-A +A

Sommatie tot neerlegging van elektronische stukken artikel 877 Ger. W.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 19/01/2017
A.R.: 
A/16/5614

Art. 877 Ger.W. bepaalt dat, wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, de rechter kan bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.

De rechter kan een partij verplichten een stuk neer te leggen en dit zelfs onder verbeurte van een dwangsom, mits er voldoende redenen voorhanden zijn die doen veronderstellen dat een partij een voor het debat relevant stuk in het bezit heeft en niet in het debat brengt.

Deze sommatie tot overlegging van stukken Artikel 877 Ger.W. kan ook gesteld voor gegevens die enkel in elektronische vorm bestaan.

Bij de omzetting van de Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten heeft de wetgever ten onrechte strengere voorwaarden opgelegd, nu hij vereist dat er eerst een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht moet worden vastgesteld.

Art. XI.334, § 1 WER kan dan ook niet als rechtsgrond dienen om een internet serviceprovider te dwingen identificatiegegevens van mogelijke inbreukmakers aan de rechthebbenden bekend te maken. Hiervoor moet worden teruggevallen op de artt. 19, 871, 877 of 1369bis/1 Ger.W.

Publicatie
tijdschrift: 
DAOR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/3
Pagina: 
123
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Rechtbank van Koophandel, Antwerpen, afdeling Antwerpen, 19/01/2017, AR A/16/5641, juridat en P&B 2017/5-6, 237, met noot De overlegging van een niet-gematerialiseerd stuk op basis van de artikelen 871 en 877 Ger.W. , T. Tormans,P&B 2017/5-6, 241, Jurabibliotheek

de vennootschap naar het recht van de staat Texas SIEMENS PRODUCT LIFECYCLE MANAGE-MENT SOFTWARE, Inc.,

waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 75024 Plano, Texas (Verenigde Staten), 5800 Granite Parkway,

verzoekende partij

TEGEN

de BVBA TELENET,

waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2800 Mechelen, Liersesteenweg 1,, inge-schreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0473.416.418.

I. SITUERING VAN HET GESCHIL

De eisende partij, de vennootschap naar het recht van de staat Texas SIEMENS PRODUCT LIFECYCLE MANAGEMENT SOFTWARE, Inc., verkoopt het softwareprogramma NX. Zij stelt dat zij via het beveiligingsmechanisme dat in dit pakket is ingebouwd, te weten is gekomen dat een versie ervan op herhaalde ogenblikken in 2014 en 2015 werd opgestart met gebruik van een niet-authentiek licentiebestand.

Uit deze gegevens blijkt dat de vermoedelijke inbreukmaker klant is bij de verwerende partij, de BVBA TELENET, als internetserviceprovider.

Thans maakt SIEMENS aanspraak op de medewerking van TELENET ter identificatie van deze persoon.

II. PROCEDUREVERLOOP

SIEMENS heeft dit geding ingeleid bij dagvaarding betekend op 20 juni 2016. Op dezelfde datum liet zij aan TELENET een beschikking van de voorzitter van deze rechtbank betekenen, gewezen op 10 mei 2016, waarbij aan TELENET werd bevolen bepaalde gegevens (die verder aan bod zullen komen) te bewaren alsook het verbod om haar klant(en) die hierdoor geïdentificeerd zouden kunnen worden te verwittigen, onder verbeurte van een dwangsom.

De zaak werd door een beschikking gewezen op 12 juli 2016 krachtens artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek vastgesteld en in beraad genomen op de openbare zitting van 22 de-cember 2016 nadat de raadslieden van partijen werden gehoord.

Het onderwerp van de vordering wordt uitsluitend bepaald door de syntheseconclusies. De rechtbank hield bij de beoordeling van het geschil dan ook rekening met:

- de syntheseconclusie neergelegd op 28 november 2016 en de stukken ter zitting neerge-legd door SIEMENS,

- de ‘aanvullende en syntheseconclusie' neergelegd op 8 november 2016 en de stukken neergelegd op 9 november 2016 door TELENET.

