Te kwader trouw registreren van domeinnamen
Een registratie van een domeinnaam impliceert een afzonderlijke registratieovereenkomst.
Massale registratie van meerdere, in casu meer dan 10.000 domeinnamen, waarop derden rechten kunnen laten gelden om deze met winst door te verkopen is onwettig en kan resulteren in de ontbinding van de registratieovereenkomsten
(Z.Q./EURID VZW)
(Advocaten: Mr. G. Bogaert, Mr. T. Heremans)
(...)
I. Samenvatting van de relevante feiten, van de procedurevoorgaanden en van het in hoger beroep gevorderde
1. In uitvoering van artikel 3 van verordening (EG) 733/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 22 april 2002 betreffende de invoering van het .eu-topniveaudomein (“.eu-TLD”), werd de VZW EURid, geïntimeerde, aangewezen als register voor het betrokken topniveaudomein, hetgeen impliceert dat zij gelast werd met de organisatie, de administratie en het beheer ervan. Alle aanvragen tot registratie van een “.eu”-domeinnaam of tot wijziging van een bestaande registratie moeten bij het register ingediend worden.
2. Appellante, van Chinese nationaliteit, heeft tijdens de periode van 7 juni 2006 tot januari 2007, 10.200 .eu-domeinnamen geregistreerd (stuk 13 van geïntimeerde). Volgens geïntimeerde werden 8.000 van deze domeinnamen geregistreerd daags na het verstrijken van de “sunrise periode”, zijnde de periode van 7 december 2005 tot en met 6 april 2006, tijdens dewelke de houders van oudere rechten (onder meer licentiehouders van nationale merken, gemeenschapsmerken, geografische aanduidingen en handelsnamen) de mogelijkheid hadden om hun naam als een .eu-domeinnaam aan te vragen. Deze bewering van geïntimeerde, die door appellante betwist wordt, wordt echter niet gestaafd. Stuk 13 van geïntimeerde maakt melding van de registratie van de litigieuze domeinnamen met ingang van 7 juni 2006.
Ter gelegenheid van de registratie van de domeinnamen werd door appellante het volgende adres opgegeven als registratieadres: ( ... ), G.-B.
Appellante voert aan dat zij de 10.200 litigieuze domeinnamen geregistreerd heeft met het oog op “directe navigatie”. Directe navigatie bestaat erin om in de adresbalk van de “browser” (een “browser” zet webpagina’s die door een webserver zijn aangeleverd om in een voor mensen leesbare vorm) van een computer een domeinnaam in te typen om bepaalde informatie te vinden, buiten een zoekmachine om. Hiervoor wordt een beroep gedaan op beschrijvende, eenvoudige, logische en gemakkelijk te onthouden domeinnamen.
3. Appellante stelt dat geïntimeerde in augustus 2006 onaangekondigd een groot aantal domeinnamen die geregistreerd werden door appellante, blokkeerde, om ze enkele maanden later te deblokkeren. Geïntimeerde betwist dit echter en appellante levert niet het bewijs van hetgeen zij aanvoert (de stukken A. 0 a en b waarnaar appellante verwijst, bewijzen niet dat geïntimeerde in augustus 2006 een aantal domeinnamen geregistreerd door appellante geblokkeerd heeft).
Wel blijkt uit e-mailcorrespondentie die door appellante neergelegd werd (de stukken A. 0 a en b van haar dossier) dat geïntimeerde twijfels had aangaande de precieze verblijfplaats van appellante en dat zij dienaangaande over sluitende bewijzen wenste te beschikken.
In augustus 2006 liet appellante aan geïntimeerde een “Certificate of Registration” (“bewijs van registratie”) geworden in verband met haar oude en haar nieuwe verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk. De foto van appellante was op dit stuk echter volledig zwart, zodat zij onherkenbaar was.
4. Door middel van een schrijven d.d. 19 februari 2007 verzocht geïntimeerde appellante om haar te informeren aangaande haar ware verblijfplaats in de Europese Gemeenschap en om dit adres weer te geven in het “.eu”-register voor elke geregistreerde domeinnaam. In de brief van geïntimeerde werd gesteld dat indien zij de gevraagde informatie niet zou ontvangen, zij alle nodige stappen zou ondernemen opdat de artikelen 3 en 20 van de verordening (EG) nr. 874/2004 van de Commissie van 28 april 2004 tot vaststelling van de regels met betrekking tot het overheidsbeleid voor de toepassing en werking van het .eu-TLD en de beginselen inzake registratie zouden nageleefd worden.
Een Londense gerechtsdeurwaarder heeft zich op 5 maart 2007 aangeboden op het oude en het nieuwe adres van appellante om haar het schrijven van geïntimeerde d.d. 19 februari 2007 te betekenen, doch kon haar op geen van beide adressen aantreffen. Het schrijven van geïntimeerde d.d. 19 februari 2007 werd uiteindelijk aan appellante in persoon betekend op 27 maart 2007.
Appellante richtte op 2 april 2007 een schrijven tot de raadsman van geïntimeerde, waarmee zij liet weten dat zij sedert 17 september 2003 verblijft te ( ... ).
Op 12 juni 2007 ging geïntimeerde over tot de blokkering van de .eu-domeinnamen die geregistreerd werden door appellante.
