-A +A

Tegen beslissing tot vervanging notaris-vereffenaar staat geen rechtsmiddel open

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 17/03/2016

In het kader van een gerechtelijke verdeling staat tegen de beslissing betreffende de vervanging van de notaris-vereffenaar, geen enkel rechtsmiddel open.

Tegen de beslissing betreffende de aanstelling van de notaris-vereffenaar kunnen weliswaar op grond van artikel 1210 Ger.W., rechtsmiddelen worden aangewend.

Het grondwettelijk hof ziet in dit verschil in behandeling geen graten.
 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/15
Pagina: 
1097
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(E.L. / R.V.B., M.K. - Rolnr.: 6165)

In zake: de prejudiciële vraag betreffende artikel 1211 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het hof van beroep te Antwerpen.

Het Grondwettelijk Hof,

(…)

wijst na beraad het volgende arrest:

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij arrest van 25 februari 2015 in zake E.L. tegen R.V.B. en M.K., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 maart 2015, heeft het hof van beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Schendt artikel 1211 in fine Ger.W. (zoals gewijzigd door art. 5 van de wet van 13 augustus 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling (BS 14 september 2011)), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, in zoverre deze wetsbepaling stelt dat tegen de beslissing betreffende de vervanging (van de notaris-vereffenaar) geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend, terwijl artikel 1210 Ger.W. wel voorziet in rechtsmiddelen, voor wat betreft beslissingen tot aanstelling van de notaris-vereffenaar?”

(…)

II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
(…)

III. In rechte
-A-
(…)

-B-
B.1.1. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 1211, § 2, laatste lid van het Gerechtelijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het bepaalt dat, in het kader van een gerechtelijke verdeling, tegen de beslissing betreffende de vervanging van de notaris-vereffenaar, geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend, terwijl tegen de beslissing betreffende de aanstelling van de notaris-vereffenaar op grond van artikel 1210 van het Gerechtelijk Wetboek, wel rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verzoek tot vervanging is uitgegaan van de partijen bij de gerechtelijke verdeling. Het Hof beperkt zijn onderzoek daartoe.

B.1.2. Artikel 1210 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt:

Ҥ 1. Indien de rechtbank de verdeling beveelt, verwijst zij de partijen naar de notaris-vereffenaar over wie de partijen het eens zijn, of, op een met redenen omkleed verzoek van de partijen, naar twee notarissen-vereffenaars waarvan zij gezamenlijk de aanstelling vragen.

Indien de partijen niet tot een akkoord komen of indien de rechtbank oordeelt dat de aanstelling van twee notarissen-vereffenaars niet gerechtvaardigd is, verwijst zij de partijen naar een andere notaris-vereffenaar die zij aanwijst.

§ 2. Indien de rechtbank twee notarissen-vereffenaars aanwijst, handelen deze gezamenlijk, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.

In afwijking van de artikelen 5 en 6, 1°, van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt treden beide notarissen-vereffenaars gezamenlijk op in de ambtsgebieden van elk van hen.

§ 3. Indien twee notarissen-vereffenaars werden aangewezen, is de notaris-vereffenaar wiens naam het eerst wordt vermeld in de beslissing, belast met de bewaring van de minuten, onverminderd de toepassing van § 4.

§ 4. Indien de notaris-vereffenaar in het kader van de bevolen verdeling dient op te treden buiten zijn ambtsgebied, wijst hij voor deze verrichtingen een territoriaal bevoegde notaris aan.

§ 5. Onverminderd de bepalingen van het eerste boek van het vierde deel en tenzij de rechtbank anders beslist, staan de partijen in gelijke mate in voor de provisionering van de notaris-vereffenaar.”

B.1.3. Artikel 1211 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt:

Ҥ 1. In geval van weigering, verhindering van de notaris-vereffenaar of indien er omstandigheden zijn die gerechtvaardigde twijfel doen ontstaan over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid, voorziet de rechtbank in zijn vervanging.

De notaris-vereffenaar van wie de partijen gezamenlijk de aanstelling hebben gevraagd, kan slechts worden vervangen, op verzoek van één van de partijen, om redenen ontstaan of vastgesteld na zijn aanstelling.

Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 1220, § 2 en § 3, kan, na de opening van de werkzaamheden, geen vervanging meer worden gevraagd door één van de partijen, tenzij de partij die om de vervanging verzoekt slechts nadien in kennis is gesteld van de ingeroepen reden.

In geval van hoger beroep tegen de beslissing bedoeld in de artikelen 1209, § 1, en 1210, wordt het verzoek tot vervanging ingediend bij de rechter in hoger beroep. De vervanging kan bijgevolg later niet worden gevraagd op grond van de middelen ingeroepen voor de rechter in hoger beroep.

