-A +A

Ten onrechte niet gefactureerde BTW dient door de koper betaald

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
vri, 03/02/2017

Wanneer een ondernemer ten onrechte factureert met vrijstelling van BTW, kan de nagevorderdere BTW nog steeds op de afnemer worden verhaald.

De boete daarentegen blijft verschuldigd voor de ondernemer.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1623
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV F. t/ NV W.

Procedure

De inleidende dagvaarding ten verzoeke van NV F. werd betekend aan NV W. op 8 december 2015.

...

Feiten

Eiser, NV F., heeft op 29 december 2010 aan verweerder, NV W., verkocht: een perceel industriegrond in Boom; 1/3 van gebouwen/opstallen in Boom; de inrichting en roerende goederen van die gebouwen.

Bij die verkoop werd er gefactureerd alsof op de roerende goederen geen btw moest worden aangerekend, gelet op art. 11 Btw-wetboek.

De btw-administratie was het daar niet mee eens en verplichtte NV F. een correctie-opgave te doen voor een btw-bedrag van 74.550 euro. Daar kwam nog een boete van 20% of 14.910 euro bovenop.

NV F. factureerde op 31 mei 2012 de btw aan NV W. Zij stuurde samen met de factuur een kopie van de documenten van de fiscus op.

Op 16 maart 2015 stuurde de raadsman van NV F. een ingebrekestelling. NV W. antwoordde op 30 maart 2015 en vroeg een aantal stukken op. Die kreeg ze per brief van 2 april 2015.

NV W. weigerde te betalen, zodat NV F. huidige procedure inleidde.

Vorderingen

NV F. vordert:

– 74.550 euro, te vermeerderen met de verwijlintresten aan de rentevoet conform de wet van 2 augustus 2002 op 74.550 euro vanaf 30 juni 2012 tot de dag van de definitieve betaling, te vermeerderen met een forfaitaire schadevergoeding van 10% zijnde 7.455 euro, te vermeerderen met verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de inleidende dagvaarding tot de dag der algehele betaling,

– 14.910 euro, te vermeerderen met de verwijlintresten aan de rentevoet conform de wet van 2 augustus 2002 vanaf de datum van inleidende dagvaarding tot de dag van de definitieve betaling,

...

NV W. vordert: (...) afwijzing van de vordering als ontoelaatbaar en subsidiair als ongegrond;

...

Te beoordelen geschilpunten

...

2. BTW-schuld in hoofdsom

Uit de stukken die NV F. bijbrengt, blijkt dat de facturatie voor wat betreft de btw wel degelijk is opgesteld op aangeven van NV W.

Op 27 april 2011 om 7u30 stuurde J.G. van NV F. een e-mail aan K. De P.

«Hallo K.,

«Vanmiddag ontvingen wij de afrekening inzake het pand. De volgende opmerkingen:

«Roerende zaken

«Het valt op dat over het bedrag van de roerende zaken geen omzetbelasting wordt berekend. Dit is volgens mij en onze fiscale adviseur niet juist. Ik begreep via de notaris dat jij had aangegeven dat hierover geen omzetbelasting verschuldigd zou zijn, wat is de achterliggende gedachte daarbij?»

Uit dit e-mailbericht alleen al blijkt dat het initiatief om te factureren zonder btw uitgaat van Karel De P. Deze bevestigt zijn standpunt nogmaals in een e-mail van een kwartier later:

«J.

«Ik zit op een lezing maar kort.

«De btw op roerend via art. 11bis dus nul procent.»

Ter zitting heeft NV W. uitdrukkelijk afstand genomen van wat de h. K. De P. heeft gezegd. Nochtans blijkt uit de stukken die NV F. bijbrengt, dat K. De P. de vaste vertegenwoordiger was en is van een bestuurder van NV W. Daarbij moet in acht worden genomen dat het e-mailverkeer kadert in de bespreking van de transactie tussen NV F. en NV W. De uitspraak van de h. K. De P. moet dus wel degelijk worden beschouwd als een uitspraak van NV W.

