-A +A

Spoedeisend karakter annulatieprocedure voor de raad van state

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
don, 28/01/2016

De spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Het komt aan verzoeker toe om aan de hand van concrete feiten te overtuigen van de urgentie van zijn zaak.

De doorlooptijd van een annulatieprocedure is in de regel tot een minimum beperkt en kan niet op zich als een element van de urgentie worden ingeroepen.

Het gedrag of de houding van de verzoekende partij zelf is één van de elementen waarmee rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van de beweerde spoedeisendheid.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/12
Pagina: 
867
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Wim Heethem / Brussels Hoofdstedelijk Gewest)

I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 21 september 2015, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 juli 2015 waarbij de beroepen ingesteld tegen het besluit van het Milieucollege van 4 maart 2013, houdende aflevering van een milieuvergunning voor de ingedeelde inrichtingen van een winkelcentrum met grote speciaalzaken en ambachtelijke activiteiten “Docks Bruxsel”, gelegen aan de Werkhuizenkaai 158-163 te Brussel, ontvankelijk maar ongegrond worden verklaard en de milieuvergunning wordt “bevestigd in al haar bepalingen”.

II. Verloop van de rechtspleging
(…)

III. Tussenkomst
(…)

IV. Feiten
4.1. De tussenkomende partijen zijn initiatiefnemers van een project dat bestaat in de bouw en uitbating van een commercieel centrum aan de Werkhuizenkaai te Brussel, ter hoogte van de Van Praet-brug over het kanaal.

Het project was eerst bekend onder de benaming “Just Under The Sky” (JUTS), maar werd inmiddels omgedoopt tot “Docks Bruxsel”.

4.2. Na een procedure te hebben doorlopen tot het verkrijgen van een milieuattest, dient de eerste tussenkomende partij op 1 februari 2012 bij het stadsbestuur van Brussel een milieuvergunningsaanvraag in voor de als hinderlijk ingedeelde onderdelen van de inrichting (waaronder een overdekte parkeergelegenheid).

Het Brussels Instituut voor Milieubeheer (hierna: BIM) verleent met een besluit van 6 juli 2012 de gevraagde milieuvergunning.

4.3. Tegen deze beslissing wordt door een aantal partijen (waaronder 4 VZW's) beroep ingesteld bij het Brusselse Milieucollege.

Het Milieucollege verklaart de beroepen met een besluit van 6 november 2012 ontvankelijk en deels gegrond, vernietigt de door het BIM verleende milieuvergunning, en beslist dat het eerder verkregen milieuattest geldt als milieuvergunning voor het project.

4.4. Na administratief beroep van onder andere verzoeker tegen de laatstgenoemde beslissing, oordeelt het Milieucollege bij besluit van 4 maart 2013 dat de beroepen ongegrond zijn, en wordt de milieuvergunning verleend.

4.5. Tegen deze beslissing volgen beroepen van onder andere verzoeker bij de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.

Met een besluit van 20 juni 2013 verklaart de regering deze beroepen ongegrond, en wordt de door het Milieucollege verleende milieuvergunning “bevestigd in al haar bepalingen”.

Daartegen wordt een beroep ingesteld bij de Raad van State (zaak G/A 210.079/VII-38.885).

4.6. Na het verslag van de auditeur, die adviseert de beslissing te vernietigen, trekt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op 2 juli 2015 deze beslissing in.

Diezelfde dag neemt de regering een afzonderlijk nieuw besluit in het dossier, en wordt opnieuw beslist de beroepen te verwerpen als ongegrond en de op 4 maart 2013 verleende milieuvergunning te bevestigen “in al haar bepalingen”.

4.7. Voor het project werd op 19 juli 2012 ook een stedenbouwkundige vergunning verleend door het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel.

Verzoeker vordert voor de Raad van State de nietigverklaring van deze beslissing in een procedure gekend onder G/A 206.510/XV-2.064. Dit beroep is nog hangende, alsook een andere procedure die werd aanhangig gemaakt tegen dezelfde beslissing (G/A 206.518/ XV-2.066).

Het annulatieberoep dat de stad Leuven tegen deze stedenbouwkundige vergunning aantekende, werd door de Raad van State reeds verworpen met een arrest nr. 226.145 van 21 januari 2014.

