verzoekster tegengesproken door de feiten: ook bij dagelijks werk wordt getoetst op grotere gehelen en daar rijst voor verzoekster geen probleem, de kerstexamens van verzoekster waren niet slecht en het laatste tussentijds rapport van 31 mei 2012 was wél slecht (vijf tekorten) maar dit betreft geen grote gehelen aangezien het vorige tussentijds rapport dateert van nauwelijks drie weken eerder. De beweringen van de klassenraad – geen grote gehelen kunnen verwerken – zijn dan ook helemaal niet terug te vinden in de rapporten. Hieruit blijkt duidelijk dat dit te wijten is aan andere externe factoren.

Verzoekster betoogt dat zij duidelijk niet slechter presteert dan haar klasgenoten, dat zij het zeker niet moeilijker heeft om grote gehelen leerstof te memoriseren in vergelijking met anderen en dat zij zeker geen gebrek aan basiskennis kan hebben.

10.5. De klassenraad toont voorts niet aan waarom bijkomende proeven voor vier vakken met zeer kleine tekorten een onrealistische, onhaalbare en onverantwoorde opgave is, als haar een drietal weken ware gegund om ze voor te bereiden.

10.6. Verzoekster is ook van oordeel dat de delibererende klassenraad geen rekening heeft gehouden met haar prestaties in het verleden en haar studiehouding.

10.7. Waar het verband tussen de zwakke examenresultaten en de door verzoekster ingeroepen uitzonderlijke omstandigheden wordt ontkend, houdt de bestreden beslissing geen steek. Opnieuw spreekt verzoekster tegen dat haar resultaten voor dagelijks werk te danken zijn aan kleine testen en werkjes en herhaalt zij dat ook grote overhoringen deel uitmaken van dat dagelijks werk, die bovendien voor meer punten meetellen. Een goed resultaat voor dagelijks werk spoort in die optiek niet meer met de conclusie van de klassenraad dat verzoekster niet in staat zou zijn grotere gehelen leerstof te verwerken. Het dagelijks werk moet ook een voorbereiding zijn op de examens en het is dan de fout van de school als de punten van dagelijks werk niet representatief zijn.

10.8. Verzoekster verwijst nog naar de bepaling van artikel 57 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: het organisatiebesluit) en stelt, enerzijds, dat de klassenraad haar tekorten niet concretiseert in functie van de leerplandoelstellingen die al dan niet werden bereikt en, anderzijds, dat de klassenraad niet mag eisen dat zij voor alle vakken de doelstellingen die in het leerplan opgenomen zijn, in voldoende mate moet bereiken.

10.9. Volgens verzoekster heeft de klassenraad ook nog steeds geen rekening ermee gehouden dat de door haar ingeroepen uitzonderlijke omstandigheden in combinatie zijn te beoordelen met haar leerstoornissen (dyslexie en ADD); de leerstoornissen worden door de delibererende klassenraad in de bestreden beslissing zelfs niet meer aangehaald. Verzoekster verwijst naar haar bezwaarschrift voor de beroepscommissie.

10.10. Tot slot betoogt verzoekster dat de delibererende klassenraad er

onterecht vanuit gaat dat een waarschuwing slechts gegeven kan worden voor een tekort voor één of twee ‘hoofdvakken’ en zij besluit ‘bijkomend’ dat er geen motivering te vinden is waarom zij nu ineens handel moet gaan volgen.

Beoordeling

11. Het wezenlijke motief om aan verzoekster een oriënteringsattest

C toe te kennen is dat verzoekster “niet [slaagt] voor de 4 richtingsvakken van de richting Economie-Moderne Talen of voor 15 van de 32 weekuren en zij heeft duidelijk blijk gegeven in onvoldoende mate de leerplandoelstellingen te hebben bereikt”.

12. De motivering van het al dan niet slagen van een leerling ligt in

de eerste plaats besloten in de behaalde punten. Die punten moeten namelijk worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling.

Uitgaande van het vermoeden van deskundigheid dat tot weerlegging kleeft aan de hoedanigheid van de leerkracht immers, wordt ervan uitgegaan dat de leerkrachten tijdens het schooljaar de door het leerplan vereiste leerstof volledig en bekwaam hebben onderwezen, dat zij de vorderingen van de leerling correct hebben geobserveerd en geëvalueerd tijdens het “dagelijks werk”, dat zij examens hebben opgesteld die niet eenzijdig zijn maar representatief voor de effectief onderwezen leerstof naar leerinhoud zowel als moeilijkheidsgraad, dat zij die examens objectief en vakkundig hebben verbeterd en aan de hand van een valide puntenspreiding over de leeronderdelen gequoteerd ten einde over de bereikte kennis en vaardigheden van de leerling te rapporteren en dat de relatieve waarde tussen de punten voor dagelijks werk en de proefwerken weloverwogen het leerproces van de leerling tijdens het jaar en zijn of haar capaciteit tot verwerking van afgewerkte en grotere gehelen weergeeft.

Van elke individuele leerkracht en van de delibererende klassenraad als geheel wordt ook verwacht dat hij zich bij het interpreteren van de resultaten daarenboven bewust is van een mogelijke foutenmarge en van het nut van klasgemiddelde of mediaan, of van het aftoetsen bij vakcollega’s bij twijfelgevallen.

Aangenomen wordt bijgevolg dat een jaarcijfer in beginsel een geldige en betrouwbare weergave is van het relatieve belang dat moet worden gegeven aan procesevaluatie en aan verwerking van grotere gehelen – zowel tijdens het dagelijks werk, tijdens een eventuele permanente evaluatie en tijdens de examenperiodes – en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het betrokken vak in de loop van het jaar aan bod is gekomen en dat het om die reden ook betekenisvol is om later studiesucces te voorspellen. Daaruit volgt, ook weer in principe, dat de leerling die niet een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak de leerplandoelstellingen ook niet op voldoende wijze heeft bereikt.

13. Hiermee spoort prima facie de conclusie van de delibererende klassenraad dat verzoekster voor de vier vakken waarvoor zij een jaartekort behaalde, de leerplandoelstellingen inderdaad in onvoldoende mate heeft bereikt.

Indien verzoekster het anders ziet, valt het haar toe om haar stelling te onderbouwen ten einde voormeld vermoeden te doen wankelen. Daargelaten of zulks haar op dit ogenblik in de procedure nog zou zijn toegelaten, stelt de Raad vast dat zij daartoe vooralsnog alleszins geen poging onderneemt.

Zoals reeds in het arrest nr. 220.744 van 25 september 2012 voorlopig is vastgesteld, heeft verzoekster nooit haar tekorten op zich in vraag gesteld, noch de conclusie dat jaartekorten voor al de vier profielbepalende vakken, of ongeveer de helft van het lessenpakket, in beginsel een C-attest wettigen.

14. Artikel 57 van het organisatiebesluit schrijft voor dat “onverminderd de bepalingen van artikel 56” – die te dezen niet van toepassing zijn en handelen over de geïntegreerde proef in het technisch, kunst- en beroepssecundair onderwijs – “het met vrucht beëindigen van leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden [is] aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming”. Zo in deze bepaling gelezen moet worden dat de klassenraad niet van verzoekster mag verlangen dat zij voor alle toetsen, examens of proeven slaagt, lijkt ze er toch niet aan in de weg te staan dat een klassenraad een C-attest uitreikt wanneer hij vier jaartekorten vaststelt voor alle richtingbepalende vakken.

15. Met haar vordering bij de Raad van State streeft verzoekster echter wezenlijk na dat de delibererende klassenraad de door haar aangevoerde uitzonderlijke omstandigheden die haar overkwamen sinds einde mei 2012, eensdeels, en de door het falen van de school misgelopen remediëring, anderdeels, erkent en ze in die mate bij zijn beslissing betrekt dat verzoekster wordt onderworpen aan bijkomende proeven of dat haar zelfs een A-attest met waarschuwingen wordt toegekend.

16.1. In de thans bestreden beslissing stelt de delibererende klassenraad dat er “geen verband [is] tussen de zwakke examenresultaten behaald in juni 2012 en deze uitzonderlijke omstandigheden”, daarbij argumenterend dat “[d]e lage resultaten op de grote toetsen met een vergelijkbare moeilijkheidsgraad als de examens, die werden afgenomen in de loop van het tweede semester in de lange periode voor de examens [ ... ] er duidelijk op [wijzen] dat er ook al aanzienlijke tekorten waren in de maanden voor deze examens”, dat de studiementor van verzoekster er ook op gewezen heeft dat “paniek toeslaat wanneer de leerstof zich begint op te stapelen; dat het laatste rapport voor de eigenlijke examenperiode ook al niet goed was; dat C. moeite heeft om zich aan een realistische planning te houden omdat ze altijd al snel achterstand opliep” en dat een “concrete analyse van de resultaten op de rapporten voor dagelijks werk van het tweede semester [ ... ] deze stelling overigens [bijtreedt]”. Daaruit leidt de klassenraad af dat hij zich “doorheen het schooljaar een zo volledig en correct mogelijk beeld (kennis, inzichten, vaardigheden, attitudes) van de leerling heeft kunnen vormen [...]”, zodat “bijkomende proeven hier niet aan de orde [zijn]”. Daarmee heeft de delibererende klassenraad formeel gemotiveerd waarom hij meent dat de door verzoekster aangevoerde uitzonderlijke omstandigheden – waarvan de klassenraad overigens ditmaal uitdrukkelijk erkent dat ze aanleiding kunnen geven tot onverwachte en abnormale resultaten – geenszins de tekorten verklaren.

16.2. Terwijl de delibererende klassenraad voorheen, zoals vastgesteld in het eerdere schorsingsarrest, met de verzuchting van verzoekster onvoldoende zorgvuldig was omgegaan en ze alleszins enkel met niet onderbouwde gemeenplaatsen had afgewezen, lijkt hij ditmaal dus wel degelijk in concreto rekening te hebben gehouden met de bedoelde omstandigheden, ze in zijn beoordeling betrokken en uitgeschreven waarom ze hem niet tot de gevraagde bijkomende proeven of een attest-met-waarschuwing konden brengen. Gemeenplaatsen kunnen deze motieven niet meer worden genoemd.

16.3. Als verzoekster meent dat de klassenraad niet op deugdelijke

gronden tot dat inzicht is gekomen, dan valt het haar toe om de motieven aan wettigheidskritiek te onderwerpen, hetgeen eerder de materiële motivering van de beslissing betreft.

In dat geval mag van haar verwacht worden dat zij haar kritiek concretiseert in functie van de nieuw geformuleerde motivering. Het gaat niet op, zo lijkt, kritiek die betrekking had op stijlformules uit een eerdere beslissing die in niets gelijken op de motieven van de vervangende beslissing zonder meer in het verzoekschrift te reproduceren. In een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid mag een verzoekende partij niet van de rechter verwachten dat hij onderzoekt wat van de ‘oude’ kritiek nog nuttig betrokken kan worden op de nieuw gegeven motivering.

16.4. Verzoekster slaagt er in de huidige stand van de procedure voorts niet in de motieven te ontkrachten waarmee de klassenraad weigert de zwakke examenresultaten behaald in juni in verband te brengen met de bijzondere omstandigheden als grond voor een uitgestelde beslissing of een A-attest met waarschuwing. Dat ook bij het dagelijks werk grote gehelen leerstof aan bod komen, wordt in de bestreden beslissing niet anders gezien. Integendeel verwijst de klassenraad ernaar, zo lijkt, waar hij precies aandacht heeft voor de grote toetsen met een vergelijkbare moeilijkheidsgraad als de examens. Dat verzoekster niettemin slaagcijfers kan voorleggen op de rapporten, is niet noodzakelijk in tegenspraak daarmee. Zo kunnen goede resultaten voor enkele kleinere testen, taken of projecten de ongunstige invloed van een slecht resultaat voor één grotere test op het gemiddelde eindresultaat neutraliseren. Verzoekster beweert wel op de terechtzitting dat de grotere toetsen voor 4/5 tellen in het dagelijks werk en de kleinere overhoringen voor 1/5, maar dit niet in het verzoekschrift neergeschreven, laat staan verder uitgewerkt argument is een door geen enkel stuk onderbouwde bewering waarmee de Raad geen rekening mag houden. In zijn concrete analyse heeft de klassenraad voorts niet enkel oog voor de punten die verzoekster heeft behaald bij het ene door haar genoemde rapport van einde mei. Ten slotte mag verzoekster ontevreden zijn over de begeleiding die zij kreeg van haar studiementor, wat hierna aan bod komt, daarmee is nog niet aangetoond dat zijn feitelijke observaties verkeerd zijn.

Dat de delibererende klassenraad de mogelijkheid van bijkomende proeven voor vier hoofdvakken een onrealistische, onhaalbare en onverantwoorde opgave noemt, lijkt in het licht van het voorgaande slechts een overtollig motief. Immers, de klassenraad heeft voorafgaand aan die overweging al vastgesteld over alle gegevens te beschikken om over verzoeksters slagen of niet-slagen te kunnen beslissen.

In die omstandigheden lijkt verzoekster niet voldoende overtuigend dit onderdeel van de conclusies van de delibererende klassenraad te kunnen weerleggen.

Dat de klassenraad tot tweemaal toe ook een B-attest vermeldt, noopt niet tot een andere conclusie.

17.1. Een leerstoornis kan een reden zijn die een klassenraad tot omzichtigheid moet aanzetten bij het onderzoek van de prestaties van de leerling in kwestie.

17.2. Zoals de Raad van State voorts al in tal van arresten heeftoverwogen, is het één zaak of een leerling bewezen heeft de van haar verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als zij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Deze laatste kan diegene zijn die haar op het examen heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven.

Zelfs indien een leerling de school terecht zou verwijten niet tijdig over problemen te hebben gecommuniceerd, niet in de passende begeleidingsmaatregelen te hebben voorzien of ze niet te hebben toegepast, dan kan dat hoogstens betekenen dat de school schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van die leerling, maar kan zulks dit eindresultaat niet meer zo beïnvloeden dat het gunstiger wordt, laat staan dat van de weeromstuit aan de leerling, ook al heeft zij het schooljaar niet met vrucht beëindigd, ter genoegdoening maar een A-attest – of de gunst van bijkomende proeven – verleend moet worden.

In uitzonderlijke gevallen evenwel zou een klassenraad, die erkent dat een tekort in een eerste jaar van een graad mede veroorzaakt is door een gebrek aan begeleiding, kunnen onderzoeken of hieraan geremedieerd kan worden tijdens het erop volgende schooljaar van diezelfde graad of door middel van bijkomende proeven – of een combinatie van beide.

17.3. In haar bezwaarschrift voor de beroepscommissie verwijst verzoekster naar haar leerstoornissen, het ontbreken op de rapporten sinds Kerstmis van waarschuwingen daaraan gerelateerd en het ontbreken van remediëring. Zij betoogt dat een contract voor haar leerstoornissen, opgesteld door de school zelf, voor een deel niet behoorlijk is opgevolgd en geeft daarvan vervolgens meerdere concrete voorbeelden. Volgens verzoekster heeft zij een leerkracht daarover ook aangesproken, maar is er geen verandering gekomen. Zij werpt op dat een goede begeleiding het verschil had kunnen maken. Als een op maat en in detail opgesteld begeleidingsplan wordt opgesteld, mag zij ervan uitgaan dat het ook strikt wordt nageleefd, hetgeen niet gebeurd is. Zij voegt daaraan toe dat dit alles voor haar het verschil had kunnen maken en wil de kans krijgen “om in een 6de jaar, met volgehouden inspanning en met de juiste begeleidingsmaatregelen, te bewijzen dat ze wel de leerplandoelstellingen kan halen”, en nog: “We weten dat een bijkomende proef geen recht is. Maar hadden de begeleidende maatregelen wel voldoende kunnen uitgevoerd worden, dan hadden deze zeker tot enkele % meer resultaat geleid. Anders neem je geen maatregelen. Enkele % meer op ieder vak en C. heeft een A-attest door de toch wel zeer kleine tekorten! Daarom zouden we de klassenraad willen vragen om bijkomende proeven te willen overwegen als een beslissing voor een A-attest te zwaar lijkt, zodat ze zelfstandig kan bewijzen dat ze de nodige leerplandoelstellingen toch kan halen”.

