-A +A

Toestemming vereist kennis te kunnen nemen van de bedingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 16/09/2016
A.R.: 
C.14.0424.N

Krachtens artikel 1108 Burgerlijk Wetboek is de toestemming van de partij die zich verbindt een grondvoorwaarde voor de geldigheid van de overeenkomst; de uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming vereist op zijn minst dat de partijen kunnen kennisnemen van de bedingen waarvoor die toestemming vereist is.

Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018-3
Pagina: 
154
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.14.0424.N
1. ALDERA bvba, met zetel te 2960 Brecht, Nijverheidsstraat 2,
2. MINI-FLAT nv, met zetel te 3581 Beringen-Beverlo, Korspelsesteenweg 96,
eiseressen,
tegen
1. AUTODESK Inc., vennootschap naar het recht van de staat Delaware, met zetel te CA 94903 San Rafael, Californië (Verenigde Staten van Amerika), 111 Mcinnis Parkway,
2. MICROSOFT CORPORATION, vennootschap naar het recht van de staat Washington, met zetel te WA 98052-6399 Redmond, Washington (Verenigde Staten van Amerika), 1 Microsoft Way,
3. BUSINESS SOFTWARE ALLIANCE Inc., afgekort B.S.A., vennootschap naar het recht van de staat Washington, met zetel te CA 94903 Washington (Verenigde Staten van Amerika), 1150 18th Street,
verweersters,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 2 december 2013.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier mid-delen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Eerste onderdeel
1. Krachtens artikel 1108 Burgerlijk Wetboek is de toestemming van de partij die zich verbindt een grondvoorwaarde voor de geldigheid van de overeenkomst.

De uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming vereist op zijn minst dat de par-tijen kunnen kennisnemen van de bedingen waarvoor die toestemming vereist is.

2. De appelrechters stellen vast dat:
- de eiseressen aanvoeren beschermd te zijn tegen de aanspraken van de eerste twee verweersters omdat ze zich bij de derde verweerster hebben ingeschreven voor een regularisatieperiode van drie maanden;
- dergelijke inschrijving tot gevolg heeft dat de inschrijver de mogelijkheid wordt geboden in deze periode van drie maanden de software van de aangeslo-ten producenten te laten nakijken op eventueel illegaal gebruik en desgevallend tot regularisatie over te gaan, zonder dat inmiddels juridische acties in verband met illegale software kunnen worden ondernomen;
- deze inschrijving onder specifieke voorwaarden geschiedt;
- die voorwaarden werden aanvaard doordat "het vierkantje (volgens de website verplicht in te vullen), gevolgd door de woorden "ik ga akkoord met deze voorwaarden" werd (...) aangevinkt" door de eiseressen.

Zij oordelen dat de eiseressen hiermede te kennen gaven dat ze kennis genomen hadden van deze voorwaarden en dat "het proces-verbaal van vaststellingen van gerechtsdeurwaarder Van der Steichel van 19 december 2008 waarin hij schrijft dat wanneer hij op de link "voorwaarden" klikt een informatiescherm verschijnt met als titel "The page cannot be found" (vrij vertaald: de pagina kan niet ge-vonden worden), aan het voorgaande niets kan veranderen, evenmin als zijn latere identieke vaststellingen".

3. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de eiseressen gebonden zijn door de bijzondere voorwaarden waaronder op de legalisatieperiode werd in-geschreven, zonder na te gaan of de eiseressen, zoals door hen werd aangevoerd en aan de hand van vaststellingen door een gerechtsdeurwaarder werd gestaafd, effectief geen kennis hadden kunnen nemen van deze voorwaarden, verantwoor-den hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

4. De overige grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer en in openbare rechtszitting van 16 september 2016 uitgesproken 

VOORZIENING IN CASSATIE

 

Voor: 1. De B.V.B.A. ALDERA, met ondernemingsnummer 0414.611.850, met vennootschapszetel te 2960 Brecht, Nijverheidsstraat 2,

2. De N.V. MINI-FLAT, met ondernemingsnummer 0404.175.937, met vennootschapszetel te 3581 Beringen-Beverlo, Korspelsesteenweg 96,

eiseressen tot cassatie,

Tegen: 1. De vennootschap naar het recht van de staat Delaware (Verenigde Staten van Amerika) AUTODESK Inc., met zetel in de Verenigde Staten van Amerika, te 111 Mcinnis Parkway, San Rafael, CA 94903, Californië,

die bij de betekening van het bestreden arrest aan eerste eiseres keuze van woonplaats deed op het kantoor van gerechtsdeurwaarder Ann Pirlot, plaatsvervangend voor gerechtsdeurwaarder Guido Dupont, te Antwerpen, Mechelsesteenweg 203, en bij de betekening van het arrest aan tweede eiseres keuze van woonplaats deed op het kantoor van gerechtsdeurwaarder Luc Roppe, te 3580 Beringen, Botermijn 3 (centrale administratie te 3500 Hasselt, Sasstraat 2),

2. De vennootschap naar het recht van de staat Washington (Verenigde Staten van Amerika) MICROSOFT CORPORATION, met zetel in de Verenigde Staten van Amerika, te 1 Microsoft Way, Redmond, WA 98052-6399, Washington,

die bij de betekening van het bestreden arrest aan eerste eiseres keuze van woonplaats deed op het kantoor van gerechtsdeurwaarder Ann Pirlot, plaatsvervangend voor gerechtsdeurwaarder Guido Dupont, te Antwerpen, Mechelsesteenweg 203, en bij de betekening van het arrest aan tweede eiseres keuze van woonplaats deed op het kantoor van gerechtsdeurwaarder Luc Roppe, te 3580 Beringen, Botermijn 3 (centrale administratie te 3500 Hasselt, Sasstraat 2),

3. De vennootschap naar het recht van de staat Washington (Verenigde Staten van Amerika) BUSINESS SOFTWARE ALLIANCE Inc., afgekort B.S.A. Inc., met zetel in de Verenigde Staten van Amerika, te 1150 18th Street, CA 94903, Washington, met Belgische vestiging te 1040 Brussel, Kunstlaan 44, 3de verdieping,

verweersters in cassatie.

 

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiseressen tot cassatie hebben de eer het op tegenspraak tussen partijen gewezen arrest van de 1e kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen van 2 december 2013 aan Uw beoordeling te onderwerpen (2011/AR/3452).

 

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1.
Verweersters sub 1 en 2 zijn gespecialiseerd in de ontwikkeling en distributie van software en zijn titularis of exploitant van intellectuele rechten op een aantal softwarepakketten. Hun belangen worden beheerd door verweerster sub 3.

Verweerster sub 3 houdt zich bezig met promotie van het bezit en het gebruik van legale software in het bedrijfsleven. Zij organiseert marketing-activiteiten en organiseert gerechtelijke acties ter bestrijding van het bezit van illegale software.

Eiseressen zijn voornamelijk werkzaam in de bouwsector, in het bijzonder in de bouw en renovatie van veranda's. Hun ontwerpers maken onder meer gebruik van het softwareprogramma Autocad om technische tekeningen te vervaardigen.

2.
Eind oktober 2008 ontvingen eiseressen van verweerster sub 3 een brief waarin de professionele gebruikers van software gewezen wordt op de risico's van het illegaal kopiëren of downloaden van programma's van het internet en op het belang om hun software te controleren op legaliteit. Als hulpmiddel hiertoe wordt hen de inschrijving voor een legalisatieperiode van drie maanden voorgesteld.

Eiseressen gingen op dit voorstel in door op 11 december 2008 in te schrijven op zulke legalisatieprocedure. De inschrijving gebeurde via het internet. Voor de registratie van de inschrijving diende doorgeklikt naar een websitepagina waar een aantal gegevens dienden ingevuld en diende aangekruist dat akkoord werd gegaan met de voorwaarden geplaatst onder een hyperlink.