§ 2. De partij of de notaris-vereffenaar die middelen van vervanging aanvoert, draagt deze voor bij gewoon schriftelijk verzoek neergelegd bij of gericht aan de rechtbank die de notaris-vereffenaar heeft aangesteld.

De griffie geeft kennis van dit verzoek, bij gerechtsbrief, aan de partijen en aan de notaris-vereffenaar.

Binnen vijftien dagen na deze kennisgeving zendt de notaris-vereffenaar, in voorkomend geval, zijn opmerkingen aan de rechtbank en de partijen.

Na verloop van deze termijn roept de griffie de partijen en de notaris-vereffenaar bij gerechtsbrief op voor een zitting in raadkamer.

Indien de rechtbank het verzoek inwilligt, stelt zij ambtshalve, in de plaats van de vervangen notaris-vereffenaar, een nieuwe notaris-vereffenaar aan die zij aanwijst of over wie de partijen het eens zijn.

Tegen de beslissing betreffende de vervanging kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.”

B.2.1. Het geschil voor de verwijzende rechter heeft betrekking op de beslissing over het verzoek tot vervanging van een notaris-vereffenaar, die op grond van artikel 54, tweede lid van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, als de in opvolging benoemde notaris, van rechtswege werd belast met de gerechtelijke opdrachten van zijn voorganger.

B.2.2. Artikel 54, tweede lid van de wet van 25 ventôse jaar XI bepaalt:

“De in opvolging benoemde notaris is van rechtswege belast met de gerechtelijke opdrachten van zijn voorganger onverminderd het recht van de rechtbank om, op verzoek van een betrokken partij of van de procureur des Konings, een andere notaris aan te stellen.”

B.2.3. Uit de bij het Hof ingediende stukken blijkt dat op het ogenblik van de opvolging niet de aanstelling van een andere notaris werd gevraagd. Pas nadat de opvolger van de initieel aangewezen notaris-vereffenaar reeds enige maanden zijn werkzaamheden had aangevat, werd zijn vervanging gevraagd.

B.2.4. Volgens de verwijzende rechter is in casu artikel 1211 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.

B.3.1. Bij artikel 5 van de wet van 13 augustus 2011 werd de regeling inzake de gerechtelijke verdeling, zoals neergelegd in de artikelen 1207 et seq. van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen. De algehele hervorming van de procedure was ingegeven door de bekommernis van de wetgever om deze meer efficiënt en transparant te maken en om tegemoet te komen aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat heeft geoordeeld dat de procedure voor een notaris inzake vereffening en verdeling de rechten vervat in artikel 6, 1. van het Europees verdrag voor de rechten van de mens moet waarborgen en zo moet worden geregeld dat zij binnen een redelijke termijn kan worden afgewikkeld (EHRM 28 november 2000, Siegel / Frankrijk, § 38 en 44; 23 september 2003, Dumas / Frankrijk, § 36 en 41).

B.3.2. De hervorming had aldus tot doel “de procedure [te] versnellen, met inbegrip van de notariële fase ervan, door onder meer oplossingen voor te stellen die toelaten blokkeringsituaties te vermijden, door nutteloze tussenkomsten van de rechtbank tijdens de notariële fase van de procedure te vermijden en door bindende termijnen voor de partijen en de notaris-vereffenaar op te leggen” (Parl.St. Senaat 2010-11, nr. 5-405/1, p. 2-3). De wetgever stelde dat “in het licht van een efficiëntere rechtsgang en het verder bestrijden van de gerechtelijke achterstand, […] de rol van de rechter bijzondere aandacht [verdient]. Nutteloze processuele ontwikkelingen en overbodige, want hoofdzakelijk formele, rechterlijke tussenkomsten moeten daarom worden vermeden. De strijd tegen de gerechtelijke achterstand vertaalt zich ook op dat vlak” (Parl.St. Senaat 2010-11, nr. 5-405/1, p. 2).

B.3.3. In de procedure van gerechtelijke verdeling heeft de notaris-vereffenaar een centrale rol, die de wetgever heeft willen versterken “door nog meer de nadruk te leggen op zijn taak als medewerker van het gerecht, op de noodzaak van onpartijdigheid, door hem nieuwe voorrechten toe te kennen en door hem de middelen te geven om met spoed de verrichtingen af te wikkelen, zelfs bij stilzitten van de partijen” (Parl.St. Senaat 2010-11, nr. 5-405/1, p. 3).

