-A +A

Terrorisme uitsluitingsgrond 141bis Strafwetboek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
don, 14/09/2017

Art. 141bis Sw. bepaalt: «Deze titel (dit is titel Iter, hoofdstuk III, boek II Sw.) is niet van toepassing op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, noch op de handelingen van de strijdkrachten van een Staat in het kader van de uitoefening van hun officiële taken, voor zover die handelingen onderworpen zijn aan andere bepalingen van internationaal recht.»

De vraag die rijst is of de PKK een terroristische organisatie is dan wel een strijdkracht bij een gewapend conflict, als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht.

In geval van een niet-internationaal gewapend conflict is het gemeenschappelijk art. 3 van de Conventies van Genève van 1949 evenals het tweede aanvullend protocol bij de Conventies van Genève van 8 juni 1977 van toepassing.

Het gemeenschappelijk art. 3 van de Conventies van Genève bevat geen definitie van een gewapend conflict. Het bepaalt enkel de verplichtingen van de partijen in geval van een gewapend conflict dat geen internationaal karakter heeft, op het grondgebied van één van de Hoge Verdragsluitende Partijen.

Volgens het Hof van Cassatie is er een gewapend conflict in de zin van het internationaal humanitair recht wanneer er sprake is van gewapend geweld tussen Staten of aanhoudend gewapend geweld tussen overheidsinstanties en georganiseerde gewapende groepen of tussen dergelijke groepen onderling binnen een Staat. Of er sprake is van aanhoudend gewapend geweld waarbij georganiseerde gewapende groepen zijn betrokken, wordt in hoofdzaak beoordeeld aan de hand van de intensiteit van het conflict en de mate van organisatie van de betrokken partijen. Andere door de internationale rechtspraak vermelde criteria zijn slechts indicatieve criteria die kunnen worden gebruikt voor de invulling van de vereisten van de intensiteit van het conflict en de organisatie van de betrokken partijen. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of bepaalde gedragingen als handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de hier bedoelde zin moeten worden beschouwd (Cass. 24 mei 2016, AR nr. P.2016.0244.N, Arr.Cass. 2016, 1179).

Volgens de internationale rechtspraak wordt een gewapend conflict geïdentificeerd op grond van de volgende niet-cumulatieve elementen: een zekere graad van organisatie, het bestaan van een commandostructuur, het aantal slachtoffers, de ernst van de beschadigingen, het gebruik door de protagonisten van oorlogswapens en de verplaatsing van de bevolking die dit alles tot gevolg heeft. In verband met de intensiteit van het conflict moeten de vijandelijkheden een bepaalde drempel hebben overschreden, moet er een zekere duur zijn en moet de intensiteit van de schermutselingen zodanig zijn dat het oorlogsrecht van toepassing wordt (TPIY, Limaj, IT-03-66-T, 30 november 2005, §§ 135 e.v.). Deze verschillende niet-cumulatieve factoren kunnen een aanwijzing geven voor het bestaan van een gewapend conflict.

Of er sprake is van een gewapend conflict, moet dus duidelijk worden door een feitelijke vaststelling van de omstandigheden ter plaatse.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1611

X e.a.

...

De inverdenkinggestelden worden vervolgd voor deelname aan de activiteiten van een terroristische groep.

Een aantal inverdenkinggestelden werpt een uitsluitingsgrond op m.b.t. de toepassing van de nationale wetgeving inzake terroristische misdrijven, bepaald in art. 141bis Sw. Zij voeren aan dat het conflict tussen de PKK, de organisatie die door het openbaar ministerie en de burgerlijke partijen als een terroristische groep wordt beschouwd, en de Turkse Staat tijdens de incriminatieperiode onder de toepassingsvoorwaarden van die bepaling viel, zodat de artt. 137 tot 141 Sw. niet van toepassing zijn.

Volgens het openbaar ministerie behoort de beoordeling van de toepasselijkheid van deze uitsluitingsgrond toe aan de bodemrechter.

Art. 128, eerste lid Sv. verplicht het onderzoeksgerecht, wanneer de inverdenkinggestelde bij conclusie aanvoert dat het hem verweten feit, al stond het vast, geen strafbaar feit uitmaakt, die conclusie te beantwoorden en daarbij concreet te onderzoeken of dat feit strafbaar is (Cass. 9 april 2013, P.12.1208.N; Cass. 19 mei 2015, P.14.1797, www.cass.be).

Art. 141bis Sw. bepaalt: «Deze titel (dit is titel Iter, hoofdstuk III, boek II Sw.) is niet van toepassing op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, noch op de handelingen van de strijdkrachten van een Staat in het kader van de uitoefening van hun officiële taken, voor zover die handelingen onderworpen zijn aan andere bepalingen van internationaal recht.»

De vraag die rijst is of de PKK een terroristische organisatie is dan wel een strijdkracht bij een gewapend conflict, als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht.

In geval van een niet-internationaal gewapend conflict is het gemeenschappelijk art. 3 van de Conventies van Genève van 1949 evenals het tweede aanvullend protocol bij de Conventies van Genève van 8 juni 1977 van toepassing.

Het gemeenschappelijk art. 3 van de Conventies van Genève bevat geen definitie van een gewapend conflict. Het bepaalt enkel de verplichtingen van de partijen in geval van een gewapend conflict dat geen internationaal karakter heeft, op het grondgebied van één van de Hoge Verdragsluitende Partijen.

Het tweede Aanvullend Protocol bij de Conventies van Genève werd niet geratificeerd door Turkije zodat het niet van toepassing is op het conflict tussen de Turkse Staat en de PKK.

Art. 8 § 2, 2o, f van het Statuut van het Internationaal Strafhof verwijst naar niet-internationale gewapende conflicten. Het geldt voor gewapende conflicten die plaatsvinden op het grondgebied van een Staat in het geval van een langdurig gewapend conflict tussen de officiële overheden en georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen onderling. Het geldt niet voor gevallen van interne onlusten en spanningen, zoals oproer, geïsoleerde en sporadische gewelddadigheden of soortgelijke handelingen.

Turkije heeft het Statuut van het Internationaal Strafhof niet geratificeerd, maar dit Statuut legt de huidige stand van het internationaal gewoonterecht vast en art. 136quater Sw. is ook van toepassing op schendingen van het internationaal humanitair gewoonterecht.

In de zaak-Tadic van het Joegoslavië-tribunaal besliste het tribunaal dat er sprake is van een internationaal gewapend conflict wanneer er gewapend geweld plaatsvindt tussen Staten. Er vindt een niet-internationaal gewapend conflict plaats bij langdurig gewapend geweld tussen een overheid en een of meer gewapende groeperingen, of tussen groeperingen onderling (ICTY, The Prosecutor v. Dusko Tadic, IT-94-1-A, 2 oktober 1995).