3.
Ondertussen hadden eerste en tweede verweersters op 28 november 2008 een eenzijdig verzoekschrift tot beschrijvend beslag ingediend bij de rechtbank van koophandel te Antwerpen. Bij beschikking van 5 december 2005 werd machtiging tot beslag inzake namaak verleend en werden de heren De Vocht en Veelaert als gerechtsdeskundigen aangeduid. Dezen legden hun verslag in februari 2009 neer.

Die beschikking werd op 18 december 2008 aan eiseressen betekend. Hierop tekenden eiseressen derdenverzet aan. Bij beschikking van 22 december 2008 verklaarde de Voorzitter dat verzet in zekere mate gegrond.

4.
Op 9 maart gingen eerste en tweede verweersters over tot dagvaarding van eiseressen ten gronde. Zij vorderden:

 te zeggen voor recht dat eiseressen inbreuk hebben gemaakt op hun auteursrechten verbonden aan een reeks nader bepaalde computerprogramma's,
 aan eiseressen verbod op te leggen om nog verder illegale reproducties van de computerprogramma's te gebruiken en te reproduceren,
 aan eiseressen te bevelen onder controle van een gerechtsdeurwaarder, bijgestaan door de gerechtdeskundigen, de illegale exemplaren van de computerprogramma's te vernietigen,
 eiseressen te veroordelen tot de kosten van de gerechtsdeurwaarder en de ge-rechtsdeskundigen,
 te zeggen voor recht dat de geconsigneerde bedragen (meer intresten) worden vrijgegeven in handen van de raadsman van eerste en tweede verweersters,
 eiseressen solidair of in solidum te veroordelen tot betaling van 143.056,00 euro (meer intresten) ten titel van schadevergoeding,
 eiseressen te veroordelen tot de kosten van het beslag inzake namaak en van de procedure ten gronde.

Eiseressen gingen hierop op 8 februari 2010 over tot dagvaarding van derde verweerster in tussenkomst en vrijwaring. Zij vroegen:

 het deskundigenverslag uit de debatten te weren,
 vast te stellen dat het beslag inzake namaak op onrechtmatige wijze werd gelegd,
 de hoofdvordering te verwerpen,
 eerste en tweede verweersters te veroordelen tot schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag,
 eerste en tweede verweersters te veroordelen tot de gedingkosten,
 ondergeschikt, derde verweerster te veroordelen om hen te vrijwaren,
 ondergeschikt, de hoofdvordering van eiseressen te herleiden en eerste en tweede verweersters tot de helft van de kosten te veroordelen.

Derde verweerster vroeg om de vordering in vrijwaring ontoelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren en eiseressen tot de kosten te veroordelen.

Bij vonnis van 27 mei 2011 besliste de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen als volgt:

 de hoofdvordering van eerste en tweede verweersters tegen eiseressen wordt toelaatbaar doch ongegrond verklaard, behalve wat betreft de vrijgave van de geconsigneerde bedragen in afwachting van de behandeling van de tegenvordering
 de vordering in vrijwaring van eiseressen tegen derde verweerster wordt zonder voorwerp verklaard
 de tegenvordering van eiseressen tegen eerste en tweede verweersters wordt naar de bijzondere rol verwezen
 de kosten worden aangehouden.

5.
Tegen dit vonnis stelden eerste en tweede verweersters bij verzoekschrift van 14 december 2011 hoger beroep in. Bij dagvaarding van 5 januari 2012 riepen eiseressen derde verweerster in tussenkomst en vrijwaring. In hun conclusie van 22 februari 2013 stelden zij ook incidenteel beroep in. Partijen handhaafden hun vorderingen.

Bij arrest van 2 december 2013 verklaarde het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep van eerste en tweede verweersters gegrond en het incidenteel beroep van eiseressen evenals hun vordering in tussenkomst ontoelaatbaar.

6.
Tegen dit arrest wenden eiseressen volgende cassatiemiddelen aan.

 

EERSTE MIDDEL

Geschonden wetsbepalingen

 de artikelen 1108, 1134 en 1382 van het Burgerlijk Wetboek
 artikel 8, §2 van de Wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij.

Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eerste en tweede verweersters gegrond en, opnieuw recht doende, verklaart de hoofdvordering van eerste en tweede verweersters tegen eiseressen toelaatbaar en gegrond. Het arrest beslist hiertoe na te hebben geoordeeld dat de inschrijving van eiseressen voor een legalisatieperiode van drie maanden geen beletsel vormde voor eerste en tweede verweersters om het beschrijvend beslag lastens eiseressen uit te voeren en eiseressen in rechte aan te spreken wegens inbreuk op hun auteursrechten, dit oordeel als volgt motiverend (p. 11-13):

" 4.2.1. Het hoger beroep
(...)

4.2.1.3. Het Hof oordeelt op grond van de vaststellingen van de gerechtsdeskundigen dat de eerste tot de zesde geïntimeerde illegale software voor commerciële doeleinden in het bezit hadden. Dit maakt een fout uit die leidt tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van diegene die de inbreuk hebben gepleegd, met name de eerste tot de zesde geïntimeerde.

Het hof verwerpt de stelling van de eerste, de tweede en de derde geïntimeerde dat ze be-schermd zijn tegen de aanspraken van de appelanten wegens voormelde inbreuken omdat ze op 11 december 2008 bij de gedaagde in gedwongen tussenkomst inschreven voor een regularisatieperiode van drie maanden.

Het hof stelt vast dat een dergelijke inschrijving bij de gedaagde in gedwongen tussenkomst tot gevolg heeft dat aan de inschrijver de gelegenheid wordt geboden in deze periode van drie maanden de software die men bezit van bepaalde producenten die zich bij haar aansloten te laten nakijken op eventueel illegaal gebruik en desgevallend tot regularisatie over te gaan zonder dat de gedaagde in gedwongen tussenkomst of de aangesloten softwareproducenten, waaronder de appelanten, juridische acties in verband met illegale software zouden kunnen ondernemen.

De inschrijving bij de gedaagde in gedwongen tussenkomst gebeurt blijkens de inhoud van haar website onder specifieke voorwaarden.
Het hof stelt vast dat die voorwaarden door de eerste, de tweede en de derde geïntimeerde worden aanvaard : het vierkantje (volgens de website verplicht in te vullen), gevuld door de woorden : "ik ga akkoord met deze voorwaarden" werd door de eerste, de tweede en de derde geïntimeerde aangevinkt. Daarmee gaven ze aan kennis te hebben genomen van de voorwaarden van de gedaagde in gedwongen tussenkomst en deze zonder enig voorbehoud te aanvaarden.

Het proces-verbaal van vaststellingen van gerechtsdeurwaarder Van der Steichel van 19 de-cember 2008 waarin hij schrijft dat wanneer hij op de link "voorwaarden" klikt een informatie-scherm verschijnt met als titel "The page cannot be found" (vrij vertaald : de pagina kan niet gevonden worden), kan aan het voorafgaande niets veranderen, evenmin als zijn latere identieke vaststellingen.

Gelet op het voorgaande besluit het hof dat de eerste, de tweede en de derde geïntimeerde gebonden zijn door de voorwaarden waaronder op de legalisatieperiode van de gedaagde in gedwongen tussenkomst werd ingeschreven. Bij toepassing van artikel 1134 B.W. strekken deze voorwaarden hen tot wet.