In deze procedure werd de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken nageleefd.

III. DE VORDERING

De vordering van SIEMENS strekt tot de veroordeling van TELENET tot het bekend maken van de identiteit van haar klant die blijkt uit de egress-domeinen d51A58C95.access.telenet.be, dD576532A.access.telenet.be en dD576A091.access.telenet.be, doch slechts in het geval deze een onderneming zou blijken te zijn, onder verbeurte van een dwangsom.

In ondergeschikte orde formuleert TELENET een voorstel tot beperking van het uit te spreken bevel, maar dit is op zich geen tegenvordering.

IV. BEOORDELING

1. De rechtsgrond van de vordering

1. In eerste orde voert TELENET aan dat de wetgeving op de elektronische communicatie de maatregel die SIEMENS vordert in de weg staat.

Krachtens artikel 124 van de Wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communica-tie, mag niemand, indien men daartoe geen toestemming heeft gekregen van alle andere, direct of indirect betrokken personen, met opzet de personen identificeren die bij de overzending van de informatie en de inhoud ervan betrokken zijn.

Krachtens artikel 125, § 1, 1° is deze bepaling niet van toepassing wanneer de wet het stellen van de bedoelde handelingen toestaat of oplegt.

2. De medewerking die SIEMENS aan TELENET vraagt vormt een verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 2, eerste alinea, van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 2, sub b, van richtlijn 95/46. Deze mededeling valt dus binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/58 (zie HvJ 19 april 2012, C-461/10, Bonnier Audio, ECLI:EU:C:2012:219, punt 52).

3. Krachtens artikel 8, 2. van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie moeten deze gegevens eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet.

Uit deze bepaling volgt dat de verwerking van persoonsgegevens die SIEMENS voorstaat, af-hangt van de aanwezigheid van een wettelijke grondslag.

4. Krachtens artikel XI.334, § 1 van het Wetboek Economisch Recht beveelt de rechter, wanneer hij een inbreuk op een auteursrecht vaststelt, tegenover elke inbreukmaker de staking van deze inbreuk.

Krachtens het § 3. van deze bepaling kan hij, wanneer hij in de loop van een procedure een inbreuk vaststelt, op verzoek van de partij die een vordering inzake namaak kan instellen, de inbreukmaker bevelen al hetgeen hem bekend is omtrent de herkomst en de distributiekanalen van de inbreukmakende goederen of diensten aan de partij die de vordering instelt mee te delen en haar alle daarop betrekking hebbende gegevens te verstrekken, voor zover die maatregel gerechtvaardigd en redelijk voorkomt.

5. Het is deze bepaling die SIEMENS inroept als wettelijke grondslag om artikel 124 van de Wet Elektronische Communicatie terzijde te schuiven.

Ten onrechte echter: uit de tekst van deze bepaling zelf volgt ontegensprekelijk dat, zonder voorafgaande vaststelling van een auteursrechtelijke inbreuk, hiervan geen gebruik kan wor-den gemaakt om de bijkomende informatie op te vragen. De rechtsleer is ook unaniem in die zin (zie E. DE GRYSE en B. MICHAUX, ‘De handhaving van intellectuele rechten gereorganiseerd', TBH 2007, afl. 7, (623) 639, nr 37; B. MICHAUX, ‘Les nouvelles dispositions procédurales relatives aux injonctions à l'encontre des intermédiaires (art. 8, 9 et 11 de la directive 2004/48)' in F. BRISON (ed.), Sancties en procedures in intellectuele rechten, Larcier, 2008, (259) 279; id., ‘Art. 86ter' in F. BRISON en H. VANHEES (eds), Huldeboek Jan Corbet. De Belgische auteurswet. Artikelsgewijze commentaar, Larcier, 2012, (616) 621; S. HALLEMANS, ‘L'arrêt Bonnier — La communication de données à caractère personnel à des personnes privées dans le cadre d'une action civile', RTDI 2013, afl. 50, (70) 79 en H. VANHEES, ‘Art. XI. 334 Wetboek Economisch Recht', in Handels- en economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, losbladig, 2015, p. 17, nr 26).