17.4. De verhaalmogelijkheid die de Codex Secundair Onderwijs aan een leerling waarborgt moet erop gericht zijn, wil ze enig nut hebben, om de klachten en argumenten van een leerling te onderzoeken en daadwerkelijk in een nieuwe beoordeling te betrekken.

17.5. Volgens wat verwerende partij in haar nota met opmerkingen antwoordt, moet uit de verslagen van de studiementor blijken dat verzoekster “hard werkt, doch over onvoldoende intellectuele capaciteiten beschikt om de leerstof binnen een bepaalde termijn te beheersen” en dat zij “een slechte studiehouding had die maar niet verbeterde ondanks begeleiding”. Verwerende partij merkt nog op, in de nota, dat niets belette dat haar moeder “zelf ook op zoek [zou] gaan naar speciale hulp voor haar dochter”. Ook betoogt verwerende partij op de terechtzitting, dat het beleid van de school erop neerkomt dat de leerling in de derde graad minder met het handje gehouden wordt en tot grotere zelfstandigheid moet groeien. Zij erkent ten slotte dat de verslagen van de studiementor nooit aan verzoekster of haar ouders zijn meegedeeld.

17.6. Van de argumenten die verwerende partij in de nota met opmerkingen neerschrijft, is geen spoor terug te vinden in de beslissing zelf. De Raad van State mag met zulke post factum gegeven redenen, waarvan niet blijkt dat ze aan de delibererende klassenraad kunnen worden toegeschreven, geen rekening houden.

Niettemin vraagt de Raad zich wel af, hoe verwerende partij in voorkomend geval zal kunnen verantwoorden, dat dyslexie wijst op een gebrek aan intellectuele capaciteiten; hoe een slechte studiehouding spoort met de vaststelling, wél gedaan door de klassenraad in de bestreden beslissing, dat verzoekster “zich wel voldoende ingezet” heeft en “inzet tijdens het schooljaar heeft getoond” als reden overigens om geen A-attest met waarschuwing te geven; hoe realistisch het is om van de moeder van verzoekster te vereisen in bijkomende begeleiding te voorzien gegeven dat verzoekster op internaat zit en de verslagen van de studiementor blijkbaar nooit werden meegedeeld; hoe een leerstoornis zoals dyslexie van aard kan zijn om een daarmee getroffen leerling minder strikt te begeleiden en tot grotere zelfredzaamheid te brengen louter omdat zij ouder geworden is – verdwijnt daarmee de leerstoornis of wordt ze minder belastend?

17.7. Wat daar ook van zij, en zoals verwerende partij op de terechtzitting uiteindelijk ook niet anders kan dan toegeven, heeft de klassenraad prima facie aan de concrete bezwaren die verzoekster in haar bezwaarschrift heeft geformuleerd vervolgens in de bestreden beslissing – noch overigens in de eerdere, geschorste beslissing – ook maar enige aandacht gegeven. De leerstoornis van verzoekster en de vermeend spaak gelopen opvolging van het “individueel begeleidingsplan voor leerlingen met dyslexie en ADD” dat voor verzoekster is opgesteld komen in de bestreden beslissing, zoals verzoekster terecht aanvoert, effectief niet noemenswaardig ter sprake. De enkele overweging in dat verband dat de klassenraad “het gehele dossier van de leerling in dit verband in overweging [heeft] genomen: het dagelijks werk, de examens, de leerstoornissen en de bijkomende aangehaalde elementen. Het zijn al deze elementen die de delibererende klassenraad heeft overwogen om tot een oordeel te komen”, zonder er daarbij verder nog één woord aan te wijden, volstaan niet. Het is een passe-partout die er geenszins van doet blijken dat ook die grief van verzoekster, daadwerkelijk in de beoordeling is betrokken.

17.8. Het middelonderdeel is in die mate ernstig.

18.1. Verzoekster meent dat de delibererende klassenraad geen rekening heeft gehouden met haar prestaties in het verleden en met haar studiehouding.

18.2. Waarom verzoeksters goede prestaties in vroegere studiejaren dit studiejaar een C-attest in de weg moeten staan, is voor de Raad niet dadelijk duidelijk en wordt door verzoekster ook niet toegelicht.

18.3. De studiehouding van een leerling tijdens het betrokken studie-jaar dan weer, heeft bij de deliberatievraag in beginsel slechts een ondergeschikte, aanvullende betekenis. De klassenraad heeft bovendien overwogen dat een waarschuwing niet kon worden gegeven “ondanks de inzet” van verzoekster, zodat het uitgangspunt van verzoekster feitelijke grond lijkt te missen. Verzoekster toont niet aan waarom haar ijver tijdens het schooljaar de motieven om een C-attest toe te kennen ondeugdelijk maakt.

18.4. Dit onderdeel van het middel is niet ernstig.

19. Dat verzoekster handel (TSO) wordt aangeraden, ten slotte, is niet meer dan een vrijblijvend studieadvies; het lijkt geen eenzijdig uitvoerbare rechtshandeling, onderworpen aan de motiveringsplicht. Een gebrekkig studieadvies lijkt hoe dan ook niet de beslissing over al dan niet slagen te kunnen vitiëren.

20. Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middel ernstig is, maar enkel in de mate besproken sub 17.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

21. In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel.

Haar kritiek luidt in dat verband, samengevat, dat haar of haar ouders nooit eerder werd meegedeeld dat zij niet in staat zou zijn grotere gehelen leerstof te verwerken of basiskennis te missen, dat zij dit uiteraard voorafgaand aan de examens moest kunnen vernemen en niet, zoals verzoekster zelf stelt, “als het kalf reeds verdronken is”, dat het schoolreglement daaromtrent overigens concrete verplichtingen voor de school bevat en dat de school in haar geval is tekortgeschoten in de opvolging en remediëring van haar leerstoornissen. Zij wijst nogmaals op het begeleidingsplan dat door de school niet is gevolgd.

Beoordeling

22. Verwezen mag worden naar wat hierv66r, sub 17, is overwogen. Het valt éérst toe aan de klassenraad, om zich ervan te vergewissen of het begeleidingsplan correct is opgevolgd en in dat geval op gemotiveerde wijze de klachten van verzoekster te weerleggen. Kan hij dat niet en moet hij enig falen erkennen, dan zal de klassenraad vervolgens moeten oordelen of er reden is, in die omstandigheden, om het C-attest te heroverwegen. In de mate waarin hij dat tot hiertoe nog niet heeft gedaan, handelt de klassenraad onzorgvuldig en is het middel ernstig. Voor het overige is het middel voorbarig.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

23. In een derde middel voert verzoekster de schending aan van het redelijkheidsbeginsel.

Zij kan zich niet van de mening ontdoen dat een andere zorgvuldig handelende klassenraad in dezelfde feitelijke omstandigheden, rekening houdend met alle voorgaanden, nooit tot eenzelfde besluit zou komen. In dat verband verwijst zij naar het advies van de beroepscommissie dat “de 4 onvoldoendes in het jaarrapport [ ... ] wellicht in normale omstandigheden een andere invulling zouden gekregen hebben” en de relatieve weging van dagelijks werk ten opzichte van het aandeel van de examens in de berekening van het jaartotaal, zoals vastgelegd in het schoolreglement. Het aandeel dagelijks werk in het jaartotaal is voor de ASO-leerlingen in de derde graad erg klein in vergelijking met de leerlingen uit de lagere graden ASO en de leerlingen in het technisch en beroepssecundair onderwijs. Mocht het aandeel van dagelijks werk wat hoger hebben gelegen – wat de onderwijsinspectie ook zou bepleiten – dan zou zij geslaagd zijn geweest. De beslissing komt des te strenger voor wanneer wordt vergeleken met haar klasgenoten en het klasgemiddelde.

Beoordeling

24.1. De verhouding in de berekening van het jaartotaal tussen de punten, toegekend voor dagelijks werk en de punten voor de examens, is verankerd in het schoolreglement, waarvan verzoekster dan weer niet vordert, laat staan aantoont dat dit buiten toepassing moet worden verklaard met toepassing van artikel 159 van de Grondwet. Voorts is de enkele bewering dat de onderwijsinspectie zou aansturen op een andere verhouding, niet van aard ipso facto de onredelijkheid of, meer algemeen, de onwettigheid ervan aan te tonen.

Overigens lijkt verzoekster het bij het verkeerde eind te hebben. Het schoolreglement heeft het in punt 3.5.3.3. (blz. 38-39) over een verhouding 30 (proefwerken) en 10 voor dagelijks werk in de eerste en de tweede graad ASO, over diezelfde verhouding (30-10) in het eerste semester van de leerjaren in de derde graad en een verhouding 45-15 in het tweede semester van de leerjaren in de derde graad. Een verhouding 30-10 is gelijk aan een verhouding 45-15. Eerder dan de onderlinge verhouding proefwerken – dagelijks werk, is voor verzoekster het feit dat aan de punten van het tweede semester een groter gewicht wordt toegekend, problematisch. Maar daarop levert zij geen kritiek.

24.2. In die mate is het middel niet ernstig.

25.1. In zoverre verzoekster vraagt de onredelijkheid van de bestreden beslissing vast te stellen na vergelijking met haar medeleerlingen, dient erop gewezen dat verzoekster zelf nalaat de vergelijking aan de Raad van State voor te leggen. Zij maakt daaromtrent geen enkel gegeven over.

25.2. In die mate is het middel onontvankelijk en dus, niet ernstig.

26. Voor het overige is het middel voorbarig. Een toets aan het redelijkheidsbeginsel lijkt immers pas aan de orde wanneer de motieven deugdelijk zijn en vast staan, hetgeen op dit ogenblik als gezien nog niet het geval is.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

27. In een vierde middel voert verzoekster de schending aan van het rechtszekerheidsbeginsel. Zij betoogt dat verwerende partij het individueel begeleidingsplan gedeeltelijk naast zich heeft neergelegd en eenzijdig heeft aangepast.

Beoordeling

28. Voor zover verzoekster met dit middel enkel op zoek zou gaan naar de schuldige voor haar falen merkt de Raad op, zoals hij reeds overwoog sub 17.2, dat een dergelijk middel in beginsel niet kan leiden tot de schorsing van de bestreden beslissing. De vermeende houding van de school kan mogelijk de aansprakelijkheid van het schoolbestuur impliceren voor eventuele schade die verzoekster heeft geleden, maar vermag niet zonder meer de onwettigheid van de eventuele tekorten of van de daarop steunende beslissing aan te tonen.

Verzoekster laat daarenboven na dit middel met een minimum aan gegevens te onderbouwen en zij brengt het vermeende falen van de school in dit middel op het eerste gezicht ook niet in een aantoonbaar rechtsreeks verband met de onwettigheid van de bestreden beslissing. Zoals het middel is geformuleerd, ontsnapt aan de Raad van State hoe het tot de gevorderde schorsing kan bijdragen.

29. Het middel is niet ernstig.

E. Vijfde middel

Uiteenzetting van het middel

30. In een vijfde middel voert verzoekster de schending aan van de rechten van de verdediging omdat haar nooit een afschrift van de notulen van de delibererende klassenraad werd overgemaakt en omdat werd nagelaten de beroepsmogelijkheid tegen de nieuwe beslissing te vermelden.

Beoordeling

31.1. De regelgeving schrijft op het eerste gezicht nergens voor dat aan verzoekster een afschrift van de notulen van de delibererende klassenraad wordt meegedeeld. Het lijkt te volstaan dat verzoekster op de hoogte wordt gebracht van de motieven die de klassenraad ertoe hebben gebracht haar een oriënteringsattest toe te kennen.

31.2. Een gebrek in de mededeling van de beroepsmogelijkheden heeft geen invloed op de wettigheid van de genomen beslissing. Het heeft enkel tot gevolg dat de beroepstermijn voor verzoekster geen aanvang heeft genomen.

31.3. Het middel is niet ernstig.

F. De overige bemerkingen van verzoekster

Uiteenzetting door verzoekster

32. Onder de hoofding “overige bemerkingen” doet verzoekster gelden dat het “[opvalt] dat de bestreden beslissing niet bekrachtigd is geworden door het schoolbestuur”, dat “deze beslissing nergens ondertekend is geworden”, dat “de gehele motivering over een andere boeg is gegooid en er nergens meer sprake is van een gebrek aan basiskennis, doch dat de school nu op basis van andere motieven meent tot eenzelfde beslissing te moeten komen” en dat daarbij “de vraag kan gesteld worden of deze [motieven] nog wel met de werkelijkheid overeen komen”.

Bespreking

33. Voor zover die ‘bemerkingen’ niet al samenvallen met de reeds besproken middelen, zij opgemerkt dat verzoekster wel elementen aanvoert die haar ‘opvallen’, evenwel zonder dat zij daarbij verduidelijkt of dit volgens haar onwettigheden zijn en, meer specifiek, welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel zij geschonden acht.

Aldus omschreven bemerkingen voldoen niet aan de vereisten om als middel in de zin van artikel 16, § 2, 5°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, te worden aangemerkt.

Deze overige bemerkingen van verzoekster kunnen derhalve niet in aanmerking worden genomen.

VIII. Slotsom

34. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.

IX. Voorlopige maatregelen

Vordering

35. In haar verzoekschrift vordert verzoekster dat de Raad van State toelating zou verlenen voorlopig de lessen en examens aan te vatten in het zesde jaar en een nieuwe beraadslaging door de delibererende klassenraad zou bevelen om een nieuwe beslissing te nemen. Op de terechtzitting verduidelijkt verzoekster evenwel dat de eerste maatregel per ongeluk is overgenomen uit het eerste verzoekschrift en als niet geschreven moet worden beschouwd.

Beoordeling

36. Om de hiervoor uiteengezette redenen is de Raad van oordeel dat de grondvoorwaarden van, kort gezegd, uiterst dringende noodzakelijkheid, ernstige middelen en moeilijk te herstellen ernstig nadeel vervuld zijn.

Wegens de concrete omstandigheden, reeds uiteengezet in het arrest nr. 220.744 – “de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij verwerende partij er in het verleden al geen blijk van heeft gegeven met passende voortvarendheid te handelen en waarbij verzoekster daarenboven een leerstoornis heeft en des te meer met een spoedige beslissing is gebaat en bovendien niet langer is ingeschreven in de school van verwerende partij” – en die ingevolge het tijdsverloop thans des te meer overtuigen, is er reden om de vordering, waartegen verwerende partij zich in de nota overigens niet verzet, in te willigen.

BESLISSING

1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing genomen op 28 september 2012 door de delibererende klassenraad van het Sint-Jan Berchmanscollege Genk, 5 economie - moderne talen, waarbij aan C. P. een oriënteringsattest C werd toegekend.

2. De Raad van State beveelt dat voornoemde delibererende klassenraad onverwijld en uiterlijk maandag 15 oktober 2012 samenkomt om zijn beslissing te heroverwegen, in aanmerking nemend de in huidig arrest ernstig bevonden bezwaren van C. P., dat het resultaat van deze beraadslaging aan verzoekster zonder uitstel per e-mail of telefonisch ter kennis wordt gebracht en haar wordt betekend bij aangetekend schrijven uiterlijk dinsdag 16 oktober 2012.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 11 oktober 2012, door de Raad van State, XIIe kamer

 

Derde arrest

 

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER

A R R E S T

nr. 221.147 van 23 oktober 2012

in de zaak A. 206.708/XII-7112

In zake: C. P.

tegen:

de VZW KASOG SINT-JAN BERCHMANSCOLLEGE

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 19 oktober 2012, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 15 oktober 2012 waarbij de delibererende klassenraad van het Sint-Jan Berchmanscollege Genk, 5 economie - moderne talen, aan C. P. een oriënteringsattest C toekent.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2012, om 10.30 uur.