Door middel van brieven d.d. 18 juni 2007 en 5 juli 2007 informeerden appellante en haar Engelse raadsman de raadsman van geïntimeerde nogmaals over de identiteit en de verblijfplaats van appellante. Door appellante werden verschillende stukken meegedeeld aan de raadsman van geïntimeerde ter staving van de bewering dat zij verblijft op het door haar opgegeven adres.
Geïntimeerde liet door middel van een schrijven d.d. 13 juli 2007 aan de raadsman van appellante weten dat de meegedeelde stukken geen betrekking hadden op de periode waarin appellante de litigieuze domeinnamen registreerde en dat zij nog steeds ernstige twijfels had of appellante wel op het door haar meegedeelde adres verbleef tijdens de periode van de registratie van de domeinnamen, reden waarom zij de deblokkering van de domeinnamen weigerde.
Per e-mail d.d. 19 juli 2007 liet de Engelse raadsman van appellante aan geïntimeerde bijkomende stukken geworden ter staving van de persoonsgegevens van haar cliënte.
5. Op 20 juli 2007 ging geïntimeerde over tot dagvaarding van appellante voor de eerste rechter.
(...)
Bij het bestreden vonnis heeft de eerste rechter:
– de hoofdvordering van geïntimeerde ontvankelijk en in de volgende mate gegrond verklaard:
– vastgesteld dat appellante de in de dagvaarding opgesomde domeinnamen te kwader trouw heeft geregistreerd en in strijd met de rechten van derden en bijgevolg een inbreuk heeft begaan op artikel 3 van verordening (EG) nr. 874/2004 van de Commissie van 28 april 2004 tot vaststelling van regels met betrekking tot het overheidsbeleid voor de toepassing en werking van het .eu-topniveaudomein en de beginselen inzake registratie;
– de ontbinding bevolen van de registratieovereenkomst ex nunc van de in de dagvaarding opgesomde domeinnamen;
– voor recht gezegd dat geïntimeerde bij toepassing van artikel 20, 1ste lid en 2de lid van verordening (EG) nr. 874/2004 gerechtigd is om de in de dagvaarding opgesomde domeinnamen in te trekken;
– de tegenvordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond verklaard; – appellante veroordeeld in de kosten van het geding.
6. Op 23 augustus 2007 was appellante overgegaan tot dagvaarding van geïntimeerde voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend in kort geding, teneinde de opheffing te bekomen van de blokkering van de litigieuze domeinnamen. De vordering van appellante werd bij een beschikking gewezen op 26 oktober 2007 ongegrond verklaard. Appellante heeft op 30 november 2007 hoger beroep aangetekend tegen de beschikking van de kortgedingrechter. Er werd nog geen uitspraak gedaan over dit hoger beroep.
7. Uit een schrijven dat op 21 december 2007 door de raadsman van appellante tot de raadsman van geïntimeerde gericht werd, blijkt dat appellante in augustus 2007 en in november 2007 respectievelijk 522 en 705 domeinnamen die door haar geregistreerd werden, heeft laten schrappen.
Tevens werden er door appellante een aantal domeinnamen verkocht of overgedragen (het gaat volgens geïntimeerde om 1.410 domeinnamen; volgens appellante zelf gaat het om 2.796 + 3.709 + 46 domeinnamen).
Appellante werd in het kader van een aantal ADR-procedures (de ADR-procedure is een procedure voor alternatieve geschillenbeslechting die door geïntimeerde georganiseerd werd zoals in artikel 22 van verordening (EG) 874/2004 bepaald) veroordeeld om over te gaan tot de overdracht van een aantal domeinnamen aan derden.
Een aantal andere derden hebben geen ADR-procedure gevoerd, doch verzochten geïntimeerde om op te treden tegen de registratie door appellante van een domeinnaam waarop zij rechten lieten gelden.
8. Appellante verzoekt het hof in het kader van de huidige procedure om:
– haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis d.d. 10 september 2009 te hervormen en:
– in hoofdorde:
– het bestreden vonnis te bevestigen in de mate dat gesteld werd dat appellante haar woonplaats heeft in de Europese Gemeenschap en vervolgens:
– te zeggen voor recht dat niet voldaan is aan de voorwaarden voor de gerechtelijke en/of de buitengerechtelijke ontbinding van de registratieovereenkomst gesloten voor elk van de domeinnamen van appellante;
– te zeggen voor recht dat appellante de domeinnamen niet geregistreerd heeft in strijd met de rechten van derden en bijgevolg geen inbreuk heeft begaan op artikel 3 van verordening (EG) nr. 874/2004;
– te zeggen voor recht dat geïntimeerde niet gerechtigd is om de domeinnamen van appellante in te trekken;
– te zeggen voor recht dat de voorwaarden van paragraaf 9.3. van de algemene voorwaarden .eu-domeinnamen voor het blokkeren van domeinnamen niet vervuld zijn:
– en vervolgens
– geïntimeerde te bevelen alle domeinnamen van appellante onmiddellijk te deblokkeren, op straffe van de verbeurte van een dwangsom van 5.000 EUR per inbreuk, per domeinnaam en per dag, zolang de inbreuk zou voortduren, te rekenen vanaf 24 uur na de betekening van de beslissing van het hof;
– in ondergeschikte orde:
– te zeggen voor recht dat geïntimeerde enkel gerechtigd is om de domeinnamen in te trekken waarvoor bewezen werd dat zij te kwader trouw geregistreerd werden;
– geïntimeerde te bevelen, alle overige domeinnamen van appellante onmiddellijk te deblokkeren, op straffe van de verbeurte van een dwangsom van 5.000 EUR per inbreuk, per domeinnaam en per dag, zolang de inbreuk zou voortduren, te rekenen vanaf 24 uur na de betekening van de beslissing van het hof;
– wat het incidenteel beroep betreft
– te zeggen voor recht dat appellante de domeinnamen geregistreerd heeft met opgave van haar correcte naam, adres en verblijfplaats in de Europese Gemeenschap en vervolgens geen inbreuk heeft gepleegd op artikel 3, 1ste lid en 2de lid van verordening (EG) nr. 874/2004 en het incidenteel beroep van geïntimeerde zodoende ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;
– in elk geval, geïntimeerde te veroordelen tot een schadevergoeding provisioneel
begroot op 221.815,43 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten tot
op de dag der volledige betaling;
– geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide aanleggen, een rechtsplegingsvergoeding van 5.000 EUR per aanleg inbegrepen.