B.4. Artikel 1210, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtbank, indien zij de verdeling beveelt, één notaris-vereffenaar of, op gemotiveerd verzoek van de partijen, twee notarissen-vereffenaars aanstelt over wie de partijen het eens zijn. Bij het ontbreken van een akkoord tussen de partijen of indien de rechtbank oordeelt dat de aanstelling van twee notarissen-vereffenaars niet gerechtvaardigd is, wijst de rechtbank zelf een andere notaris- vereffenaar aan.

De beslissing waarbij de rechtbank de gerechtelijke verdeling beveelt en een notaris-vereffenaar aanstelt, is een eindvonnis, waartegen op grond van de artikelen 616 en 1050 van het Gerechtelijk Wetboek hoger beroep kan worden ingesteld. Overeenkomstig artikel 1224/2 van het Gerechtelijk Wetboek heeft dat beroep geen devolutieve werking. Als het beroep is beslecht, wordt de zaak naar de eerste rechter verwezen.

B.5.1. Krachtens artikel 1211, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek kan een partij of de aangestelde notaris-vereffenaar een verzoek tot vervanging indienen bij de rechtbank die de notaris-vereffenaar heeft aangesteld, in geval van weigering of verhindering van de notaris-vereffenaar of indien er omstandigheden zijn die gerechtvaardigde twijfel doen ontstaan over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid (eerste lid).

Om ontijdige verzoeken te vermijden, kan de notaris-vereffenaar van wie de partijen gezamenlijk de aanstelling hebben gevraagd, slechts worden vervangen op verzoek van één van de partijen om redenen ontstaan of vastgesteld na zijn aanstelling (tweede lid) (Parl.St. Senaat 2010-11, nr. 5-405/1, p. 25).

Bovendien kan, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 1220, § 2 en 3, na de opening der werkzaamheden geen vervanging meer worden gevraagd, tenzij de verzoekende partij pas nadien kennis heeft genomen van haar reden (derde lid). Indien de rechtbank het verzoek inwilligt, stelt zij ambtshalve een nieuwe notaris-vereffenaar aan die zij aanwijst of over wie de partijen het eens zijn (vierde lid).

B.5.2. Artikel 1211, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek regelt de procedure tot vervanging van de notaris-vereffenaar. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd benadrukt dat de procedure bewust volgens korte termijnen verloopt, om elke vertraging in de afwikkeling ervan te vermijden (Parl.St. Senaat 2010-11, nr. 5-405/1, p. 14 en 25). Tegen de beslissing waarbij de rechtbank de vordering tot vervanging inwilligt of afwijst, kan krachtens artikel 1211, § 2, laatste lid, geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.

B.6.1. Volgens de ministerraad bevinden de door de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen zich in situaties die niet vergelijkbaar zijn.

B.6.2. Vermits in beide gevallen de partijen kunnen worden geconfronteerd met een vonnis inzake de keuze van de notaris-vereffenaar waarmee zij niet akkoord gaan, zijn beide categorieën van personen vergelijkbaar.

B.7.1. Artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens waarborgt niet het recht op een dubbele aanleg. Behalve in strafzaken bestaat er bovendien geen algemeen beginsel dat een dergelijke waarborg inhoudt.

B.7.2. Wanneer de wetgever evenwel ten aanzien van bepaalde rechterlijke beslissingen voorziet in de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen, mag hij die mogelijkheid niet zonder redelijke verantwoording ontzeggen aan rechtzoekenden die zich in een vergelijkbare situatie bevinden.

B.8.1. Zoals is vermeld in B.3., beoogde de wetgever met de wet van 13 augustus 2011 te voorzien in een efficiënte en meer transparante gerechtelijke verdelingsprocedure die overeenkomstig artikel 6, 1. van het Europees verdrag voor de rechten van de mens binnen een redelijke termijn kan worden beëindigd, wat een legitieme doelstelling is.

B.8.2. Het verschil in behandeling tussen de partijen die betrokken zijn bij de initiële aanstelling van de notaris-vereffenaar en diegenen die betrokken zijn bij zijn vervanging, berust op een objectief criterium, zijnde de stand van de procedure waarin die beslissing wordt genomen: in het eerste geval gaat de beslissing omtrent de keuze van de notaris-vereffenaar vooraf aan de procedure van vereffening en verdeling, terwijl het in het tweede geval gaat om een incident tijdens de afwikkeling van de procedure. De maatregel om niet te voorzien in de mogelijkheid van hoger beroep tegen een beslissing inzake een verzoek tot vervanging is ook pertinent in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling om de verdelingsprocedure niet nodeloos te vertragen en om de redelijke termijnvereiste te eerbiedigen.