6. Deze bepaling werd ingevoerd door de Wet van 9 mei 2007 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten, als artikel 86ter van de Auteurswet. Uit de parlementaire voorbereiding (en meer bepaald daar waar de invoering van de equivalente bepaling in de Octrooiwet wordt besproken) blijkt dat deze bepaling een omzetting is van artikel 8 ("Recht op informatie") van de Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (verder ‘Handhavingsrichtlijn').

De wetgever gaf hierbij aan:

"Wat de bewoordingen betreft wordt in de tekst van artikel 8 van de richtlijn gebruik gemaakt van de woorden "goederen of diensten die inbreuk maken op een intellectuele eigendomsrecht". Dit lijkt aan te geven dat de rechter vooraf moet hebben vastgesteld dat er een inbreuk op het betrokken intellectuele eigendomsrecht werd gepleegd. Bovendien wordt in de richtlijn een andere terminologie gebruikt om aan te geven indien maatregelen vóór de vaststelling door de rechter van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht moeten worden genomen. In artikel 7 met als titel "Maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal" worden immers de woorden "vermeende inbreuk" gebruikt.

Uit deze doelstelling, de bewoordingen van artikel 8 van de richtlijn, en de algemene structuur van de richtlijn, moet dus worden afgeleid dat de rechter eerst de inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht moet vaststellen alvorens te bevelen dat informatie moet worden verleend."

(Parl. st. Kamer 2006 - 07, 51-2943 en 2944 / 1, 33).

De Wetgever besluit dan ook: "Mocht er een andere interpretatie van artikel 8 worden verde-digd dan zou er een verschuiving plaatsvinden van het recht op informatie naar het bewijsrecht en zou er verwarring zijn tussen deze beide types van voorschriften.", en geeft aan dat er in het Belgische recht reeds mogelijkheden bestaan "die de rechthebbenden de mogelijkheid bieden om informatie in te winnen waarbij kan worden aangetoond of er al dan niet sprake is van een inbreuk op hun intellectuele eigendomsrecht", met verwijzing naar de artikelen 19, 871, 877, en 1369bis/1 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek (ibid., 34).

Uit de parlementaire voorbereiding moet dan ook onmiskenbaar worden begrepen dat artikel XI.334, § 1 van het Wetboek Economisch Recht niet de vereiste wettelijke basis vormt om vóór de vaststelling van een auteursrechtelijke inbreuk aan een derde de gegevens op te vragen ter identificatie van de mogelijke inbreukpleger.

7. Men kan zich echter afvragen of de redenering van de Wetgever wel correct is: immers, de zaken over de identificatie van een mogelijke inbreukpleger die bij wijze van prejudiciële verwijzing aan het Hof van Justitie werden voorgelegd, betroffen allemaal de interpretatie van (onder meer) artikel 8 van de Richtlijn, en niet van artikel 7 (HvJ 29 januari 2008, C-275/06, Promusicae, ECLI:EU:C:2008:54; HvJ 19 februari 2009, C-461/10 LSG-Gesellschaft zur Wahrnehmung von Leistungsschutzrechten, ECLI:EU:C:2009:107; HvJ 19 april 2012, C 557/07, Bonnier Audio, ECLI:EU:C:2012:219 en HvJ 16 juli 2015, C-580/13, Coty Germany, ECLI:EU:C:2015:485).

Hieruit moet worden afgeleid dat artikel 8 van de Richtlijn géén vaststelling van een inbreuk vereist om de bijkomende informatie op te vragen.

Ten overvloede moet worden opgemerkt dat de Nederlandse tekst van de eerste zin van artikel 8, 1. ("tijdens een gerechtelijke procedure wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht") verder lijkt te gaan dat de tekst in andere talen ("dans le cadre d'une action relative à une atteinte à un droit de propriété intellectuelle", "in the context of proceedings concerning an infringement of an intellectual property right"; "im Zusammenhang mit einem Verfahren wegen Verletzung eines Rechts des geistigen Eigentums"; "nel contesto dei procedimenti riguardanti la violazione di un diritto di proprietà intellettuale"; "en el contexto de los procedimientos relativos a una infracción de un derecho de propiedad intelectual"). In tegenstelling tot deze andere talen, wekt de Nederlands versie de indruk dat het moet gaan om de procedure omwille van de inbreuk zelf.