Geïntimeerde verzoekt het hof om:
– in hoofdorde:
– het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;
– wat het incidenteel beroep van geïntimeerde betreft:
– vast te stellen dat appellante door de in de dagvaarding opgesomde domeinnamen te laten registreren zonder juiste opgave van zijn/haar naam of adres in de Gemeenschap of in strijd met de rechten van derden, een inbreuk pleegt op artikel 3, 1ste lid en 2de lid 2 van verordening (EG) nr. 874/2004;
– de vordering tot schadevergoeding van appellante omwille van het feit dat geïntimeerde haar domeinnamen blokkeerde, onontvankelijk te verklaren;
– in ondergeschikte orde: de dwangsommen te verminderen tot een redelijk bedrag per geblokkeerde domeinnaam, alsook tot een maximumbedrag van 50.000 EUR te plafonneren;
– appellante te veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 4.000 EUR per aanleg.
II. Bespreking
Het incidenteel beroep van geïntimeerde tegen het bestreden vonnis dat ertoe strekt vast te stellen dat appellante door de in de dagvaarding opgesomde domeinnamen te laten registreren zonder juiste opgave van zijn/haar naam of adres in de Gemeenschap of in strijd met de rechten van derden, een inbreuk pleegt op artikel 3, 1ste lid en 2de lid van verordening (EG) nr. 874/2004.
9. Volgens geïntimeerde heeft de eerste rechter ten onrechte geoordeeld dat de door appellante voorgelegde stukken aantonen dat zij in de Europese Unie op het adres (... ) woont, zodat zij voldoet aan de voorwaarde van artikel 4.2., b) van verordening (EG) nr. 733/2002.
Geïntimeerde betwist dit en voert aan dat appellante geen echte woonplaats heeft in de Europese Gemeenschap, met name een hoofdverblijf waar zij haar burgerlijke rechten uitoefent en waar ze gerechtelijke en buitengerechtelijke documenten kan ontvangen.
Artikel 4, 2., b) van verordening (EG) nr. 733/2002 bepaalt dat geïntimeerde slechts domeinnamen mag registreren die aangevraagd worden door:
(1) bedrijven die hun vestigingsplaats, hoofdbestuur of hoofdkantoor in de Gemeenschap hebben, of
(2) organisaties die in de Gemeenschap gevestigd zijn, zonder afbreuk te doen aan de toepassing van de nationale wetgeving, of
(3) natuurlijke personen die in de Gemeenschap verblijven.
Geïntimeerde verwijst tevens naar de bepalingen van artikel 3, 1., a) en 2. van verordening (EG) 874/2004 volgens dewelke een aanvraag tot registratie van een .eu-domeinnaam te allen tijde de naam en het adres van de partij die de aanvraag indient bevat, en dat elke onjuistheid in deze vermelde gegevens een inbreuk vormt op de voorwaarden voor registratie.
Ten slotte verwijst geïntimeerde naar de paragrafen 1 (iii) en 5 van de bepalingen van het registratiebeleid .eu-domeinnamen (stuk 1.3. van geïntimeerde) die respectievelijk bepalen dat de registreerder (in casu appellante) de natuurlijke persoon is die in de Gemeenschap verblijft en dat de registreerder de verplichting heeft om gedurende de termijn van registratie onder meer zijn volledige naam, adres en land binnen de Gemeenschap waar hij verblijft en telefoonnummer waarop hij bereikbaar is, te allen tijde volledig en juist te houden.