Volgens het Hof van Cassatie is er een gewapend conflict in de zin van het internationaal humanitair recht wanneer er sprake is van gewapend geweld tussen Staten of aanhoudend gewapend geweld tussen overheidsinstanties en georganiseerde gewapende groepen of tussen dergelijke groepen onderling binnen een Staat. Of er sprake is van aanhoudend gewapend geweld waarbij georganiseerde gewapende groepen zijn betrokken, wordt in hoofdzaak beoordeeld aan de hand van de intensiteit van het conflict en de mate van organisatie van de betrokken partijen. Andere door de internationale rechtspraak vermelde criteria zijn slechts indicatieve criteria die kunnen worden gebruikt voor de invulling van de vereisten van de intensiteit van het conflict en de organisatie van de betrokken partijen. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of bepaalde gedragingen als handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de hier bedoelde zin moeten worden beschouwd (Cass. 24 mei 2016, AR nr. P.2016.0244.N, Arr.Cass. 2016, 1179).

Volgens de internationale rechtspraak wordt een gewapend conflict geïdentificeerd op grond van de volgende niet-cumulatieve elementen: een zekere graad van organisatie, het bestaan van een commandostructuur, het aantal slachtoffers, de ernst van de beschadigingen, het gebruik door de protagonisten van oorlogswapens en de verplaatsing van de bevolking die dit alles tot gevolg heeft. In verband met de intensiteit van het conflict moeten de vijandelijkheden een bepaalde drempel hebben overschreden, moet er een zekere duur zijn en moet de intensiteit van de schermutselingen zodanig zijn dat het oorlogsrecht van toepassing wordt (TPIY, Limaj, IT-03-66-T, 30 november 2005, §§ 135 e.v.). Deze verschillende niet-cumulatieve factoren kunnen een aanwijzing geven voor het bestaan van een gewapend conflict.

Of er sprake is van een gewapend conflict, moet dus duidelijk worden door een feitelijke vaststelling van de omstandigheden ter plaatse.

Volgens het openbaar ministerie telde de PKK op het hoogtepunt in de jaren ‘90 mogelijk 50.000 strijders. Hoeveel dat er nu zijn, is onbekend. Schattingen variëren tussen 3.000 en 5.000. De meeste PKK-strijders verblijven in Noord-Irak, vanwaar zij aanvallen uitvoeren op doeleinden in Turkije [...]. Volgens het openbaar ministerie vertegenwoordigt de militante PKK-guerrilla aldus geschat nauwelijks 0,03 % van de Turks-Koerdische populatie in Turkije en nauwelijks 0,01 % van de globale Koerdische bevolking in de regio die Koerdistan wordt genoemd. De PKK is volgens de federale procureur mitsdien niet te bestempelen als representatief voor de Koerdische kwestie of de legitieme vertegenwoordiging van een volk dat in conflict zou zijn met een Staat en is niet in staat om met een georganiseerde strijdmacht een bepaald gebied te bezetten of om op militair georganiseerde wijze troepen in te zetten tegen hun uitgeroepen vijand Turkije. De acties van de PKK worden voornamelijk getypeerd door sporadische clandestiene verrassingsaanvallen en aanslagen op geïsoleerde doelwitten. Er is geen sprake van een aanhoudend militair offensief en de gebruikte technieken zijn voornamelijk guerrillatechnieken.

Uit de elementen van het strafdossier en uit de door de partijen aan het hof voorgelegde stukken en verwijzingen naar publicaties op het internet blijkt dat de gewapende strijd tegen de Turkse Staat in 1984 is gestart. Deze strijd, die voornamelijk gericht was tegen de Turkse militairen en politieagenten, werd voornamelijk gestreden in de regio Zuid-Oost-Turkije, zijnde de voornaamste woonplaats van de etnische Koerden in Turkije [...]. Het conflict in Turkije tussen de PKK en de Turkse overheid bestaat nog altijd, ondanks een aantal periodes van staakt-het-vuren tijdens de incriminatieperiode. Hieruit blijkt het langdurig karakter van het conflict.

Volgens de gegevens verstrekt in de conclusie van de inverdenkinggestelden blijkt dat het overgrote deel van de schattingen over 40.000 doden spreekt door het gewapend conflict tussen Turkije en de PKK sinds 1984 [...].

Sinds het einde van het staakt-het-vuren einde 2015 zijn minstens 2.000 doden gevallen volgens het OHCHR (Office of the United Nations High Commissioner for Human Rights). Over de jaren heen is er in totaal sprake van vernietiging van meer dan 3.000 Koerdische dorpen. [...]

De inverdenkinggestelden verwijzen naar de ettelijke militaire offensieven ingesteld door het Turkse leger en de verschillende onderdelen van de Turkse gewapende krachten tegen de PKK en de HPG, de gewapende vleugel van de PKK. Hierbij werden steeds zeer zware wapens en artillerie gebruikt.

Het openbaar ministerie voert aan dat het strafdossier aantoont dat de uitrusting van de HPG eerder primitief en rudimentair is.

Er moet echter rekening worden gehouden met de wapens gebruikt door beide protagonisten. Uit de door de inverdenkinggestelden aangevoerde opzoekingen op internet [...] blijkt dat het Turkse leger grond- en luchtoffensieven en bombardementen heeft uitgevoerd, en gevechtsvliegtuigen heeft gebruikt. Bij wijze van voorbeeld kan worden verwezen naar de grootschalige operatie waarmee het Turkse leger is gestart in september 2015 met als doelstelling het verjagen van de militanten van de PKK [...]. CNN bericht op 16 december 2007 over een Turkse luchtaanval op PKK-stellingen in het Qandil-gebergte, waarbij gebruikgemaakt wordt van langeafstandsraketten. [...]

Voorts wordt door de inverdenkinggestelden verwezen naar aanvallen door de HPG op gepantserde voertuigen en tanks van het Turkse leger.

De HPG gebruikt Amerikaanse wapens die vanuit Irak Turkije binnengesmokkeld worden, zoals M-16-machinegeweren, verschillende explosieven, zoals A-4-explosieven, TNT, ammoniumnitraat, kalasjnikovs, landmijnen, raketwerpers [...].

Het openbaar ministerie verwijt aan bepaalde inverdenkinggestelden deelgenomen te hebben aan de gewapende strijd, zoals, bij wijze van voorbeeld, [...] die zou te zien zijn op foto’s in militaire kledij, [...] die te zien is op foto’s in gevechtskledij met oorlogswapens [...].

De uniformdracht bij de uitvoering van militaire acties blijkt aldus voldoende uit deze stukken.

Uit het bovenstaande blijkt dat de strijd van de PKK geen guerrilla is van sporadische aanvallen en dat het conflict niet bestaat uit beperkte opstanden of geïsoleerde en sporadische gewelddadigheden, terreuraanslagen of losse incidenten, maar een langdurig gewapend geweld is met een zekere intensiteit.