NV W. heeft niet eenzijdig te bepalen op welke wijze de btw-reglementering moet worden toegepast. Haar standpunt was manifest verkeerd.

Allereerst is er de verkeerde verwijzing naar het onbestaande art. 11bis Btw-wetboek. Vermoedelijk betreft het een vergissing en wilde NV W. verwijzen naar art. 11 Btw-wetboek, dat in een vrijstellingsregime voorziet. De vrijgestelde overdracht met toepassing van art. 11 Btw-wetboek vereist dat niet alleen goederen, maar een hele activiteit wordt overgenomen. Een overdracht waarbij louter en alleen goederen roerend en onroerend worden overgenomen zonder dat een activiteit wordt verdergezet, valt niet onder art. 11 Btw-wetboek en is dus niet vrijgesteld.

Uit de toelichting ter zitting bleek dat de NV F. de gebouwen en goederen die zij aan NV W. heeft verkocht, gebruikte voor een activiteit in de audiovisuele sector. NV W. gebruikt ze enkel ter verhuring als opslagplaats. Er was dus geen voortzetting van een bedrijfsactiviteit.

Door NV F. voor te spiegelen dat de verkoop kon plaatshebben met vrijstelling van btw heeft NV W. zich schuldig gemaakt aan een precontractuele fout. NV F. heeft daarom recht op een schadevergoeding.

Bovendien kan NV W. zich er niet tegen verzetten dat NV F. alsnog de btw-wetgeving correct toepast. Dat houdt in dat zij die moet factureren aan NV F. Ook de weigering om daaraan mee te werken, is foutief.

De rechtbank stelt ten slotte vast dat NV W. niet bewijst dat zij de factuur voor de btw heeft geprotesteerd, laat staan dat dit tijdig of gemotiveerd gebeurde. Ter zitting verklaarde de raadsman van NV W. dat de factuur werd geweigerd en werd teruggestuurd. NV F. heeft de geweigerde factuur niet ontvangen en NV W. brengt ook geen bewijs bij van haar bewering.

Los daarvan moet worden vastgesteld dat, zelfs zo het zou kloppen dat NV W. de factuur zou hebben teruggestuurd, zij dit klaarblijkelijk heeft gedaan zonder haar protest te motiveren. Uit de afwezigheid van gemotiveerd protest kan worden afgeleid dat partijen oorspronkelijk waren overeengekomen dat er zou worden gefactureerd met btw zo dat nodig bleek. Ook om die reden is NV W. gehouden tot betaling van de factuur van NV F. van 16 maart 2012.

De rechtbank wijst er verder op dat NV W. zelf in conclusies aangeeft dat de transactie voor haar volledig btw-neutraal is. Zij kan met andere woorden die btw zelf weer recupereren.

NV W. voert daarbij wel aan dat de factuur van 16 maart 2012 niet conform zou zijn aan de btw-wetgeving en daarom haar recht op aftrek verhinderen. In conclusies betoogt NV W. dat de factuur geen maatstaf van heffing zou bevatten. Dat klopt niet. De factuur bevat een duidelijke verwijzing naar de andere factuur en vermeldt in de omschrijving duidelijk de vereiste maatstaf van heffing en het toegepaste tarief. Die maatstaf van heffing is wel degelijk 355.000 euro, dat is de prijs die werd afgesproken, exclusief btw. De enige oorzaak dat er op dat ogenblik geen btw werd op aangerekend, is de foute informatie van de h. K. De P. Er is niets wat erop wijst dat NV W. deze prijs beschouwde als de prijs, btw inbegrepen.

De rechtbank acht het ook niet bewezen dat de vermelding op de factuur van een juist adres (...), maar de verkeerde unit (300) in plaats van unit 44, het recht op aftrek van NV W. verhindert.

Niettegenstaande al het bovenstaande, meent de rechtbank dat ook NV F. een eigen aansprakelijkheid draagt. Zij had, gelet op het advies van haar eigen fiscale specialisten, zich niet zonder meer mogen laten misleiden door de beweringen van NV W. Om die reden meent de rechtbank dat NV F. een deel van de schade – bestaande uit de door de btw-administratie opgelegde boete van 14.910 euro – zelf moet dragen.