Appellante legt ter staving van haar bewering dat zij wel degelijk haar woonplaats/verblijfplaats heeft op het door haar opgegeven adres in Londen, volgende bewijsstukken neer:
– een bewijs van registratie (“Certificate of Registration”) d.d. 29 augustus 2002 dat aaneensluitend geldig verlengd werd tot 31 juli 2009, krachtens hetwelk appellante tot voormelde datum in het Verenigd Koninkrijk mocht verblijven; er wordt melding gemaakt van het oorspronkelijke adres van appellante te (...) en van haar nieuw adres sedert 17 september 2003 te ( ... );
– een verblijfsvergunning d.d. 3 november 2004, geldig tot 30 november 2005 die appellante toeliet in het Verenigd Koninkrijk te verblijven;
– een verblijfsvergunning d.d. 6 december 2005, geldig tot 31 oktober 2007 die
appellante toeliet tijdens deze periode in het Verenigd Koninkrijk te verblijven; – een verblijfsvergunning d.d. 1 november 2007, geldig tot 31 juli 2009, die appel-
lante toeliet tijdens deze periode in het Verenigd Koninkrijk te verblijven;
– een Chinees paspoort uitgereikt op 17 april 2002, geldig tot 16 april 2007 en
verlengd tot 15 april 2012;
– een gasrekening d.d. 27 februari 2007 voor de periode van 5 december 2006 tot 26 februari 2007 met betrekking tot gasverbruik op het adres ( ... );
– een elektriciteitsrekening d.d. 1 september 2006 voor de periode van 3 maart 2006 tot 30 augustus 2006 met betrekking tot elektriciteitsverbruik op het adres (...);
– een overzicht van bankverrichtingen bij de HSBC-Bank met betrekking tot de bankrekening van appellante met nummer ( ... ) voor de periode van 22 juni tot 21 september 2006 en voor de periode van 22 maart tot 21 juni 2007, waaruit verrichtingen blijken die gedaan werden in Londen;
– een overzicht van bankverrichtingen bij de Barclays Bank voor de periodes van 13 juni 2006 tot 12 juli 2006 en van 13 januari 2007 tot 12 februari 2007, waaruit betalingen blijken die door appellante verricht werden;
– een Visa-rekeningoverzicht d.d. 27 april 2006, waaruit een aankoop blijkt van appellante in ( ... ), op 5 april 2006;
– “ASDA Storecard” rekeningoverzichten d.d. 27 april 2006, 27 juni 2006, 27 juli 2006 en 27 september 2006, waaruit aankopen blijken die door appellante in Londen gedaan werden tijdens de maanden maart, april, mei, juni, juli, augustus en september 2006.
Door de eerste rechter werd terecht geoordeeld dat de voormelde stukken een voldoende bewijs vormen dat appellante in de Europese Gemeenschap op het adres (...) haar woonplaats/hoofdverblijfplaats heeft.
Hetgeen voorafgaat wordt niet ontkracht door het feit dat het schrijven van de raadsman van geïntimeerde d.d. 19 februari 2007 niet kon betekend worden aan de woonplaats van appellante in Londen. Het is immers aannemelijk dat appellante (na haar vakantie in China van 28 januari tot 5 maart 2007) tijdelijk afwezig was op het ogenblik dat de gerechtsdeurwaarder zich aan haar woonplaats aanbood. Enige kwade trouw in hoofde van appellante in verband met de door haar opgegeven woonplaats in Londen kan hieruit niet zonder meer afgeleid worden.
Hetzelfde geldt voor het feit dat appellante op het door haar opgegeven Engelse of Chinese telefoonnummer niet bereikbaar was voor geïntimeerde. Geïntimeerde bewijst niet dat het Engelse telefoonnummer dat door appellante opgegeven werd niet in gebruik is. Wat het Chinese telefoonnummer betreft, voert appellante aan dat dit het telefoonnummer van haar makelaar is, hetgeen niet onaannemelijk is.
Geïntimeerde kan evenmin een nuttig argument putten uit de vaststelling dat appellante bij de verkoop (en niet tijdens de termijn van de registratie) van een aantal domeinnamen minstens drie adressen heeft opgegeven, te weten een in Hong Kong, een in China en een in het Verenigd Koninkrijk. De adressen in Hong Kong en China zijn volgens appellante adressen van haar makelaar, hetgeen aannemelijk is. Het adres in het Verenigd Koninkrijk zou het kantooradres van appellante zijn, hetgeen door geïntimeerde niet ontkend wordt.
Het feit dat er op het adres van de woonplaats van appellante tien vennootschappen gevestigd zijn, toont niet aan dat appellante aldaar niet haar woonplaats/hoofdverblijfplaats heeft. Het ene sluit immers het andere niet uit.
Ten slotte voert geïntimeerde aan dat appellante vermeld werd als contactpersoon voor een aantal domeinnamen geregistreerd door derdevennootschappen en dat het verhaal van appellante ook financieel niet klopt, aangezien het onwaarschijnlijk is dat zij de vergoedingen die verbonden waren aan de registratie van 10.200 domeinnamen in haar hoedanigheid van studente zelf heeft kunnen betalen. Deze beweringen, zelfs indien ze zouden vaststaan, sluiten niet uit dat appellante op het ogenblik waarop geïntimeerde de (termijn van de) registratie situeert van de litigieuze 10.200 domeinnamen haar woonplaats/hoofdverblijfplaats had te ( ... ), hetgeen zij ten genoege van recht bewijst aan de hand van de hiervoor door het hof opgesomde stukken.
Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het middel van geïntimeerde geput uit artikel 3, 1., a) en 2. van verordening (EG) 874/2004, uit artikel 4, 2., b) van verordening (EG) nr. 733/2002 en uit de artikelen 1 (iii) en 5 van de contractuele bepalingen van het registratiebeleid .eu-domeinnamen (stuk 1.3. van geïntimeerde), waarnaar zij verwijst, ongegrond is.