Een ander criterium om te kunnen spreken van een strijdkracht of gewapend conflict, is dat het moet gaan om een groep met een zekere organisatie die in staat moet zijn om een militaire confrontatie te plannen en uit te voeren over een lange periode. Het openbaar ministerie betwist dat dit criterium voorhanden zou zijn.

Uit de stukken, documenten en publicaties waarnaar verwezen wordt in de conclusies van de inverdenkinggestelden, blijkt dat de PKK een strikt hiërarchische organisatie is volgens het principe van het democratisch centralisme met Abdullah Öcalan als leider [...].

De HPG, de gewapende vleugel van de PKK, beschikt over een complexe commandostructuur. De conferentie van de HPG (HPG Konferansi) vergadert elke twee jaar. Ze verenigt de leden van de Raad en verkozen afgevaardigden uit de lokale eenheden. De conferentie verkiest de Raad (HPG Meclisi), samengesteld uit 41 leden. De Raad verkiest op zijn beurt de commandoraad van dertien leden (Komuta Konseyi). De Commandoraad verkiest met een tweederdemeerderheid de opperbevelhebber van de HPG.

Het dagelijkse operationele commando wordt uitgeoefend door een Generale Staf (Anakarargah Komutanligi) onder leiding van de opperbevelhebber. Murat Karayilan is de opperbevelhebber van de HPG (zie de verwijzingen naar de HPG Genel Yonetmeligi in de conclusies van de inverdenkinggestelden [...]). Daarnaast zijn er lokale commandostructuren.

De verwijzingen naar de HPG Genel Yonetmeligi worden door het openbaar ministerie op zich niet betwist.

De HPG en de PKK hebben reglementen en gedragsregels aangenomen waaronder reglementen voor de oorlogsvoering en regels over de naleving van het humanitair recht. Zij hebben verklaard zich te schikken naar een aantal internationale verdragen (onder meer betreffende de inzet van kindsoldaten en landmijnen).

De PKK is geen Staat in de zin van het internationaal recht en kan uiteraard geen internationale verdragen ondertekenen, maar het gedrag van de leden van de PKK toont aan dat het in hun bedoeling ligt het internationaal humanitair recht na te leven.

De HPG beschikt over een systeem van rechtbanken, waarvan de statuten publiek zijn en die de naleving van het internationaal humanitair recht met sancties kunnen afdwingen.

De PKK heeft met de Turkse Staat in Oslo vredesonderhandelingen aangegaan van 2009 tot 2011 [...].

Uit het strafdossier blijkt dat de PKK over de capaciteit beschikt om nieuwe leden te rekruteren en om opleidingskampen te organiseren. Er zijn voldoende onderzoekselementen in het strafdossier die wijzen op de rekrutering van jonge mensen, vooral van Koerdische origine, op een systematische en op een zeer goed georganiseerde manier, zelfs in West-Europa, waaronder in België. Uit de elementen van het onderzoek blijkt ook dat deze personen in verschillende fasen in West-Europa, waaronder in België, en in militaire trainingskampen in Noord-Irak een opleiding volgen. Deze rekrutering en opleiding zijn er onder meer op gericht deze personen in te zetten in het leger van de PKK of haar afgeleide groepen en/of gewapende conflicten aan te gaan met militaire strijdkrachten en de politiediensten van Turkije en Iran [...].

Uit het strafdossier blijkt ook dat de financiering van de PKK zeer goed georganiseerd is ([...] PV [...]). Hierin wordt vermeld dat de gewapende strijd van de PKK gefinancierd zou worden via een «revolutionaire belasting». Het innen van de belasting is binnen de Koerdische gemeenschap gekend als zijnde een «Kampanya». Door de PKK zou er dus per land een «Kadro» (nationale vertegenwoordiger in ieder land) aangesteld worden voor de inning van de «revolutionaire belasting». In voormeld PV wordt de gestructureerde handelwijze voor de inning van de belasting uitgelegd.

Het doel van de PKK bestaat er niet in een bevolking ernstige vrees aan te jagen maar haar doelstelling is de oprichting van een onafhankelijke Staat, gebaseerd op een marxistisch-leninistische staatstheorie en partijmodel. Zij beoogt een vrije bevolking [...]. Met het oog hierop wordt een gewapende strijd gevoerd. Volgens de brief van de Veiligheid van de Staat van 17 oktober 2016 [...] nemen de gewapende acties van de HPG diverse vormen aan: ontvoeringen, daden van sabotage en vernieling van infrastructuur, wegblokkades, schietincidenten, acties waarbij personen worden vermoord, bomaanslagen. Burgers zijn echter geen doelwitten van de HPG, al vallen er tijdens gewapende acties ook burgerslachtoffers.

Het is evenwel niet uitgesloten dat terroristische handelingen plaatsvinden in het kader van een gewapend conflict binnen het conflictgebied. Terroristische acties binnen het kader van een gewapend conflict zijn oorlogsmisdaden die niet straffeloos blijven, maar onder de toepassing van het internationaal humanitair recht vallen en niet onder de toepassing van de wetgeving inzake terrorisme.

Wanneer strijdkrachten die partij zijn in een gewapend conflict, daden van terrorisme plegen buiten het conflictgebied, zijn dergelijke handelingen geen handelingen van strijdkrachten in het kader van een gewapend conflict en vallen zij dus onder de bepalingen van de wetgeving inzake terrorisme.

Het openbaar ministerie voert aan dat art. 141bis Sw. niet kan worden ingeroepen voor handelingen, gekwalificeerd als «deelname aan de activiteiten» van de PKK als terroristische groep of als «leidend persoon» van de PKK als terroristische groep in België, omdat België zich immers niet in een situatie van gewapend conflict bevindt.

De inverdenkinggestelden worden echter niet vervolgd voor terroristische misdaden zoals gekwalificeerd in art. 137 Sw. die op het Belgische grondgebied zouden hebben plaatsgevonden. Krachtens art. 137 Sw. wordt als terroristisch misdrijf beschouwd het misdrijf gepleegd met het oogmerk om een bevolking ernstige vrees aan te jagen of om de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling, of om de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.

De misdrijven waarvoor de inverdenkinggestelden worden vervolgd en die op het Belgisch grondgebied zouden zijn gepleegd, zoals het organiseren en voeren van propaganda, inning en sluizen van gelden, organisatie van events met het oog op de financiering van de PKK, beweerde overtreding op de communicatie, werden, als zij bewezen zouden zijn, niet gepleegd met het in art. 137 Sw. beschreven oogmerk. De doelstelling van de PKK is, zoals hierboven reeds aangegeven, de oprichting van een onafhankelijke Staat, maar niet het terroriseren van burgers.

Om de stelling dat de PKK beschouwd moet worden als een terroristische groep te staven, verwijst het openbaar ministerie naar het feit dat zowel in Frankrijk, Denemarken en Duitsland de PKK beoordeeld en veroordeeld werd als een terroristische organisatie.