4.2.1.4. De voorwaarden van de gedaagde in gedwongen tussenkomst, die zoals gezegd door de eerste, de tweede en de derde geïntimeerde werden aanvaard, bepalen onder meer het volgende:

"V De legalisatieperiode geldt alleen voor software van de navolgende producenten : Autodesk, ..., Microsoft, ... Dit betekent dat andere softwareproducenten gedurende deze periode nog wel juridische acties kunnen ondernemen.

VI Bedrijven of organisaties waartegen al een onderzoek loopt, komen niet in aanmerking voor de legalisatieperiode."
Deze bepalingen zijn in hun samenhang duidelijk en laten geen ruimte voor interpretatie. De inschrijvers bij de gedaagde in gedwongen tussenkomst weten waaraan en waaraf: als er geen onderzoek tegen hen loopt door een aangesloten softwareproducent, zijn ze tijdens de legalisatieperiode vrij van vervolging door de aangesloten softwareproducenten en de gedaagde in gedwongen tussenkomst; is dit wel het geval dan zijn ze eraan voor de moeite.

De geïntimeerden houden onterecht staande dat artikel VI een potestatieve voorwaarde in de zin van artikel 1170 B.W. zou uitmaken. Het gaat hier immers niet om een voorwaarde die de uitvoering van de overeenkomst doet afhangen van een gebeurtenis die de ene of andere van de contracterende partijen "vermag te doen plaatshebben of verhinderen".

Uit de door de appelanten overgelegde stukken blijkt dat zij op 28 november 2008 tegen de geïntimeerden een verzoekschrift tot beslag inzake namaak indienden bij de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, terwijl de eerste, de tweede en de derde geïntimeerde op 11 december 2008 inschreven voor een legalisatieperiode bij de gedaagde in gedwongen tussenkomst, inschrijving die door de gedaagde in tussenkomst op dezelfde dag werd aanvaard.

Uit het voorgaande volgt dat de eerste, de tweede en de derde geïntimeerde, krachtens artikel VI van de door hen aanvaarde voorwaarden van de gedaagde in gedwongen tussenkomst, de juridische acties van de appellanten dienen te ondergaan en de gevolgen ervan dienen te dragen. Anders dan de eerste, de tweede en de derde geïntimeerde menen, kan uit het bericht van aanvaarding van de inschrijving door de gedaagde in gedwongen tussenkomst geenszins worden afgeleid dat zij namens de bij haar aangesloten softwareproducenten tegenover de eerste, de tweede en de derde geïntimeerde afstand doen van hun vorderingsrechten voortspruitend uit hun auteursrecht aangaande onderzoeken die op het ogenblik van inschrijving al hangende waren.

Van enig rechtsmisbruik in hoofde van appellanten, dan wel in hoofde van de gedaagde in gedwongen tussenkomst is geen sprake. Evenmin van rechtsverwerking. Door zich akkoord te verklaren met de voorwaarden van de gedaagde in gedwongen tussenkomst wisten de eerste, de tweede en derde geïntimeerde dat ze slechts beschermd waren tegen vervolging door de auteursrechthebbenden of hun vertegenwoordigers voor zover op de datum van hun inschrijving nog geen onderzoek tegen hen gaande was.

De geïntimeerden falen te bewijzen dat de appellanten en de gedaagde in gedwongen tussenkomst tegenover hen een houding zouden hebben aangenomen die bij hen een rechtmatig vertrouwen zou hebben gewekt dat reeds hangende onderzoeken ook zouden genieten van de legalisatieperiode.

Het hof besluit dat niets er de appellanten aan in de weg stond op de datum van inschrijving van de eerste, de tweede en de derde geïntimeerde bij de gedaagde in gedwongen tussen-komst, de door hen aangevatte juridische acties tegen de geïntimeerden verder te zetten.
(...) ".

Grieven

1.
Het staat vast dat eiseressen op 11 december 2008 bij derde verweerster hadden ingeschreven op een legalisatieprocedure voor drie maanden (arrest p. 11, sub 4.2.1.3, al. 2) en dat derde verweerster die inschrijving had aanvaard (arrest p. 13, al. 1).

Het arrest stelt vast dat een dergelijke inschrijving tot gevolg heeft dat aan de inschrijver de gelegenheid wordt geboden in de periode van drie maanden de in zijn bezit zijnde software van de aangesloten producenten te laten nakijken op eventueel illegaal gebruik en desgevallend tot regularisatie over te gaan zonder dat derde verweerster of de aangesloten producenten juridische acties in verband met illegale software kunnen ondernemen (arrest p. 11, sub 4.2.1.3, al. 3).

2.
Daarnaast staat ook vast dat eerste en tweede verweersters op 28 november 2008 reeds een eenzijdig verzoekschrift tot beslag inzake namaak hadden ingediend bij de rechtbank van koophandel te Antwerpen (arrest p. 3, laatste al.) en dat zij machtiging tot dat beslag hadden gekregen bij beschikking van 5 december 2005 (arrest p. 4, al. 1), machtiging die zij evenwel pas op 18 december 2008 aan eiseressen hebben laten betekenen (arrest p. 4, al. 2).

Het arrest wijst erop dat punt VI van de voorwaarden van derde verweerster als volgt luidde: "Bedrijven of organisaties waartegen al een onderzoek loopt, komen niet in aanmerking voor de legalisatieperiode" (arrest p. 12, sub 4.2.1.4, al. 1).

3.
Op grond van die bepaling uit de voorwaarden van derde verweerster (p. 12, laatste al.) en na vergelijking van de datum waarop eerste en tweede verweersters de beslagrechter hadden gevat van een vordering tot beslag inzake namaak met de datum waarop eiseressen bij derde verweerster op de legalisatieprocedure hadden ingeschreven (p. 12, voorl. al.), beslist het arrest dat die legalisatieprocedure er niet aan in de weg stond dat eerste en tweede verweersters hun gerechtelijke acties verderzetten (p. 13, al. 4).

Eerste onderdeel

1.
Overeenkomstig artikel 1108, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is voor de geldigheid van de overeenkomst de toestemming vereist van de partij die zich verbindt. Overeenkomstig artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek gelden de wettig aangegane overeenkomsten partijen tot wet.

Uit de samenhang van voormelde wetsbepalingen volgt dat de bindende kracht van een overeenkomst afhankelijk is van de wilsovereenstemming tussen partijen. Contractvoorwaarden binden bijgevolg slechts de partijen in zoverre zij over die voorwaarden wilsovereenstemming hebben bereikt.

Wilsovereenstemming over de contractvoorwaarden vereist een kennis van de contractvoorwaarden, minstens de mogelijkheid om ervan kennis te nemen. Contractvoorwaarden waarvan een partij geen kennis kon nemen, bindt die partij niet (Cass. 19 december 2011, C.10.0587), ook niet indien zij door tot het contract toe te treden, verklaart akkoord te gaan met de contractvoorwaarden.

Van die gemeenrechtelijke beginselen wordt niet afgeweken voor contracten die langs elektronische weg worden afgesloten. Wel integendeel, artikel 8, §2 van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij bepaalt uitdrukkelijk dat de contractuele bepalingen en de algemene voorwaarden van het contract de afnemer op een zodanig wijze ter beschikking moeten worden gesteld dat hij deze kan opslaan en weergeven.

2.
Het staat vast dat om op de legalisatieprocedure van drie maanden te kunnen inschrijven, het vakje "ik ga akkoord met deze voorwaarden" diende aangevinkt. Het is niet betwist dat eiseressen dat vakje hebben aangevinkt om op de legalisatieprocedure te kunnen inschrijven (arrest p. 11, laatste al.).