[…]

.

III. Feiten

3.1. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2011-2012 leerling in het

eerste jaar van de derde graad, economie - moderne talen, aan het Sint-Jan Berchmanscollege te Genk.

3.2. De over verzoekster delibererende klassenraad stelt op het einde van het schooljaar vast dat verzoekster jaartekorten behaalt voor Frans (46,4%), Engels (48,7%), Duits (48,6%) en economie (49,4%) en hij beslist om verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen. De toelichting die daarbij op het individueel syntheseblad wordt vermeld, luidt:

“Oorzaken/opmerkingen: De onvoldoendes wijzen op een structureel tekort in de basiskennis. De sterk dalende uitslagen in het tweede semester bieden weinig perspectief in deze studierichting. We kunnen wel vaststellen dat de leerling inzet vertoont. De leerling kreeg de volgende begeleidingsvorm(en): Individuele studiebegeleiding door studiementor. De extra begeleiding had niet het gewenste resultaat.”

Op 28 en 29 juni 2012 vindt overleg plaats tussen de ouders van verzoekster en de directeur, waarover de directeur in een niet gedateerde brief meedeelt dat hun “vraag naar bijkomende proeven wellicht is ingegeven door een traditionele visie op herexamens, waarmee men de leerling een ‘tweede’ kans gaf om tekorten weg te werken. Echter, in de huidige regelgeving [ ... ] is er geen sprake meer van een ‘tweede’ zittijd. Integendeel, de klassenraadsbeslissingen kunnen nog slechts uitzonderlijk ná 30 juni vallen. In uw geval heeft de delibererende klassenraad dan ook beslist dat het deliberatiedossier voldoende gegevens bevatte om een beslissing te nemen en/of geen tegenstrijdige gegevens bevatte die een uitstel van de beslissing konden verantwoorden.” De directeur beslist de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen.

3.3. Met een brief van 3 juli 2012 stelt verzoekster een beroep in bij de beroepscommissie. Zij groepeert haar bezwaren onder volgende rubrieken: de adviezen en andere communicatie van de laatste jaren, de opvolging van haar contract voor haar leerstoornissen en haar resultaten en privéproblemen. Zij stelt voor “toch de mogelijkheid van een A-attest te overwegen”, “[e]ventueel in combinatie met onderstaande maatregelen”, waarbij zij de mogelijkheid van vakantietaken suggereert. Mocht de klassenraad daar niet op ingaan, wijst zij nog op de mogelijkheid van een “uitgestelde beslissing”.

Op 23 augustus 2012 adviseert de beroepscommissie om de over verzoekster delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Dat advies is als volgt gemotiveerd:

“- dat beide partijen het er over eens zijn dat C. een grote inzet toont en steeds haar best doet om, ondanks haar beperkingen, de nodige resultaten te behalen.

- dat haar dagelijks werk (65%) niet in evenredigheid is met de resultaten van het laatste examen (55,9%), die verstoord werden door externe factoren (scheiding van ouders, ernstige ziekte van grootvader, einde relatie met haar vriendje, pestgedrag door medeleerlingen);

- dat de 4 onvoldoendes in het jaarrapport: Frans 46,4%, Engels 48,7%, Duits 48,6% en Economie 49,4%, wellicht in normale omstandigheden een andere invulling zouden gekregen hebben;

- dat haar eindresultaat 56,6% geen grote afwijking vertoont van het klasgemiddelde 58,6%;

- dat de leerling, mathematisch gezien, niet geslaagd is. Maar men kan ook de vraag stellen of de punten van het examen niet te zwaar doorwegen bij de beoordeling t.o.v. de punten van het dagelijkse werk. Bij deze leerling is deze vraag zeker gegrond;

- dat in de APR3, waar de moeder van C. naar verwijst, sprake is van bij twijfel een positieve beslissing te nemen en de leerling één jaar respijt te geven: de leerling krijgt een A-attest met een waarschuwing voor bepaalde vakken. Zou deze procedure hier niet kunnen toegepast worden? Het zou C. de kans geven om, mits de nodige steun, zich te kunnen bewijzen.”

Het schoolbestuur beslist vervolgens op 27 augustus 2012 dat de delibererende klassenraad opnieuw moet beraadslagen.

3.4. Die klassenraad beslist op 30 augustus 2012 andermaal om aan verzoekster een C-attest toe te kennen.

De Raad van State beveelt de schorsing van tenuitvoerlegging van deze beslissing bij arrest nr. 220.744 van 25 september 2012.

3.5. Op 28 september 2012 beslist de delibererende klassenraad om het oriënteringsattest C te handhaven.

De Raad van State beveelt de schorsing van tenuitvoerlegging van deze beslissing bij arrest nr. 220.963 van 11 oktober 2012.

3.6. Op 15 oktober 2012 beslist de delibererende klassenraad opnieuw om aan verzoekster het C-attest toe te kennen.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

Exceptie

4. Verwerende partij werpt in haar nota op:

“Luidens art. 16 §1, 4° van het Procedurereglement dient verzoekster in haar verzoekschrift de akte te vermelden waartegen de vordering is gericht.

Op pag. 2 van haar verzoekschrift vermeldt verzoekster dat haar vordering gericht is tegen de beslissing dd. 15.10.2012 van de delibererende klassenraad.

Op pag. 29 echter van haar verzoekschrift, in het beschikkend gedeelte van haar verzoekschrift, vordert verzoekster echter de schorsing van de beslissing dd. 28.09.2012 van de delibererende klassenraad..

Verzoekster heeft aldus haar vordering zoals geformuleerd op pag. 2 van haar verzoekschrift, nadien op pag. 29 van haar verzoekschrift gewijzigd. Er kan enkel rekening gehouden worden met de laatste vordering van het verzoekschrift, te meer daar deze vordering opgenomen is in het beschikkend gedeelte van het verzoekschrift.

De beslissing dd. 28.09.2012 van de delibererende klassenraad werd echter reeds geschorst bij arrest nr. 220.963 van 11.10.2012 van de Raad van State.

Huidige vordering van verzoekster is dus zonder voorwerp, en bijgevolg ongegrond.”

Beoordeling

5. Zoals verwerende partij het zelf aangeeft in de exceptie, heeft verzoekster op bladzijde 2 van haar inleidend verzoekschrift de beslissing van 15 oktober 2012 duidelijk als voorwerp van haar vordering vermeld. Zij heeft ook een afschrift van die beslissing bijgevoegd en haar middelen erop betrokken.

Artikel 16, § 2 (en niet: § 1), 4°, van het procedurereglement kort geding schrijft geen volgehouden correcte vermelding van het voorwerp van de vordering voor op straffe van onontvankelijkheid van de vordering. Te dezen volstaat het vast te stellen dat verwerende partij op geen enkele wijze is geschaad geworden in haar rechten van verweer en dat zij zeer goed de beslissing heeft kunnen identificeren die zij geacht wordt te verdedigen.

6. De exceptie faalt.

V. De schorsingsvoorwaarden

7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

VI. Spoedeisendheid en nadeelvereiste

Standpunt van de partijen

8. Verzoekster betoogt dat zij door de bestreden beslissing dreigt haar jaar te moeten overdoen, dat het vaste rechtspraak is van de Raad van State dat het dreigend verlies van een schooljaar een moeilijk te herstellen nadeel uitmaakt en dat een vordering ingesteld volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen om dat dreigend verlies te keren, omdat het schooljaar dan te ver gevorderd zal zijn.

9. Verwerende partij antwoordt dat verzoekster zich steeds kan inschrijven als vrije leerling voor het tweede jaar van de derde graad en examens afleggen voor de centrale examencommissie. Door zich opnieuw in te schrijven in het eerste jaar van de derde graad spreekt verzoekster het aangevoerde nadeel tegen.

Beoordeling

10. Zoals de Raad van State het reeds overwoog in de twee vorige zaken, mag verzoekster zich wat de besproken schorsingsvoorwaarden betreft terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State beroepen. Het dreigend verlies van een schooljaar maakt voor de betrokken leerlinge een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit. Een vordering ingesteld volgens de gewone schorsingsprocedure loopt kans te laat te komen om het dreigend verlies van een schooljaar te keren. De verplichting die op elke verzoekende partij rust om, binnen de grenzen van wat redelijk is, er zelf het nodige aan te doen wat binnen haar macht ligt om het gevreesde nadeel te voorkomen of te beheersen, houdt niet in dat van een leerling wordt vereist dat zij door zelfstudie of als vrije leerling het toegekende C-attest voorlopig negeert en haar examens bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap aflegt; anders redeneren zou overigens ertoe leiden dat elke vordering tot schorsing van een examenbetwisting afgewezen moet worden.

11. De besproken voorwaarden zijn vervuld.

Middelen

A. Vooraf

12. Verzoekster voert in het inleidend verzoekschrift vijf middelen aan. Daarbij herneemt zij ook kritiek die zij reeds in haar eerdere vorderingen aan de Raad van State heeft voorgelegd, inzonderheid dat de klassenraad niet correct of onzorgvuldig is omgegaan met de uitzonderlijke omstandigheden waarin zij haar eindexamens heeft afgelegd en daarom ten onrechte bijkomende proeven heeft geweigerd, of kritiek die zij reeds had kunnen voorleggen, inzonderheid bij de haar toegekende “cijfers in se”, bijvoorbeeld voor het examen Duits omdat “er geen of nauwelijks notities door de leerkracht waren opgesteld m.b.t. dit examen en dat de schriftelijke voorbereiding van C. ontbrak”. Zij voegt ook bijkomende stukken toe – toetsen – ter ondersteuning van haar betoog.

13.1. Anders dan bij de eerste schorsingsprocedure, heeft de Raad van State in de tweede schorsingsprocedure alle door verzoekster aangevoerde middelen aan een voorlopig onderzoek onderworpen en daarbij in het arrest nr. 220.963 één onderdeel van het eerste middel ernstig bevonden, om dezelfde reden het tweede middel deels ernstig en deels voorbarig bevonden, het derde middel deels niet ernstig en deels voorbarig, het vierde en het vijfde middel niet ernstig en heeft hij geoordeeld dat de “overige bemerkingen” niet in aanmerking konden worden genomen.

Welnu, in de mate waarin de Raad van State in zijn eerdere schorsingsarresten sommige grieven van verzoekster als niet ernstig heeft afgewezen, ziet hij geen reden om daarop in de voorliggende vordering terug te komen. Daargelaten of verzoekster haar argumenten mag hernemen en aanvullen of verfijnen in het nog in te stellen annulatieberoep met het oog op een beoordeling ten gronde, dan komt het de Raad van State evenwel in de huidige stand van de procedure voor dat zij in voorliggend verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid geen middelen meer op ernstige wijze kan aanvoeren die zij reeds eerder in de voorgaande procedure had kunnen formuleren of heeft geformuleerd. Daaraan doet niet af dat verzoekster ter adstructie nieuwe stukken neerlegt, waarvan immers niet blijkt dat zij ze niet eerder had kunnen voorleggen aan de Raad.

13.2. Het onderzoek van de middelen dient bijgevolg, op het eerste gezicht, beperkt te blijven, eensdeels, tot de kritiek van verzoekster op de nieuwe motieven die de delibererende klassenraad heeft geformuleerd als antwoord op het in arrest nr. 220.963 ernstig bevonden onderdelen van het eerste en het tweede middel en anderdeels, tot de middelen of middelonderdelen die de Raad van State in het reeds genoemde schorsingsarrest voorbarig heeft genoemd. Aan de overige grieven wordt thans geen aandacht meer besteed.

De enige relevante vraag die bijgevolg bij de bespreking van het hierna te bespreken eerste en tweede middel rest, is of de verwerende partij met de thans voorgebrachte motivering op afdoende en zorgvuldige wijze heeft geantwoord op de grief van verzoekster dat de opvolging van het “individueel begeleidingsplan voor leerlingen met dyslexie en ADD” spaak zou zijn gelopen.

Is het antwoord op die vraag op het eerste gezicht bevestigend, dan lijkt verzoekster niet langer met succes de schending van de motiveringsplicht te kunnen aanvoeren. Moet die vraag echter prima facie ontkennend worden beantwoord, dan rijst de vraag of de delibererende klassenraad wel redenen heeft om aan verzoekster te ontzeggen wat zij ultiem met haar vorderingen nastreeft aangezien, met de woorden van verzoekster:

“Men heeft intussen voldoende kansen gehad om deugdelijk te motiveren, maar slagen hier maar niet in.”

B. Eerste en tweede middel

Standpunt van de partijen

14. Verzoekster voert in het eerste middel opnieuw de schending aan van de motiveringsplicht.

Zij betoogt meer bepaald over het individueel begeleidingsplan dat het gaat om “10 gedetailleerde, afzonderlijke maatregelen, die elk hun belang hebben” en “nu in mails lezen dat [ ... ] er bepaalde maatregelen wel gevolgd zijn, doet eigenlijk niet terzake, het gaat juist om de maatregelen die niet gevolgd zijn”. Daarover stelt verzoekster dat “nergens uit [blijkt] dat [de school] de 10% regel naleefde en hierbij de spellingsfouten in het groen aanduidde zodat dit duidelijk werd voor [haar]. Verzoekster brengt hiertoe een aantal toetsen bij waaruit dit blijkt”, dat “de vakleerkracht Duits [ ... ] zich met betrekking tot deze, cruciale, maatregel eveneens in stilzwijgen [hult], alsook lijkt hij te benadrukken dat hij enkel werk heeft gemaakt van het geven van extra tijd, doch dat alle andere maatregelen over het hoofd werden gezien”, dat de leerkracht van economie “zeer vaag en algemeen blijft en erkent dat ze [verzoekster] enkel [vooraan] heeft laten zitten”, dat diezelfde leerkracht zich er “voor het overige vanaf [maakt] dat elke leerling tijd genoeg krijgt bij haar vak en dat ze elke leerling uitdrukkelijk helpt, voor het overige wordt ook hier aangetoond dat de maatregelen niet worden nageleefd”, dat het duidelijk is dat “de school en haar leerkrachten hier zwaar in gebreke blijven”, dat het daarom “des te vreemder [is] dat de delibererende klassenraad in [zijn] beslissing meldt dat: ‘... zij maximale inspanningen hebben geleverd om het begeleidingsplan voor de leerstoornissen optimaal te volgen’” en dat “vermits het hier om de hoofdvakken gaat, [ ... ] het des te belangrijker [is] dat de maatregelen goed werden nageleefd”. Ook voert verzoekster aan dat haar “nooit de mogelijkheid [is] gegeven of de gelegenheid geboden om de examenvragen te laten voorlezen, hoe zou dit mogelijk geweest zijn in een lokaal waar meerdere leerlingen (met leerstoornissen) zich moeten concentreren om hun examens te maken?” Dit apart lokaal is volgens verzoekster louter bedoeld om meer tijd te kunnen geven maar het gaat niet om de andere faciliteiten. Nog steeds met betrekking tot de naleving van het begeleidingsplan merkt verzoekster op:

“Zo stelt de leerkracht Frans dat er volgens haar geen probleem was met de notities en anders kon ze dit vragen;

Nochtans staat in het begeleidingsplan dat de leerkracht zelf de notities dient na te lezen;

Bovendien stelt deze leerkracht dat het soms al op ongenoegen van mede-leerlingen werd onthaald dat C. langer mocht werken, dit wordt ook bevestigd door de begeleider: ‘De klas is hier blijkbaar niet van op de hoogte en dat leidt nogal eens tot conflicten warmer ze meer tijd krijgt voor toetsen’, het spreekt dan ook voor zich dat er niet van een leerlinge kan verwacht worden dat zij ook nog eens te pas en te onpas zelf achter deze maatregelen zou vragen, maar dat deze wel degelijk dienden nageleefd te worden door de leerkrachten zelf, zoals dit ook beschreven staat in het begeleidingsplan;

Wat is immers het nut hiervan als men de naleving laat afhangen van de leerling zelf).