Het hoger beroep van appellante tegen het betreden vonnis
10. Volgens appellante heeft de eerste rechter ten onrechte geoordeeld dat zij de litigieuze domeinnamen te kwader trouw geregistreerd heeft en in strijd met de rechten van derden. Volgens appellante dient er minstens door geïntimeerde een exhaustieve inventaris opgesteld te worden van de litigieuze domeinnamen, waarbij telkens de beweerde kwade trouw van appellante wordt aangetoond. Volgens appellante heeft de eerste rechter ten onrechte geoordeeld dat het passend voorkomt dat geïntimeerde de intrekking vordert van alle door appellante geregistreerde domeinnamen.
Geïntimeerde stelt dat appellante een domeinnaampiraat is, dat zij te kwader trouw en in strijd met de rechten van derden de litigieuze domeinnamen geregistreerd heeft, zodat de eerste rechter terecht de gerechtelijke ontbinding uitgesproken heeft van de registratieovereenkomsten die tussen partijen gesloten werden met betrekking tot de respectieve litigieuze domeinnamen die door appellante geregistreerd werden en dat geïntimeerde gerechtigd is om deze domeinnamen in te trekken.
Artikel 3 van verordening (EG) 874/2004 bepaalt:
“Aanvragen tot registratie van domeinnamen.
De aanvraag tot registratie van een domeinnaam bevat te allen tijde: (...)
c) een verklaring langs elektronische weg van de partij die de aanvraag indient, dat de aanvraag tot registratie van de domeinnaam, voor zover haar bekend, te goeder trouw wordt ingediend en geen inbreuk maakt op rechten van een derde;
(...)
Elke wezenlijke onjuistheid in de onder a) tot en met d) vermelde gegevens vormt een inbreuk op de voorwaarden voor registratie.
Paragraaf 3.2. en 3.3. van de algemene voorwaarden .eu-domeinnamen van geïntimeerde, die iedere domeinnaamhouder moet onderschrijven, bepaalt:
“PARAGRAAF 3. VERPLICHTINGEN VAN DE REGISTREERDER Gedurende de termijn heeft de registreerder de volgende verplichtingen: (...)
2. de domeinnaam op een dusdanige wijze gebruiken dat deze geen inbreuk maakt op rechten van derden en niet in strijd is met toepasselijke wetgeving of verordeningen, met inbegrip van discriminatie op basis van ras, taal, geslacht, religie of politiek standpunt;
3. de domeinnaam niet (i) te kwader trouw of (ii) voor onwettige doeleinden gebruiken.”
In artikel 21 van verordening (EG) 874/2004, dat onder bepaalde voorwaarden in de mogelijkheid tot intrekking van een domeinnaam voorziet, wordt gesteld dat kwade trouw in de zin van voormeld artikel kan worden aangetoond wanneer omstandigheden erop wijzen dat de domeinnaam voornamelijk geregistreerd of verworven is met het oog op het verkopen, verhuren of anderszins overdragen van de domeinnaam aan de houder van een naam waarop in de nationale en/of communautaire wetgeving een recht is erkend of ingesteld, of aan een overheidsinstantie.
Appellante betwist niet dat duizenden van de litigieuze domeinnamen die door haar geregistreerd werden, vrijgegeven werden na de “sunrise periode”. Het betreft zodoende domeinnamen waarin derden geïnteresseerd waren aangezien zij geprobeerd hadden om ze tijdens de “sunrise periode” te laten registreren.
Het gaat om namen waarvoor derden een bestaand (intellectueel) recht inriepen dat hen toeliet om bij voorrang de overeenstemmende domeinnaam te registreren. Aangezien de aanvragers echter niet de juiste bewijzen bijgebracht hadden over hun oudere (intellectuele) rechten, werden de aangevraagde domeinnamen weer vrijgegeven, waarna appellante ze registreerde.
Een voorbeeld van dergelijke domeinnamen zijn: CharleroiAirport.eu, dalveldekens.eu, katoennatie.eu, thomascookreizen.eu, handicapinternational.eu, jamie-oliver.eu en rotary-intemational.eu.
Geïntimeerde legt een aantal overeenkomsten en facturen voor waaruit blijkt dat appellante verschillende door haar geregistreerde domeinnamen tegen betaling verkocht aan derden, houders van een naam waarop een nationale wetgeving hen een recht heeft erkend. Dit gebeurde daarenboven tegen bedragen die aanzienlijk hoger lagen dan de kosten die zij voor de registratie van de betrokken domeinnamen diende te betalen, zodat zij daarbij duidelijk handelde uit winstbejag (stukken 4.1. tot en met 4.6. van geïntimeerde).
Uit hetgeen hiervoor uiteengezet werd, blijkt voldoende dat appellante te kwader trouw overging tot de registratie van domeinnamen.
Dat de registratie van domeinnamen door appellante niet alleen te kwader trouw gebeurde maar tevens met miskenning van de rechten van derden, blijkt uit diverse (meer dan 50) ADR-procedures die door derden gevoerd werden en naar aanleiding waarvan appellante verplicht werd om de domeinnamen die het voorwerp uitmaakten van de procedure aan deze derden, die volgens de derde-beslisser terecht rechten op de betrokken domeinnamen lieten gelden, over te dragen.