Om de voorwaarden te consulteren was een hyperlink voorzien. In hun appelconclusies hadden eiseressen aangevoerd dat die hyperlink niet werkte toen zij op de legalisatieperiode inschreven. Het bestreden arrest sluit dit gegeven niet uit waar het vaststelt dat gerechtsdeurwaarder Van der Steichel in zijn proces-verbaal van vaststellingen van 19 december 2008 vermeldt dat wanneer hij op de link "voorwaarden" klikt een informatiescherm verschijnt met als titel "The page cannot be found" (vrij vertaald: "de pagina kan niet gevonden worden") (arrest p. 12, al. 1).

Volgens de appelrechters is het echter irrelevant te weten of de hyperlink al dan niet functioneerde toen eiseressen op de legalisatieprocedure inschreven om te beslissen of eiseressen door de contractvoorwaarden van derde verweerster waren gebonden (arrest p. 12, al. 1). Volgens de appelrechters staat de kennis van de contractvoorwaarden in hoofde van eiseressen immers vast door het enkele feit dat zij het boven vermeld vakje hebben aangevinkt (arrest p. 11, laatste al.).

3.
Door eiseressen gebonden te achten door de contractvoorwaarden van derde verweerster op grond alleen van de vaststelling dat zij het vakje houdende akkoordverklaring met de voorwaarden hadden aangevinkt om op de legalisatieprocedure te kunnen inschrijven, zonder na te gaan of eiseressen toen ook daadwerkelijk kennis hebben kunnen nemen van die contractvoorwaarden, schendt het bestreden arrest de artikelen 1108 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, artikel 8, §2 van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij.

Tweede onderdeel

1.
Buiten de uitoefening van overeenkomsten is rechtsmisbruik een fout die krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek aanleiding geeft tot volledige schadeloosstelling. Bij de uitoefening van overeenkomsten is rechtsmisbruik verboden krachtens het in artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek vervatte beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd.

Rechtsmisbruik is de rechtsuitoefening op een manier die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en zorgvuldig persoon (Cass. 17 oktober 2008, C.07.0214.N; Cass. 17 mei 2002, C.01.0101.F). Dat is het geval wanneer een partij uitsluitend in haar eigen belang gebruikt maakt van een recht dat zij aan de overeenkomst ontleent en daaruit een gevolg trekt dat buiten verhouding is met de overeenkomstige last van de andere partij.

Bij de vaststelling van rechtsmisbruik moet de rechter, bij de beoordeling van de voorhanden zijnde belangen, rekening houden met alle omstandigheden van de zaak (Cass. 12 februari 2014, P.13.1304.F; Cass. 9 maart 2009, C.08.0331.F).

Uit dit alles volgt dat het niet volstaat vast te stellen dat een partij haar instemming met bepaalde contractuele bedingen of voorwaarden heeft gegeven en dat niemand de indruk heeft gewekt dat geen beroep op die bedingen of voorwaarden zou worden gedaan, om te besluiten dat degene die de bedoelde bedingen of voorwaarden strikt toepast geen rechtsmisbruik pleegt. Het rechtsmisbruik hangt immers af van de concrete omstandigheden van de zaak en dient getoetst aan het criterium van de normaal voorzichtige persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst.

2.
In hun appelconclusies hadden eiseressen aangevoerd dat verweersters niet te goeder trouw handelden en rechtsmisbruik pleegden door zich op punt VI van de contractvoorwaarden van derde verweerster te beroepen om te verantwoorden waarom zij, ondanks de aanvaarde inschrijving van eiseressen op de legalisatieprocedure van derde verweerster, toch overgingen tot uitvoering van het beslag inzake namaak dat zij voordien op eenzijdig verzoekschrift hadden bekomen.

Eiseressen wezen erop dat derde verweerster zelf een aanbod tot regularisatie had gedaan, zich bewust zijnde van het feit dat een legalisatieprocedure op termijn voordelig is voor verweersters. Tevens benadrukten eiseressen het feit derde verweerster hun inschrijving heeft aanvaard op een ogenblik dat verweersters reeds op eenzijdig verzoekschrift machtiging tot beslag inzake namaak hadden verkregen. Tenslotte voerden eiseressen aan dat de uitvoering van het beslag in die omstandigheden enkel bedoeld was als drukkingsmiddel om via dading een schadevergoeding in ruil voor vrijgave van de computers te bekomen (tweede syntheseconclusie van eiseressen p. 35 t/m 39).

3.
Het bestreden arrest verwerpt het door eiseressen ingeroepen rechtsmisbruik in hoofde van verweersters zonder de concrete door eiseressen aangevoerde omstandigheden in aanmerking te nemen en de houding van verweersters te toetsen aan de normaal voorzichtige persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst.

Het bestreden arrest verwijst enkel naar het feit dat eiseressen, door zich akkoord te verklaren met de contractvoorwaarden van derde verweerster, wisten dat ze slechts beschermd waren tegen vervolging door verweersters indien op datum van hun inschrijving nog geen onderzoek tegen hen gaande was (arrest p. 13, al. 2) en naar het oordeel van de appelrechters dat verweersters geen houding hebben aangenomen die het rechtmatig vertrouwen zou hebben gewekt dat reeds hangende procedures ook zouden genieten van de legalisatieperiode (p. 13, al. 3).

4.
Door aldus het door eiseressen ingeroepen rechtsmisbruik in hoofde van verweersters te verwerpen op grond van redenen die geen rechtsmisbruik uitsluiten, zonder het gedrag van verweersters te toetsen aan de concrete omstandigheden en aan de houding van een normaal voorzichtige persoon, schendt het bestreden arrest de artikelen 1134, derde lid, en 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

 

TWEEDE MIDDEL

Geschonden wetsbepalingen

 artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1959 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955
 artikel 9.3 van de Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten
 de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek
 de artikelen 23 t/m 28, 828, 1°, 962, 966, 970 en 1369bis/1 van het Gerechtelijk Wetboek
 het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging

Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eerste en tweede verweersters gegrond en, opnieuw recht doende, verklaart de hoofdvordering van eerste en tweede verweersters tegen eiseressen toelaatbaar en gegrond. Het arrest beslist hiertoe na te hebben geoordeeld dat er geen reden bestond om het beslag inzake namaak onrechtmatig te beschouwen noch om het verslag van de gerechtsdeskundigen uit de debatten te weren, dit oordeel als volgt motiverend (p. 13-14):

" 4.2.1. Het hoger beroep
(...)
4.2.1.3. Het Hof oordeelt op grond van de vaststellingen van de gerechtsdeskundigen dat de eerste tot de zesde geïntimeerde illegale software voor commerciële doeleinden in het bezit hadden. Dit maakt een fout uit die leidt tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van diegene die de inbreuk hebben gepleegd, met name de eerste tot de zesde geïntimeerde.
(...)

4.2.1.5. De geïntimeerden verwijten gerechtsdeskundige Veelaert dat hij zou gehandeld hebben met voorkennis en dat hij schijnbaar partijdig zou zijn. Op 26 januari 2004 zou één der geïntimeerden, de NV Mini-Flat, bij gerechtsdeskundige Veelaert (met enkele problemen) een veranda hebben geplaatst. Op dat ogenblik zou gerechtsdeskundige Veelaert blijkens zijn visitekaartje verkoopsmanager bij Autodesk zijn geweest. Dit alles zou voldoende reden zijn om de vaststellingen van gerechtsdeskundige Veelaert te weren uit het debat.

Het hof kan alleen maar vaststellen dat:

- de eerste en de derde tot en met de vijfde geïntimeerde dit argument aan het oordeel van de rechter op derdenverzet tegen de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 5 december 2008 onderwerpen en dat deze hierin geen grond zag om de beschikking van 5 december 2008 te hervormen of te vernietigen (zie de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 22 december 2008);
- de overige geïntimeerden geen derdenverzet tegen de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 5 december 2008 instelden;
- de geïntimeerden gerechtsdeskundige Veelaert niet te gepasten tijde wraakten bij toepassing van artikel 970 Ger. W.
In de gegeven omstandigheden ziet het hof geen grond om in te gaan op de vordering van de geïntimeerden om het verslag van gerechtsdeskundige Veelaert omwille van een beweerde partijdigheid uit de debatten te weren.