Het lijkt nu wel dat C. wordt aangewreven dat de maatregelen niet werden nageleefd, hetgeen toch wel de omgekeerde wereld is, daar deze er juist waren om C. te beschermen!”

Verzoekster werpt ook op “hoe een leerstoornis zoals dyslexie van aard kan zijn om een daarmee getroffen leerling minder strikt te begeleiden en tot grotere zelfredzaamheid te brengen louter omdat ze ouder geworden is” en dat van die “initiatiefplichten” van de leerling in het begeleidingsplan geen vermelding is.

In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, waarbij zij onder meer betoogt dat van een school mag worden verwacht dat zij een door haarzelf opgesteld begeleidingsplan voor leerstoornissen strikt naleeft en niet eenzijdig opzegt.

15. Verwerende partij antwoordt in de nota met opmerkingen dat het niet zo is dat spellingfouten volgens het begeleidingsplan in het groen aangeduid moesten worden; dit werd volgens haar enkel als suggestie tussen haakjes vermeld in het begeleidingsplan. Voorts betoogt verwerende partij:

“Spellingsfouten werden door de vakleraars voor maximaal 10% van de punten afgetrokken.

Dit blijkt duidelijk uit de toetsen Frans die [verzoekster] thans bijbrengt. Met de 10%-maatregel werd uitdrukkelijk rekening gehouden tijdens de opeenvolgende delibererende klassenraden.”

Volgens verwerende partij levert verzoekster niet het bewijs dat de afgesproken maatregelen niet werden nageleefd. Volgens haar zijn alle beweringen van verzoekster manifest onwaar, manifest onjuist en worden ze niet bewezen. Ook zou volgens haar een leerling met een leerstoornis compleet verloren lopen in het hoger onderwijs, indien hij of zij niet tot meer eigen initiatief wordt aangespoord naarmate hij of zij ouder wordt. Van het begeleidingsplan dat gevolgd werd in het vijfde jaar dan weer, heet het dat dit hetzelfde was als het plan dat in het eerste jaar werd opgesteld voor verzoekster, zodat “het begeleidingsplan van C. P. al 5 jaar liep, én in het 5e jaar niet anders was dan in het 4e jaar”.

Beoordeling

16. Zoals in het arrest nr. 220.963 van 11 oktober 2012 reeds werd aangegeven, verwijst verzoekster in haar bezwaarschrift voor de beroepscommissie naar haar leerstoornissen, het ontbreken op de rapporten sinds Kerstmis van waarschuwingen daaraan gerelateerd en het ontbreken van remediëring. Zij betoogt dat een contract voor haar leerstoornissen, opgesteld door de school zelf, voor een deel niet behoorlijk is opgevolgd en geeft daarvan in haar bezwaarschrift de volgende concrete voorbeelden:

“- De leraar leest regelmatig de notities van de leerling na. De leraar zorgt voor een goede structuur in de notities en in de les: dit is enkel en alleen op initiatief van mijn dochter gebeurd, en dan werd eens snel nagekeken. Dus zeker niet systematisch. Zij kan op haar leeftijd en door haar positie van leerling natuurlijk niet voortdurend en altijd aan de leraars vragen om haar notities na te kijken. Ik heb dan ook zelf vastgesteld dat ze tijdens de examens foute dingen zat te leren. Maar te laat om een verschil te maken. - Bij steloefeningen wordt vooral de inhoud en opbouw geëvalueerd. Fouten tegen de spelling worden wel (in het groen) aangeduid, maar bepalen niet de quotering: Er is nog NOOIT iets in het groen aangeduid. Zij zelf kan dan ook niet het verschil tussen een spelfout en een andere fout merken. Over de quotering: als de leraar ze niet in het groen aanduidt: in hoeverre is er dan voor de quotering wel rekening mee gehouden? Hoe kan C. een goede remediëring maken als dit eenvoudig hulpmiddel onvoldoende wordt na gevolgd.

- De leerling wordt tijdens toetsen maximum voor 10% van de punten gesanctioneerd voor fouten tegen de spelling: hier is in de toetsen helemaal niets van terug te vinden, alles is in het rood aangeduid zoals andere fouten en in zoverre kan nagekeken worden, zijn de spellingsfouten wel afgetrokken. Er is voor haar nooit de beloofde aanpassing in de evaluatie naar voor gekomen. Ik ben ook de kwestieuze examens gaan inkijken en heb niet het gevoel gehad dat er ergens rekening is mee gehouden met afspraken van een bovenstaande afspraak van 10%.

Ook het stukje waar ze een zelfstandige tekst moesten schrijven bij het Engels examen heb ik niet gezien dat deze afspraak werd verwerkt. Ook de afspraak rond spellingscontrole (steloefeningen) is in dit geval niet nageleefd: geen spellingscontrole op computer mogelijk.

- De leerkracht zal de schriftelijke toetsvragen voorlezen: de proefwerken zijn NOOIT voorgelezen, en toetsen af en toe, maar dat was dan voor de hele klas. Voor mijn dochter is er nooit iets extra voorgelezen. In vele andere scholen worden leerkrachten vrij geroosterd van toezichten om dit te kunnen doen, of worden computerprogramma’s aangekocht om de digitale examens voor te lezen. In scholen waar dit niet gebeurt, kan de leerling op vraag de toezichthoudende leerkracht daarvoor aanspreken. We namen aan dat één van deze mogelijkheden wel zou gekozen zijn op basis van deze maatregel.”

Volgens verzoekster heeft zij een leerkracht daarover ook aangesproken, maar is er geen verandering gekomen. Zij werpt op dat een goede begeleiding het verschil had kunnen maken. Als een op maat en in detail opgesteld begeleidingsplan wordt opgesteld, mag zij ervan uitgaan dat het ook strikt wordt nageleefd, hetgeen niet gebeurd is. Zij voegt in haar bezwaarschrift daaraan toe dat dit alles voor haar het verschil had kunnen maken en wil de kans krijgen “om in een 6de jaar, met volgehouden inspanning en met de juiste begeleidingsmaatregelen, te bewijzen dat ze wel de leerplandoelstellingen kan halen”, en nog:

“We weten dat een bijkomende proef geen recht is. Maar hadden de begeleidende maatregelen wel voldoende kunnen uitgevoerd worden, dan hadden deze zeker tot enkele % meer resultaat geleid. Anders neem je geen maatregelen. Enkele % meer op ieder vak en C. heeft een A-attest door de toch wel zeer kleine tekorten! Daarom zouden we de klassenraad willen vragen om bijkomende proeven te willen overwegen als een beslissing voor een A-attest te zwaar lijkt, zodat ze zelfstandig kan bewijzen dat ze de nodige leerplandoelstellingen toch kan halen.”

17. Het concrete antwoord van de delibererende klassenraad daarop in de thans bestreden beslissing, luidt:

“4. De moeder van C. heeft haar bedenkingen i.v.m. het naleven van het begeleidingsplan voor de leerstoornissen van C. geformuleerd tijdens de zitting van de interne beroepscommissie. De directeur heeft hier voor de commissie op geantwoord en uitgebreid verslag uitgebracht over de concrete naleving van het begeleidingsplan aan de hand van de informatie die hij via mail van de collega’s tijdens de vakantie had ontvangen. De klassenraad gaat er van uit dat de beroepscommissie deze grieven en de weerlegging ervan grondig heeft onderzocht en stelt vast dat de beroepscommissie in haar besluit in dit aspect van het beroepschrift geen reden ziet om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen.

Niettemin is de delibererende klassenraad het volkomen eens met de Raad van State dat een leerstoornis tot grote omzichtigheid moet aanzetten bij het onderzoek van de prestaties van een leerling. Daarom wil men zich nogmaals vergewissen of het begeleidingsplan correct is opgevolgd.

In het geval van C. gaat het om dyslexie en ADD.

Hier werd een begeleidingsplan voor opgesteld in september 2007, waarin een aantal compenserende en dispenserende maatregelen werden geformuleerd en waarbij afspraken werden gemaakt i.v.m. steloefeningen, dictees, huistaken, overhoringen, toetsen en proefwerken.

C. is vanaf het 1 ste jaar op onze school en het begeleidingsplan loopt dus al 5 jaar. De begeleiding in het 5de jaar was dan ook niet wezenlijk anders dan tijdens de vorige schooljaren. Net zoals bij al de andere leerlingen met leerstoornissen van onze school is er wel een evolutie in de begeleiding in de loop van de jaren. Waar de leerlingen in de eerste jaren nogal sterk bij het handje worden gehouden, verwacht men geleidelijk aan in de hogere jaren ook zelf enig initiatief, omdat nogal wat leerlingen de begeleiding van de leerkrachten betuttelend of gênant vinden en men hen ook hierin wil voorbereiden op het hoger onderwijs.

Met grote stelligheid wordt door de leerkrachten opnieuw bevestigd dat zij voor een zo optimaal mogelijke begeleiding hebben gezorgd, zoals ook blijkt uit de concrete informatie die zij al verstrekten via mail tijdens de vakantie en nu bevestigen of aanvullen:

Mevrouw [C ... ], leerkracht Frans: ‘C. heeft bij mij altijd vooraan in de klas gezeten, meestal op eigen vraag vlak voor mij en liefst zat ze daar ook alleen om goed te kunnen volgen. Op die manier kon ik haar ook helpen als er iets niet duidelijk was, want ze had meer tijd nodig dan de anderen. Soms zat Eline naast haar en hielp haar ook als het nodig was.

Sinds een paar jaar werken wij met het nieuwe handboek, Quartier Latin. Daar hoort een werkschrift bij, waar de lln moeten in noteren. Dus qua structuur of duidelijkheid ivm de notities was er volgens mij geen probleem: zij wist wat ze waar moest noteren en ze kon mij altijd uitleg vragen als dat niet zo was.

Verder heeft C. voor zover ik weet, ook nooit iets aan bord moeten schrijven.

Dus ik denk dat dat qua compenserende en dispenserende maatregelen wel in orde was.

Voor toetsen en overhoringen kreeg zij altijd langer tijd dan de anderen, waar ze ook praktisch altijd gebruik van maakte (soms tot ongenoegen van de andere lln). Ik heb haar ook altijd geholpen als er iets niet duidelijk was voor haar ivm de vragen. En haar examens heeft zij afgelegd boven in het nieuwe studielokaal, zodat zij kon doorwerken tot 13.00u.’

Mevrouw [C ... ] is eveneens zeker dat C. nooit iets op het bord heeft moeten schrijven.

De heer [K ... ], leerkracht Duits: ‘Wat C. P. betreft heb ik tijdens het schooljaar en het mondelinge examen Duits zo goed mogelijk geprobeerd om rekening te houden met haar dyslexie en haar onzekerheid. Zo heb ik tijdens het schooljaar bij bepaalde herhalingstesten en na telefonisch contact met de internaatbeheerder uitstel gegeven aan C. om die testen niet in de les maar bij Sofie af te leggen. Vervolgens heeft zij bij een gewone test altijd veel meer tijd gehad dan de andere leerlingen om die af te leggen. Wat het mondelinge examen Duits betreft heb ik haar 45 minuten voorbereidingstijd gegeven om haar vragen voor te bereiden (de overige leerlingen kregen hier 15 minuten voor).Wat het schriftelijke gedeelte betreft heb ik haar geen tijdslimiet opgegeven. Zij mocht de oefeningen afgeven wanneer zij klaar was.’ De heer [K ... ] vult nog aan dat zij nooit iets op het bord heeft moeten schrijven.

Mevrouw [M ... ], leerkracht economie: ‘Ik heb C. +/- een half jaar op de 1 ste rij vlak voor mij gezet omdat ik wist dat ze concentratieproblemen had. De 2de helft zat ze volgens mij op de 2de rij. Dus heel bewust niet achteraan gezet.

De laatste 2 thema’s van economie heb ik gegeven adhv een invulbundel zodat de lln veel minder nota’s moesten nemen. Ik overloop ook altijd met de lln de lestekst op het einde van een hoofdstuk en overloop uitdrukkelijk met hen wat ze moeten onderlijnen/fluo. Ik breng voor hen structuren aan door te zeggen wat ze met een hoofdkleur of bijkleur moeten aanduiden en spreek van het belang van het studeren van titels en subtitels.

Bij toetsen geef ik ook ruimschoots de tijd totdat ik zie dat praktisch alle leerlingen gereed zijn. Er is dit jaar maar één toets geweest waar de lln echt hard hebben moeten doorwerken.’

De heer [A ... ], leerkracht Engels (kon geen antwoord geven tijdens de vakantie o.w.v. familiale omstandigheden): ‘Wat betreft de compenserende maatregelen:

Alle 3 maatregelen waren van toepassing: C. zat centraal vooraan in de klas, met naast haar Eline om indien nodig (vaak bij pair work door mij opgelegd!) samen te werken. Zij kon steeds vragen stellen indien iets niet duidelijk was. Zoals voor Frans gebruiken wij een handboek met bijhorend werkboek (New Transit) zodat de structuur voor wat moest worden ingevuld duidelijk was. Ik liep ook constant rond in de klas bij pair work of groepswerk, of individuele voorbereiding van oefeningen of opgaven, en keek regelmatig na wat werd genoteerd, ook bij C. dus.

De dispenserende maatregelen:

C. heeft bij mijn weten nooit voor Engels iets op het bord hoeven te schrijven, zelfs ook niet een (langere) tekst moeten voorlezen in de klas. Dictees heb ik niet gehouden, althans niet voor cijfers die meetelden. Bij schrijfoefeningen wogen steeds de evaluatie voor inhoud en structuur door, nooit de spelling.

Ook bij toetsen werden fouten tegen spelling enkel gesanctioneerd als dat relevant was (woordenschatvragen), niet bij vragen ivm inhoud of grammatica. C. kreeg indien mogelijk meer tijd dan de anderen, hetzij door als laatste af te geven (bij toetsen van een lesuur), of iets langer door te werken bij andere toetsen.’

Ook de vakleerkrachten van de andere vakken geven aan dat zij maximale inspanningen hebben geleverd om het begeleidingsplan voor de leerstoornissen optimaal te volgen.

De leerkrachten geven ook aan dat desgevraagd de nota’s van C. werden nagelezen (wat overigens ook door moeder al werd bevestigd)

Er wordt door de delibererende klassenraad nog aan toegevoegd dat C. steeds de mogelijkheid heeft gehad (en gebruikt) om haar examens boven in de studiezaal af te leggen, waar ook andere leerlingen met leerstoornissen zitten en waar (op vraag) de examenvragen werden voorgelezen door de leerlingenbegeleiders ([ ... ]) en waar de leerlingen ook elke examenvoormiddag mochten doorwerken tot 13 u. (i.p.v. tot 12.05 u.)

Eveneens wordt er nogmaals ingegaan op de extra begeleiding die C. ontving van studiementor [S ... ]. Ook dit was niet nieuw voor C., aangezien zij ook in de twee vorige schooljaren een beroep kon doen op een studiementor ([ ... ]). De delibererende klassenraad neemt kennis van de stukken uit het archief van de Cel Studiebegeleiding:

- het ‘aanvraagformulier voor begeleiding door studiementor’, dat werd ingediend door de coördinator van de 3de graad [...], na de klassenraad van oktober 2011.

- de brief die moeder ontving bij het begin van de begeleiding (en ondertekende) en waarin uitdrukkelijk wordt gepreciseerd dat het gaat om het werken aan studiehouding en studiemethode.

Het is dus volledig onterecht om hierbij te spreken over gebrekkige dyslexieondersteuning. Dit werd in dit verband nooit afgesproken!

- de agenda van de studiementor waaruit blijkt dat er tussen 8/11/2011 en 5/6/2012 17 middagsessies zijn geweest met C..