De inverdenkinggestelden repliceren terecht dat buitenlandse rechtspraak slechts betekenisvol is in zoverre de wetgeving op grond waarop deze is tot stand gekomen, vergelijkbaar is met die in ons recht. Uit de door het openbaar ministerie neergelegde Duitse en Franse rechtspraak blijkt niet dat deze Staten een uitsluitingsgrond als die van art. 141bis Sw. in hun interne wetgeving hebben opgenomen.

Bovendien zijn, zoals hierboven reeds aangegeven, daden van terrorisme gepleegd buiten het conflictgebied, zoals, bij wijze van voorbeeld, het gooien van molotovcocktails naar een gebouw van de Permanente Turkse Vertegenwoordiging bij de Raad van Europa in Parijs, geen handelingen van strijdkrachten in het kader van een gewapend conflict. Dergelijke daden vallen dus wel onder de bepalingen van de wetgeving inzake terrorisme.

Voorts verwijst het openbaar ministerie naar de Europese lijst van de terroristische organisaties waarop de PKK als terroristische groep is opgenomen.

Deze lijst is een administratief document en de plaatsing op deze lijst gebeurt door de Raad van Ministers van de Europese Unie, een onderdeel van de uitvoerende macht.

In het kader van de strijd van de Europese Unie tegen terrorisme sinds de aanslagen van 11 september 2001, heeft de Europese Unie in december van hetzelfde jaar een lijst opgesteld van de personen, groepen en entiteiten die betrokken zijn bij terreurdaden en waarvoor beperkende maatregelen gelden. Het gaat om volgende beperkende maatregelen:

– maatregelen betreffende de bevriezing van tegoeden en financiële middelen;

– maatregelen betreffende de politionele en gerechtelijke samenwerking.

De verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad regelt de bevriezing van alle tegoeden en andere financiële middelen die toebehoren aan deze personen, groepen en entiteiten.

In het arrest van 14 maart 2017 van het Europees Hof van Justitie dat betrekking heeft op de vermelding op de «bevriezingslijst» van de LTTE (Tamoul verzetsbeweging in Sri Lanka) wenst de verwijzende rechter te vernemen of handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict, in de zin van het humanitair recht, «terroristische misdrijven» zijn in de zin van het kaderbesluit 2002/475 of «terroristische daden» in de zin van het gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en van de verordening nr. 2580/2001 kunnen vormen. De verwijzende rechter vraagt zich in dit verband af of de daden van de entiteit LTTE die de aanleiding waren voor de plaatsing van die entiteit op de bevriezingslijst, kunnen worden aangemerkt als terroristische daden in de zin van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en van verordening nr. 2580/2001, terwijl deze handelingen moeten worden gelezen in samenhang met kaderbesluit 2002/475, waarvan overweging 11 preciseert dat het niet van toepassing is op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict.

Het arrest van 14 maart 2017 oordeelt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds kaderbesluit 2002/475 en anderzijds gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en verordening nr. 2580/2001.

«81. Wat kaderbesluit 2002/475 betreft, dit strekt er met name toe de omschrijving van terroristische misdrijven in alle lidstaten nader tot elkaar te brengen, te voorzien in straffen en sancties die in overeenstemming zijn met de ernst van dergelijke strafbare feiten, alsmede regels ten aanzien van de rechtsmacht op te stellen teneinde te waarborgen dat terroristische misdrijven doeltreffend worden vervolgd.

«82. In deze strafrechtelijke context past overweging 11 van kaderbesluit 2002/475, volgens welke dit besluit niet van toepassing is op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, en evenmin op handelingen ondernomen door de strijdkrachten van een Staat bij de uitoefening van hun officiële taken, voor zover onderworpen aan andere bepalingen van internationaal recht.

«83. Daarentegen hebben gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en verordening nr. 2580/2001 tot doel uitvoering te geven aan resolutie 1373 (2001), die is aangenomen na de terroristische aanslagen in de Verenigde Staten op 11 september 2001 en die hoofdzakelijk strekt tot het voorkomen van terroristische daden door middel van de vaststelling van bevriezingsmaatregelen om voorbereidende handelingen voor dergelijke daden te belemmeren, zoals de financiering van personen of entiteiten die terroristische daden zouden kunnen plegen.»

Voorts oordeelt het arrest dat het internationaal humanitair recht andere doeleinden nastreeft dan gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en verordening nr. 2580/2001 en dat daarbij afzonderlijke mechanismen zijn ingesteld. Gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en verordening nr. 2580/2001 hebben niet tot doel terroristische daden te bestraffen, maar wel terrorisme te bestrijden door de financiering van terroristische daden te voorkomen. De toepassing van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en van verordening nr. 2580/2001 is niet afhankelijk van de uit het internationaal humanitair recht voortvloeiende kwalificaties. Uit een en ander volgt dat gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en verordening nr. 2580/2001 in die zin moeten worden uitgelegd dat handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het internationaal humanitair recht, «terroristische daden» in de zin van deze Uniehandelingen kunnen vormen (punten 89, 91, 97 van het arrest van 14 maart 2017 van het Europees Hof van Justitie, http://curia.europa.eu/).

Hieruit volgt dat de vermelding op de «bevriezingslijst» van een organisatie wegens bepaalde terroristische daden niet inhoudt dat de organisatie of haar leden op strafrechtelijk gebied als een terroristische organisatie moeten worden gekwalificeerd wanneer de daden die zij stellen, handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het internationaal humanitair recht uitmaken.

...

Subsidiair voert het openbaar ministerie aan dat de laatste zinsnede van art. 141bis Sw. in een uitzondering op de exceptie voorziet, omdat zij slechts toepasselijk is «voor zover die handelingen onderworpen zijn aan andere bepalingen van internationaal recht».

Handelingen gesteld op Belgisch grondgebied die daden van deelname zijn aan oorlogsmisdaden gepleegd in het buitenland, kunnen onderworpen zijn aan het internationaal humanitair recht indien zij misdrijven uitmaken. Bijgevolg kan art. 141bis Sw. wel degelijk ingeroepen worden voor dergelijke feiten gepleegd in België en geldt de uitzondering op de exceptie van art. 141bis Sw. in casu niet.

...

De toepassing van art. 141bis Sw. brengt overigens geen strafrechtelijke immuniteit met zich mee. Bij een gewapend conflict mogen de strijdkrachten geen handelingen stellen die in strijd zijn met het internationaal humanitair recht.

Uit het geheel van alle bovenstaande elementen kan worden besloten dat de PKK partij is in een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht waarop de uitsluitingsgrond van art. 141bis Sw. van toepassing is.

...

De tenlastelegging E betreft het misbruik van telecommunicatiemiddelen door de 30e [...] en de 32e [...] inverdenkinggestelden, teneinde overlast te bezorgen aan hun correspondent of schade te berokkenen.

Aan de twee inverdenkinggestelden wordt overtreding van de wet van 13 juni 2005 «betreffende de elektronische communicatie» verweten door het verzekeren van operationele en propagandistische berichtgeving en communicatie ten bate van de gewapende strijd door een terroristische groep gevoerd en dit met het oogmerk schade te berokkenen.