B.9.1. De bij de gerechtelijke verdeling betrokken partijen hebben inspraak bij de aanstelling van de notaris-vereffenaar op grond van artikel 1210 van het Gerechtelijk Wetboek, doordat de keuze in de eerste plaats aan hen toekomt. Wanneer de rechtbank een notaris aanwijst met wiens keuze ze niet akkoord gaan, kunnen ze tegen die beslissing hoger beroep aantekenen.

Wanneer een in opvolging benoemde notaris van rechtswege wordt belast met de gerechtelijke opdrachten van zijn voorganger, kunnen de partijen op grond van artikel 54, tweede lid van de wet van 25 ventôse jaar XI de rechtbank verzoeken een andere notaris aan te stellen.

B.9.2. Indien er in de loop van de verdelingsprocedure redenen blijken te zijn die gerechtvaardigde twijfels doen ontstaan over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de notaris-vereffenaar, kunnen zij alsnog aan de rechter diens vervanging vragen onder de voorwaarden bepaald in artikel 1211, § 1 van hetzelfde wetboek.

B.9.3. Wanneer de vervanging wordt geweigerd, heeft elke partij steeds de mogelijkheid om voor de rechter een nieuw verzoek tot vervanging van de notaris-vereffenaar in te stellen op grond van andere feiten en andere middelen die de vervanging kunnen rechtvaardigen. Indien de rechtbank het verzoek tot vervanging inwilligt, kan elke partij die het met die beslissing niet eens is een verzoek tot vervanging van de nieuwe notaris-vereffenaar instellen, zulks in de gevallen en onder de voorwaarden vermeld in artikel 1211, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek.

Ook kan elke partij krachtens artikel 1220, § 2 en 3 van het Gerechtelijk Wetboek zich tot de rechtbank wenden indien de notaris-vereffenaar niet binnen de overeengekomen of wettelijk bepaalde termijn handelt, waarbij de rechtbank kan beslissen tot zijn vervanging behoudens verzet van alle partijen.

B.9.4. Ten slotte kan elke partij bezwaren uiten tegen de concrete uitwerking van de gerechtelijke verdeling door de notaris-vereffenaar. Bij het einde van de werkzaamheden maakt de notaris-vereffenaar een staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling op. Wanneer minstens een van de partijen hiertegen bezwaren heeft dient de notaris-vereffenaar een proces-verbaal van geschillen of moeilijkheden op te maken, dat hij samen met zijn schriftelijk advies dient over te zenden aan de rechtbank, die een beslissing moet nemen nadat ze de partijen heeft gehoord. De rechtbank kan de staat van vereffening terugzenden aan de notaris-vereffenaar om een aanvullende staat van vereffening op te maken overeenkomstig de door de rechtbank gegeven richtlijnen (art. 1223 Ger.W.). Als er andermaal bezwaren zijn, die enkel betrekking kunnen hebben op de aanpassing van de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling, op geschillen of moeilijkheden die verband houden met die aanpassing of op nieuwe stukken of nieuwe feiten van overwegend belang, verloopt de procedure op dezelfde wijze als voor de behandeling van de bezwaren op de oorspronkelijke staat van vereffening. Tegen de beslissing van de rechtbank staat hoger beroep open.

B.10. Rekening houdend met het verloop van de procedure van gerechtelijke verdeling in haar geheel houdt de onmogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de rechter betreffende het verzoek tot vervanging van de notaris-vereffenaar geen onevenredige beperking in van de rechten van de partijen die betrokken zijn bij de gerechtelijke verdeling.

B.11. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht:

Artikel 1211, § 2, laatste lid van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 maart 2016.

 

 

Noot: 

• Hof van Beroep te Brussel 3e Kamer – 18 december 2012, 3e Kamer – 18 december 2012, RW 2013-2014, 64

A.L. t/ K.R. en C.C.

Antecedenten

Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven van 13 februari 2006 werd de echtscheiding uitgesproken tussen K.R. en C.C. en werd A.L. als notaris aangesteld, belast met de uitvoering van de bewerkingen van vereffening en verdeling.

Het vonnis verwierf kracht van gewijsde en de echtscheiding werd in de registers van de burgerlijke stand overgeschreven.

K.R. stelde vast dat intussen meer dan vijf jaar waren verstreken.

Sedert maart 2011 zouden alle nota’s, stukken en toelichtingen betreffende de standpunten van partijen aan de notaris zijn bezorgd. K.R. zou herhaaldelijk hebben aangedrongen op het verkrijgen van het verslag van de notaris, minstens om een datum mee te delen waarop het verslag zou worden afgewerkt, maar zonder gevolg.