- de 3 begeleidingsverslagen die de studiementor telkens op het einde van elk trimester bezorgde aan de klassenraad

De klassenraad is er zich van bewust dat op elke begeleiding i.v.m. leerstoornissen kritiek kan uitgeoefend worden; toch is er men er van overtuigd dat de leerkrachten en de school - net zoals tijdens de vorige 4 schooljaren- maximale inspanningen hebben geleverd voor de ondersteuning van C. en dat er niet nog meer geremedieerd had kunnen worden (ook niet in het volgende schooljaar!). Daarom is de klassenraad van oordeel dat dit geen reden kan zijn om tot een andere beslissing te komen.”

18. Is het zo dat de delibererende klassenraad mocht vaststellen dat de beroepscommissie in haar advies slechts beknopt refereert aan en niet concreet ingaat op de toch wel zeer specifieke grieven van verzoekster omtrent de beweerd falende begeleiding, dan knoopt hij daaraan ten onrechte de conclusie er zelf ook over te mogen zwijgen. Zoals de klassenraad immers reeds kon lezen in het arrest nr. 220.963, moet de verhaalmogelijkheid die de Codex Secundair Onderwijs aan een leerling waarborgt erop gericht zijn, wil ze enig nut hebben, om de klachten en argumenten van een leerling te onderzoeken en daadwerkelijk in een nieuwe beoordeling te betrekken. Die leerling moet het antwoord érgens kunnen lezen: indien niet in het advies van de beroepscommissie, dan zeker in de beslissing van de klassenraad zelf.

Welnu, op de leerkracht van Engels na, lijkt geen enkele andere leerkracht – en daarmee dus ook niet de delibererende klassenraad – in te gaan op verzoeksters geconcretiseerde grieven in verband met de vermeend niet nageleefde afspraken omtrent spelfouten die bij steloefeningen in het groen worden aangeduid en niet de quotering bepalen en de sanctie van hoogstens 10% van de punten voor spelfouten tijdens toetsen, laat staan op de precieze gevolgen die een en ander voor de cijfers van verzoekster heeft gehad. Dat overigens de aanduiding in groen slechts een suggestie is, omdat ze in het begeleidingsplan tussen haakjes staat, lijkt voor de Raad van State ongeloofwaardig en is een bewering die alleszins niet aan de klassenraad is toe te rekenen, want slechts voor het eerst aan bod gekomen in de nota met opmerkingen.

Daarbij dient bedacht te worden dat, op het eerste gezicht, net die maatregelen, waartoe de school zich zelf heeft verbonden, onmiddellijk verband houden met de puntentoekenning, waar bij de andere maatregelen de invloed op de punten veel minder rechtstreeks en daardoor moeilijker inschatbaar is.

Voorts zoekt de Raad van State vergeefs een antwoord op de grief van verzoekster dat toetsen of examens niet werden voorgelezen.

De beslissing leert ten slotte dat – met ook weer een mogelijke uitzondering voor de leerkracht Engels – de notities van verzoekster enkel “desgevraagd” individueel werden nagelezen en gecontroleerd, wat de grief niet weerlegt, zo lijkt, dat van een systematische en geïndividualiseerde controle geen sprake was.

19. Dat “op elke begeleiding i.v.m. leerstoornissen kritiek kan uitgeoefend worden”, zoals de klassenraad in de bestreden beslissing stelt, kan evident geen reden vormen om het niet nakomen van specifiek afgesproken begeleidingsmaatregelen door de vingers te zien.

In het vorige arrest van 11 oktober 2012 heeft de Raad van State herinnerd aan de vaste rechtspraak in verband met kritiek op de kwaliteit van het aangeboden onderwijs, inzonderheid met betrekking tot begeleiding, communicatie en remediëring. Hij bedenkt thans dat de voorliggende zaak zich wel degelijk uitzonderlijk onderscheidt van de meeste zaken waarin vergeefs op dat falen een middel wordt geënt, omdat in de huidige zaak de school met verzoekster – een leerling met leerstoornissen in een eerste jaar van de derde graad – een concreet begeleidingsplan heeft gesloten, verzoekster zeer punctuele vragen heeft bij de naleving ervan en zij ditmaal het falen van de school prima facie in een aantoonbaar rechtstreeks verband brengt met de onwettigheid van de bestreden beslissing.

Hoewel de klassenraad “er van overtuigd [is] dat de leerkrachten en de school – net zoals tijdens de vorige 4 schooljaren – maximale inspanningen hebben geleverd voor de ondersteuning van C. en dat er niet nog meer geremedieerd had kunnen worden”, wordt in de bestreden beslissing, zo lijkt, niet naar behoren van recht aangetoond dat het “individueel begeleidingsplan voor leerlingen met dyslexie en ADD”, gesloten tussen de school en verzoekster, volgens de regels van de kunst is opgevolgd én dat dit gebrek niet van invloed is geweest op verzoeksters punten.

20. Prima facie kan de overweging dat “[n]et zoals bij al de andere leerlingen met leerstoornissen van onze school [ ... ] er wel een evolutie [is] in de begeleiding in de loop van de jaren. Waar de leerlingen in de eerste jaren nogal sterk bij het handje worden gehouden, verwacht men geleidelijk aan in de hogere jaren ook zelf enig initiatief, omdat nogal wat leerlingen de begeleiding van de leerkrachten betuttelend of gênant vinden en men hen ook hierin wil voorbereiden op het hoger onderwijs”, geen afdoende rechtvaardiging zijn.

In de eerste plaats is het op het eerste gezicht een raadsel op welke grond een school expliciet toegezegde begeleiding zonder voorafgaande communicatie – of zelfs uitdrukkelijke instemming van de betrokkene – mag stopzetten of terugschroeven. Bovendien erkent de klassenraad in de bestreden beslissing dat verzoekster “vanaf het 1 ste jaar op onze school [is] en [dat] het begeleidingsplan [dus] al 5 jaar [loopt]. De begeleiding in het 5de jaar was dan ook niet wezenlijk anders dan tijdens de vorige schooljaren”.

Voorts is ook al in het schorsingsarrest van 11 oktober 2012 de vraag gesteld “hoe een leerstoornis zoals dyslexie van aard kan zijn om een daarmee getroffen leerling minder strikt te begeleiden en tot grotere zelfredzaamheid te brengen louter omdat zij ouder geworden is – verdwijnt daarmee de leerstoornis of wordt ze minder belastend?” Op die vraag blijft de klassenraad het antwoord vooralsnog schuldig.

Tot slot blijkt op het eerste gezicht ook nergens uit dat verzoekster geklaagd zou hebben over het “betuttelende” of “gênante” karakter van de begeleidingsmaatregelen. Een correct begeleidingsplan lijkt maatwerk, afgestemd op de individuele behoeften en specifieke aard en ernst van de functiebeperking van de betrokken leerling. Waarom dan die beweerde reactie van andere leerlingen ook tot gevolg moet hebben dat voor verzoekster de begeleidingsmaatregelen niet langer worden nagekomen, is evenmin duidelijk.

21. In die mate zijn het eerste en tweede middel ernstig en is, mede gelet op wat is overwogen met betrekking tot het nadeel en de spoedeisendheid, voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.

VIII. Draagwijdte van de hierna te bevelen schorsing

22. Zoals de Raad van State reeds in het arrest nr. 220.963 van 11 oktober 2012 heeft overwogen, kan een leerstoornis een reden zijn die een klassenraad tot omzichtigheid moet aanzetten bij de beoordeling van de prestaties van de leerling in kwestie en zou een klassenraad die erkent dat een tekort in een eerste jaar van een graad mede veroorzaakt is door een gebrek aan begeleiding, in uitzonderlijke omstandigheden kunnen onderzoeken of hieraan geremedieerd kan worden tijdens het erop volgende schooljaar van diezelfde graad of door middel van bijkomende proeven – of een combinatie van beide. Met een combinatie van beide denkt de Raad van State aan de situatie waarbij voor het geheel of een deel van de vastgestelde tekorten bijkomende proeven worden opgelegd en dat mede gelet op het resultaat van die proeven – en vanzelfsprekend, zoals steeds, ook gelet op al de overige concrete gegevens van het leerlingendossier – de delibererende klassenraad komt tot een eindbeslissing tot toekenning van een A-attest met waarschuwing of een andere vorm van remediëring tij dens het volgende studiejaar.

23. De delibererende klassenraad heeft vervolgens niet geargumenteerd dat hij tot voornoemd onderzoek niet verplicht was om reden dat zich geen uitzonderlijke omstandigheden aandienden, maar is in de bestreden beslissing het uitgangspunt van de Raad van State integendeel “volkomen” bijgevallen. De delibererende klassenraad heeft vervolgens een onderzoek uitgevoerd, is tot de conclusie gekomen dat “de leerkrachten en de school [ ... ] maximale inspanningen hebben geleverd voor de ondersteuning van [verzoekster] en dat er niet nog meer geremedieerd had kunnen worden (ook niet in het volgende schooljaar!)”, maar lijkt er evenwel niet in geslaagd het bezwaar van verzoekster dat het individueel begeleidingsplan niet behoorlijk is nagekomen en dat een en ander niet zonder invloed kan zijn geweest voor haar cijfers, te weerleggen.

Daarbij komt nog dat in de huidige stand van de rechtspleging dient vastgesteld dat de delibererende klassenraad intussen reeds vier maal over verzoeksters dossier heeft beraadslaagd en er, tot nu toe, niet is in geslaagd andere dan op het eerste gezicht onwettige motieven te geven om aan verzoekster het voordeel van bijkomende proeven of een waarschuwing te ontzeggen.

In dat opzicht begrijpt de Raad van State de volgende verzuchting van verzoekster in het inleidend verzoekschrift:

“Verweerster is dan ook voortdurend in gebreke gebleven om toereikende motieven te geven, waardoor zij gewoon geen rechtsgeldige motieven meer kan hebben om nog aan te tonen waarom verzoekster geen A-attest mag krijgen [versta: of ten minste bijkomende proeven mag afleggen] en er is ook geen enkele reden die zich als vanzelfsprekend aanmeldt om dit nog te blijven weigeren.”

De delibererende klassenraad moet inderdaad thans worden geacht alle concrete en nuttige gegevens betreffende verzoekster bij zijn beoordeling te hebben betrokken en geen andere – rechtsgeldige – motieven meer te hebben, minstens niet te kunnen aantonen dat hij dergelijke motieven heeft. Intussen vordert het nieuwe schooljaar gestaag, zodat verzoekster ook niet geheel ten onrechte argumenteert dat een langer talmen met de beslissing of bijkomende proeven wel of niet worden toegekend, voor haar nefast dreigt te worden.

In die omstandigheden vermag de Raad van State te oordelen dat verzoekster recht lijkt te hebben op bijkomende proeven, tenzij in het geval de delibererende klassenraad alsnog reden ziet om verzoekster zonder dergelijke proeven een oriënteringsattest A al dan niet met waarschuwing toe te kennen.

Gelet op de ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid waarover een delibererende klassenraad beschikt, valt het vooralsnog wel de klassenraad toe om te bepalen voor welke vakken verzoekster bijkomende proeven dient af te leggen, welke termijn haar daartoe wordt gegeven en op welke onderdelen van de leerstof die bijkomende proeven betrekking moeten hebben.

IX. Voorlopige maatregelen

Vordering

24. Verzoekster vordert de Raad van State bij wijze van voorlopige maatregel om verwerende partij “te bevelen een nieuwe beslissing te nemen binnen een termijn van 4 dagen na de datum van uitspraak van uw Raad”.

25. Verwerende partij verzoekt om, in voorkomend geval, ermee rekening te houden dat zij de vakleraars van de delibererende klassenraad niet kan verplichten om samen te komen tijdens de Allerheiligenvakantie.

Beoordeling

27. Om de hiervoor uiteengezette redenen is de Raad van oordeel dat de grondvoorwaarden van, kort gezegd, uiterst dringende noodzakelijkheid, ernstige middelen en moeilijk te herstellen ernstig nadeel vervuld zijn.

Wegens de concrete omstandigheden, reeds uiteengezet in het arrest nr. 220.744 en bevestigd in het arrest nr. 220.963, is er reden om de vordering in te willigen, rekening houdend daarenboven met hetgeen is overwogen sub 23 en 24 en met de verzuchting van verwerende partij met betrekking tot de beschikbaarheid van haar personeel.

BESLISSING

1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing genomen op 15 oktober 2012 door de delibererende klassenraad van het Sint-Jan Berchmanscollege Genk, 5 economie - moderne talen, waarbij aan C. P. een oriënteringsattest C wordt toegekend.

2. De Raad van State beveelt dat voornoemde delibererende klassenraad onverwijld en uiterlijk vrijdag 26 oktober 2012 samenkomt om zijn beslissing te heroverwegen. Tenzij die heroverweging resulteert in een oriënteringsattest A al dan niet met waarschuwing of andere passende remediëringsopdrachten in het tweede jaar van de derde graad, beveelt de Raad van State de delibererende klassenraad:

- tijdens die samenkomst te beslissen voor welke vakken C. P. bijkomende proeven moet afleggen, op welke delen van de leerstof die bijkomende proeven betrekking hebben en op welke dagen tijdens de week van 5 november 2012 de bijkomende proeven zullen plaatsvinden;

- uiterlijk op maandag 12 november kennis te nemen van de resultaten voor

de bijkomende proeven en vervolgens in het licht van alle hem ter beschikking staande gegevens van het leerlingendossier over het al dan niet slagen van C. P. een eindbeslissing te nemen.

3. De Raad van State beveelt bovendien dat de delibererende klassenraad zijn beslissingen over C. P. onverwijld aan haar ter kennis brengt, de dag zelf via telefoon of e-mail en uiterlijk daags nadien per aangetekend schrijven.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 oktober 2012, door de Raad van State, XIIe kamer,

 

Vierde arrest



RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER

A R R E S T

nr. 221.255 van 2 november 2012

in de zaak A. 206.859/XII-7126

In zake: C. P.

tegen:

de VZW KASOG SINT-JAN BERCHMANSCOLLEGE

Voorwerp van de vordering

De vordering, ingesteld op 31 oktober 2012, strekt tot deschorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing genomen op 25 oktober 2012 door de delibererende klassenraad van het Sint-Jan Berchmanscollege [te Genk], 5 Economie - Moderne Talen, ten aanzien van C. P., waarbij haar bijkomende proeven werden opgelegd voor alle niet-geslaagde vakken”.

I. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 november 2012, om 10.00 uur.

[…]

III. Feiten

3.1. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2011-2012 leerling in het eerste jaar van de derde graad, Economie - Moderne Talen, aan het Sint-Jan Berchmanscollege te Genk.

3.2. De over verzoekster delibererende klassenraad stelt op het einde

van het schooljaar vast dat verzoekster jaartekorten behaalt voor Frans (46,4%), Engels (48,7%), Duits (48,6%) en Economie (49,4%) en hij beslist om verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen. De toelichting die daarbij op het individueel syntheseblad wordt vermeld, luidt:

“Oorzaken/opmerkingen: De onvoldoendes wijzen op een structureel tekort in de basiskennis. De sterk dalende uitslagen in het tweede semester bieden weinig perspectief in deze studierichting. We kunnen wel vaststellen dat de leerling inzet vertoont. De leerling kreeg de volgende begeleidingsvorm(en): Individuele studiebegeleiding door studiementor. De extra begeleiding had niet het gewenste resultaat”.

Op 28 en 29 juni 2012 heeft overleg plaats tussen de ouders van verzoekster en de directeur, waarover de directeur in een niet gedateerde brief meedeelt dat hun “vraag naar bijkomende proeven wellicht is ingegeven door een traditionele visie op herexamens, waarmee men de leerling een ‘tweede’ kans gaf om tekorten weg te werken. Echter, in de huidige regelgeving [ ... ] is er geen sprake meer van een ‘tweede’ zittijd. Integendeel, de klassenraadsbeslissingen kunnen nog slechts uitzonderlijk ná 30 juni vallen. In uw geval heeft de delibererende klassenraad dan ook beslist dat het deliberatiedossier voldoende gegevens bevatte om een beslissing te nemen en/of geen tegenstrijdige gegevens bevatte die een uitstel van de beslissing konden verantwoorden”. De directeur beslist de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen.