In zoverre het openbaar ministerie de betrokkenheid van [...] en [...] bij de activiteiten van de PKK als terroristische groep bedoelt, is de uitsluiting van art. 141bis Sw. van toepassing.

[...] is een vennootschap die tot doel heeft televisieprogramma’s, voornamelijk nieuwsuitzendingen en actualiteitenmagazines, aan te maken, bestemd voor de Koerdische gemeenschap. Voorts is [...] een mediabedrijf dat radio- en televisieprogramma’s maakt.

Krachtens art. 2, 3o van de wet van 13 juni 2005 wordt onder elektronische-communicatienetwerk verstaan: de transmissiesystemen en, in voorkomend geval, de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen (waaronder netwerkelementen die niet actief zijn), die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen, waaronder satellietnetwerken, vaste (circuit- en pakketgeschakelde, met inbegrip van internet) en mobiele terrestrische netwerken, elektriciteitsnetten, voor zover zij worden gebruikt voor de transmissie van andere signalen dan radio-omroep en televisiesignalen.

Onder elektronische communicatiedienst wordt verstaan: een gewoonlijk tegen vergoeding aangeboden dienst die geheel of hoofdzakelijk bestaat in het overbrengen, waaronder schakel- en routeringsverrichtingen, van signalen via elektronische-communicatiewerken, met uitzondering van (a) de diensten waarbij met behulp van elektronische-communicatiewerken en -diensten overgebrachte inhoud wordt geleverd of inhoudelijk wordt gecontroleerd, met uitzondering van (b) de diensten van de informatiemaatschappij zoals omschreven in art. 2 van de wet van 11 maart 2003 «betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, die niet geheel of hoofdzakelijk bestaan uit het overbrengen van signalen via elektronische-communicatienetwerken en met uitzondering van radio-omroep en televisie» (art. 2, 5o, van de wet van 13 juni 2005).

Hieruit volgt dat radio- en televisieprogramma’s niet beschouwd kunnen worden als een elektronisch communicatienetwerk of een elektronische communicatiedienst in de zin van de voormelde wet van 13 juni 2005.

[...] en [...] dienen bijgevolg buiten vervolging te worden gesteld voor de feiten omschreven in de tenlastelegging E.

Uit dit alles volgt dat de hogere beroepen ongegrond zijn.

...

Dit arrest werd vernietigd door het Hof van Cassatie op 13/02/2018;

Weergave van het vernietigingarrest van 13/02/2018, AR P.17.1023.N

Nr. P.17.1023.N
I
FEDERALE PROCUREUR,
eiser,
II
TURKSE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken van de republiek Turkije, voor wie optreedt de ambassadeur van de republiek Turkije, met kantoor te 1000 Brussel, Montoyerstraat 4,
burgerlijke partij,
eiser,
de beide cassatieberoepen tegen
( ... ) tweeënveertig inverdenkinggestelden),
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 september 2017.

Op 9 februari 2018 werd op de griffie van het Hof namens de verweerders 2, 3, 4, 11, 17, 30 en 32 een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot ingediend.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Vordering van de verweerders 2, 3, 4, 11, 17, 30 en 32 met betrekking tot de con-clusie van het openbaar ministerie bij het Hof

1. Deze verweerders voeren aan dat de wijze waarop het openbaar ministerie in deze zaak mondeling heeft geconcludeerd gelet op de concrete omstandigheden van de zaak onvoldoende is om een effectieve tegenspraak te garanderen en dat het Hof bijgevolg de zaak moet aanhouden totdat die tegenspraak wel is gewaar-borgd, dan wel geen acht mag slaan op de mondelinge conclusie van het openbaar ministerie.

2. Noch uit artikel 6 EVRM, waarvan de naleving moet worden beoordeeld re-kening houdend met het strafproces in zijn geheel, noch uit enig andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt dat het openbaar ministerie bij het Hof schrifte-lijk dient te concluderen of een geschreven neerslag of de schriftelijke voorberei-ding van zijn mondelinge conclusie aan de partijen moet overleggen.

3. Uit de door de verweerders aangehaalde specifieke omstandigheden van de-ze zaak en met name de voorgehouden slechte verstaanbaarheid van de mondelin-ge conclusie voor de verweerders, alsook de techniciteit van de behandelde mate-rie, het groot aantal door de eisers I en II aangevoerde middelen, de schaarsheid van de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de besproken ingewikkelde ju-ridische kwesties en het groot aantal pagina's van de door de partijen opgestelde memories, volgt evenmin dat het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging vereisen dat de verweerders een schrif-telijke conclusie of een schriftelijke neerslag van de mondelinge conclusie ont-vangen. Immers:

- het openbaar ministerie bij het Hof verleent weliswaar in volle onafhankelijk-heid een advies in de vorm van een conclusie die als gezaghebbend wordt ge-zien, maar dit advies uitgaande van een instantie die geen procespartij is, bindt het Hof op geen enkele manier;

- zelfs indien de verstaanbaarheid van de mondelinge conclusie van het openbaar ministerie niet ideaal zou zijn geweest, geldt die omstandigheid voor alle par-tijen en ook voor het Hof, zelfs rekening houdend met de afstand tussen de banken van de raadslieden van de partijen en de plaats waar het openbaar mi-nisterie heeft plaats genomen;

- het Hof heeft uit de mondelinge conclusie van het openbaar ministerie begre-pen dat, in overeenstemming met een in de memories van de eisers I en II aan-gevoerd motiveringsgebrek, werd geadviseerd tot de vernietiging van het arrest wat betreft de buitenvervolgingstelling voor de telastleggingen A en B en dat, in overeenstemming met een in de memorie van de eiser II aangevoerde onwet-tigheid, met betrekking tot de telastlegging E werd geadviseerd tot de vernieti-ging van de buitenvervolgingstelling voor die telastlegging;

- het Hof heeft voor het overige uit de mondelinge conclusie begrepen dat werd geadviseerd het met betrekking tot de Taalwet door de eiser I aangevoerde middel te verwerpen, voor wat betreft de telastleggingen C en D de cassatie-middelen te verwerpen voor de betrokken verweerders gelet op de vaststelling dat er onvoldoende bezwaren bestonden en wat betreft de verweerster 32 de cassatieberoepen van de eisers I en II niet ontvankelijk te verklaren bij gebrek aan een geldige betekening;

- de verweerders hebben met een memorie van antwoord kunnen reageren op de in de memories van de eisers I en II aangevoerde middelen en dus ook op die middelen welke volgens het openbaar ministerie in zijn mondelinge conclusie tot cassatie aanleiding dienden te geven;

- uit de door de verweerders neergelegde noot blijkt dat zij wel degelijk hebben kunnen reageren op wat door het openbaar ministerie in zijn mondelinge con-clusie werd voorgehouden.