4.2.1.6. Voor zover de geïntimeerden opwerpen dat een anonieme bron nooit een grond kan vormen voor een rechtmatige toelating tot het leggen van beslag inzake namaak, dient te wor-den vastgesteld dat de toepasselijke wetgeving van het beslag inzake namaak er niet aan in de weg stond/staat een anonieme tip als aanwijzing van mogelijke illegale software aan te duiden. Artikel 1369bis/1 Ger. W. werd sedert de neerlegging van het verzoekschrift niet gewijzigd. Concrete aanwijzingen in het verzoekschrift van mogelijke illegale software waren en zijn niet vereist. De aanwezigheid van een anonieme tip is overigens te onderscheiden van een snuffeloperatie. Van dit laatste is in deze zaak geen sprake.

De anonieme tip is bijgevolg evenmin een reden om te besluiten tot een onrechtmatig beslag inzake namaak of om de deskundigenverslagen van gerechtsdeskundige Paul Veelaert en Paul De Vocht uit de debatten te weren.

4.2.1.7. Het hof verwerpt de gratuite verdachtmakingen van de geïntimeerden aangaande de door de gerechtsdeskundigen gebruikte onderzoeksmethoden en de door de gerechtsdeskundigen gebruikte USB-sticks. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de gerechtsdeskundigen een niet-adequate of ongeoorloofde onderzoeksmethode zouden hebben aangewend of USB-sticks zouden gebruikt hebben die reeds (al dan niet) legale gegevens bevatten.
(...) "

Grieven

Eerste onderdeel

1.
Krachtens artikel 828, 1° en artikel 6.1 van het EVRM kunnen rechters worden gewraakt wegens partijdigheid of schijn van partijdigheid. Overeenkomstig artikel 966 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen deskundigen worden gewraakt om dezelfde redenen als de rechters.

Overeenkomstig artikel 970, tweede lid, moet het verzoekschrift tot wraking van een gerechtsdeskundige in principe worden ingediend binnen acht dagen nadat de partij kennis heeft gekregen van de redenen van de wraking. Deze bepaling geldt in principe ook wanneer de gerechtsdeskundige overeenkomstig artikel 1369bis/1 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangesteld in het kader van een beschrijvend beslag of een beslag inzake namaak.

2.
De omstandigheid dat geen wraking van de deskundige werd gevraagd lopende het deskundigenonderzoek vormt evenwel geen beletsel om de partijdigheid van de deskundige nog voor de rechter ten gronde in te roepen ter betwisting van de bewijswaarde van het deskundigenverslag.

Artikel 970, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek is immers niet op straffe van verval voorgeschreven. Bovendien hebben partijen krachtens het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging het recht om de bewijswaarde van het deskundigenverslag nog voor de rechter ten gronde te betwisten en behoort het krachtens artikel 962, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek tot de bevoegdheid van de rechter ten gronde om het deskundigenverslag op zijn bewijswaarde te toetsen.

 

3.
De omstandigheid dat de beslagrechter in het kader van het derdenverzet tegen de beschikking houdende machtiging tot beslag en aanstelling van een gerechtsdeskundige uitspraak deed over een geschilpunt met betrekking tot de partijdigheid van de deskundige vormt evenmin een beletsel om die partijdigheid nog voor de rechter ten gronde in te roepen ter betwisting van de bewijswaarde van het deskundigenverslag.

De beschikking op derdenverzet van de beslagrechter heeft immers slechts een relatief gezag van gewijsde en bindt de rechter ten gronde niet. Dit geldt des te meer wanneer de beslagrechter, zoals in casu, de ingeroepen partijdigheid weigerde te onderzoeken om de reden dat dit geschil de grond van de zaak betreft. Aan dergelijke beslissing van de beslagrechter kleeft geen gezag van gewijsde zoals bedoeld in de artikelen 23 t/m 28 van het Gerechtelijk Wetboek.

4.
Uit de omstandigheid dat het derdenverzet niet van alle partijen uitging, kan evenmin enig gevolg worden getrokken met betrekking tot de partijdigheid van de gerechtsdeskundige en de bewijswaarde van diens verslag. Dit geldt des te meer wanneer, zoals in casu, de partijdigheid van de gerechtsdeskundige verband zou houden met een relatie of gebeurtenis die slechts één partije en dus niet alle partijen aanbelangen.

5.
Het bestreden arrest verwerpt het verzoek van eiseressen om het verslag van gerechtsdeskundige Veelaert uit de debatten te weren omwille van de partijdigheid die volgens eiseressen in zijnen hoofde bestond (arrest p. 14, al. 1).

Het arrest verantwoordt die beslissing echter met de enkele vaststellingen dat de beslagrechter op derdenverzet hierin geen grond zag om de oorspronkelijke beschikking te hervormen, dat niet alle partijen tegen de oorspronkelijke beschikking derdenverzet aantekenden, en dat eiseressen de wraking van deskundige Veelaert niet te gepasten tijde hebben gevraagd bij toepassing van artikel 970 van het Gerechtelijk Wetboek (arrest p. 13, laatste al.).

6.
Nu geen van die redenen een beletsel vormen voor de rechter ten gronde om op grond van zijn eigen bevoegdheid (artikelen 962, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek) en met het oog op het respecteren van het recht van verdediging van partijen (het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging) na te gaan of de bewijswaarde van het deskundigenverslag niet aangetast is door een mogelijke partijdigheid van de gerechtsdeskundige (artikelen 6.1 EVRM en 828, 1° Gerechtelijk Wetboek), is de weigering om het verslag uit de debatten te weren niet wettig verantwoord (schending van alle voormelde wetsbepalingen en algemeen rechtsbeginsel).

Bovendien is die beslissing evenmin wettig verantwoord (schending van alle hierna vermelde wetsbepalingen) in de mate de eerste reden steunt op een gezag van gewijsde van de beschikking op derdenverzet dat die beschikking niet heeft (artikelen 23 t/m 28 van het Gerechtelijk Wetboek), in de mate de tweede reden voorbij gaat aan het feit dat de partijdigheid veelal slechts één of enkele partijen en niet noodzakelijk alle partijen aanbelangt (artikelen 828, 1° Gerechtelijk Wetboek en 6.1 EVRM), en in de mate de derde reden aan de termijn voor indiening van een verzoek tot wraking onterecht het karakter van een vervaltermijn verleent (artikel 970, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

Tweede onderdeel

1.
Krachtens artikel 1369bis/1, §3, 2) van het Gerechtelijk Wetboek onderzoekt de voorzitter die uitspraak doet over maatregelen tot beschrijving, of er aanwijzingen zijn dat inbreuk zou zijn gemaakt op het intellectueel eigendomsrecht of dat een inbreuk dreigt.

Krachtens artikel 1369bis/1, §5, 2) onderzoekt de voorzitter die uitspraak doet over een verzoek tot verkrijging, naast de beschrijving, van beslagmaatregelen, of de inbreuk op het betrokken intellectueel recht niet redelijkerwijze betwist kan worden.

Artikel 9.3 van de Richtlijn 2004/48/EG, dat in artikel 1369bis/1, §5 is geïmplementeerd, bepaalt dat de rechterlijke instanties met betrekking tot maatregelen van inbeslagneming in de zin van artikel 9.1.b) van de Richtlijn de bevoegdheid hebben om van de eiser te verlangen dat hij redelijkerwijs beschikbaar materiaal overlegt opdat zij zich met een voldoende mate van zekerheid ervan kunnen vergewissen dat de eiser de houder is van het recht en dat er inbreuk op zijn recht wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt.