Bij dagvaarding van 22 augustus 2011 vorderde K.R.:

– over te gaan tot aanstelling van een nieuwe notaris ter vervanging van notaris A.L., met verzoek over te gaan tot verderzetting van de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogen ontstaan uit het huwelijk tussen K.R. en C.C.;

– A.L. te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in art. 1022 Ger.W.

A.L. verzocht om:

– hem akte te verlenen van het feit dat hij zich gedroeg naar de wijsheid wat het verzoek tot zijn vervanging betreft;

– K.R. en C.C. af te wijzen van hun vordering die ertoe strekte A.L. tot de gerechtskosten inclusief de rechtsplegingsvergoeding te veroordelen.

C.C. verzocht om:

– akte te geven aan haar vrijwillige tussenkomst in de hangende procedure en van het feit dat zij zich gedroeg naar de wijsheid van de rechtbank;

– indien er door de rechtbank tot de vervanging van A.L. zou worden beslist, hem dan te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten voortvloeiend uit het geding, zijnde voor wat haar betreft een basisrechtsplegingsvergoeding van 1.320 euro.

Vonnis a quo

Bij het bestreden vonnis van 17 november 2011 wordt:

– akte gegeven van de vrijwillige tussenkomst van C.C.;

– notaris A.L. ontheven van zijn opdracht, hem gegeven bij vonnis van 13 februari 2006;

– notaris G.J. te Leuven als boedelnotaris aangesteld en belast met dezelfde opdracht als die vermeld in het vonnis van 13 februari 2006.

De rechtbank veroordeelt A.L. tot betaling aan K.R. van de dagvaardingskosten, begroot op 208,44 euro.

De rechtbank veroordeelt A.L. tot betaling aan K.R. en C.C. samen van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 euro.

Voorwerp van het hoger beroep

Overeenkomstig zijn verzoekschrift tot hoger beroep en conclusie voor het hof vordert appellant de hervorming van het bestreden vonnis (enkel) in zoverre het hem heeft veroordeeld tot de gerechtskosten, en de kosten als naar recht uit te spreken.

Geïntimeerde K.R. vordert het hoger beroep van appellant als ongegrond af te wijzen, het bestreden vonnis integraal te bevestigen en appellant te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 1.210 euro.

Geïntimeerde C.C. gedraagt zich naar de wijsheid van het hof betreffende de tussen notaris A.L. en K.R. nog bestaande betwisting aangaande de gerechtskosten verbonden aan de vervanging van notaris L., en appellant in ieder geval af te wijzen van zijn vordering haar te veroordelen tot de betaling van de kosten van het hoger beroep.

Beoordeling

...

2. Overwegende dat in deze zaak de wet van 13 augustus 2011, in werking getreden op 1 april 2012, niet van toepassing is;

3. Overwegende dat de oude wet geen regels kent aangaande de vervanging van een door de rechter in het raam van een gerechtelijke vereffening-verdeling aangestelde notaris;

Dat nochtans aangenomen moet worden dat een dergelijke vervanging mogelijk is, onder meer op verzoek van een van de partijen betrokken bij deze vereffening-verdeling;

Dat evenwel de door de rechtbank aangestelde notaris slechts op verzoek van een van de partijen vervangen kan worden voor zover er afdoende bewezen gewichtige redenen voorhanden zijn die het onmogelijk maken dat deze notaris verder zijn opdracht zou uitvoeren, zoals een ernstige nalatigheid in het vervullen van de hem toevertrouwde opdracht, of de feitelijke dan wel juridische onmogelijkheid om deze opdracht verder uit te voeren;

Dat de eerste rechter op basis daarvan geoordeeld heeft dat de aangestelde notaris (hier appellant) in gebreke bleef zijn opdracht tijdig en naar behoren uit te voeren, omdat hij niet reageerde op de diverse verzoeken van partij R. (oorspronkelijk eiser) om een staat van vereffening en verdeling op te maken, en er bovendien reeds sedert 2008 op de rubriekrekening van de aangestelde notaris gelden afkomstig van de verkoop van twee appartementen van partij R. en partij C. geblokkeerd stonden;

Dat de eerste rechter om die reden het verzoek van partij R. tot vervanging van appellant als boedelnotaris gegrond verklaard heeft;

Dat appellant als zodanig niet tegen deze beslissing van de eerste rechter opkomt; dat zijn hoger beroep beperkt is tot het onderdeel van het vonnis a quo waarbij hij tot de gerechtskosten veroordeeld wordt;