Appellante voert aan dat zelfs indien kwade trouw inzake de registratie van sommige domeinnamen zou bewezen zijn, dit enkel gevolgen kan hebben voor die individuele domeinnamen waarvan onomstotelijk wordt bewezen dat ze te kwader trouw geregistreerd werden.
Het hof stelt aan de hand van stuk 13 van geïntimeerde vast dat de litigieuze domeinnamen waarvan de lijst aan de gedinginleidende dagvaarding gehecht werd, vrijwel allen geregistreerd werden tijdens de maanden juni tot en met december 2006, met name dat er binnen een tijdspanne van vier maanden ongeveer 10.200 domeinnamen door appellante geregistreerd werden.
Appellante tracht de registratie van een dergelijk groot aantal domeinnamen te verklaren door aan te voeren dat zij de domeinnamen registreerde voor directe navigatie. Deze bewering wordt echter tegengesproken door de stukken C 5 a, C 6 a en C 7 b van appellante waaruit blijkt dat zij enkele maanden na de registratie van de litigieuze domeinnamen een groot aantal domeinnamen (2.796 + 3.709 + 46) verkocht heeft aan diverse vennootschappen, hetgeen volgens de eigen beweringen van appellante haar een aanzienlijk financieel voordeel zou opleveren (cf. de schade die appellante beweert geleden te hebben door de blokkering van de domeinnamen met als gevolg het niet kunnen overdragen daarvan en die zij begroot op 221.815,43 EUR). Daarenboven wordt voor directe navigatie een beroep gedaan op beschrijvende, eenvoudige, logische en gemakkelijk te onthouden domeinnamen, hetgeen niet het geval is voor een groot aantal van de domeinnamen die door appellante geregistreerd werden.
Het hof oordeelt dan ook dat de verklaring die appellante geeft voor de registratie van de litigieuze 10.200 domeinnamen niet geloofwaardig is.
Zoals reeds gesteld bepaalt artikel 3 van verordening (EG) 874/2004: “De aanvraag tot registratie van een domeinnaam bevat te allen tijde: (...)
c) een verklaring langs elektronische weg van de partij die de aanvraag indient, dat de aanvraag tot registratie van de domeinnaam, voor zover haar bekend, te goeder trouw wordt ingediend en geen inbreuk maakt op rechten van een derde;
Dit impliceert dat de registrant minstens redelijkerwijze moet kunnen aannemen dat de door hem geregistreerde domeinnamen geen inbreuk maken op de rechten van derden. Appellante heeft echter 8.000 domeinnamen geregistreerd die vrijgegeven werden na de “sunrise periode”, zodat zij redelijkerwijze niet kon aannemen dat zij daarmee geen inbreuk zou maken op de rechten van derden (dat zij daarmee wel degelijk inbreuk maakte op de rechten van derden werd trouwens in ADR procedures vastgesteld –— cf. supra).
Gelet op de concrete omstandigheden eigen aan deze zaak, die hiervoor besproken werden, is geïntimeerde er niet toe gehouden om voor elke domeinnaam die door appellante geregistreerd werd, kwade trouw te bewijzen. Aangezien de registratie door appellante van 10.200 domeinnamen binnen een zeer kort tijdsbestek (enkele maanden tijd) in casu klaarblijkelijk gebeurde met hetzelfde opzet, met name voornamelijk met het oog op het verkopen, verhuren of anderszins overdragen van de domeinnaam aan de houder van een naam waarop in de nationale en/of communautaire wetgeving een recht is erkend of ingesteld, en dus te kwader trouw, staat de kwade trouw van appellante ter gelegenheid van de registratie van de 10.200 litigieuze domeinnamen voldoende vast.
11. Artikel 20, 1ste lid, c) van verordening (EG) 874/2004 voorziet in de mogelijkheid voor geïntimeerde om inbreukmakende domeinnamen in te trekken, nadat zij de houder van de domeinnaam van de inbreuk in kennis heeft gesteld en hem in de mogelijkheid heeft gesteld de nodige maatregelen te nemen, wanneer de houder inbreuk pleegt op de voorwaarden voor registratie uit hoofde van artikel 3 van de verordening. Deze bepaling van de verordening (EG) 874/2004 is tevens opgenomen in artikel 12.1. van het registratiebeleid .eu-domeinnamen van geïntimeerde en in artikel 9.5. van de algemene voorwaarden .eu-domeinnamen.
Artikel 6.4. van de algemene voorwaarden .eu domeinnamen van geïntimeerde bepaalt daarenboven:
“Het Register heeft het recht de domeinnaam onmiddellijk te schorsen of te annuleren wanneer de registreerder de regels (i.e. het registratiebeleid en/of de algemene voorwaarden .eu-domeinnamen) overtreedt.”
In plaats van de litigieuze domeinnamen in te trekken of te annuleren, heeft geïntimeerde voorzichtigheidshalve er zich toe beperkt om de zaak voor te leggen aan de eerste rechter en om in afwachting van een uitspraak ten gronde voorlopig de domeinnamen te blokkeren, opdat ze door appellante niet zouden kunnen overgedragen worden aan derden.