2.
Onder "aanwijzingen" in de zin van artikel 1369bis/1, §3 dient verstaan gegevens die aannemelijk maken dat een inbreuk zou kunnen worden gepleegd op het intellectueel eigendomsrecht, d.z. gegevens die van die aard zijn dat zij, bij een beoordeling op het eerste gezicht, op zich of met elkaar in verband gebracht, een vermoeden doen rijzen van een inbreuk of een dreiging van inbreuk (Cass. 26 november 2009, C.08.0206.N).

Uit de samenhang van §3 en §5 van artikel 1369bis/1 van het Gerechtelijk Wetboek en uit de wetsgeschiedenis volgt dat wanneer, naast de beschrijving, ook beslagmaatregelen worden gevorderd, de rechter deze strenger moet beoordelen (Cass. 26 april 2012, C.11.0393.N).

3.
Hieruit volgt dat een anonieme tip alleen geen voldoende aanwijzing uitmaakt van een inbreuk of dreiging van inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht die een beschrijvend beslag kan rechtvaardigen, en zeker niet wanneer die tip enkel
verwijst naar één of meerdere bedrijven die in het bezit zouden zijn van één of meerdere illegale computerprogramma's, zonder andere concretere gegevens te bevatten.

4.
Het staat vast dat eerste en tweede verweersters in hun verzoekschrift tot toelating tot beschrijvend beslag geen andere gegevens aanbrachten dan een beweerde anonieme tip waaruit zij afleidden dat eiseressen en een aantal andere vennootschappen illegaal in het bezit waren van welbepaalde computerprogramma's voor het tekenen van plannen (bvb. het Autocad programma) waarop eerste en tweede verweersters intellectuele rechten bezitten (arrest p. 14, sub 4.2.1.6, al. 1).

Volgens de appelrechters volstond deze anonieme tip, zonder concretere gegevens, als aanwijzing om het beslag inzake namaak te rechtvaardigen. Om die reden verwerpt het bestreden arrest het verzoek van eiseressen om het beslag inzake namaak onrechtmatig te verklaren en het daarop gesteunde deskundigenverslag uit de debatten te weren (arrest p. 14, sub 4.2.1.6, al. 2).

5.
Door zo te oordelen, miskent het bestreden arrest het begrip "aanwijzingen" van artikel 1369bis/1, §3 van het Gerechtelijk Wetboek, evenals de uit de artikelen 1369bis/1, §3 en §5 van het Gerechtelijk Wetboek en 9.3 van de Richtlijn 2004/48/EG voortvloeiende verplichting voor de rechter om de aanwijzingen strenger te beoordelen in het kader van beslagmaatregelen dan in het kader van zuiver beschrijvende maatregelen (schending van alle voormelde bepalingen) en, voor zoveel als nodig, ook het begrip feitelijke vermoedens van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek (schending van voormelde wetsbepalingen).

 

 

 

DERDE MIDDEL

Geschonden wetsbepalingen

 artikel 149 van de Grondwet
 de artikelen 1146 t/m 1151, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek

Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eerste en tweede verweersters gegrond en, opnieuw recht doende, verklaart de hoofdvordering van eerste en tweede verweersters tegen eiseressen toelaatbaar en gegrond. Ten titel van schadevergoeding kent het arrest aan verweersters een bedrag toe van 143.056,07 euro , op grond van volgende motieven (p. 14-15):

" 4.2.1. Het hoger beroep
(...)
4.2.1.3. Het Hof oordeelt op grond van de vaststellingen van de gerechtsdeskundigen dat de eerste tot de zesde geïntimeerde illegale software voor commerciële doeleinden in het bezit hadden. Dit maakt een fout uit die leidt tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van diegene die de inbreuk hebben gepleegd, met name de eerste tot de zesde geïntimeerde.
(...)

4.2.1.8. Het kan niet ernstig worden betwist dat de appellanten door de fout van de eerste tot en met de zesde geïntimeerde schade hebben geleden. Zij mislopen de koopprijs van hun product en de updates ervan. Hiervoor derven zij winst. Door de namaak wordt de naam en het imago van de appellanten aangetast. De appellanten verliezen de controle over de kwaliteit van hun product. Zij moeten grote bedragen besteden ter bestrijding van de betrokken illegale software.
Het hof stelt vast dat deze schade onmogelijk anders dan naar billijkheid en forfaitair kan wor-den geraamd en oordeelt dat de aan de appellanten toekomende schadevergoeding naar bil-lijkheid moet worden vastgesteld op 200% van de oorspronkelijke niet-betaalde licentievergoeding.
4.2.1.10. het hof oordeelt dat de stukken 24 tot 36 van de geïntimeerden hun bewering dat en-kele van de door de deskundigen in hun deskundigenverslag als illegaal aangeduide AutoCAD-software toch legaal zou zijn, niet bewijzen.
Evenmin bewijzen de geïntimeerden hun bewering dat twee door henzelf geüpdate AutoCAD Rel 13 werden aangekocht in 1996. Hun stukken 24 en 25 falen dit bewijs te leveren.

4.2.1.11. Anders dan de geïntimeerden menen, geven ook de gewiste illegale programma's recht op schadevergoeding. De eerste tot en met de zesde geïntimeerde hadden geen recht om deze in het bezit te hebben.
4.2.1.12. Tot slot oordeelt het hof dat, noch het feit dat de eerste tot een met de zesde geïnti-meerde naast de illegale software ook beschikken over legale software, noch het feit dat ze zich beweerdelijk vergisten over de omvang van de rechten waarover ze daardoor beschikten, er aanleiding toe kan zijn de hiervoor vastgestelde schadevergoeding te verminderen.
(...) ".

Grieven

Eerste onderdeel

1.
Overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek is degene die door zijn fout schade veroorzaakt gehouden tot vergoeding van alle uit die fout voortvloeiende schade.

Overeenkomstig de artikelen 1146 t/m 1151 van het Burgerlijk Wetboek is de contractpartij die zijn contractuele verbintenissen niet nakomt gehouden tot vergoeding van de uit die tekortkoming voortvloeiende schade. Krachtens artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek bestaat die schade uit de gederfde winst en uit het geleden verlies.

De rechter begroot de schade in principe in concreto. Hij mag de schade ex aequo et bono begroten op voorwaarde dat hij de redenen opgeeft waarom hij vaststelt dat hij de schade onmogelijk op een andere wijze kan bepalen (Cass. 3 maart 2008, C.07.0090.F; vgl. Cass. 20 september 2001, C.99.0057.N).

2.
De appelrechters oordelen dat de schade die eerste en tweede verweersters hebben geleden tengevolge van de in hoofde van eiseressen vastgestelde inbreuk op hun intellectuele rechten bestaat uit de mislopen koopprijs van hun producten en de upgrades ervan, uit de aantasting van hun naam en imago, uit hun verlies aan controle over de kwaliteit van het product, en uit de kosten gemaakt ter bestrijding van de betrokken illegale software (arrest p. 14, sub 4.2.1.8, al. 1).

Het bestreden arrest stelt, zonder dit nader te motiveren, dat die schade op geen enkele andere wijze dan naar billijkheid en forfaitair kan worden geraamd en bepaalt die schade vervolgens op 200% van de oorspronkelijk niet-betaalde licentievergoeding (arrest p. 14, sub 4.2.1.8, al. 2), wat volgens het dispositief van het arrest neerkomt op een totaal bedrag van 143.056,00 euro (arrest p. 20, vierde streepje).