In de inleidende akte deelt verzoeker mee dat de eerste tussenkomende partij intussen een nieuwe aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning zou hebben ingediend met het oog op een aanpassing van de op te richten gebouwen. Het zou daarbij de bedoeling zijn om zowel de vloeroppervlakte in het complex op te drijven als het aantal ondergrondse parkeerplaatsen te verhogen.

Verzoeker heeft tijdens het openbaar onderzoek over deze aanvraag bezwaar ingediend.

4.8. Voor het handelscomplex heeft het interministerieel comité voor de distributie op 7 januari 2013 een socio-economische machtiging verleend. Deze werd door de Raad van State nietig verklaard bij arrest nr. 230.271 van 24 februari 2015.

Inmiddels werd door het interministerieel comité voor de distributie op 9 april 2015 een nieuwe socio-economische vergunning verleend, die door verzoeker opnieuw wordt aangevochten met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (procedure gekend onder G/A 216.215/X-16.274).

V. Voorwaarden van de vordering tot schorsing
5. Op grond van artikel 17, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat prima facie de vernietiging van de aangevochten akte of het reglement kan verantwoorden en dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring.

Spoedeisenheid
Standpunten van de partijen
6. Verzoeker voert, samengevat, aan dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem “een ernstig nadeel met een onherstelbaar karakter” zal berokkenen, dat hij woont langs één van de voornaamste toegangswegen voor het cliënteel dat zich naar het complex zal begeven, dat ongeveer 80% van de bezoekers deze route zouden nemen, dat hij ook vlakbij het “klassiek pijnpunt” van de kruising van de Lambermontlaan met de Prinses Elisabethlaan woont waar er tot zelfs op zaterdag nu reeds filevorming is, dat ook parkeeroverlast moet worden verwacht, dat de opgemaakte effectenstudie ernstige verkeersproblemen voorspelt die bovenop de reeds bestaande congestieproblematiek zullen komen, dat de in het vooruitzicht gestelde verkeersmaatregelen zoals de aanleg van nieuwe tramhaltes en een voetgangerstunnel naar het station van Schaarbeek “er nooit zullen komen”, dat de vooropgestelde “modal shift” naar openbare vervoersmodi niet aannemelijk is, dat de Raad van State ook in de Uplace-zaak de verwachte verkeersproblemen als moeilijk te herstellen ernstig nadeel heeft weerhouden, dat de bouw van het shoppingcenter werd aangevat in mei 2014 en dat de werken vorderen, dat een dringende schorsing van de milieuvergunning zich opdringt “vooraleer uitspraak wordt gedaan in het kader van het beroep tot nietigverklaring tegen de stedenbouwkundige vergunning of de milieuvergunning”, dat verzoeker in eerdere procedures de schorsing niet heeft gevorderd “omdat er geen enkele indicatie was dat de werken opgestart zouden worden en omdat de werken gericht op de opbouw van het centrum na opstart in elk geval zeer ruime tijd in beslag zouden nemen”, dat nu echter “de effectieve exploitatie op relatief korte termijn een feit kan zijn, en dat de handelwijze van de verwerende partij belet dat in de procedure (of één van de procedures) uitspraak wordt gedaan over de grond van de zaak terwijl de werken intussen onverdroten verdergaan”.

7. In de nota gaat de verwerende partij niet uitdrukkelijk in op het al dan niet vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarde van de spoedeisendheid.

Wel betwist zij, met betrekking tot het belang, de ernst van de hinder die verzoeker zou lijden door de komst van het vergunde complex.

8. De tussenkomende partijen betwisten het voorhanden zijn van spoedeisendheid, en laten daarbij samengevat (en vrij vertaald) gelden dat verzoeker 59 dagen heeft gewacht met het instellen van de schorsingsvordering na kennisname van de bestreden beslissing, dat de werken reeds in een ver gevorderde staat zijn, dat bijvoorbeeld de parkings klaar zijn, dat verzoeker onvoldoende aantoont ernstige hinder te zullen ondervinden, dat er geen vergelijking mogelijk is met het Uplace-dossier waar de bestaande infrastructuur immers ontoereikend is, dat de hinderaspecten die verzoeker inroept ook reeds aanwezig waren toen de eerste milieuvergunning werd verleend, dat het er verzoeker kennelijk eerder om te doen is om de opening van het complex te vertragen, dat het einde van de werken en de opening van het complex is voorzien voor ten vroegste oktober 2016, dat het inwilligen van het schorsingsverzoek disproportionele gevolgen zou hebben voor de tussenkomende partijen en voor het algemene belang, en dat verzoeker ook niet aantoont dat de tenuitvoerlegging van de beslissing onomkeerbare gevolgen zou hebben.

