-A +A

Uiterst dringende noodzakelijkheid raad van state en vereiste diligentie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
maa, 25/07/2016
A.R.: 
235.536

De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van het recht van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang.

De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden toegelaten in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens art. 16, § 1, eerste lid, 7° van het KB van 5 december 1991 «tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State», bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, daartoe «een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen».

Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.

De toepassing van de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan bovendien enkel worden aanvaard indien de verzoekende partij al het nodige heeft gedaan om de onherroepelijke schadelijke gevolgen waarvan zij gewag maakt, te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. Dit impliceert dus dat de verzoekende partij met de vereiste spoed en diligentie moet optreden.

Aangenomen kan worden dat de diligentie waarmee een verzoekende partij tegen een haar grievende rechtshandeling opkomt met een vordering tot schorsing of een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, niet noodzakelijk is af te lezen uit het tijdsverloop tussen de kennisname van de bestreden handeling en het instellen van die vordering.

De huidige regelgeving laat immers toe dat de schorsing «op elk moment» wordt gevorderd – art. 17, § 2, tweede lid RvS-Wet – en de situatie is denkbaar dat een zaak door gewijzigde omstandigheden pas dringend wordt – of zelfs uiterst dringend – nadat reeds eerder een annulatieberoep aanhangig werd gemaakt. Het is met andere woorden voortaan vanaf het ogenblik waarop de uiterst dringende noodzakelijkheid ontstaat, dat van een verzoekende partij wordt verwacht met passende voortvarendheid op te treden.

Dit ogenblik moet niet – maar kan nog wel – samenvallen met het ogenblik waarop het besluit is genomen en dus vanuit het standpunt van de verzoekende partij, het ogenblik waarop zij er kennis van krijgt.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
108
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 235.536

M.K. t/ Stad Hasselt

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 14 juli 2016, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt «waarbij de aanvraag van M.K. tot het verkrijgen van een drankvergunning/horecavergunning wordt geweigerd».

...

III. Feiten

3.1. Verzoeker heeft op 11 maart 2016 een «horecavergunning» aangevraagd bij de verwerende partij voor een café waar zowel gegiste dranken – waarop de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, gecoördineerd op 3 april 1953, van toepassing zijn – als sterke dranken – waarop de wet van 28 december 1983 «betreffende de vergunning voor het verstrekken van sterke drank» van toepassing is – worden geschonken.

3.2. Op 19 mei 2016 beslist het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij «tot weigering van de toekenning van een drankvergunning» «wegens het ongunstig advies moraliteit» op grond van het negatief advies van de dienst economie.

3.3. Met een kennisgevingsbrief gedagtekend op 15 juni 2016 bezorgt de verwerende partij de beslissing van 19 mei 2016 aan verzoeker die in zijn verzoekschrift zelf aangeeft dat hij de zending heeft ontvangen op 16 juni 2016.

3.4. Verzoeker dient op 17 juni 2016 «overeenkomstig artikel 4 van de wet van 28 december 1983» administratief beroep in tegen de beslissing van 19 mei 2016 bij de minister van Justitie.

3.5. Op 28 juni 2016 ontvangt verzoeker van de verwerende partij het gemeentelijke administratief dossier met uitzondering van het schriftelijke advies van de hoofdinspecteur van politie T. inzake de moraliteit. Verzoeker betoogt in zijn verzoekschrift op 30 juni 2016 een persoonlijk onderhoud te hebben gehad met hoofdinspecteur T. over dit advies.

3.6. Op 1 juli 2016 dient de raadsman van verzoeker een nieuwe aanvraag voor een «horecavergunning» in waarbij hij opmerkt dat verzoeker beroep heeft ingediend bij de minister van Justitie en dat hij «ook [...] de opdracht [heeft] om een procedure aan te vatten op basis van uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State».

3.7. Verzoeker stelt dat hij op 11 juli 2016 heeft vernomen dat de beslissing van de minister van Justitie ten vroegste in september 2016 zal tussenkomen. Hij stelt de voorliggende vordering in op 14 juli 2016.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

4.1. De verwerende partij werpt verschillende excepties op. Op de eerste plaats meent zij dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft omdat hij in de optiek van verzoeker slechts zou beschikken over een gebonden bevoegdheid. Voorts wijst zij erop dat verzoeker administratief beroep heeft aangetekend wat de vergunning in het kader van de voornoemde wet van 28 december 1983 betreft en dat er nog geen uitspraak is, zodat verzoeker dit beroep niet heeft uitgeput. Daarenboven is de verwerende partij van oordeel dat verzoeker geen belang heeft bij zijn vordering, omdat hij een nieuwe aanvraag heeft ingediend en aldus afstand zou hebben gedaan «van de geweigerde vergunning».

4.2. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat zoals hierna zal blijken, niet het geval is.

V. Schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens art. 17, §§ 1 en 4 RvS-Wet kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

VI. Nopens de uiterst dringende noodzakelijkheid

6. Verzoeker betoogt, wat de uiterst dringende noodzakelijkheid betreft, dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor hem ontegensprekelijk een onherstelbaar ernstig nadeel zal veroorzaken met onherroepelijke schadelijke gevolgen en dit door de definitieve ontneming van de mogelijkheid om het café uit te baten zonder te beschikken over de kwestieuze vergunning. Hij wijst op de belangrijke investeringen die hij heeft gedaan, zoals het sluiten van een handelshuurovereenkomst en bestellingen, en op het feit dat er thans geen inkomen kan worden gegenereerd. Hij voert aan slechts over een zeer korte periode te beschikken voor een financiële overlevingskans; een gewone schorsingsprocedure zal leiden tot zijn persoonlijk faillissement. Ten slotte merkt hij op dat hij op alle mogelijke manieren heeft getracht het beslissingsproces te versnellen en minstens duidelijkheid te verkrijgen; hij heeft onmiddellijk toen het duidelijk was dat de beslissing van de minister van Justitie niet eerder zou worden genomen dan ten vroegste in september 2016, huidig verzoekschrift ingediend, zodat hem geen gebrek aan diligentie kan worden verweten.