Dit bedrag stemt overeen met het bedrag dat eerste en tweede verweersters hadden gevorderd, maar dat het resultaat was van een minstens gedeeltelijke in concreto begroting. In hun appelconclusies hadden verweersters inderdaad als basis voor de begroting van hun schade de concrete koopprijs genomen van de producten waarvoor een inbreuk was vastgesteld. Hierop hadden zij coëfficiënten toegepast om te komen tot begroting van de volledige schade (aanvullende beroepsconclusies van verweersters p. 9 en 10).

3.
Dergelijke wijze van begroting stemt niet overeen met een begroting ex aequo et bono, zodat het arrest dat die wijze van begroting overneemt, niet wettig verantwoord is. Minstens verantwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht door niet nader te bepalen waarom de schade op geen andere wijze dan ex aequo et bono kan worden begroot (schending van alle in het middel aangeduide bepalingen).

Tweede onderdeel

1.
In hun appelconclusies hadden eiseressen in ondergeschikte orde gevraagd de door eerste en tweede verweersters gevorderde schadevergoeding te herleiden. Eén van de hiertoe aangevoerde redenen was gesteund op het verbod van dubbele schadevergoeding.

Eiseressen hadden inderdaad aangevoerd dat het toekennen van een vergoeding van 200% van de koopprijs van de producten van verweersters waarvoor een inbreuk werd vastgesteld, zou neerkomen op het toekennen van vergoeding voor reeds herstelde schade. Na verzegeling van hun computers door de gerechtsdeurwaarder op 18 december 2008, hadden eiseressen immers nieuwe computers met nieuwe licenties en producten aangekocht en aldus, behalve wat één licentie betreft, de situatie geregulariseerd (tweede syntheseconclusies van eiseressen p. 61 en 62).

2.
Het bestreden arrest kent de door eerste en tweede verweersters gevorderde schadevergoeding toe, begroot op 200% van de koopprijs van de producten van verweersters waarvoor een inbreuk werd vastgesteld (arrest p. 14, sub 4.2.1.8).

Het arrest verwerpt hierbij het verzoek van eiseressen om dat bedrag te verminderen, doch motiveert die verwerping met de enkele overweging dat noch het feit dat eiseressen ook legale software naast illegale software bezaten, noch het feit dat eiseressen zich zouden hebben vergist over de omvang van de rechten waarover ze beschikten, aanleiding kunnen geven tot vermindering van de schadevergoeding (arrest p. 15, sub 4.2.1.12).

3.
Die motivering houdt geen antwoord in op het boven vermeld verweer gesteund op het verbod van dubbele schadevergoeding. Bij gebrek aan antwoord op dat verweer, is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het dus artikel 149 van de Grondwet.

 

VIERDE MIDDEL

Geschonden wetsbepalingen

 de artikelen 17, 23 t/m 28, 812, 813, 1042, 1050, 1051, 1053 en 1054 van het Gerechtelijk Wetboek

Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest verklaart de door eiseressen in hoger beroep tegen derde verweerster ingestelde vordering in tussenkomst en vrijwaring evenals het door eiseressen ten aanzien van derde verweerster ingesteld incidenteel beroep ontoelaatbaar om volgende redenen (p. 16-17):

" 4.2.2. De vordering in tussenkomst en vrijwaring van de geïntimideerde tegen de ven-nootschap naar het recht van de staat van Washington B.S.A. Inc.

4.2.2.1. De gedaagde in gedwongen tussenkomst laat gelden dat de vordering van de geïnti-meerden in tussenkomst en vrijwaring niet toelaatbaar is gelet op het gezag van gewijsde ver-bonden aan het bestreden vonnis in hun rechtsverhouding.

4.2.2.2. Het hof stelt vast dat :
- de geïntimeerden het bestreden vonnis op 10 november 2011 aan de vennootschap naar het recht van de staat Washington B.S.A. Inc. lieten betekenen;
- het hoger beroep van de appellanten tegen het bestreden vonnis enkel gericht was tegen de geïntimeerden, met uitsluiting van de gedaagde in gedwongen tussenkomst en vrijwaring, die evenmin door de appellanten bij toepassing van artikel 1053 Ger.W. in het geding werd betrokken;
- niet betwist is dat de termijn van de geïntimeerden voor het instellen van hoger beroep tegen het bestreden vonnis tegenover de gedaagde in gedwongen tussenkomst verstreek zonder dat de geïntimeerden hoger beroep aantekenden;
- in het bestreden vonnis de vordering van de geïntimeerden tegen de gedaagde in ge-dwongen tussenkomst teneinde haar te veroordelen om hen te vrijwaren voor elke veroordeling die te hunnen laste zou worden uitgesproken, zonder voorwerp werd verklaard.
Uit het voorgaande volgt dat het gezag van gewijsde van het bestreden vonnis in de rechtsverhouding tussen de geïntimeerden en de gedaagde in gedwongen tussenkomst zich ertegen verzet dat opnieuw uitspraak wordt gedaan op de vordering van de geïntimeerden om de gedaagde in gedwongen tussenkomst te veroordelen om hen te vrijwaren voor elke veroordeling die te hunnen laste zou worden uitgesproken (artikel 25 Ger. W.).
De vordering van de geïntimeerden tegen de gedaagde in gedwongen tussenkomst is niet toelaatbaar.

4.2.3. Het incidenteel beroep van de geïntimeerden tegen de vennootschap naar het recht van staat Washington B.S.A. Inc.

4.2.3.1. De geïntimeerden stellen tegen het bestreden vonnis incidenteel beroep in bij hun conclusie neergelegd ter griffie van het hof op 22 februari 2013.

4.2.3.2. Het hof oordeelt dat dit incidenteel beroep niet toelaatbaar is.

De vennootschap naar het recht van de staat Washington B.S.A. Inc., was immers geen partij in hoger beroep ten gevolge van het hoger beroep van de appellanten, maar ten gevolge van de niet-toelaatbare vordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van de geïntimeerden.
(...) ".

Grieven

Eerste onderdeel

1.
Uit de artikelen 23 t/m 28 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat het gezag van gewijsde van een beslissing waartegen geen tijdig hoger beroep werd ingesteld verhindert dat dezelfde vordering opnieuw wordt ingesteld tussen dezelfde partijen.

Krachtens artikel 24 van het Gerechtelijk Wetboek hebben echter enkel beslissingen die definitief over een geschilpunt uitspraak doen gezag van gewijsde. Krachtens artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek kleeft het gezag van gewijsde bovendien enkel aan hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Het gezag van gewijsde is bijgevolg beperkt tot wat de rechter over een geschilpunt heeft beslist en tot wat de noodzakelijke grondslag van die beslissing uitmaakt (Cass. 29 januari 2007, C.04.0600.F).

Hieruit volgt dat de beslissing die een vordering in tussenkomst en vrijwaring zonder voorwerp verklaart omdat de hoofdvordering werd verworpen, geen gezag van gewijsde heeft die verhindert dat de vordering opnieuw wordt ingesteld wanneer de beslissing over de hoofdvordering wordt hervormd. Door de vordering in vrijwaring zonder voorwerp te verklaren, doet de rechter immers geen uitspraak over de ontvankelijkheid en gegrondheid van die vordering.

2.
Het staat vast dat het in eerste aanleg gewezen vonnis de vordering in tussenkomst en vrijwaring die eiseressen tegen derde verweersters hadden ingesteld, zonder voorwerp heeft verklaard omdat de hoofdvordering ongegrond werd verklaard.

Het bestreden arrest stelt vast dat eerste en tweede verweersters hoger beroep hebben ingesteld tegen het eerste vonnis wat hun hoofdvordering tegen eiseressen betreft en derde verweerster niet in het hoger beroep hebben betrokken. Het bestreden arrest stelt eveneens vast dat eiseressen niet binnen de termijn hoger beroep ingesteld tegen het eerste vonnis wat hun vordering in tussenkomst en vrijwaring tegen derde verweerster betreft (arrest p. 16, sub 4.2.2.2).