4. Overwegende dat de notaris aangesteld in het raam van een gerechtelijke verdeling een zeer specifieke functie bekleedt van verplichte medewerker van de hoven en rechtbanken; dat zijn functie bestaat in de verplichting tot advies, en de hoven en rechtbanken dit advies dienen af te wachten vooraleer uitspraak te kunnen doen, zonder evenwel verplicht te zijn dit advies te volgen;

Dat het feit van aangesteld te zijn door de rechtbank en als medewerker van het gerecht op te treden, aan de aangestelde notaris een bijzonder statuut verleent, waarbij hij, zonder belast te zijn met een rechtsprekende functie, toch in alle onafhankelijkheid en objectiviteit ten aanzien van de partijen een taak dient te vervullen waarbij hij een gerechtelijke opdracht uitoefent onder controle van de rechtbank die hem heeft aangesteld; dat de aangestelde notaris aldus een zending van openbare dienst vervult;

Dat uit wat voorafgaat volgt dat de notaris geen partij is in het geding, zodat er tussen de aangestelde notaris en de partijen geen instantie aanhangig kan zijn, ook niet indien een van de partijen in rechte om zijn vervanging vraagt;

Dat de eis van onafhankelijkheid ten aanzien van de partijen alsook zijn plicht tot strikte objectiviteit meebrengen dat er tussen de aangestelde notaris en de partijen geen procesrechtelijke band kan bestaan; dat is des te meer zo nu ingeval het verzoek van een partij tot vervanging door de rechtbank wordt afgewezen, de aangestelde notaris met dezelfde onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn mandaat verder moet kunnen uitoefenen;

5. Overwegende dat een verzoek tot vervanging van de aangestelde notaris dan ook te beschouwen is als een louter incident dat gerezen is in de procedure van gerechtelijke verdeling, en niet als een nieuwe procedure die los zou staan van en gevoerd zou worden naast de procedure van gerechtelijke verdeling;

Dat weliswaar vereist is dat de aangestelde notaris om wiens vervanging verzocht wordt, inzake wordt geroepen, maar dat dit enkel is voorgeschreven om het recht van verdediging en het beginsel van de mogelijkheid tot tegenspraak te eerbiedigen;

Dat dit op zich echter niet meebrengt dat de aangestelde notaris partij wordt in het geding; dat dit onder meer meebrengt dat de aangestelde notaris geen hoedanigheid heeft om hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis dat tot zijn vervanging beslist, behalve uiteraard, zoals in casu, ingeval zijn hoger beroep beperkt is tot zijn veroordeling tot de gerechtskosten, of tot zijn eventuele veroordeling tot het betalen van een schadevergoeding;

6. Overwegende dat, aangezien de aangestelde notaris geen partij is in het geding waarin om zijn vervanging wordt verzocht, hij ook niet tot de gerechtskosten veroordeeld kan worden ingeval de rechtbank beslist tot zijn vervanging, net zoals hij zelf ook geen veroordeling tot de gerechtskosten kan vorderen van de partij die om zijn vervanging verzoekt ingeval de rechtbank weigert zijn vervanging te bevelen;

Dat zowel eerste als tweede geïntimeerde ten onrechte art. 1017, eerste lid Ger.W. inroepen;

Dat art. 1017, eerste lid Ger.W. weliswaar bepaalt dat ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten moet verwijzen, maar dat, zoals hierboven aangegeven, de aangestelde notaris geen partij is in de zin van art. 1017, eerste lid Ger.W.;

7. Overwegende dat er ten overvloede op gewezen wordt dat, in tegenstelling tot het rechtsmiddel van verhaal op de rechter, waarin een uitdrukkelijke wetsbepaling de magistraat tot verweerder maakt tegenover de eiser die het rechtsmiddel aanwendt (art. 1146-1147 Ger.W.), inzake de vervanging van een in het raam van een gerechtelijke verdeling aangestelde notaris een soortgelijke uitdrukkelijke wettelijke bepaling ontbreekt;

8. Overwegende dat uit al wat voorafgaat volgt dat de eerste rechter ten onrechte appellant heeft veroordeeld in de gerechtskosten;

Dat het hoger beroep gegrond is;

9. Overwegende dat appellant ter zitting van het hof verduidelijkt heeft dat de kosten van het gerechtsdeurwaardersexploot in hoger beroep en van het rolrecht in hoger beroep ten laste moeten worden gelegd van de massa in het raam van de vereffening-verdeling tussen geïntimeerden, en dat hij voor zichzelf geen rechtsplegingsvergoeding vordert, niet alleen niet in eerste aanleg, maar evenmin in hoger beroep (zie proces-verbaal van terechtzitting);

10. Overwegende dat tweede geïntimeerde terecht m.b.t. de kosten van het gerechtsdeurwaardersexploot tot betekening van de akte van hoger beroep opwerpt dat deze voor appellant perfect vermijdbaar waren, en dus nutteloos gedaan werden, omdat appellant ermee kon volstaan overeenkomstig art. 1056, tweede lid Ger.W. bij verzoekschrift hoger beroep aan te tekenen; dat bijgevolg deze kosten van gerechtsdeurwaardersexploot in elk geval ten laste van appellant moet worden gelegd, te begroten op (...);

Dat er voor het overige reden is om op het verzoek van appellant in te gaan.