Voor elke domeinnaam die door appellante geregistreerd werd, is er tussen partijen een registratieovereenkomst tot stand gekomen. Geïntimeerde vordert de gerechtelijke ontbinding van deze overeenkomsten en te zeggen voor recht dat zij bij toepassing van artikel 20, 1ste lid en 2de lid van verordening (EG) nr. 874/2004 gerechtigd is om de litigieuze domeinnamen in te trekken.
Appellante voert aan dat voor de ontbinding van een overeenkomst steeds een voorafgaande ingebrekestelling vereist is, doch dat zij vanwege geïntimeerde nooit een ingebrekestelling ontvangen heeft.
Een akte van rechtspleging, zoals een dagvaarding, kan gelijkgesteld worden met een aanmaning waardoor de schuldenaar in gebreke werd gesteld (cf. Cass. 7 juli 1921, Pas. 1921, I, p. 435).
Uit de gedinginleidende dagvaarding die aan appellante betekend werd ten verzoeke van geïntimeerde blijkt duidelijk een sommatie van geïntimeerde aan appellante waaruit zij noodzakelijk heeft moeten opmaken dat zij in gebreke gesteld werd wegens de registratie van domeinnamen in strijd met de rechten van derden en om haar juiste naam en adres op te geven.
Tevens blijkt uit de gedinginleidende dagvaarding de wil van geïntimeerde om de registratieovereenkomsten te horen ontbinden bij gebrek aan de naleving door appellante van de registratievoorwaarden van .eu domeinnamen, aangezien in het dispositief het volgende werd gevorderd door geïntimeerde: “De gerechtelijke ontbinding te horen bevelen van de registratieovereenkomsten van de in deze dagvaarding opgesomde domeinnamen ( .... )”.
In strijd met hetgeen appellante aanvoert, heeft de eerste rechter zodoende terecht geoordeeld dat het middel van appellante geput uit artikel 1139 BW ongegrond is, aangezien in casu de gedinginleidende dagvaarding die op verzoek van geïntimeerde aan appellante betekend werd, geldt als ingebrekestelling.
Door de inleiding van de onderhavige procedure werden de geest en het doel van paragraaf 12 van het registratiebeleid .eu-domeinnamen volkomen nageleefd en werd appellante minstens 14 dagen voor de intrekking van de litigieuze domeinnamen in kennis gesteld en de kans geboden om, zo mogelijk, de gronden voor de intrekking te verhelpen.
Zoals hiervoor reeds geoordeeld werd, heeft appellante de litigieuze domeinnamen te kwader trouw geregistreerd, hetgeen een inbreuk uitmaakt vanwege appellante op de voorwaarden voor registratie krachtens artikel 3, c) van verordening (EG) 874/2004 en haar verplichting als registreerder krachtens paragraaf 3.3. van de algemene voorwaarden .eu-domeinnamen.
De vordering tot ontbinding van de registratieovereenkomsten die gesloten werden met betrekking tot de litigieuze domeinnamen is zodoende gegrond, evenals het verzoek van geïntimeerde om te zeggen voor recht dat zij bij toepassing van artikel 20, c) van verordening (EG) 847/2004 gerechtigd is om de in de gedinginleidende dagvaarding opgesomde domeinnamen in te trekken.
12. Appellante voert aan dat geïntimeerde de domeinnamen onrechtmatig en te kwader trouw geblokkeerd heeft, met name zonder de voorwaarden die daartoe bepaald worden door paragraaf 9.3. b. van de algemene voorwaarden .eu domeinnamen en paragraaf 12 van het registratiebeleid .eu domeinnamen te respecteren.
Paragraaf 9.3. b. van de algemene voorwaarden .eu-domeinnamen bepaalt het volgende:
“Het register blokkeert een domeinnaam: (...)
b. wanneer het register ervan in kennis wordt gesteld dat een ADR-procedure of gerechtelijke procedure loopt, totdat een dergelijke procedure beëindigd is en het desbetreffende besluit aan het register bekend is gemaakt; in dit geval kan (a) de domeinnaam niet worden overgedragen en kan (b) de registreerder met betrekking tot de geschorste domeinnaam zijn contactinformatie niet wijzigen en kan hij ook niet van registreerder veranderen.
c. wanneer het de registreerder en/of de registrator in kennis heeft gesteld in overeenstemming met paragraaf 12, 2. van het registratiebeleid.”
De bepaling van voormelde paragraaf volgens dewelke geïntimeerde een domeinnaam blokkeert wanneer zij “ervan in kennis wordt gesteld dat een ( ... ) gerechtelijke procedure loopt” geldt ook wanneer een gerechtelijke procedure door geïntimeerde zelf werd aanhangig gemaakt. Niets staat daar immers aan in de weg.
Appellante voert aan dat in de hypothese dat geïntimeerde zou kunnen overgaan tot de blokkering van een domeinnaam zodra zij zelf een gerechtelijke procedure heeft doen lopen, de bepaling van paragraaf 9.3. b. van de algemene voorwaarden .eu-domeinnamen een potestatieve voorwaarde zou inhouden, die nietig is.
Een voorwaarde is een onzekere en toekomstige gebeurtenis waarvan hetzij het ontstaan, hetzij het tenietgaan van een verbintenis afhangt. Een potestatieve voorwaarde is een voorwaarde die afhangt van de wil van een van de partijen. Een verbintenis onder een potestatieve voorwaarde, vanwege diegene die zich verbindt, is nietig.