Beoordeling
9. De spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Het komt aan verzoeker toe om aan de hand van concrete feiten te overtuigen van de urgentie van zijn zaak.

De doorlooptijd van een annulatieprocedure is in de regel tot een minimum beperkt en kan niet op zich als een element van de urgentie worden ingeroepen.

In de eerste plaats kan men niet om de vaststelling heen dat verzoeker weliswaar inderdaad steeds de voor het complex verleende toelatingen en vergunningen in rechte heeft aangevochten, maar dit nu pas voor de eerste maal doet met een vordering tot schorsing.

Het gedrag of de houding van de verzoekende partij zelf is één van de elementen waarmee rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van de beweerde spoedeisendheid.

De uitleg die verzoeker in dit verband geeft kan niet overtuigen.

In het licht van het vereiste dat een verzoekende partij bij het aantonen van spoedeisendheid moet aannemelijk maken dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haarzelf ernstige gevolgen dreigt te zullen hebben, is het niet redelijk te verantwoorden om ter gelegenheid van het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning, de socio-economische vergunning, en de eerste milieuvergunning voor het project geen schorsingsvordering aanhangig te maken en op die manier minstens impliciet te kennen te geven geen ernstig nadeel te lijden wegens de mogelijke tenuitvoerlegging van elk van deze vergunningen, en pas nu, op een ogenblik dat de werken voor het oprichten van de gebouwen van het complex inderdaad in volle gang zijn en zich zelfs reeds kennelijk in een gevorderde staat van uitvoering bevinden, naar voor te brengen dat er “spoedeisendheid” bestaat om de nieuwe milieuvergunning te schorsen.

De stand van uitvoering van de werken is daarbij zeker geen argument dat van aard zou kunnen zijn om die spoedeisendheid te staven, integendeel.

Verzoeker toont met zijn uiteenzetting misschien wel een belang aan om de bestreden beslissing vernietigd te zien. Hij maakt echter niet aannemelijk dat de gevolgen van de mogelijke tenuitvoerlegging van het besluit voor hemzelf, in zijn persoonlijke leef- en woonsituatie, dermate zwaarwichtig en ernstig zouden zijn dat een onmiddellijke, of toch op korte termijn uit te spreken schorsing zich zou opdringen. Zo erkent hij dat hij woont op een locatie die nu reeds fel te lijden heeft onder fenomenen van verkeerscongestie, en wordt er niet aangetoond dat het mogelijk gedurende korte tijd (in de hypothese dat het complex zou open gaan voordat er in de huidige zaak, of bijvoorbeeld in de andere zaken met betrekking tot de stedenbouwkundige vergunning, een uitspraak ten gronde van de Raad van State zou kunnen tussenkomen) moeten verdragen van bijkomend autoverkeer van en naar het complex voor hemzelf bijzonder zwaar om dragen zou zijn.

De bestreden milieuvergunning werd bovendien verleend voor de onderdelen van het project die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan een milieuvergunning onderworpen zijn. Het betreft meer bepaald verwarmings-, verbrandings- en koelinstallaties, de opslag van afval, elektrische installaties, ventilatoren en de parking. Bezwaarlijk kan worden gesteld dat de hinderaspecten waarvan verzoeker in zijn uiteenzetting omtrent de spoedeisendheid gewag maakt, voornamelijk zouden voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning die werd verleend voor die activiteiten en rubrieken.

10. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie te onderzoeken.

BESLISSING

(…)

 

Noot: 

Lust, P.-D.-S., « De spoedeisendheid in het administratief kort geding », R.A.B.G., 2016/12, p. 872-875

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 13/07/2017 - 11:43
Laatst aangepast op: do, 13/07/2017 - 11:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.