8. Het is echter niet omdat de wetgever — al dan niet ten onrechte — strengere voorwaar-den in artikel XI.334 van het Wetboek Economisch Recht heeft ingebouwd dat vereist door de Richtlijn, dat de informatiegaring niet mogelijk zou zijn op grond van andere bepalingen.

Zoals reeds aangehaald, verwijst de Wetgever zelf naar de artikelen 19, 871, 877, en 1369bis/1 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek. In het kader van een richtlijnconforme interpretatie van het Belgische recht moet dan ook worden onderzocht of deze bepalingen tot hetzelfde resultaat kunnen leiden.

9. Krachtens artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, alvorens recht te doen, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel bevelen om de vordering te onderzoeken.

Deze bepaling is om dezelfde reden als bij artikel XI.334, § 1 van het Wetboek Economisch Recht niet van toepassing: het betreft hier geen geschil over de schending van de auteursrechten van SIEMENS, doch een afzonderlijke procedure wat betreft de bewijsgaring.

10. Krachtens artikel 871 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter aan iedere gedingvoerende partij bevelen het bewijsmateriaal dat zij bezit, over te leggen.

Krachtens artikel 877 kan de rechter, wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.

Een feit is ter zake dienend in de zin van artikel 877 wanneer het verband houdt met het aan de rechter voorgelegde geschil of, zoals hier, in geval van een hoofdvordering tot overlegging van stukken, met het tot staving van die vordering aangevoerde feit (zie Cass. 11 september 2014, C.13.14.F).

11. In zijn advies voor het wetsontwerp dat aanleiding heeft gegeven tot de Wet van 9 mei 2007, bracht de Raad van State aan de orde dat artikel 877 verwijst naar een ‘stuk', en dus "dat het moet gaan om documenten in de ruime zin van het woord, dit zijn geschriften van alle aard, waarvan een afschrift kan worden geproduceerd", hetgeen niet zo ruim is als ‘bewijsmateriaal' in de zin van artikel 8 van de Richtlijn. Artikel 871 verwijst daarentegen wel naar ‘bewijsmateriaal' en zou dus wel volstaan (Parl. st. Kamer 2006 - 07, 51-2943 en 2944 / 1, 113).

De rechtbank sluit zich niet aan bij deze kritiek: deze bepaling werd samen met het Gerechtelijk Wetboek ingevoerd in 1968 en is van kracht sinds 1970. Niets staat eraan in de weg dat ze evolutief zou worden geïnterpreteerd om de gegevens te omvatten die weliswaar niet ‘op papier' staan, maar als dusdanig reeds bestaan, zoals gegevens vervat in een elektronisch systeem van welke aard ook. Ter analogie: ook de verspreiding van een strafbare meningsuiting op het Internet kan een ‘drukpersmisdrijf' uitmaken in de zin van artikel 150 van de Grondwet (zie Cass. 6 maart 2012, P.11.1374.N), zelfs indien er ten tijde van het aannemen van deze bepaling als artikel 96 van de Grondwet van 7 februari 1831 vanzelfsprekend nog geen sprake was van elektronische communicatie.

12. Er bestaat dan ook geen bezwaar om de vordering van SIEMENS te steunen op artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek.

13. Krachtens 1369bis/1 van het Gerechtelijk Wetboek — waarmee artikel 7 van de Handha-vingsrichtlijn werd omgezet — kunnen de personen die op grond van een wet betreffende het auteursrecht een vordering inzake namaak kunnen instellen, met de toestemming van de voorzitter van de rechtbank van koophandel, door een deskundige laten overgaan tot de beschrijving van alle voorwerpen, elementen, documenten of werkwijzen die van aard zijn de beweerde namaak alsook de oorsprong, de bestemming en de omvang ervan aan te tonen.