3.3. Met een brief van 3 juli 2012 stelt verzoekster een beroep in bij de beroepscommissie. Zij groepeert haar bezwaren onder volgende rubrieken: de adviezen en andere communicatie van de laatste jaren, de opvolging van haar contract voor haar leerstoornissen en haar resultaten en privéproblemen. Zij stelt voor “toch de mogelijkheid van een A-attest te overwegen”, “eventueel in combinatie met onderstaande maatregelen”, waarbij zij de mogelijkheid van vakantietaken suggereert. Mocht de klassenraad daar niet op ingaan, wijst zij nog op de mogelijkheid van een “uitgestelde beslissing”.

Op 23 augustus 2012 adviseert de beroepscommissie om de over verzoekster delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Dat advies is als volgt gemotiveerd:

“- dat beide partijen het er over eens zijn dat C. een grote inzet toont en steeds haar best doet om, ondanks haar beperkingen, de nodige resultaten te behalen.

- dat haar dagelijks werk (65%) niet in evenredigheid is met de resultaten van het laatste examen (55,9%), die verstoord werden door externe factoren (scheiding van ouders, ernstige ziekte van grootvader, einde relatie met haar vriendje, pestgedrag door medeleerlingen);

- dat de 4 onvoldoendes in het jaarrapport: Frans 46,4%, Engels 48,7%, Duits 48,6% en Economie 49,4%, wellicht in normale omstandigheden een andere invulling zouden gekregen hebben;

- dat haar eindresultaat 56,6% geen grote afwijking vertoont van het klasgemiddelde 58,6%;

- dat de leerling, mathematisch gezien, niet geslaagd is. Maar men kan ook de vraag stellen of de punten van het examen niet te zwaar doorwegen bij de beoordeling t.o.v. de punten van het dagelijkse werk. Bij deze leerling is deze vraag zeker gegrond;

- dat in de APR3, waar de moeder van C. naar verwijst, sprake is van bij twijfel een positieve beslissing te nemen en de leerling één jaar respijt te geven: de leerling krijgt een A-attest met een waarschuwing voor bepaalde vakken. Zou deze procedure hier niet kunnen toegepast worden? Het zou C. de kans geven om, mits de nodige steun, zich te kunnen bewijzen”.

Het schoolbestuur beslist vervolgens op 27 augustus 2012 dat de delibererende klassenraad opnieuw moet beraadslagen.

3.4. Die klassenraad beslist op 30 augustus 2012 andermaal om aan

verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen.

De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing bij arrest nr. 220.744 van 25 september 2012.

3.5. Op 28 september 2012 beslist de delibererende klassenraad om het oriënteringsattest C te handhaven.

De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing bij arrest nr. 220.963 van 11 oktober 2012. 3.6. Op 15 oktober 2012 beslist de delibererende klassenraad opnieuw om aan verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen.

De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing bij arrest nr. 221.147 van 23 oktober 2012.

De Raad overweegt in verband met de draagwijdte van de bevolen schorsing:

“22. Zoals de Raad van State reeds in het arrest nr. 220.963 van 11 oktober 2012 heeft overwogen, kan een leerstoornis een reden zijn die een klassenraad tot omzichtigheid moet aanzetten bij de beoordeling van de prestaties van de leerling in kwestie en zou een klassenraad die erkent dat een tekort in een eerste jaar van een graad mede veroorzaakt is door een gebrek aan begeleiding, in uitzonderlijke omstandigheden kunnen onderzoeken of hieraan geremedieerd kan worden tijdens het erop volgende schooljaar van diezelfde graad of door middel van bijkomende proeven – of een combinatie van beide. Met een combinatie van beide denkt de Raad van State aan de situatie waarbij voor het geheel of een deel van de vastgestelde tekorten bijkomende proeven worden opgelegd en dat mede gelet op het resultaat van die proeven – en vanzelfsprekend, zoals steeds, ook gelet op al de overige concrete gegevens van het leerlingendossier – de delibererende klassenraad komt tot een eindbeslissing tot toekenning van een A-attest met waarschuwing of een andere vorm van remediëring tijdens het volgende studiejaar.

23. De delibererende klassenraad heeft vervolgens niet geargumenteerd dat hij tot voornoemd onderzoek niet verplicht was om reden dat zich geen uitzonderlijke omstandigheden aandienden, maar is in de bestreden beslissing het uitgangspunt van de Raad van State integendeel ‘volkomen’ bijgevallen. De delibererende klassenraad heeft vervolgens een onderzoek uitgevoerd, is tot de conclusie gekomen dat ‘de leerkrachten en de school [ ... ] maximale inspanningen hebben geleverd voor de ondersteuning van [verzoekster] en dat er niet nog meer geremedieerd had kunnen worden (ook niet in het volgende schooljaar!)’, maar lijkt er evenwel niet in geslaagd het bezwaar van verzoekster dat het individueel begeleidingsplan niet behoorlijk is nagekomen en dat een en ander niet zonder invloed kan zijn geweest voor haar cijfers, te weerleggen.

Daarbij komt nog dat in de huidige stand van de rechtspleging dient vastgesteld dat de delibererende klassenraad intussen reeds vier maal over verzoeksters dossier heeft beraadslaagd en er, tot nu toe, niet is in geslaagd andere dan op het eerste gezicht onwettige motieven te geven om aan verzoekster het voordeel van bijkomende proeven of een waarschuwing te ontzeggen.

In dat opzicht begrijpt de Raad van State de volgende verzuchting van verzoekster in het inleidend verzoekschrift:

‘Verweerster is dan ook voortdurend in gebreke gebleven om toereikende motieven te geven, waardoor zij gewoon geen rechtsgeldige motieven meer kan hebben om nog aan te tonen waarom verzoekster geen A-attest mag krijgen [versta: of ten minste bijkomende proeven mag afleggen] en er is ook geen enkele reden die zich als vanzelfsprekend aanmeldt om dit nog te blijven weigeren.’

De delibererende klassenraad moet inderdaad thans worden geacht alle concrete en nuttige gegevens betreffende verzoekster bij zijn beoordeling te hebben betrokken en geen andere

– rechtsgeldige – motieven meer te hebben, minstens niet te kunnen aantonen dat hij dergelijke motieven heeft. Intussen vordert het nieuwe schooljaar gestaag, zodat verzoekster ook niet geheel ten onrechte argumenteert dat een langer talmen met de beslissing of bijkomende proeven wel of niet worden toegekend, voor haar nefast dreigt te worden.

In die omstandigheden vermag de Raad van State te oordelen dat verzoekster recht lijkt te hebben op bijkomende proeven, tenzij in het geval de delibererende klassenraad alsnog reden ziet om verzoekster zonder dergelijke proeven een oriënteringsattest A al dan niet met waarschuwing toe te kennen.

24. Gelet op de ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid waarover een delibererende klassenraad beschikt, valt het vooralsnog wel de klassenraad toe om te bepalen voor welke vakken verzoekster bijkomende proeven dient af te leggen, welke termijn haar daartoe wordt gegeven en op welke onderdelen van de leerstof die bijkomende proeven betrekking moeten hebben”.

Op grond van onder meer deze overwegingen beveelt de Raad van State voorts in het dictum van zijn arrest dat de delibererende klassenraad onverwijld en uiterlijk op vrijdag 26 oktober 2012 samenkomt om zijn beslissing te heroverwegen. Tenzij die heroverweging resulteert in een oriënteringsattest A, al dan niet met waarschuwing of andere passende remediëringsopdrachten in het tweede jaar van de derde graad, beveelt de Raad van State de delibererende klassenraad:

- tijdens die samenkomst te beslissen voor welke vakken verzoekster bijkomende proeven moet afleggen, op welke delen van de leerstof die bijkomende proeven betrekking hebben en op welke dagen tijdens de week van 5 november 2012 de bijkomende proeven zullen plaatsvinden;

- uiterlijk op maandag 12 november kennis te nemen van de resultaten voor de

bijkomende proeven en vervolgens in het licht van alle hem ter beschikking staande gegevens van het leerlingendossier over het al dan niet slagen van verzoekster een eindbeslissing te nemen.

3.7. Op 25 oktober 2012 komt de delibererende klassenraad opnieuw samen.

Hij neemt nu de volgende beslissing:

“In navolging van het arrest van de Raad van State van 23 oktober 2012 heeft de delibererende klassenraad de beslissing van 15 oktober 2012 heroverwogen.

A. Deze heroverweging resulteert niet in een oriënteringsattest A of een oriënteringsattest A met waarschuwing of andere remediëringsopdrachten in het tweede jaar van de derde graad om de volgende redenen:

1. Het eindresultaat van C. vertoont geen grote afwijking van het klasgemiddelde. Het is echter niet het klasgemiddelde dat de bepalende factor is om na te gaan of een leerling tot het volgende leerjaar kan worden toegelaten

.

De vraag die voorligt is de deliberatievraag: heeft de leerling in voldoende mate de leerplandoelstellingen bereikt om zijn/haar studies voort te zetten in - in principe dezelfde studierichting van - het 2de leerjaar van de derde graad in hetzelfde studiegebied? Dit is niet het geval.

2. C. slaagt niet voor de 4 richtingsvakken van de richting Economie-Moderne Talen of voor 15 van de 32 weekuren en zij heeft duidelijk blijk gegeven in onvoldoende mate de leerplandoelstellingen te hebben bereikt om haar studies voort te zetten in - in principe dezelfde studierichting van - het 2de leerjaar van de derde graad in hetzelfde studiegebied.

Meer concreet waren er tekorten voor:

- Economie: voor de onderdelen algemene economie van het 2de semester en voor bedrijfseconomie.

- Frans: tekort voor kennis van grammatica, woordenschat, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid.

- Engels: tekort voor spreekvaardigheid, leesvaardigheid,

schrijfvaardigheid en literatuurkennis.

- Duits: tekort voor mondelinge vaardigheid, spreekvaardigheid en toepassingen op de grammatica.

3. De score van C. voor dagelijks werk doet hieraan geen afbreuk om volgende redenen:

- Dat er in het dossier van C. een groot verschil tussen dagelijks werk en examens merkbaar is, is niet uitzonderlijk. De leerlingen in het 1ste jaar van de derde graad worden voor de eerste maal met een 2 semestersysteem geconfronteerd. Ook andere leerlingen van haar klas scoren opvallend lager t.o.v. hun dagelijks werk (soms nog meer dan C.).

- Bovendien toont de concrete analyse van de vakresultaten voor economie, Frans, Engels en Duits dat de punten op dagelijks werk vooral werden behaald op kleinere overhoringen, taken, projecten en groepswerken (‘kranten in de klas’ en ‘eigen onderneming’ voor economie; ‘In Flanders Fields’ voor de moderne talen), terwijl C. opvallend zwakker scoort voor de grotere toetsen die peilden naar het bereiken van de leerplandoelstellingen en die een vergelijkbare moeilijkheidsgraad hadden met de examens.

4. In verband met de vraag of het examenresultaat niet te zwaar doorweegt bij de beoordeling verwijst de klassenraad opnieuw naar de deliberatievraag. De klassenraad heeft het gehele dossier van de leerling in dit verband in overweging genomen:

- het dagelijks werk, de examens, de leerstoornissen en de bijkomende aangehaalde elementen. Het zijn al deze elementen die de delibererende klassenraad opnieuw heeft overwogen om tot dit oordeel te komen.

B. Aangezien de Raad van State van oordeel is dat de delibererende klassenraad er bij de vorige deliberatie niet in geslaagd is te weerleggen dat het individueel begeleidingsplan voor C. niet behoorlijk is nagekomen en dat een en ander niet zonder invloed kan geweest zijn voor haar cijfers, beveelt de Raad van State in voorkomend geval aan de delibererende klassenraad om te beslissen voor welke vakken C. P. bijkomende proeven moet afleggen, op welke delen van de leerstof die bijkomende proeven betrekking hebben en op welke dagen tijdens de week van 5 november 2012 de bijkomende proeven zullen plaats hebben.

Omdat C. niet geslaagd was voor de 4 richtingsvakken van de richting 5 Economie-Moderne Talen, wordt beslist om haar bijkomende proeven te geven voor deze 4 vakken om haar alsnog de kans te geven om te bewijzen dat ze de leerplandoelstellingen bereikt voor deze 4 vakken.

- Voor Duits dient de bijkomende proef afgelegd te worden op maandag 5 november 2012 om 9 u.

Aangezien C. slaagde voor het 1ste semester, handelt de proef enkel over:

1. Literatur

--+ In den Feldern Flanderns (Gedichte, Texte, Dichter): Fragen zum Inhalt, Übersetzungen, Vokabularübungen, ...

‘Die Liebe’ Elke Heidenreich: Fragen zum Inhalt und Vokabular → Thema: ‘Erkönig’ Goethe (‘Erlkönigs Tochter’ Herder, +, ‘Dalai Lama’, + ‘Aus den 40 er Jahren, die Gemälde, ....): Synonyme, Übersetzungen, Fragen zum Inhalt, ....

--+ Kurzgeschichte: ‘An diesem Dienstag’ W. Borchert: Inhaltliche und formula Analyse dieser Kurzgeschichte; Vokabular

--+ Lieder: ‘Nein Mann’ + Parodie: Vokabular und Redewendungen; Übersetzungen

XII-7126-8/21

2. Grammatik

→ Das Verb (Präsens, Imperfekt, Perfekt) + Stammformen

→ Kasus: Normativ, Akkusativ, Dativ und Genitiv (schwankende und feste Präpositionen)

→ der Imperativ

→ Die adverbialen Nebensätze

→ Die Steigerungsstufen (Positiv, Komp. Superlativ)

→ Imperativ

+ Übungen

3. Leseübung mit grammatischer Erklärung

→ Der Untergang

De toets over spreekvaardigheid vindt plaats om 12.10 u.

- Voor economie dient de bijkomende proef afgelegd te worden op dinsdag 6 november 2012 om 9 u.

Aangezien C. slaagde voor het 1ste semester handelt de proef over : Algemene economie (thema 3 t/m 5)

Bedrijfseconomie (thema 1 en 2)

- Voor Frans dient de bijkomende proef afgelegd te worden op woensdag 7 november 2012 om 9 u.

Aangezien C. niet slaagde gedurende het 1ste en het 2de semester handelt de proef over de leerstof van het ganse schooljaar.

De toets over spreekvaardigheid vindt plaats om 12.10 u.

- Voor Engels dient de bijkomende proef afgelegd te worden op donderdag 8 november 2012 om 9 u.

Aangezien C. slaagde gedurende het 1ste semester handelt de proef enkel over:

Unit 3, 4 en 7 (Handboek en werkboek) + dossier Engels ‘In Flanders Fields’

De toets over spreekvaardigheid vindt plaats om 12.10 u.

Op maandag 12 november zal de delibererende klassenraad kennis nemen van de resultaten voor de bijkomende proeven en vervolgens in het licht van alle ter beschikking staande gegevens van het leerlingendossier een eindbeslissing nemen over het al dan niet slagen van C.”.

Deze beslissing maakt het voorwerp uit van de voorliggende vordering.

Volgens verwerende partij wordt deze beslissing diezelfde dag nog telefonisch aan verzoekster meegedeeld en vervolgens met een aangetekende brief van 26 oktober 2012 aan verzoekster en haar raadsman betekend.

IV. Onderzoek van de vordering

4. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is.

A. Ernst van de middelen

Eerste middel

Standpunt van de partijen

5. Verzoekster voert in het eerste middel de schending aan van de motiveringsplicht.

Zij betoogt vooreerst dat de bestreden beslissing ter verantwoording van de weigering om een oriënteringsattest A of een oriënteringsattest A met waarschuwing of remediëringsopdrachten toe te kennen, zeer beperkt gemotiveerd is en slechts stelt dat zij de leerplandoelstellingen niet heeft bereikt omdat verzoekster niet geslaagd is voor 15 van de 32 weekuren.