De vordering van NV F. is daarom gedeeltelijk gegrond, namelijk:

– 74.550 euro, te vermeerderen met de verwijlintresten aan de intrestvoet conform de wet van 2 augustus 2002 vanaf zoals bepaald in uitvoering van art. 5 van de wet van 2 augustus 2002 «betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties» vanaf 30 juni 2012 tot 8 december 2015, waarna de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet;

– 7.455 euro als schadevergoeding overeenkomstig art. 6 van de wet van 2 augustus 2002 «betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties», te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet in burgerlijke en handelszaken bepaald in art. 2, § 1 van de wet van 5 mei 1865 «betreffende de lening tegen interest», zoals gewijzigd door art. 87 van de Programmawet (l) van 27 december 2006 vanaf 8 december 2015.

Noot: 

 

Cassatie 11/03/2011, RW 2011-2012, 1646

samenvatting

De BTW-wetgeving houdt een weerlegbaar wettelijk vermoeden in dat de bewijslast omkeert in het voordeel van de belastingadministratie. Indien de belastingadministratie bewijst dat de belastingplichtige goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, heeft geleverd of diensten heeft verricht, moet deze laatste om aan de heffing van btw over de omzet te ontsnappen, aantonen dat de goederen niet werden verkocht of dat de levering of de dienstverstrekking geheel of ten dele vrijgesteld is van btw (Cass.11/03/2011)

Fiscaal misbruik mag door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën.
Artikel 1349 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat vermoedens gevolgtrekkingen zijn die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.

Krachtens artikel 1353 Burgerlijk Wetboek worden vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld, overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter.
De rechter stelt op onaantastbare wijze het bestaan vast van de feiten waarop hij steunt. De feiten die hij als uitgangspunt van zijn redenering neemt, moeten vaststaan, dit wil zeggen moeten bewezen zijn. Geen enkele wetsbepaling belet evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens. Dit is geen geen verboden opeenstapeling van vermoedens.

De omstandigheid dat het bewijs van niet-geboekte aankopen en van een meeromzet werd geleverd door feitelijke vermoedens, verhindert niet dat vervolgens op dit vaststaande gegeven het wettelijke vermoeden van art. 64, § 1 Btw-wetboek wordt toegepast, waardoor de aangekochte goederen geacht worden te zijn geleverd onder voorwaarden waaronder de btw opeisbaar wordt.

Tekst arrest

 

Belgische Staat, minister van Financiën t/ B.W.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 september 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Art. 64, § 1 van het BTW-wetboek bepaalt dat hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs geacht wordt de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Art. 64, § 2 van hetzelfde wetboek bepaalt dat hij die diensten verricht, behoudens tegenbewijs geacht wordt dat te hebben gedaan onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

2. Deze bepalingen houden een weerlegbaar wettelijk vermoeden in dat de bewijslast omkeert in het voordeel van de belastingadministratie. Indien de belastingadministratie bewijst dat de belastingplichtige goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, heeft geleverd of diensten heeft verricht, moet deze laatste om aan de heffing van btw over de omzet te ontsnappen, aantonen dat de goederen niet werden verkocht of dat de levering of de dienstverstrekking geheel of ten dele vrijgesteld is van btw.

3. De appelrechters die vaststellen dat op grond van de inhoud van de akkoordverklaringen die inzake directe belastingen voor de aanslagjaren 1995 en 1996 werden ondertekend door de verweerder, niet kan worden betwist dat de herberekening van de winst in de directe belastingen integraal het gevolg is van een verhoging van de omzet, hetgeen impliceert dat goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, werden geleverd of diensten werden verstrekt, hebben niet zonder schending van het wettelijk vermoeden vervat in voormeld art. 64, §§ 1 en 2, kunnen beslissen dat de Staat de bewijslast verkeerdelijk heeft omgedraaid.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 02/06/2018 - 20:18
Laatst aangepast op: ma, 04/06/2018 - 18:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.