Uit paragraaf 9.3. b. van de algemene voorwaarden .eu domeinnamen volgt dat de blokkering van een domeinnaam een tijdelijke en voorlopige maatregel is die genomen wordt totdat een ADR-procedure of een gerechtelijke procedure is beëindigd en het desbetreffende besluit hierover aan geïntimeerde is bekend gemaakt. Van de blokkering van een domeinnaam hangt dus niet het ontstaan of het tenietgaan van een verbintenis af. Van een potestatieve voorwaarde in de zin van artikel 1174 BW in de hypothese dat geïntimeerde zou kunnen overgaan tot de blokkering van een domeinnaam zodra zij zelf een gerechtelijke procedure heeft doen open is zodoende geen sprake, zodat het middel dat appellante uit artikel 1174 BW put, ongegrond is.
Geïntimeerde is als register gelast met de organisatie, de administratie en het beheer van het .eu-topniveaudomein. Het zou tegen de opdracht van geïntimeerde als register en de bedoeling van paragraaf 9.3. van de algemene voorwaarden .eu domeinnamen ingaan om geïntimeerde niet toe te laten om een domeinnaam te blokkeren in de hypothese dat zij zelf een gerechtelijke procedure tot intrekking van een domeinnaam zou aanhangig gemaakt hebben.
Gelet op hetgeen voorafgaat, besluit het hof dat de blokkering van de litigieuze domeinnamen door geïntimeerde vanaf 20 juli 2007, datum van de betekening op verzoek van geïntimeerde aan appellante van de gedinginleidende dagvaarding en zodoende de datum vanaf dewelke de procedure loopt, rechtmatig was.
Voor de blokkering van de litigieuze domeinnamen door geïntimeerde op 12 juni tot 19 juli 2007 bestond er echter geen juridische grondslag, minstens wordt enige juridische grondslag daarvoor door geïntimeerde niet aangetoond.
Dit staat er echter niet aan in de weg dat de blokkering van de domeinnamen met ingang van 20 juli 2007 rechtmatig en gegrond was. Appellante voert in dit verband ten onrechte aan dat geïntimeerde de blokkering van de domeinnamen op 20 juli 2007 zou geregulariseerd hebben. Dat de blokkering voortijdig gebeurde tussen 12 juni en 19 juli 2007 neemt niet weg dat zij rechtmatig was vanaf 20 juli 2007.
13. Aangezien de vordering van geïntimeerde tot ontbinding van de registratieovereenkomsten die gesloten werden met betrekking tot de litigieuze domeinnamen en haar vordering die ertoe strekt om te horen zeggen voor recht dat zij gerechtigd is om de in de gedinginleidende dagvaarding opgesomde domeinnamen in te trekken, gegrond zijn, is de vordering van appellante tot deblokkering door geïntimeerde van de betrokken domeinnamen ongegrond.
14. Appellante vordert schadevergoeding uit hoofde van de blokkering van de domeinnamen door geïntimeerde.
Deze vordering is ongegrond in de mate waarin zij de blokkering van de domeinnamen betreft vanaf 20 juli 2007, aangezien de blokkering tijdens deze periode rechtmatig en gegrond was.
De vordering tot schadevergoeding van appellante is onontvankelijk in de mate waarin ze ertoe strekt om een vergoeding te bekomen voor de schade die zij beweert geleden te hebben door de blokkering van de domeinnamen tijdens de periode van 12 juni tot 19 juli 2007.
Het hof heeft hiervoor immers geoordeeld dat de domeinnamen door appellante geregistreerd werden te kwader trouw. Appellante kan geen schadevergoeding vorderen uit hoofde van de blokkering, zelfs indien deze van 12 juni tot 19 juli 2007 voorbarig was, van domeinnamen die te kwader trouw geregistreerd werden. Zij heeft daartoe immers geen rechtmatig belang.
De door appellante gevorderde rechtsplegingsvergoedingen
15. Appellante vordert een rechtsplegingsvergoeding van 5.000 EUR per aanleg. Geïntimeerde vordert een rechtplegingsvergoeding van 4.000 EUR per aanleg.
Partijen reiken geen elementen en/of stukken aan die rechtvaardigen dat zou worden afgeweken van het basistarief van de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure tot hoger beroep, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 26 oktober 2007.
HET HOF, rechtdoende na tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;
Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, doch slechts gegrond in de hierna bepaalde mate:
– hervormt het bestreden vonnis in de mate waarin het de vordering van appellante die ertoe strekte om geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens de blokkering van de litigieuze domeinnamen, ontvankelijk verklaarde;
– verklaart deze vordering onontvankelijk voor zover zij ertoe strekt om geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding voor de blokkering van de litigieuze domeinnamen in de periode van 12 juni tot 19 juli 2007;
Bevestigt voor het overige het bestreden vonnis.
Veroordeelt appellante in de kosten van de beroepsprocedure, voor haar vastgesteld op 186 EUR + 1.200 EUR en voor geïntimeerde vastgesteld op 1.200 EUR.
(...)
J. Janssen, Houd de cybersquatter! RABG 2011/18, 1330
- Doelgroep:
- Elfricon trefzinnen:
- Instantie:
- Rechtstakken:
- Kernwoorden:
- Soort link:
- Status homepage:
- Toepassingsgebied:
- Topics:
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.