Uit niets blijkt evenwel welke haar werkelijke tekorten zijn en verwerende partij toont niet aan dat zij de leerplandoelstellingen ook niet heeft bereikt voor de leerstofonderdelen waarop zij een voldoende heeft behaald bij het dagelijks werk. Volgens verzoekster is het juist dat het klasgemiddelde geen bepalende factor is wanneer dient te worden geoordeeld of een leerling tot het volgende jaar kan worden toegelaten, maar dat het niettemin vreemd is dat leerlingen die slechts enkele procenten meer hebben behaald dan haar, wel geacht worden de leerplandoelstellingen te hebben bereikt. Een A-attest, al dan niet met waarschuwingen, moet dan ook voor haar mogelijk zijn.

Voorts laat verzoekster gelden dat de bestreden beslissing, voor zover ze bijkomende proeven oplegt, niet motiveert waarom zij proeven over vier vakken moet afleggen en bovendien over de leerstof van die vakken van het ganse jaar (Frans) of het ganse tweede semester (Economie, Engels, Duits), terwijl zij nochtans slaagde voor bepaalde onderdelen van deze vakken en zij derhalve voor die onderdelen de leerplandoelstellingen heeft bereikt. Verzoekster verwijst naar de Algemene Pedagogische Reglementering nr. 3, luidens dewelke de inhoud van de bijkomende proef moet afgestemd zijn op de individuele noden van de leerling en alleen de onderdelen waarin de leerling gefaald heeft of de oefeningen waarin hij nog noodzakelijke vaardigheid te verwerven heeft, het voorwerp uitmaken van de bijkomende proef. Nu het jaar ingevolge het talmen van verwerende partij al ver gevorderd is en verzoekster de volledige leerstof van de voormelde vakken op minder dan negen dagen tijd dient te studeren, beschouwt zij de geboden kans niet als een eerlijke en reële kans. De opgelegde hoeveelheid leerstof die zij gedurende een dergelijk korte tijd moet studeren, impliceert volgens verzoekster dat haar een C-attest zal worden toegekend.

Verzoekster stelt ook vast dat de bestreden beslissing noch in haar overwegingen tot weigering van een oriënteringsattest A of een oriënteringsattest A met waarschuwing of andere remediëringsopdrachten, noch in haar overwegingen tot het opleggen van de bijkomende proeven en tot uitwerking daarvan, in enige mate rekening houdt met verzoeksters leerstoornis. Zij zet uiteen dat, nu vaststaat dat verwerende partij is tekortgeschoten in de uitvoering van het opgestelde begeleidingsplan, zij toch wel enige begeleiding mag verwachten bij de bijkomende proeven. Minstens had verwerende partij haar correcte en volledige nota’s dienen te bezorgen.

Volgens verzoekster motiveert de bestreden beslissing evenmin waarom geen combinatie van waarschuwingen en bijkomende proeven mogelijk is.

Ten slotte merkt verzoekster op dat zij ingevolge de bestreden beslissing voor de drie taalvakken zowel mondelinge als schriftelijke proeven moet afleggen, terwijl dat in de loop van het voorbije schooljaar niet het geval is geweest. Voor de vakken Frans en Engels was er in december en in juni telkens een schriftelijk examen en voor het vak Duits was er in december een schriftelijk examen en in juni een mondeling examen.

6. Verwerende partij antwoordt in haar nota dat de motivering van de delibererende klassenraad niet te beperkt is. Verzoeksters bewering dat voor de leerstofonderdelen waarop zij bij het dagelijks werk voldoende punten behaalde, geen bijkomende proef mag worden opgelegd, is volgens haar manifest onjuist, aangezien de punten voor dagelijks werk ten belope van 25 % meetellen in het eindresultaat overeenkomstig het schoolreglement. Verwerende partij stelt voorts dat niet de afwijking van het klasgemiddelde relevant is voor de deliberatiebeslissing, maar wel de vraag of de leerling in voldoende mate de leerplandoelstellingen heeft bereikt en dat dit laatste voor verzoekster niet het geval is. Verwerende partij betwist ook de bewering van verzoekster dat niet zou blijken dat zij op de examens niet geslaagd was voor de leerstofonderdelen waarvoor zij bij het dagelijks werk voldoende punten behaalde.

Verwerende partij ontkent ook ten stelligste dat zij verzoekster niet voldoende zou hebben begeleid met betrekking tot haar leerstoornis en dat deze tekortkoming een oorzaak is van diverse onvoldoendes. Ter terechtzitting bevestigt zij dat de delibererende klassenraad het niet eens is met de overweging van de Raad van State in zijn arrest nr. 221.147 van 23 oktober 2012 dat hij niet zou hebben aangetoond dat het begeleidingsplan van verzoekster correct is nageleefd en dat dit gebrek niet van invloed is geweest op verzoeksters punten.

Voor zover verzoekster zich beklaagt over de korte termijn van negen dagen waarover zij thans beschikt om de bijkomende proeven voor te bereiden, benadrukt verwerende partij dat verzoekster tijdens vorige debatten voor de Raad van State zelf heeft gevraagd naar de mogelijkheid om bijkomende proeven af te leggen en uitdrukkelijk akkoord is gegaan met de voorgestelde planning. Volgens verwerende partij heeft zij volledig conform het zo-even vermelde arrest van de Raad van State beslist over welke vakken een bijkomende proef dient te worden afgelegd en welke leerstof het voorwerp is van de opgelegde proeven. Er zijn alleen proeven opgelegd voor leerstofonderdelen waarvoor verzoekster niet geslaagd is. Het tegendeel is volgens verwerende partij niet aangetoond.

Voor zover verzoekster beweert dat zij niet begeleid wordt bij de voorbereiding van de bijkomende proeven, stelt verwerende partij de vraag hoe de school een leerling kan begeleiden die inmiddels geen les meer bij haar volgt. Verwerende partij merkt ook op dat verzoekster tijdens vorige procedures voor de Raad van State overigens nooit heeft aangevoerd dat haar nota’s zodanig slecht zijn dat ze niet kunnen worden gebruikt bij de voorbereiding van de bijkomende proeven.

Verwerende partij benadrukt voorts dat het tot de discretionaire bevoegdheid van de delibererende klassenraad behoort om te beoordelen of aan de leerplandoelstellingen werd voldaan en om te bepalen over welke vakken en leerstofonderdelen bijkomende proeven dienen te worden afgelegd. Zo kan de klassenraad bepalen welke vaardigheden opnieuw dienen te worden onderzocht en heeft hij te dezen geoordeeld dat naast de schriftelijke ook de mondelinge taalvaardigheid van verzoekster voor de respectieve taalvakken opnieuw dient te worden getoetst.

Ten slotte stelt verwerende partij dat niet de Raad van State, maar enkel de delibererende klassenraad aan verzoekster een A-attest kan verlenen.

Beoordeling

7. In zijn arrest nr. 221.147 van 23 oktober 2012 heeft de Raad

van State overwogen dat de delibererende klasseraad er niet in geslaagd lijkt het bezwaar van verzoekster dat het individueel begeleidingsplan niet behoorlijk is nagekomen en dat een en ander niet zonder invloed kan zijn geweest voor haar cijfers, te weerleggen. De Raad van State heeft vervolgens geoordeeld dat een klassenraad die erkent dat een tekort in een eerste jaar van een graad mede veroorzaakt is door een gebrek aan begeleiding, in uitzonderlijke omstandigheden zou kunnen onderzoeken of hieraan geremedieerd kan worden tijdens het erop volgende schooljaar van diezelfde graad of door middel van bijkomende proeven of een combinatie van beide. Met “een combinatie van beide” dacht de Raad van State aan de situatie waarbij voor het geheel of een deel van de vastgestelde tekorten bijkomende proeven worden opgelegd en dat mede, gelet op het resultaat van die proeven – en vanzelfsprekend, zoals steeds, ook gelet op al de overige concrete gegevens van het leerlingendossier – de delibererende klassenraad tot een eindbeslissing komt tot toekenning van een A-attest met waarschuwing of een andere vorm van remediëring tijdens het volgende studiejaar.

8. In de bestreden beslissing stelt de delibererende klassenraad dat

hij zijn bij arrest nr. 221.147 van 23 oktober 2012 geschorste beslissing heeft heroverwogen en dat deze heroverweging niet resulteert in een oriënteringsattest A of een oriënteringsattest A met waarschuwing of andere remediëringsopdrachten in het tweede j aar van de derde graad, omdat (1) de omstandigheid dat het eindresultaat van verzoekster geen grote afwijking vertoont ten aanzien van het klasgemiddelde geen bepalende factor is, (2) verzoekster niet geslaagd is voor de vier richtingsvakken van de richting Economie-Moderne Talen en duidelijk blijk heeft gegeven in onvoldoende mate de leerplandoelstellingen te hebben bereikt, (3) de resultaten van haar dagelijks werk daaraan geen afbreuk doen en (4) de vraag of het examenresultaat niet te zwaar doorweegt, dient te wijken voor de deliberatievraag of de leerplandoelstellingen werden bereikt.

Vervolgens legt de bestreden beslissing aan verzoekster op om bijkomende proeven af te leggen over de leerstof van elk van de vier vakken waarvoor zij een tekort behaalde. Voor de vakken Economie, Duits en Engels is dit de leerstof van het tweede semester, aangezien verzoekster voor deze vakken geslaagd was tijdens de kerstexamens; voor het vak Frans is dit de leerstof van het ganse jaar, aangezien verzoekster voor dit vak niet geslaagd was, noch tijdens de kerstexamens, noch tijdens de examens van het tweede semester.

9. Op het eerste gezicht dient verzoekster te worden bijgevallen in haar standpunt dat uit de bestreden beslissing in geen enkel opzicht blijkt dat de delibererende klassenraad bij het nemen van zijn beslissing tot weigering van de toekenning van een oriënteringsattest A of een oriënteringsattest A met waarschuwing of andere remediëringsopdrachten in het tweede jaar van de derde graad en tot het opleggen van bijkomende proeven, is tegemoet gekomen aan de vaststelling door de Raad van State in zijn arrest nr. 221.147 van 23 oktober 2012 dat de klassenraad niet naar behoren van recht heeft aangetoond dat het “individueel begeleidingsplan voor leerlingen met dyslexie en ADD”, gesloten tussen de school en verzoekster, volgens de regels van de kunst was opgevolgd én dat dit gebrek niet van invloed is geweest op verzoeksters punten. Nochtans werd door de Raad van State geopperd dat de delibererende klassenraad zou kunnen onderzoeken of aan dit gebrek aan begeleiding kon worden geremedieerd hetzij tijdens het daaropvolgende schooljaar van diezelfde graad, dan wel door middel van bijkomende proeven of een combinatie van beide.

Door de gebrekkige naleving van het individueel begeleidingsplan niet in haar beslissing te betrekken en niet af te wegen en te motiveren of daaraan niet zou kunnen worden geremedieerd tijdens het volgende schooljaar van dezelfde graad, dan wel door middel van bijkomende proeven of een combinatie van beide, lijkt de delibererende klassenraad, zoals verzoekster aanvoert, tekort te komen aan de motiveringsplicht.

De klassenraad stelt in de bestreden beslissing weliswaar dat hij bij het nemen van zijn beslissing het gehele dossier van verzoekster in overweging heeft genomen, waaronder “de leerstoornissen”, maar dit is niet meer dan een nietszeggende gemeenplaats, waaruit alleszins niet de uitvoering van het door de Raad van State geopperde onderzoek blijkt.

10. Ten overvloede – voor zover de bestreden beslissing aan verzoekster bijkomende proeven oplegt – moet met verzoekster worden vastgesteld dat de bestreden beslissing helemaal niet verantwoordt op welke gronden verzoekster bijkomende proeven dient af te leggen over de ganse leerstof van het leerjaar (Frans) of semester (Economie, Duits en Engels) van de desbetreffende vakken, zonder dat concreet is onderzocht, zo lijkt, of zij niet voor bepaalde onderdelen van de leerstof blijk ervan heeft gegeven de doelstellingen wel te hebben bereikt.

In acht genomen dat door de Raad van State reeds werd vastgesteld dat de delibererende klassenraad er niet in geslaagd lijkt te zijn het bezwaar van verzoekster dat het individueel begeleidingsplan niet behoorlijk is nagekomen te weerleggen, moet thans ten slotte worden opgemerkt dat de bestreden beslissing, voor zover ze aan verzoekster bijkomende proeven oplegt, evenzeer in gebreke blijft verzoekster een degelijke begeleiding bij de voorbereiding van de proeven te waarborgen. De omstandigheid dat verzoekster ondertussen in een andere school is ingeschreven, verandert daar niets aan. Evenmin kan verwerende partij op goede grond beweren dat verzoekster nooit eerder in de procedures heeft geklaagd over de staat van haar nota’s, nu onder meer het regelmatig nazicht van verzoeksters nota’s één van de afspraken betreft die werden gemaakt in het individuele begeleidingsplan van verzoekster, waarvan reeds is gebleken dat de correcte naleving ervan niet is aangetoond.

11. Het eerste middel is in zoverre ernstig.

B. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel en uiterst dringende noodzakelijkheid

12. Verzoekster betoogt dat zij door de bestreden beslissing dreigt haar jaar te moeten overdoen, dat het vaste rechtspraak is van de Raad van State dat het dreigend verlies van een schooljaar een moeilijk te herstellen nadeel uitmaakt en dat een vordering ingesteld volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen om dat dreigend verlies te keren, omdat het schooljaar dan te ver gevorderd zal zijn.

Met betrekking tot het dringend karakter van de vordering wijst zij er bijkomend op dat de opgelegde bijkomende proeven vanaf 5 november 2012 aanvang zullen nemen, zodat elk uitstel nadelig zal zijn.

Beoordeling

13. Zoals de Raad van State reeds overwoog in de drie vorige zaken die verzoekster heeft ingeleid, mag laatstgenoemde zich wat de besproken schorsingsvoorwaarden betreft terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State beroepen. Het dreigend verlies van een schooljaar maakt voor de betrokken leerlinge een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit. Een vordering ingesteld volgens de gewone schorsingsprocedure loopt kans te laat te komen om het dreigend verlies van een schooljaar te keren.

14. De besproken voorwaarden zijn vervuld.

V. Draagwijdte van de hierna te bevelen schorsing

15. Om de hiervoor uiteengezette redenen is de Raad van State van oordeel dat de grondvoorwaarden van, kort gezegd, ernstige middelen, moeilijk te herstellen ernstig nadeel en uiterst dringende noodzakelijkheid, voor het bevelen van de schorsing vervuld zijn.

16. Verzoekster stelt in haar verzoekschrift dat “door deze voortdurende schendingen en door de kostbare tijd die blijft verstrijken, [er] nog maar één mogelijke oplossing [is], met name een A-attest met eventuele waarschuwingen”. Volgens haar mag verwerende partij niet opnieuw de tijd en de kans krijgen nog meer tijd verloren te laten gaan en “achterpoortjes” te vinden die haar zouden toelaten verzoekster uiteindelijk een C-attest toe te kennen.

17. In de huidige stand van de rechtspleging dient inderdaad te worden vastgesteld dat de delibererende klassenraad intussen reeds vijf maal over verzoeksters dossier heeft beraadslaagd en er tot nu toe niet in geslaagd lijkt om een wettig gemotiveerde beslissing te nemen, óók niet met betrekking tot het opleggen van bijkomende proeven. In acht genomen dat het schooljaar door toedoen van de handelwijze van de klassenraad inmiddels zover is gevorderd dat verzoekster dreigt een volledig jaar te verliezen, vermag de Raad van State te oordelen dat de delibererende klassenraad thans geen andere mogelijkheid meer lijkt te hebben dan aan verzoekster een oriënteringsattest A, al dan niet met waarschuwing of andere passende remediëringsopdrachten in het tweede leerjaar van de derde graad toe te kennen en dat daartoe de schorsing van de bestreden beslissing dient te worden bevolen, zowel voor zover ze weigert aan verzoekster een dergelijk oriënteringsattest toe te kennen als voor zover ze aan verzoekster bijkomende proeven oplegt.