• Hof van Beroep te Antwerpen, 3e Kamer – 5 november 2014, RW 2014-2015, 1426

L.E. t/ K.M.

1. Wat voorafgaat

De heer E.L. (hierna: de man) en mevrouw M.K. (hierna: de vrouw) zijn uit de echt gescheiden bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren van 7 oktober 2005, dat in kracht van gewijsde getreden is.

Notaris B. Vuylsteke werd aangesteld als notaris-vereffenaar en notaris J. Hougaerts als tweede notaris.

Op verzoek van de man werd notaris B. Vuylsteke, voornoemd, vervangen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren. In zijn plaats werd notaris C. Wouters aangesteld. Laatstgenoemde notaris werd evenwel in ruste gesteld en opgevolgd door notaris R. Van Bael, krachtens art. 54, tweede lid van de Notariswet.

Bij exploot van dagvaarding, betekend op 10 september 2013, vroeg de man de vervanging van notaris Van Bael, voornoemd: de man baseerde zijn verzoek primair op art. 54, tweede lid Notariswet en subsidiair “wegens expressie van partijdigheid en afhankelijkheid, minstens de schijn daartoe”.

Bij het bestreden vonnis van 25 oktober 2013 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren werd de vordering van de man ontvankelijk verklaard, maar afgewezen als ongegrond.

Het hoger beroep van de man strekt ertoe, bij hervorming van het bestreden vonnis, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en notaris Van Bael, voornoemd, te vervangen door een andere notaris van het arrondissement Limburg.

De vrouw concludeert dat de man een middel gevonden heeft om de notaris steeds weer te doen vervangen en de verdeling zo lang mogelijk uit te stellen, gelet op het feit dat hij uitsluitend alle gemeenschappelijke goederen beheert en alle inkomsten hieruit uitsluitend ontvangt.

Notaris Van Bael, voornoemd, verklaart zich naar de wijsheid van het hof te gedragen (...).

2. Beoordeling

...

2.2. Als meest essentiële grief roept de man in dat art. 6 EVRM, gelezen in samenhang met de grondwettelijke regel inzake openbaarheid van de terechtzitting (art. 148 Gw.) geschonden is, aangezien de zaak niet behandeld werd op een openbare terechtzitting, maar wel in raadkamer. Dit zou volgens de man de nietigheid van het bestreden vonnis opleveren.

Deze grief noopt het Hof ertoe na te gaan of het (nieuwe) art. 1211 Ger.W., zoals ingevoerd door de wet van 13 augustus 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, al dan niet van toepassing is op onderhavige procedure.

Art. 1211 Ger.W. bepaalt immers uitdrukkelijk in § 2 dat de behandeling van het verzoek tot vervanging gebeurt op een zitting in raadkamer.

De man concludeert dat deze wetsbepaling geenszins van toepassing is op zaken waarin een vordering tot vereffening werd ingeleid vóór deze datum, zoals het geval zou zijn met onderhavige zaak. Voorts is de man van oordeel dat zijn verzoek primair gebaseerd is op de bepalingen van art. 54 Notariswet.

2.3. Art. 54 Notariswet bepaalt (in zijn relevante beschikkingen): “De in opvolging benoemde notaris is van rechtswege belast met de gerechtelijke opdrachten van zijn voorganger onverminderd het recht van de rechtbank om, op verzoek van een betrokken partij of van de procureur des Konings, een andere notaris aan te stellen” (eigen cursivering van het hof).

Kennelijk baseert de man zijn verzoek tot vervanging op deze laatste zinsnede.

Deze wetsbepaling, die de continuïteit beoogt bij de opvolging van een notaris door in een regel te voorzien die het strikt persoonlijke karakter van gerechtelijke opdrachten verleend aan de notaris – en het hierop geënte beginsel van het verbod van delegatie van deze gerechtelijke opdrachten – verfijnt, heeft evenwel niet als roeping een autonome grond uit te maken tot vervanging van een notaris-vereffenaar. Overigens geldt deze wetsbepaling niet als een procedurevoorschrift. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek zijn derhalve onverminderd van toepassing op de verzoeken tot vervanging van de notaris belast met een gerechtelijke opdracht in het raam van een gerechtelijke verdeling.