Beoordeling

7. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van het recht van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang.

De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden toegelaten in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens art. 16, § 1, eerste lid, 7o van het KB van 5 december 1991 «tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State», bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, daartoe «een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen». Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.

De toepassing van de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan bovendien enkel worden aanvaard indien de verzoekende partij al het nodige heeft gedaan om de onherroepelijke schadelijke gevolgen waarvan zij gewag maakt, te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. Dit impliceert dus dat de verzoekende partij met de vereiste spoed en diligentie moet optreden. Aangenomen kan worden dat de diligentie waarmee een verzoekende partij tegen een haar grievende rechtshandeling opkomt met een vordering tot schorsing of een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, niet noodzakelijk is af te lezen uit het tijdsverloop tussen de kennisname van de bestreden handeling en het instellen van die vordering. De huidige regelgeving laat immers toe dat de schorsing «op elk moment» wordt gevorderd – art. 17, § 2, tweede lid RvS-Wet – en de situatie is denkbaar dat een zaak door gewijzigde omstandigheden pas dringend wordt – of zelfs uiterst dringend – nadat reeds eerder een annulatieberoep aanhangig werd gemaakt. Het is met andere woorden voortaan vanaf het ogenblik waarop de uiterst dringende noodzakelijkheid ontstaat, dat van een verzoekende partij wordt verwacht met passende voortvarendheid op te treden. Dit ogenblik moet niet – maar kan nog wel – samenvallen met het ogenblik waarop het besluit is genomen en dus vanuit het standpunt van de verzoekende partij, het ogenblik waarop zij er kennis van krijgt.

Wat de vereiste diligentie betreft, moet te dezen worden vastgesteld dat verzoeker hieraan niet voldoet om de volgende redenen.

8. Verzoeker kende al geruime tijd de thans door hem ter adstructie van de uiterst dringende noodzakelijkheid ingeroepen omstandigheid van zijn precaire financiële situatie, aangezien hij deze reeds in een brief van 18 mei 2016 aan de verwerende partij opmerkte.

Hij verklaart in zijn verzoekschrift dat hij de bestreden beslissing op 16 juni 2016 heeft ontvangen.

Indien verzoeker een uitermate hoge graad van hoogdringendheid aan zijn zaak toeschrijft, had hij zonder talmen zijn vordering moet instellen in plaats van bijna dertig dagen te wachten na de kennisname van de bestreden beslissing, tenzij hij aanneembare motieven had om dit anders in te schatten en dus hier aantoont dat de spoedeisendheid pas ontstaan is korte tijd vóór het instellen van zijn vordering.

Wat dit laatste betreft, merkt de Raad op dat, zelfs mocht worden aangenomen dat verzoeker eerst kennis diende te hebben van het administratief dossier en van het persoonlijk onderhoud met hoofdinspecteur T., wat op 28 juni 2016, respectievelijk op 30 juni 2016 gebeurde, en dit elementen zouden zijn waarop zijn vordering is gebaseerd – wat echter niet met zoveel woorden uit zijn middelen lijkt te blijken – dan nog moet worden vastgesteld dat verzoeker nog maar eens veertien dagen heeft laten verstrijken vooraleer zijn vordering in te dienen.

Ook de omstandigheid dat verzoeker administratief beroep heeft ingediend bij de minister van Justitie, waarvan hij overigens zelf opmerkt dat die niet kan oordelen over het advies van de politie en er dus, zo lijkt, geen sprake is van een volwaardig beroep, lijkt geen zo’n aanvaardbaar motief om de spoedeisendheid anders in te schatten, aangezien dit beroep hoogstens lijkt te handelen over de vergunning sterke drank.

Van de minnelijke stappen die verzoeker heeft gezet om de verwerende partij op andere gedachten te brengen, zoals het indienen van een nieuwe aanvraag, toont hij niet aan dat dit op korte termijn enig voor hem positief uitzicht bood en dus de spoedeisendheid minder apert maakte.

Conclusie is hier dan ook dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij na kennisname van de bestreden beslissing met passende voortvarendheid is opgetreden om de beweerde onherroepelijk schadelijke gevolgen veroorzaakt door de bestreden beslissing te voorkomen. Verzoeker heeft bijna een maand laten voorbijgaan om onderhavig verzoekschrift in te dienen en alzo rechtens te pogen de nakende schade eventueel te keren. Hij heeft beslist niet van de vereiste voortvarendheid getuigd, en wat hij daartoe aanvoert kan niet overtuigen; verzoeker toont niet aan dat de acties die hij wél heeft ondernomen, enig positief uitzicht konden bieden, zodat ze vermochten hem ertoe te brengen de termijn verlengd te zien.

Noot: 

Lust, P.-D.-S., « De spoedeisendheid in het administratief kort geding », R.A.B.G., 2016/12, p. 872-875

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 10/09/2017 - 08:27
Laatst aangepast op: zo, 10/09/2017 - 08:27

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.