De voorzitter, die uitspraak doet over een verzoek tot verkrijging van maatregelen tot beschrijving, onderzoekt:

1) of het intellectueel eigendomsrecht waarvan de bescherming wordt ingeroepen, ogenschijnlijk geldig is;

2) of er aanwijzingen zijn dat inbreuk zou zijn gemaakt op het intellectueel eigendoms-recht of dat een inbreuk dreigt.

Uit deze bepaling volgt dat onderzoeksmaatregelen ter identificatie van een inbreukmaker mogelijk zijn wanneer de betrokken intellectuele eigendomsrechten en de inbreuk erop slechts prima facie kunnen worden vastgesteld. Wat tot de rechtsmacht van de voorzitter van de rechtbank behoort, behoort ook tot deze van de rechtbank als dusdanig.

14. Ook deze bepaling kan dan ook een grondslag vormen om de vordering van SIEMENS toe te kennen. Hierbij moet worden benadrukt dat uit de eerder aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de Wetgever deze opties uitdrukkelijk heeft onderzocht. Het is dus niet zo dat hier het toepassingsgebied van de bestaande bepalingen, die aan de Handhavingsrichtlijn voorafgaan, wordt uitgebreid. De Wetgever heeft integendeel geacht dat deze bestaande bepaling op zich voldoende waren om de doelstellingen van de Richtlijn te bereiken. Ongeacht de wijze waarop is overgegaan tot omzetting van de Handhavingsrichtlijn, is duidelijk dat de Wetgever in de mogelijkheid van bewijsgaring zoals hier aan de orde heeft willen voorzien.

2. De afweging van de maatregel

15. Zoals hoger vermeld moet de vordering van SIEMENS worden afgetoetst aan de criteria van legaliteit, legitimiteit en proportionaliteit.

16. Er werd reeds vastgesteld dat artikel 877 (en in aanvullende mate artikel 1369bis/1) van het Gerechtelijk Wetboek een wettelijke basis bieden voor de vordering.

17. De handhaving van intellectuele eigendomsrechten is op zich een legitiem doel. Conside-rans 2 van de Handhavingsrichtlijn stelt immers vast dat de bescherming van de intellectuele eigendom de uitvinder of maker in staat moet stellen rechtmatig profijt van zijn uitvinding of schepping te trekken en bovendien een zo groot mogelijke verspreiding van werken, denk-beelden en nieuwe kennis mogelijk maken.

18. Er moet ook worden aangenomen dat de toekenning van de gevorderde maatregel het evenredigheidsbeginsel zou respecteren.

Het Hof van Justitie besloot dat een nationale wetgeving (§ 53 c en d van de Zweedse Au-teurswet) die een bevel tot mededeling van de betrokken gegevens slechts mogelijk maakt indien duidelijke bewijzen van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht op een werk zijn overgelegd, de gevraagde gegevens de opsporing van een inbreuk op het auteursrecht kunnen vergemakkelijken en het belang van de redenen voor dit bevel opweegt tegen de ongemakken of andere nadelen ervan voor degene tot wie het is gericht, of tegen enig ander daarmee strijdig belang, de rechter mogelijk maakt om de in het geding zijnde tegengestelde belangen op basis van de concrete omstandigheden van de zaak af te wegen en daarbij terdege rekening te houden met de uit het evenredigheidsbeginsel voortvloeiende vereisten (HvJ 19 april 2012, C-461/10, Bonnier Audio, ECLI:EU:C:2012:219, punten 58 en 59).

Naar analogie kunnen dezelfde criteria hier worden gehanteerd.

Hierbij moet bovendien worden opgemerkt dat de Franse versie van het arrest — de werkingstaal van het Hof van Justitie — het heeft over "des indices réels d'atteinte à un droit de propriété intellectuelle": er hoeven dus geen "duidelijke bewijzen" te worden voorgelegd, maar ernstige aanwijzingen.