De vordering van de verweerders wordt verworpen.

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I en II

Middel van niet-ontvankelijkheid

4. De verweerster 32 voert aan dat de cassatieberoepen van de eisers I en II niet ontvankelijk zijn omdat ze niet zijn betekend aan de voor haar aangestelde lasthebber ad hoc.

5. Uit de tekst en het opzet van artikel 2bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, dat ertoe strekt de onafhankelijkheid te waarborgen van een rechtspersoon, blijkt dat enkel de lasthebber ad hoc ertoe gemachtigd is om de rechtspersoon bij de strafvordering te vertegenwoordigen. Om regelmatig te zijn moet het tegen een rechtspersoon gerichte cassatieberoep voor wie een lasthebber ad hoc is aangesteld, dan ook aan die lasthebber ad hoc worden betekend.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat door de on-derzoeksrechter op vordering van de eiser I bij beschikking van 6 november 2015 mr. Gert Warson, advocaat bij de balie te Brussel, werd aangesteld als lasthebber ad hoc voor de verweerster 32 om haar in deze strafprocedure te vertegenwoordi-gen. Uit de stukken blijkt niet dat de lasthebber ad hoc van zijn opdracht werd ontlast. Er blijkt niet dat de akten van de verklaringen van de cassatieberoepen van de eisers I en II voor wat betreft de verweerster 32 aan deze lasthebber ad hoc werden betekend.

7. Het middel van niet-ontvankelijkheid van de cassatieberoepen van de eisers I en II moet wat betreft de verweerster 32 worden aangenomen.

8. In zoverre de middelen van de eisers I en II betrekking hebben op de ver-weerster 32, behoeven ze geen antwoord.

Middelen van de eiser I

Tweede middel

9. Het middel voert miskenning aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 27, § 1, van de wet van 20 april 2014 tot wijziging van verschil-lende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor ge-rechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register van beëdigd verta-lers, tolken en vertalers-tolken (hierna Wet Register Deskundigen en Tolken), alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: de rechtspleging is nietig doordat de tolk F.D. op de openbare rechtszitting van 27 juni 2017 de door het afgeschafte artikel 282 Wet-boek van Strafvordering bedoelde eedformule heeft afgelegd en niet de verplichte door artikel 27 Wet Register Deskundigen en Tolken bedoelde eed die na de op-dracht moet worden afgelegd; een dekking door het bestreden arrest is niet moge-lijk omdat het de eiser I niet mogelijk was die nietigheid voor te dragen vóór de sluiting van het debat.

10. Een door een tolk afgelegde eed is regelmatig, ook als die eed niet letterlijk wordt afgelegd in de door artikel 27 Wet Register Deskundigen en Tolken voor-geschreven bewoordingen, voor zover de afgelegde eed eenzelfde betekenis heeft als de voorgeschreven eed en aan de tolk dezelfde verplichtingen oplegt.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

11. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 27 juni 2017 blijkt dat de tolk niet de door artikel 27 Wet Register Deskundigen en Tolken bedoelde eed heeft afgelegd, maar wel de eed zoals voorgeschreven door artikel 282 Wetboek van Strafvordering, zoals die bepaling van toepassing was tot 1 juni 2017.

De beide eedformules, hoewel niet identiek, hebben dezelfde strekking en leggen aan de tolk dezelfde verplichtingen op.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Vijfde middel

Eerste onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 127, § 4 en 135, § 3, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest beantwoordt niet het in de appelconclusie van de eiser I bedoelde verweer dat de PKK als niet-statelijke actor niet onderworpen is aan het humanitair recht; het legt niet uit hoe het uit de feitelijke vaststellingen dat de PKK de bedoeling heeft om het interna-tionaal humanitair recht na te leven en de HPG over een systeem van rechtbanken beschikt die de naleving van het internationaal humanitair recht kunnen sanctione-ren, kan afleiden dat de PKK effectief onderworpen is aan het internationaal hu-manitair recht; met het oordeel dat de HPG en de PKK hebben verklaard zich te schikken naar een aantal internationale verdragen onder meer betreffende de inzet van kindsoldaten en landmijnen geeft het arrest geen antwoord op het in de appel-conclusie gevoerde verweer over de draagwijdte van de persverklaring van Abdul-lah Öcalan en van de akte houdende engagement; met het antwoord dat het gedrag van de leden van de PKK aantoont dat het in hun bedoeling ligt het internationaal humanitair recht na te leven, beantwoordt het arrest niet het in de appelconclusie aangevoerde concrete verweer over de acties van de PKK.

13. Uit het tegensprekelijk karakter van de rechtspleging voor de onderzoeksge-rechten zoals die voortvloeit uit de artikelen 127, § 4 en 135, § 3, Wetboek van Strafvordering volgt dat indien partijen in conclusie betwisting voeren over de toepasselijkheid van de uitsluitingsgrond van artikel 141bis Strafwetboek het on-derzoeksgerecht die conclusie moet beantwoorden.

14. De eiser I heeft in zijn appelconclusie het door het onderdeel bedoelde ver-weer gevoerd.

15. Met de redenen die het bevat, beantwoordt het arrest niet het door het on-derdeel bedoelde verweer.
In zoverre het onderdeel betrekking heeft op de telastleggingen A en B, is het ge-grond.

16. Het arrest oordeelt dat er onvoldoende bezwaren zijn om te stellen dat de verweerders 2, 3 en 28 respectievelijk de verweerders 2, 3, 6, 35 en 36 een recht-streekse en noodzakelijke hulp hebben verleend aan de feiten der telastleggingen C1 en C2 en aan de feiten der telastlegging C3.

Het arrest oordeelt verder dat er onvoldoende bezwaren zijn om te stellen dat de verweerder 2 een rechtstreekse en noodzakelijke hulp heeft verleend aan de feiten der telastlegging C4.

Het oordeelt door bevestiging van de beroepen beschikking dat er wat betreft de verweerders 2 en 3 geen bezwaren zijn voor de feiten der telastlegging D.

Met deze niet door het onderdeel bekritiseerde redenen verantwoordt het arrest de beslissing van buitenvervolgingstelling van deze verweerders voor de feiten der telastleggingen C1, C2, C3, C4 en D naar recht.

In zoverre het onderdeel betrekking heeft op de feiten der telastleggingen C1, C2, C3, C4 en D, is het gericht tegen overtollige redenen en bijgevolg niet ontvanke-lijk.

Tweede onderdeel

17. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 127, § 4 en 135, § 3, Wetboek van Strafvordering en artikel 141bis Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de uitsluitingsgrond van artikel 141bis Strafwetboek van toepas-sing is op grond van een verklaring of een bedoeling het internationaal humanitair recht na te leven en het bestaan van een systeem van rechtbanken die de naleving van het humanitair recht kunnen sanctioneren; met dat oordeel maakt het arrest niet duidelijk of de vier cumulatieve voorwaarden voor de toepasselijkheid van de uitsluitingsgrond vervuld zijn, met name dat de handeling dient gesteld te zijn (1) tijdens (2) een gewapend conflict en door (3) een strijdkracht die is (4) onderwor-pen aan het internationaal humanitair recht; een effectief onderwerpen is vereist; de subjectieve ingesteldheid van de PKK om het internationaal humanitair recht na te leven, is niet relevant voor de toepassing van de uitsluitingsgrond.