VI. Voorlopige maatregelen

Vordering

18. Verzoekster vraagt de Raad van State om verwerende partij te verplichten de delibererende klassenraad binnen drie dagen opnieuw bijeen te roepen om tot een nieuwe beslissing te komen.

19. Verwerende partij werpt in haar nota op dat in het besluit van het verzoekschrift aan de Raad van State wordt gevraagd te bevelen dat zij binnen drie dagen een nieuwe beslissing zou nemen. Evenwel is niet verwerende partij, maar alleen de delibererende klassenraad bevoegd om een nieuwe beslissing te nemen, zodat op verzoeksters vordering niet kan worden ingegaan.

Beoordeling

20. Uit het verzoekschrift blijkt genoegzaam dat verzoekster, anders dan verwerende partij in haar nota opwerpt, een nieuwe beslissing beoogt vanwege de delibererende klassenraad en niet van de school als zodanig.

21. Wegens de concrete omstandigheden, reeds uiteengezet in het arrest nr. 220.744 en bevestigd in de arresten nr. 220.963 en 221.147, is er reden om de vordering in te willigen, rekening houdend daarenboven met hetgeen is overwogen sub 17 en met de eerder geuite verzuchting van verwerende partij met betrekking tot de beschikbaarheid van haar personeel tijdens de Allerheiligenvakantie.

BESLISSING

1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing genomen op 25 oktober 2012 door de delibererende klassenraad van het Sint-Jan Berchmanscollege Genk, 5 Economie - Moderne Talen, zowel voor zover daarbij wordt geweigerd aan C. P. een oriënteringsattest A, al dan niet met waarschuwing of andere passende remediëringsopdrachten in het tweede jaar van de derde graad toe te kennen, als voor zover daarbij aan C. P. bijkomende proeven worden opgelegd.

2. De Raad van State beveelt dat voornoemde delibererende klassenraad uiterlijk op maandag 5 november 2012 samenkomt om zijn beslissing te heroverwegen.

3. De Raad van State beveelt bovendien dat de delibererende klassenraad zijn beslissing over C. P. onverwijld aan haar ter kennis brengt, de dag zelf via telefoon of e-mail en uiterlijk daags nadien per aangetekend schrijven.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 2 november 2012, door de Raad van State, XIIe kamer



Vijfde en laatste arrest

 

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER

A R R E S T

nr. 221.394 van 13 november 2012

in de zaak A. 206.955/XII-7136

In zake: C. P.

tegen:

1. de VZW KASOG SINT-JAN BERCHMANSCOLLEGE

2. de DELIBERERENDE KLASSENRAAD VAN HET SINT-JAN BERCHMANSCOLLEGE TE GENK

I. . Voorwerp van de vordering

1. Het 10 november 2012 gedateerde verzoekschrift strekt in de

eerste plaats tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 5 november 2012 van de over C. P. delibererende klassenraad van het Sint-Jan Berchmanscollege te Genk, 5 economie – moderne talen, waarbij wordt besloten dat C. bijkomende proeven dient af te leggen teneinde te bewijzen dat zij de leerplandoelstellingen in voldoende mate beheerst om tot het zesde jaar te worden toegelaten.

Tevens vraagt verzoekster dat als voorlopige maatregel zou worden opgelegd dat aan haar een A-attest wordt uitgereikt binnen twee dagen na het arrest van de Raad van State, onder verbeurte van een dwangsom van 2.500 euro per dag vertraging.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partijen hebben een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 november 2012, om 10.00 uur.

[…]

III. Feiten

3. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2011-2012 leerling in het

eerste jaar van de derde graad economie – moderne talen aan het Sint-Jan Berchmanscollege te Genk.

Op het einde van het schooljaar beslist de delibererende klassenraad haar een oriënteringsattest C toe te kennen. Na beroep bij de beroepscommissie en op beslissing van het schoolbestuur, gaat de delibererende klassenraad op 27 augustus 2012 over tot een nieuwe beraadslaging.

De klassenraad beslist opnieuw om een oriënteringsattest C uit te reiken. Die beslissing wordt door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 220.744 van 25 september 2012.

De klassenraad beslist op 28 september 2012 het oriënteringsattest C te handhaven. De Raad van State schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing bij arrest nr. 220.963 van 11 oktober 2012.

Op 15 oktober 2012 beslist de delibererende klassenraad eens te meer een oriënteringsattest C aan verzoekster toe te kennen. Ook die beslissing wordt door de Raad van State geschorst, bij arrest nr. 221.147 van 23 oktober 2012.

De delibererende klassenraad besluit op 25 oktober 2012 verzoekster bijkomende proeven op te leggen voor vier vakken om haar alsnog de kans te geven om te bewijzen dat ze de leerplandoelstellingen bereikt heeft voor deze vakken. De beslissing wordt bij arrest nr. 221.255 van 2 november 2012 geschorst “zowel voor zover daarbij wordt geweigerd aan C. P. een oriënteringsattest A, al dan niet met waarschuwing of andere passende remediëringsopdrachten in het tweede jaar van de derde graad toe te kennen, als voor zover daarbij aan C. P. bijkomende proeven worden opgelegd”.

Op 5 november 2012 beslist de delibererende klassenraad opnieuw dat verzoekster bijkomende proeven voor vier vakken moet afleggen, waarbij de klassenraad naar eigen zeggen “zeer nauwkeurig enkel de leerstofonderdelen [bepaalt ]waarvoor C. tijdens het schooljaar onvoldoende haalde en waarop de bijkomende proef betrekking zal hebben”. Nadat hij op 22 november 2012 kennis zal hebben genomen van de resultaten voor de bijkomende proeven, zal de klassenraad een eindbeslissing nemen over het al dan niet slagen van C..

Dit is de thans bestreden beslissing.

IV. Regelmatigheid van de procedure

4. Tweede verwerende partij doet ter terechtzitting gelden dat zij bij gebrek aan rechtspersoonlijkheid niet als een verwerende partij in de procedure kan worden betrokken.

5. Het bezwaar wordt verworpen. Tenminste in de huidige stand van zaken wordt aangenomen dat, naast de vzw KASOG Sint-Jan Berchmanscollege, als rechtspersoon, ook nog diens orgaan, de over C. P. delibererende klassenraad, als verwerende partij mag worden aangeduid in de schorsingsprocedure die gericht is tegen, welbepaald, een beslissing die juist deze delibererende klassenraad heeft genomen op grond van een autonome beslissingsbevoegdheid.

V. Vordering tot schorsing

A. Grondvoorwaarden

6. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is.

B. Voorwaarde van een ernstig middel

Standpunt van de partijen

7. In een eerste middel voert verzoekster onder meer aan dat de

Raad van State er in zijn arrest van 2 november 2012:

“mee akkoord [ging] dat er enkel nog een A-attest kon worden afgeleverd, al dan niet met waarschuwingen of andere remedieringsmogelijkheden in het 2° jaar van de derde graad;

Het is dan ook niet te begrijpen en zeer schokkend voor verzoekster dat de slechte wil van verweerster onbegrensd lijkt te zijn en zij zonder blikken of blozen het arrest van de Raad van State ter zijde schuift en, meer zelfs, ondanks herhaalde arresten hiertoe, nog niet inziet dat zij fouten heeft gemaakt;

Verweerster meent blijkbaar dat zij de wijsheid in pacht heeft en gaat het laatste arrest van de Raad van State zelfs terzijde schuiven en toch nog, ondanks dat het arrest zeer duidelijk is in dit opzicht, bijkomende proeven opleggen;

Dit kan toch niet!

Een A-attest, al dan niet met waarschuwingen, wordt door de APR3 voorzien, door de eigen interne beroepscommissie voorgesteld en nu zelfs als enige resterende optie neergeschreven door de Raad van State, maar toch blijft verweerster overtuigd van haar gelijk en besluit zij tot bijkomende proeven!”

8. Verwerende partijen merken hierover in essentie op dat er bij hen

geen sprake is van slechte wil, maar dat de delibererende klassenraad enkel een pedagogisch verantwoorde beslissing wil nemen en dat niemand dit recht van de klassenraad kan beknotten of ontvreemden.

Beoordeling

9. Met zijn arrest nr. 221.255 van 2 november 2012 heeft de Raad

van State de tenuitvoerlegging geschorst van de beslissing van de delibererende klassenraad tot weigering aan verzoekster van een oriënteringsattest A en tot oplegging van bijkomende proeven. De reden daarvoor was de schending van de motiveringsplicht. Om een misverstand over de draagwijdte van de schorsing tevermijden, verduidelijkte de Raad onder een afzonderlijke rubriek ‘Draagwijdte van de hierna te bevelen schorsing’ onder meer wat volgt:

“In de huidige stand van de rechtspleging dient inderdaad te worden vastgesteld dat de delibererende klassenraad intussen reeds vijf maal over verzoeksters dossier heeft beraadslaagd en er tot nu toe niet in geslaagd lijkt om een wettig gemotiveerde beslissing te nemen, óók niet met betrekking tot het opleggen van bijkomende proeven. In acht genomen dat het schooljaar door toedoen van de handelwijze van de klassenraad inmiddels zover is gevorderd dat verzoekster dreigt een volledig jaar te verliezen, vermag de Raad van State te oordelen dat de delibererende klassenraad thans geen andere mogelijkheid meer lijkt te hebben dan aan verzoekster een oriënteringsattest A, al dan niet met waarschuwing of andere passende remediëringsopdrachten in het tweede leerjaar van de derde graad toe te kennen en dat daartoe de schorsing van de bestreden beslissing dient te worden bevolen, zowel voor zover ze weigert aan verzoekster een dergelijk oriënteringsattest toe te kennen als voor zover ze aan verzoekster bijkomende proeven oplegt.”

Het gebruik van het woord “lijkt” in dit citaat, houdt op het eerste gezicht alleen hiermee verband dat de betrokken overweging slechts een voorlopig oordeel inhoudt, in afwachting van een uitspraak ten gronde. In afwachting van deze uitspraak, evenwel, mag het oordeel allerminst – en anders dan verwerende partijen ogenschijnlijk menen – als een louter vrijblijvende bedenking worden weggezet en voorbijgezien.

10. Met andere woorden verbood de Raad van State dat, in afwachting van een uitspraak ten gronde, voort uitvoering wordt gegeven aan de beslissing om verzoekster aan bijkomende proeven te onderwerpen en om te weigeren haar een A-attest uit te reiken, om reden dat alle motieven daartoe geacht moesten worden uitgeput te zijn, óp, verbruikt.

In de gegeven omstandigheden diende de delibererende klassenraad zich ervan te onthouden een nieuwe beslissing te nemen en uit te voeren waarin hij, het schorsingsarrest ten spijt, nog altijd motieven blíjft aandragen om verzoekster aan bijkomende proeven te onderwerpen en om het van die bijkomende proeven te blíjven afhankelijk maken of zij al dan niet een A-attest verkrijgt.

Anders gezegd kon en mocht een nieuwe beslissing van de delibererende klassenraad op het eerste gezicht niets anders inhouden dan de toekenning aan verzoekster, tenminste voorlopig, van een A-attest, al dan niet met waarschuwing of andere passende remediëringsopdrachten in het tweede jaar van de derde graad.

Nu de aangevochten nieuwe beslissing daar geenszins aan voldoet, wordt in de huidige stand van de procedure bijgevallen dat de delibererende klassenraad het arrest van de Raad van State ten onrechte terzijde heeft geschoven.

11. Het eerste middel is in de besproken mate ernstig.

B. Voorwaarde van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel en van een uiterst dringende noodzakelijkheid

12. Verzoekster doet terecht gelden dat het dreigend verlies van een schooljaar voor haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt en dat een vordering ingesteld volgens de gewone schorsingsprocedure riskeert te laat te komen om dit verlies te keren. Nadeel en hoogdringendheid worden, gelet op de antecedenten, alleen maar acuter.

Ook aan de tweede en derde grondvoorwaarde voor een schorsing is voldaan.

VI. Vordering tot oplegging van een voorlopige maatregel, onder verbeurte van een dwangsom

Standpunt van de partijen

13. Verzoekster vraagt dat, om haar belangen veilig te stellen, zou worden bevolen dat de delibererende klassenraad binnen twee dagen na het arrest van de Raad van State dient samen te komen “om een nieuwe beslissing te nemen, met name een A-attest, al dan niet met waarschuwingen of andere remediëringen in het 2e jaar van de derde graad”, zulks onder verbeurte van een dwangsom van 2.500 euro per dag vertraging.

14. Verwerende partijen werpen tegen, samengevat, dat alleen de delibererende klassenraad en niet het schoolbestuur bevoegd is om een A-attest uit te reiken, dat de Raad van State hoogstens kan opleggen een eerder genomen beslissing te heroverwegen, en dat een verplichting om akkoord te gaan met de reden die de Raad van State in aanmerking nam alleen uit een vernietigingsarrest kan voortspruiten.

Beoordeling

15. Ten onrechte menen verwerende partijen dat verzoekster de voorlopige beslissing om een A-attest te verlenen, vordert van het schoolbestuur en niet van de delibererende klassenraad.

Voorts blijkt uit de beoordeling sub nrs. 9 en 10 dat in deze zaak de “autonome en discretionaire bevoegdheid” van de delibererende klassenraad in de loop van de voorbije maanden dusdanig verdampt en versmald is dat tweede verwerende partij (reeds) bij het nemen van een nieuwe beslissing na het arrest nr. 221.255 geen andere keuze meer had dan de toekenning aan verzoekster, tenminste voorlopig, van een A-attest.

16. Het verzoek wordt derhalve ingewilligd, behoudens wat het bedrag van de gevorderde dwangsom betreft.

De hiervoor sub III gerelateerde voorafgaande wederwaardigheden, alsmede de sub IV gedane vaststellingen met betrekking tot het ernstig middel en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, verantwoorden dat aan de delibererende klassenraad bij wege van voorlopige maatregel wordt opgelegd om 1° ten laatste op vrijdag 16 november 2012 samen te komen met het oog op de toekenning aan verzoekster van een oriënteringsattest A, al dan niet met waarschuwing of andere passende remediëringsopdrachten in het tweede jaar van de derde graad, en 2° haar die beslissing tot toekenning van het A-attest eveneens ten laatste op 16 november 2012 ter kennis te brengen via telefoon of e-mail én per aangetekend schrijven. Een en ander onder verbeurte van een dwangsom van 1.250 euro per (begonnen) dag vertraging.

BESLISSING

1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 5 november 2012 van de over C. P. delibererende klassenraad van het Sint-Jan Berchmanscollege Genk te Genk, 5 economie – moderne talen, waarbij wordt beslist dat C. bijkomende proeven dient af te leggen teneinde te bewijzen dat zij de leerplandoelstellingen in voldoende mate beheerst om tot het zesde jaar te worden toegelaten, en waarbij dus geweigerd wordt haar een oriënteringsattest A, eventueel met waarschuwing of andere passende remediëringsopdrachten in het tweede jaar van de derde graad, te geven.

2. De Raad van State legt de voornoemde klassenraad op:

- om uiterlijk op vrijdag 16 november 2012 samen te komen en aan C. P., minstens in afwachting van een uitspraak ten gronde, een oriënteringsattest A uit te reiken, al dan niet met waarschuwing of andere passende remediëringsopdrachten in het tweede jaar van de derde graad, en

- om haar die beslissing ten laatste op dezelfde 16 november 2012 ter kennis te brengen via telefoon of e-mail én per aangetekende brief.

3. Met ingang van 17 november 2012 zal een dwangsom van 1.250 euro verschuldigd zijn per begonnen dag dat de hiervóór, onder punt 2., opgelegde voorlopige maatregelen niet zijn nageleefd.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 november 2012, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

 

Noot: 

Rechtsleer:

Marek Verhoeven: Raad van State verplicht klassenraad A-attest af te geven, Juristenkrant, 259, 4 en 5.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 13/01/2013 - 19:04
Laatst aangepast op: zo, 01/07/2018 - 11:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.