19. De rechtbank stelt vast dat SIEMENS geen absoluut bewijs van een inbreuk bijbrengt. Er kan bijvoorbeeld niet op voorhand worden uitgesloten dat de automatische melding van het gebruik van een ongeldig licentiebestand het gevolg zou zijn van een technische storing. Toch maakt zij het bestaan van deze inbreuk meer dan waarschijnlijk.

Het staat ook vast dat de identificatiemaatregel die zij van TELENET vraagt, van die aard is dat deze de handhaving van haar rechten zal vergemakkelijken.

Het ongemak van TELENET is daarbij miniem, zeker gelet op de vergoeding die haar zal worden toegekend (waarover verder meer).

20. Er moet dan ook worden besloten dat de gevorderde maatregel evenredig is met het doel dat zij nastreeft.

3. Concretisering van de maatregel

21. Samen met TELENET moet worden aangenomen dat het eerste van de betrokken egress-domeinen meer dan één jaar vóór het bevel van de voorzitter van deze rechtbank niet meer in gebruik was.

Er moet worden aanvaard dat TELENET zich niet meer in de mogelijkheid bevindt hierover in-formatie mee te delen.

22. Het spreekt voor zich dat SIEMENS de verkregen persoonsgegevens enkel kan verwerken in het kader van de handhaving van haar auteursrechten op de software in kwestie.

SIEMENS zelf beperkt haar vordering tot de hypothese waarin de geïdentificeerde vermoedelijke inbreukmaker een onderneming zou zijn. Deze beperking zal worden opgenomen in het bevel. De verwijzing naar de definitie van de onderneming (artikel I.1, lid 1, 1° van het Wetboek Economisch Recht) geldt hier onverminderd, ondanks het gegeven dat deze definitie als zodanig niet van toepassing is op Boek XI van het Wetboek Economisch Recht (artikel I.1 in fine).

23. Verder vordert TELENET dat SIEMENS zou worden veroordeeld om haar te vrijwaren voor mogelijke aanspraken van de gebruiker in kwestie.

Deze vraag is hier en nu niet aan de orde, zodat TELENET geen actueel belang heeft om deze hypothetische vordering te stellen.

24. TELENET komt op tegen de gevorderde dwangsom van euro 100.000,00 per dag.

Gelet op de maatregel waartoe zijn wordt veroordeeld enerzijds, die slechts van particulier belang is, en de omvang van haar onderneming anderzijds, bepaalt de rechtbank de dwang-som op euro 10.000,00 per dag, met een maximum van euro 100.000,00.

25. Krachtens artikel 12, lid 1, van richtlijn 2000/31 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatie-maatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt, is de dienstverlener niet aansprakelijk voor de doorgegeven informatie, wanneer de dienst bestaat in het doorgeven in een communicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, of in het verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk (‘mere conduit' of doorgeefluik), op voorwaarde dat:

a) het initiatief tot de doorgifte niet bij de dienstverlener ligt;

b) de ontvanger van de doorgegeven informatie niet door de dienstverlener wordt geselecteerd, en

c) de doorgegeven informatie niet door de dienstverlener wordt geselecteerd of gewij-zigd.

Deze bepaling staat eraan in de weg dat een persoon die door de schending van zijn rechten op een werk is benadeeld, jegens een aanbieder van toegang tot een communicatienetwerk schadevergoeding kan vorderen omdat een toegang tot dat netwerk door derden is gebruikt om inbreuk op zijn rechten te maken, alsook de vergoeding van de kosten van ingebrekestelling en de gerechtskosten die hij met het oog op de schadevordering heeft gemaakt. Daarentegen moet die bepaling aldus worden uitgelegd dat zij niet eraan in de weg staat dat die persoon jegens een aanbieder van toegang tot een communicatienetwerk van wie de diensten zijn gebruikt om die inbreuk te plegen, vordert dat de voortzetting van die inbreuk wordt verboden, alsook de betaling van de kosten van ingebrekestelling en de gerechtskosten, wanneer die vorderingen gericht zijn of aansluiten op de vaststelling van een bevel door een nationale autoriteit of rechterlijke instantie op grond waarvan het die aanbieder wordt verboden het voortduren van die inbreuk mogelijk te maken (HvJ 15 september 2016, C-484/14, McFadden, ECLI:EU:C:2016:689,punt 79).