Het arrest leidt hieruit af dat het gezag van gewijsde van het eerste vonnis verhinderde dat eiseressen hun vordering in tussenkomst en vrijwaring opnieuw instelden in hoger beroep door derde verweerster in tussenkomst te dagvaarden. Om die reden besluit het arrest tot de ontoelaatbaarheid van de vordering in tussenkomst en vrijwaring van eiseressen tegen derde verweerster (p. 16, laatste al. en p. 17, al. 1 en 2).

3.
Door zo te oordelen, verleent het bestreden arrest aan de in eerste aanleg gewezen beslissing van het zonder voorwerp verklaren van de vordering in tussenkomst en vrijwaring van eiseressen tegen derde verweerster een gezag van gewijsde dat die beslissing niet heeft en schendt het bijgevolg de artikelen 23 t/m 28 van het Gerechtelijk Wetboek.

Tweede onderdeel

1.
Artikel 1050 van het Gerechtelijk Wetboek houdt het recht op hoger beroep in. Artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt de termijn waarbinnen dat hoger beroep moet worden ingesteld. Artikel 1053 bepaalt dat in onsplitsbare geschillen, de eiser in beroep alle partijen in het hoger beroep moet betrekken binnen de termijn van hoger beroep.

Om op ontvankelijke wijze hoger beroep te kunnen instellen, moet de eiser in beroep gegriefd zijn door het bestreden vonnis. Bij gebreke hieraan, beschikt de eiser niet over het vereiste belang in de zin van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek.

De partij wiens vordering in tussenkomst en vrijwaring door de eerste rechter zonder voorwerp werd verklaard omdat de hoofdvordering tegen haar werd afgewezen, heeft niet het vereiste belang om hoger beroep aan te tekenen. De partij wiens hoofdvordering werd verworpen, heeft wel het vereiste belang om hoger beroep aan te tekenen, maar is bij gebrek aan onsplitsbaarheid tussen de hoofdvordering en de vordering in vrijwaring niet verplicht de verweerder in tussenkomst en vrijwaring in het hoger beroep te betrekken.

2.
Artikel 1054 van het Gerechtelijk Wetboek verleent aan elke gedaagde in hoger beroep het recht om incidenteel beroep in te stellen, ook buiten de termijn van het hoger beroep. Dat hoger beroep kan echter enkel gericht worden tegen de partijen die door het hoofd hoger beroep of op een andere wijze (bvb. door een dagvaarding in tussenkomst) in het geding in hoger beroep zijn betrokken.

Hieruit volgt dat indien de partij wiens hoofdvordering werd verworpen haar hoger beroep enkel tegen de verweerder op hoofdvordering heeft gericht zonder de verweerder in tussenkomst en vrijwaring in het geding te betrekken, de verweerder op hoofdvordering geen incidenteel beroep kan instellen tegen de verweerder in tussenkomst en vrijwaring (tenzij na zelf die verweerder in hoger beroep in tussenkomst te hebben gedagvaard).

3.
Uit dit alles volgt dat wanneer de partij wiens vordering in tussenkomst en vrijwaring door de eerste rechter zonder voorwerp werd verklaard omdat de tegen hem ingestelde hoofdvordering werd verworpen, geconfronteerd wordt met een hoger beroep van de eiser op hoofdvordering waarin de verweerder in vrijwaring niet werd betrokken, die partij haar vordering in tussenkomst en vrijwaring alsnog voor de rechter in hoger beroep kan brengen door de verweerder in tussenkomst en vrijwaring te roepen overeenkomstig de artikelen 812 en 813 (juncto artikel 1042) van het Gerechtelijk Wetboek.

4.
Het staat vast dat het in eerste aanleg gewezen vonnis de vordering in tussenkomst en vrijwaring die eiseressen tegen derde verweersters hadden ingesteld, zonder voorwerp heeft verklaard omdat de hoofdvordering ongegrond werd verklaard.

Het bestreden arrest stelt vast dat eerste en tweede verweersters hoger beroep hebben ingesteld tegen het eerste vonnis wat hun hoofdvordering tegen eiseressen betreft en derde verweerster niet in het hoger beroep hebben betrokken. Het bestreden arrest stelt eveneens vast dat eiseressen niet binnen de termijn hoger beroep hebben ingesteld tegen het eerste vonnis wat hun vordering in tussenkomst en vrijwaring tegen derde verweerster betreft (arrest p. 16, sub 4.2.2.2.).

Het arrest besluit hieruit dat het gezag van gewijsde van het in eerste aanleg gewezen vonnis, wat de vordering in tussenkomst en vrijwaring betreft, zich ertegen verzet dat over die vordering opnieuw uitspraak wordt gedaan in hoger beroep. Om die reden verklaart het arrest de door eiseressen in hoger beroep ingestelde vordering in tussenkomst en vrijwaring ontoelaatbaar(p. 16 en 17, sub 4.2.2). Omdat derde verweerster op geen andere wijze in het hoger beroep was betrokken dan door die beweerd ontoelaatbare vordering in tussenkomst en vrijwaring, verklaart het arrest ook het door eiseressen ingestelde incidenteel beroep ontoelaatbaar (p. 17, sub 4.2.3).

5.
Door zo te oordelen, gaat het arrest voorbij aan het feit dat eiseressen, bij gebrek aan belang, geen ontvankelijk hoger beroep konden instellen tegen de in eerste aanleg gewezen beslissing die hun vordering in tussenkomst en vrijwaring zonder voorwerp verklaarde (schending van de artikelen 17, 1050 en 1051 van het Gerechtelijk Wetboek), aan het feit dat eiseressen evenmin incidenteel beroep tegen die beslissing konden instellen omdat derde verweerster niet in het hoger beroep was betrokken door eerste en tweede verweersters (schending van de artikelen 1053 en 1054 van het Gerechtelijk Wetboek) en aan het feit dat eiseressen hierdoor enkel via dagvaarding van derde verweerster in tussenkomst hun vordering in tussenkomst en vrijwaring opnieuw voor de appelrechters konden formuleren (schending van de artikelen 812, 813 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek).

 

OM DEZE REDENEN,

Besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie, voor eiseressen, dat het U behage, hooggeachte Dames en Heren, het bestreden arrest te vernietigen, te bevelen dat van de vernietiging melding gemaakt wordt in de kant van het bestreden arrest, de zaak en partijen naar een ander hof van beroep te verwijzen, en over de kosten uitspraak te doen als naar recht.

Brussel, 15 september 2014

Bijgevoegde stukken

1. Afschrift van de exploten van betekening van het bestreden arrest aan eiseres-sen, houdende keuze van woonplaats van eerste en tweede verweersters
2. Afschrift van de beschikking van 22 december 2008, uitspraak doende op het derdenverzet van eiseressen tegen de beschikking houdende machtiging tot beslag inzake namaak
3. Afschrift van het eenzijdig verzoekschrift van eerste en tweede verweersters, houdende verzoek tot toelating tot beschrijvend beslag inzake namaak

 

Noot: 
Het ‘vermoeden van kwade trouw’ bij verborgen gebreken: welke verkoper past het schoentje?
TBBR 2018-3, p. 131 S. De Rey B. Tilleman
Vrijwaring voor verborgen gebreken bij koop: mag het wat meer zijn dan artikel 1644 BW? TBBR 2018-3, p. 144 S. De Rey
Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 08/06/2018 - 13:19
Laatst aangepast op: za, 09/06/2018 - 08:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.