2.4. Krachtens art. 3 Ger.W. zijn de wetten op de rechtspleging onmiddellijk van toepassing op de hangende rechtsgedingen, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald.

De wet van 13 augustus 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, die in werking trad op 1 april 2012, bepaalt echter in art. 9: “Op de zaken waarin de vordering tot verdeling hangende is (...) blijven de bepalingen van toepassing zoals die golden voor de inwerkingtreding van deze wet”.

Voornoemd art. 9 vormt een uitzondering op het hierboven vermelde algemeen principe, omdat de wetgever van oordeel was dat de nieuwe regeling niet zomaar onverkort kan worden toegepast op reeds lopende procedures; men ging ervan uit dat dit een resem van tegenstrijdigheden zou teweegbrengen en bijgevolg een cascade van tussentijdse geschillen zou uitlokken, wat eigenlijk haaks zou staan op de doelstellingen van de nieuwe wet.

De niet-onmiddellijke toepassing van de wet op de hangende rechtsgedingen vormt evenwel een uitzondering op de algemene regel (neergelegd in art. 3 Ger.W.), terwijl uitzonderingen beperkend moeten worden geïnterpreteerd. Het hof is dan ook van oordeel dat voor de procedure tot vervanging van de notaris-vereffenaar het oude recht niet kan worden toegepast, c.q. de nieuwe wet dient te worden toegepast. De oude wet regelde het probleem van de vervanging van de notaris-vereffenaar eenvoudigweg niet. De nieuwe wet, die thans een gedetailleerde procedure tot vervanging van de notaris-vereffenaar bevat, kan per definitie niet in conflict komen met de oude wetgeving, omdat deze gewoon onbestaande was. Het doel van de overgangsregeling, namelijk het vermijden van conflicten tussen het oude en het nieuwe recht, kan hier dus niet in het gedrang komen. Het toepassen van de nieuw uitgewerkte regeling tot vervanging van de notaris is evenmin in strijd met de letterlijke bepaling van art. 9 van de wet van 13 augustus 2011 (op de zaken waarin de vordering tot verdeling hangende is ... blijven de bepalingen van toepassing zoals die golden voor de inwerkingtreding van deze wet); in deze aangelegenheid waren er immers geen bepalingen die golden vóór de inwerkingtreding van de wet.

2.5. Art. 1211 Ger.W., dat zoals aangehaald in randnr. 2.2, onderhavige procedure beheerst, bepaalt dat indien er omstandigheden zijn die gerechtvaardigde twijfel doen ontstaan over de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de notaris-vereffenaar, de rechtbank voorziet in zijn vervanging. Diezelfde wetsbepaling bepaalt echter in fine dat geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend tegen de beslissing betreffende de vervanging. De vraag rijst bijgevolg naar de toelaatbaarheid van het hoger beroep van de man.

2.6. De noodzaak blijkt tot ambtshalve heropening van het debat, gelet op het recht van verdediging en het hieronder begrepen beginsel van de tegenspraak ten aanzien van de ambtshalve door het hof gestelde vraag.

Het hof acht het evenwel niet noodzakelijk dat partijen of de notaris-vereffenaar, die reeds uitgebreid aan bod gekomen zijn op de zitting van dit hof van 8 oktober 2014, nog zouden verschijnen. Het volstaat bijgevolg dat partijen hun conclusies met opmerkingen tijdig neerleggen ter griffie (...). Deze werkwijze is proceseconomisch, vermijdt verdere vertraging in de rechtsgang en sluit overigens aan bij de wil van de wetgever (zie art. 775 Ger.W., in zijn actuele versie: “in voorkomend geval ...”).

• Rb. Gent 23 oktober 2012, RW 2014-15, 149;

Rechtsleer:

• S. Mosselmans, “Gerechtelijke vereffening-verdeling: in welke mate kan de wet van 13 augustus 2011 tot hervorming van de gerechtelijke vereffening-verdeling dienen voor “oude dossiers”?” in R. Barbaix en A.-L. Verbeke (eds.), Actuele knelpunten familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 110-111, nr. 4;

• S. Mosselmans, “Overgangsregeling voor de nieuwe Wet aangaande de gerechtelijke vereffening-verdeling” in H. Casman en C. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 137-140, nr. 28;

• S. Verstraete, “De vervanging van de notaris-vereffenaar en het overgangsrecht van de wet van 13 augustus 2011 op de gerechtelijke verdeling”, T.Not. 2013, 133-136.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 13/07/2017 - 12:07
Laatst aangepast op: do, 13/07/2017 - 12:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.