Nu het hier niet gaat om een vordering die de stopzetting van de inbreuk beoogt, kunnen er geen gerechtskosten ten laste van TELENET worden gelegd. Het staat SIEMENS uiteraard vrij deze kosten gebeurlijk te verhalen op de inbreukmaker.

De rechtbank stelt verder vast dat de kosten gemaakt naar aanleiding van het eenzijdig ver-zoek geen kosten van de huidige procedure zijn en dus niet kunnen worden vereffend. Alleszins geeft deze procedure geen aanleiding tot een rechtsplegingsvergoeding (zie S. VOET, ‘Enkele praktische knelpunten bij de toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten', RW 2007 - 08, afl. 27, (1129) 1131).

26. TELENET vordert een vergoeding voor de kosten die zij naar aanleiding van deze vordering oploopt.

Hetzelfde principe rechtvaardigt deze vergoeding.

Naar analogie met de tarieven die ten aanzien van de overheid gelden in strafonderzoeken (concreet artikel 2, 2° van de Bijlage bij het KB van 8 november 2016 ‘tot wijziging van het ko-ninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkings-plicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie', BS 22 december 2016), zal de rechtbank TELENET hiervoor een vergoeding van euro 80,00 per identificatie toekennen.

V. BESLISSING

Rechtdoende op tegenspraak en na erover te hebben beraadslaagd, komt de Rechtbank tot volgende beslissing:

- zij verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond,

- zij beveelt de BVBA TELENET tot mededeling aan de vennootschap naar het recht van de staat Texas SIEMENS PRODUCT LIFECYCLE MANAGEMENT SOFTWARE, Inc. van de gegevens ter identificatie van de gebruiker(s) betreffende de egress-domeinen dD576532A.access.telenet.be en dD576A091.acces.telenet.be, in zoverre de gebruiker(s) zou(den) blijken een onderneming in de zin van artikel I.1, lid 1, 1° van het Wetboek Economisch Recht te betreffen, onder verbeurte van een dwangsom van euro 10.000,00 per egress-domein en per dag vertraging, te verbeuren een maand na betekening van dit vonnis, met een maximum van euro 100.000,00,

- zij bepaalt dat de vennootschap naar het recht van de staat Texas SIEMENS PRODUCT LIFECYCLE MANAGEMENT SOFTWARE, Inc. slechts gebruik kan maken van deze gegevens om haar rechten als houder van het auteursrecht op het programma NX uit te oefenen ten aanzien van de (mogelijke) inbreukmaker op de licentie van dit programma, dat zij deze persoonsgegevens niet onrechtmatig mag verwerken (met inbegrip van de onrechtmatige mededeling aan derden), en dat zij deze gegevens niet langer mag bijhouden dan nodig in het kader van de handhaving van haar auteursrechten ten aanzien van deze inbreukmaker,

- zij veroordeelt de vennootschap naar het recht van de staat Texas SIEMENS PRODUCT LIFECY-CLE MANAGEMENT SOFTWARE, Inc. tot betaling aan de BVBA TELENET van een vergoeding van euro 160,00,

- zij verwerpt alle andere en strijdige middelen als niet ter zake dienend,

- zij stelt vast dat de vennootschap naar het recht van de staat Texas SIEMENS PRODUCT LIFECYCLE MANAGEMENT SOFTWARE, Inc. dagvaardingskosten van euro 264,77 en een rechtsplegingsvergoeding van euro 1.440,00 begroot, maar bepaalt dat de BVBA TELENET hier niet in kan worden verwezen.

Dit vonnis werd gewezen door de 18de kamer van de Rechtbank van Koophandel Antwerpen, afdeling Antwerpen uitgesproken in openbare zitting van diezelfde kamer op 19 januari 2017

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 23/06/2018 - 19:33
Laatst aangepast op: za, 23/06/2018 - 19:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.