18. In zoverre het onderdeel betrekking heeft op de telastleggingen A en B, be-hoeft het gelet op de hierna uit te spreken vernietiging geen antwoord.

19. In zoverre het onderdeel betrekking heeft op de telastleggingen C1, C2, C3, C4 en D, is het zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel van het vijfde middel gericht tegen overtollige redenen en bijgevolg niet ontvankelijk.

Eerste middel in zijn geheel

20. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en de artikelen 127, § 4, 128 en 135, § 3, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat het recht van verdedi-ging waarborgt op het vlak van de motiveringsplicht: het arrest heeft niet onder-zocht hoewel het daartoe was uitgenodigd bij schriftelijke conclusie van de eiser I of de feiten strafbaar zijn op grond van andere bepalingen van internationaal recht; het beveelt de buitenvervolgingstelling louter op basis van het gegeven dat de terrorismewetgeving niet van toepassing zou zijn, zonder te onderzoeken of er bezwaren zijn voor wat betreft de andere bepalingen van het internationaal recht, wat geen wettige reden is.

Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 141bis Strafwetboek en ar-tikel 130 Wetboek van Strafvordering: het arrest past de uitsluitingsgrond van artikel 141bis Strafwetboek toe op de telastleggingen A, B, C1, C2 en C3, zonder voor elk van de verweerders na te gaan of enige andere bepaling van de internationaal humanitair recht toepassing vindt op de concrete handelingen die door die telastleggingen worden geviseerd; aldus stelt het niet vast dat aan alle cumulatieve toepassingsvoorwaarden van die strafbepaling is voldaan; het onderzoekt ook niet of er een schending is van het internationaal humanitair recht die tot een andere kwalificatie van de feiten, desgevallend onder titel Ibis Strafwetboek, aanleiding, kan geven.

21. In zoverre de onderdelen betrekking hebben op de telastleggingen A en B, behoeven ze het gelet op de hierna uit te spreken vernietiging geen antwoord.

22. In zoverre de onderdelen betrekking hebben op de telastleggingen C1, C2 en C3, zijn ze zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel van het vijfde middel gericht tegen overtollige redenen en bijgevolg niet ontvankelijk.

Derde middel in zijn geheel

23. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met de vaststelling dat de verweerders niet worden vervolgd voor terroristische misdaden zoals gekwalificeerd door artikel 137 Strafwetboek die op het Belgische grondgebied hebben plaatsgevonden, miskent het arrest de bewijskracht van de vordering tot regeling van de rechtspleging van 15 december 2014; uit die vordering blijkt dat de vervolging voor de telastleggingen C en D wel degelijk betrekking had op het Belgisch grondgebied en bij samenhang op het grondgebied van Turkije, Frankrijk of Noord-Irak en elders.

Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en de artikelen 127, § 4 en 135, § 3, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest is dubbelzinnig, onbegrijpelijk en intern tegenstrijdig gemotiveerd; het stelt immers enerzijds vast dat de verweerders niet worden ver-volgd voor feiten onder de kwalificatie van artikel 137 Strafwetboek gepleegd op het Belgische grondgebied en het oordeelt anderzijds dat de verweerders 2, 3, 6, 28, 35 en 36 wel worden vervolgd voor feiten onder de kwalificatie van artikel 137 Strafwetboek gepleegd op het Belgische grondgebied; het oordeelt ook ener-zijds dat daden van terrorisme zoals gekwalificeerd buiten het Turkse conflictge-bied niet onder de uitsluiting vallen van artikel 141bis Strafwetboek en anderzijds dat de vervolgde handelingen onderliggend aan de telastleggingen C1, C2 en C3 die zijn gekwalificeerd als een handeling in de zin van artikel 137 Strafwetboek gepleegd op het Belgisch grondgebied wel onder de uitsluiting vallen van artikel 141bis Strafwetboek.

24. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel van het vijfde middel van de eiser I, zijn de onderdelen die betrekking hebben op de telastleggingen C1, C2, C3, C4 en D gericht tegen overtollige redenen en bijgevolg niet ontvankelijk.

Vierde middel

Eerste onderdeel

25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 140 Strafwetboek: met het oordeel dat mochten de feiten der telastleggingen A en B bewezen zijn, ze niet werden gepleegd met het door artikel 137 Strafwetboek bedoelde oogmerk, voegt het arrest aan het door artikel 140 Strafwetboek bedoelde misdrijf een niet door de wet bepaald bestanddeel toe; die strafbepaling vereist niet de deelname aan het plegen van terroristische misdaden of wanbedrijven van een terroristische groep.

26. Het onderdeel behoeft gelet op de hierna uit te spreken vernietiging met be-trekking tot de telastleggingen A en B geen antwoord.

Tweede onderdeel

27. Het onderdeel voert schending aan van artikel 145, § 3bis van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie (hierna Wet Elektronische Communicatie): het arrest oordeelt ten onrechte dat het voor het door deze straf-bepaling bepaald wanbedrijf noodzakelijk is dat het werd gepleegd met het door artikel 137 Strafwetboek bedoelde oogmerk; voor dat wanbedrijf volstaat noch-tans het oogmerk om overlast te veroorzaken aan zijn correspondent of schade te berokkenen.

28. Het arrest oordeelt niet dat het voor het door artikel 145, § 3bis, Wet Elek-tronische Communicatie bedoelde misdrijf noodzakelijk is dat het werd gepleegd met het door artikel 137 Strafwetboek bedoelde oogmerk, maar enkel dat in zo-verre de eiser I de betrokkenheid viseert van de verweerster 30 bij de activiteiten van de PKK als terroristische groep de uitsluiting van artikel 141bis Strafwetboek van toepassing is.

Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing, mist feitelijke grondslag.

Zesde middel in zijn geheel

29. Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 137, 139, § 1, en 140 Strafwetboek: het arrest oordeelt met betrekking tot de telastleggingen A en B onterecht dat niet is voldaan aan de vereiste van een groep die als doelstelling heeft om terroristische misdrijven te plegen; artikel 137 Strafwetboek geeft voor de invulling van het bijzonder opzet drie alternatieven en met name het oogmerk om de bevolking schrik aan te jagen, het oogmerk om op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling of het oog-merk basisstructuren te ontwrichten of te vernietigen; alleen indien wordt vastgesteld dat geen van drie alternatieven aanwezig is, kan worden geoordeeld dat er geen bijzonder opzet is; met de redenen die het arrest bevat, stelt het niet vast dat het tweede of derde alternatief niet is aangetoond.

Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 140 en 141bis Straf-wetboek: het arrest past de uitsluitingsgrond van artikel 141bis Strafwetboek ten onrechte toe op de telastleggingen A en B; hij kan niet worden toegepast op de door artikel 140, § 1 en § 2, Strafwetboek bepaalde misdrijven die zich in de tijd én geografisch buiten het gewapend conflict situeren; het arrest stelt niet voor elke verweerder vast dat de feiten van leiderschap of van deelname zich situeren in Turkije; de niet-vervolging voor op het Belgisch grondgebied gepleegde terroristi-sche misdrijven in de zin van artikel 137 Strafwetboek, heeft geen relevantie voor de vraag naar de toepassing van artikel 141bis Strafwetboek op de autonome mis-drijven van artikel 140 Strafwetboek.

Het derde onderdeel voert schending aan van de artikelen 127, § 4, en 135, § 3, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 140 en 141bis Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: met het oordeel dat ook al zouden de telastleggingen A en B op het Belgische grondgebied zijn gepleegd, ze niet met het door artikel 137 Straf-wetboek bedoelde oogmerk zijn gepleegd, is het arrest dubbelzinnig gemotiveerd; dit oordeel kan zowel worden gelezen in de zin dat geen van de verweerders bui-ten Turkije handelingen heeft gesteld als bedoeld door artikel 140 Strafwetboek als in de zin dat dit gegeven zonder relevantie is voor de toepasbaarheid van arti-kel 141bis Strafwetboek, in welk geval de beslissing niet naar recht verantwoord is.

30. De onderdelen die betrekking hebben op de telastleggingen A en B behoe-ven gelet op de hierna uit te spreken vernietiging geen antwoord.

Middelen van de eiser II

Eerste middel in zijn geheel

31. Het middel heeft dezelfde strekking als het vijfde middel van de eiser I. Het is om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen gegrond in zoverre het betrekking heeft op de telastleggingen A en B en het dient voor het overige te worden verworpen.

Tweede middel in zijn geheel

32. Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste middel van de eiser I en het moet om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen.

Derde middel

Eerste onderdeel

33. Dit onderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste onderdeel van het vier-de middel van de eiser I en het moet om de in het antwoord op dat onderdeel ver-melde redenen worden verworpen.

Tweede tot en met vierde onderdeel

34. Deze onderdelen hebben dezelfde strekking als het eerste tot en met het der-de onderdeel van het zesde middel van de eiser I en zij moeten om de in het ant-woord op deze onderdelen vermelde redenen worden verworpen.

Vierde middel

35. Dit middel heeft dezelfde strekking als het eerste onderdeel van het derde middel van de eiser I en het moet om de in het antwoord op dat onderdeel vermel-de redenen worden verworpen.

Vijfde middel

Eerste onderdeel

36. Het onderdeel voert schending aan van artikel 145, § 3bis, Wet Elektroni-sche Communicatie: het arrest besluit op basis van de definities van elektronisch communicatienetwerk en elektronische communicatiedienst in de Wet Elektroni-sche Communicatie dat radio- en televisieprogramma's niet binnen het toepas-singsbied van deze strafbepaling vallen, zonder evenwel na te gaan of dit andere communicatiemiddelen kunnen zijn.

Grond van niet-ontvankelijkheid

37. De verweerster 30 voert aan dat de eiser II deze onwettigheid niet kan aan-voeren omdat ze de openbare orde niet raakt en kritiek uitoefent op een beslissing van het arrest die in overeenstemming is met de beslissing van de eerste rechter waartegen geen kritiek werd geuit.

38. De omstandigheid dat de appelrechters, net als de eerste rechter, aan de be-grippen die het toepassingsgebied van een strafbepaling bepalen een onjuiste in-vulling zouden geven, zonder dat een burgerlijke partij die cassatieberoep aante-kent tegen een arrest van buitenvervolgingstelling, dit heeft opgeworpen voor de appelrechters, belet die burgerlijke partij niet die onwettigheid aan te voeren voor het Hof.

De grond van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen.

Gegrondheid van het onderdeel

39. Artikel 145, § 3bis, Wet Elektronische Communicatie bestraft hij die een elektronische-communicatienetwerk of -dienst of andere elektronische communi-catiemiddelen gebruikt om overlast te veroorzaken aan zijn correspondent of schade te berokkenen.

Het arrest dat beslist tot buitenvervolgingstelling voor de feiten van deze telast-legging op de grond dat radio- en televisieprogramma's niet onder de begrippen elektronische-communicatienetwerk of -dienst vallen, maar niet onderzoekt of dit geen andere elektronische communicatiemiddelen zijn, verantwoordt die beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

40. Dit onderdeel heeft dezelfde strekking als het tweede onderdeel van het vierde middel van de eiser I en het moet om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen worden verworpen.

Ambtshalve onderzoek voor het overige

41. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het:

- de buitenvervolgingstelling beveelt met betrekking tot de feiten voorwerp van de telastleggingen A met betrekking tot de verweerders 1 tot en met 6, 8 tot en met 16 en 18 (vordering van de eiser I van 15 december 2014 - FD.35.98.54/2009 - OR 30/09) en 37, 38 en 42 (vordering van de eiser I van 11 juni 2015 - FD.35.98.634/06 - OR 113/08 - FD.35.98.502/07 - OR 121/08) en B met betrekking tot de verweerders 1, 7, 17, 19 tot en met 31 en 33 tot en met 36 (vordering van de eiser I van 15 december 2014 - FD.35.8.54/2009 - OR 30/09) en 39 tot en met 41 (vordering van de eiser I van 11 juni 2015 - FD.35.98.634/06 - OR 113/08 - FD.35.98.502/07 - OR 121/08);

- de buitenvervolgingstelling beveelt met betrekking tot de feiten voorwerp van de telastlegging E voor wat betreft de verweerster 30.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de Belgische Staat tot een vierde van de kosten van het cassatiebe-roep I.

Veroordeelt de eiser II tot een vierde van de kosten het cassatieberoep II.

Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van in-beschuldigingstelling, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten in het geheel op 647,13 euro, waarvan op het cassatieberoep I 323,55 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep II 323,58 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer,  en op de openbare rechtszitting van 13 februari 2018 uitgesproken

Noot: 

J. Wouters en  T. Van Poecke, Van strijdkrachten, terroristen en het Belgisch strafrecht, RW 2017-2018, 1611

I. Achtergrond van de zaak
II. Oorsprong en ratio legis van art. 141bis Sw.
III. Eerdere gevallen waarin art. 141bis Sw. aan de orde was
IV. Het vonnis van de raadkamer van 3 november 2016
V. Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 14 september 2017
VI. Het arrest van het Hof van Cassatie van 13 februari 2018
VII. Art. 141bis Sw.: een onbruikbare bepaling?

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 02/06/2018 - 20:00
Laatst aangepast op: di, 05/06/2018 - 21:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.