-A +A

Vaststelling van het vaderschap vergt alomvattende opportuniteitstoets in belang van kind

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 16/10/2014
A.R.: 
2013/AR/1038

Bij een vordering tot vaststelling vaderschap dient de rechter te onderzoeken of en in hoeverre dit vaderschap al dan niet strijdig is met het belang van het kind . Dit vergt een alomvattende rechterlijke opportuniteitstoets.

Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/10
Pagina: 
564
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

1. Beroepen vonnis

Bij vonnis van 7 maart 2013 ( ... ) verklaart de tweede kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde de vordering van moeder A.A. tot vaststelling van het vaderschap van D.G. ten aanzien van T.A. ontvankelijk en gegrond.

De rechtbank stelt zodoende vast dat D.G. de vader is van kind T.A. (geboren te L. op 16 juli 2011) en beveelt de bekendmaking van de rechterlijke beslissing overeenkomstig artikel 333 BW.

De rechtbank verklaart verder de vordering van moeder A.A. tot het bekomen van een onderhoudsbijdrage in de zin van artikel 203 BW ontvankelijk. Moeder vordert meer precies een te indexeren onderhoudsbijdrage van 150,00 euro per maand, meer de helft van de bedoelde buitengewone kosten, een en ander met ontvangstmachtiging. Alvorens dienaangaande ten gronde te oordelen, heropent de rechtbank het debat teneinde de partijen toe te laten nader conclusie te nemen en de nodige stukken bij te brengen.

II. Hoger beroep

( ... )

2. Met zijn (beperkt) hoger beroep beoogt D.G. de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van moeder A.A., daar waar de eerste rechter (1) de vordering van moeder A.A. tot vaststelling van het vaderschap van D.G. ten aanzien van kind T.A. ontvankelijk en gegrond verklaart, (2) zodoende vaststelt dat D.G. de vader is van kind T.A. en (3) de vordering van moeder A.A. tot het bekomen van een onderhoudsbijdrage in de zin van artikel 203 BW ontvankelijk verklaart. Kind T.A. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis. Moeder A.A. (die ook in persoon is verschenen) heeft mondeling aangegeven zich aan te sluiten bij het standpunt van kind T.A. met het oog op afwijzing van het hoger beroep en zodoende bevestiging van het beroepen vonnis.

( ... )

III. Beoordeling

1. Het (beperkte) hoger beroep is tijdig en regelmatig ingesteld.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

2. Ten gronde is het hof van oordeel dat:

* gelet op het in de lijn van het tussenvonnis van 24 november 2011 gedane bloedonderzoek/DNA-onderzoek, de (biologische) vaderlijke afstamming van D.G. ten aanzien van kind T.A. vaststaat;

* de vordering van moeder A.A. tot vaststelling van dit vaderschap met toepassing van de artikelen 322 en 324 BW ontvankelijk en gegrond is;

* aangezien deze vordering (11/14 oktober 2011) aanhangig is gemaakt vóór kind T.A. (16 juli 2011) één jaar oud was, de vordering met toepassing van artikel 332quinquies, § 2, eerste lid BW niet zou kunnen worden afgewezen omwille van kennelijke strijdigheid met zijn belang (vgl. GH 3 mei 2012, T.Fam. 2013, 90, noot F. Swennen);

* de bedoelde vaststelling van het vaderschap van D.G. hoe dan ook niet strijdig is met het belang van kind T.A., wat overigens een alomvattende rechterlijke opportuniteitstoets onderstelt (GH 7 maart 2013, T. Fam. 2013, 232, noot F. Swennen; G. Verschelden, "Kroniek personen- en familierecht 2013-14", in G. Verschelden (ed.), Rechtskroniek voor het notariaat, Brugge, die Keure, 2014, 61-64, nrs. 7-10);

* de negatieve houding van D.G., die kind T.A. niet als zijn kind wil aanzien en zijn verhouding hooguit beperkt wil zien tot een materiële verhouding, niet maakt dat de vaststelling van het vaderschap van D.G. strijdig is met het belang van kind T.A.;

* de aanvoering van D.G. dat hij geen vaderrol wil opnemen als dusdanig niet strijdig is met het belang van kind T.A.;

* niets eraan in de weg staat om tegelijk met een vordering tot vaststelling van het vaderschap een onderhoudsbijdrage in de zin van artikel 203 BW te vorderen voor het geval dat het eerste punt van de vordering slaagt;

* het tweede punt van de vordering afhankelijk is van de inwilliging van het eerste punt van de vordering en zodoende een voorwaardelijk karakter vertoont, wat geenszins botst met de artikelen 17-18 Ger.W. en meer precies het vereiste van een reeds verkregen en dadelijk belang.

Het hof beaamt en bekrachtigt de redengeving van de eerste rechter (die de zaak wat betreft het tweede punt van de vordering niet in staat van wijzen acht), met dien verstande dat het hof het belang van kind T.A. niet enkel marginaal toetst maar ten volle (G. Verschelden, "Kroniek personen- en familierecht 2013-14", in G. Verscheiden (ed.), Rechtskroniek voor het notariaat, Brugge, die Keure, 2014, 63-64, nr. 10). In die optiek maakt het hof de redengeving van de eerste rechter tot de zijne, voor zover als nodig, met het oog op verdere weerlegging van de grieven in het verzoekschrift tot hoger beroep. Deze grieven matchen met wat D.G. voor de eerste rechter aanvoerde.

3. D.G. stelt (blijkens het corpus van zijn verzoekschrift tot hoger beroep) voor om de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schendt artikel 332quinquies, § 2, eerste lid BW de artikelen 10-11 GW in de mate dat de verzetdoende vader van het kind dat nog niet de volle leeftijd van één jaar heeft bereikt op het ogenblik van het instellen van de vordering geen verzet kan doen wegens strijdigheid met het belang van het kind, terwijl de verzetdoende vader van het kind dat wel de volle leeftijd van één jaar heeft bereikt op het ogenblik van het instellen van de vordering wel verzet kan doen wegens strijdigheid met het belang van het kind?".

Mede gelet op eerdere uitspraken van het Grondwettelijk Hof aangaande de bedoelde schending (zie o.m. GH 3 mei 2012, T.Fam. 2013, 90, noot F. Swennen), is het hof overgegaan tot voormelde opportuniteitstoets, derwijze dat zich geen prejudiciële vraagstelling opdringt (J. Vanpraet en C. Forniville, "Prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof: rol van de rechter en de partijen in het bodemgeschil", in J. Ghysels en B. Vanlerberghe (eds.), Prejudiciële vragen - De techniek in kaart gebracht, Antwerpen, Intersentia, 2013, 121-125, nrs. 71-79).

4. Het hoger beroep kan niet slagen.

Het beroepen vonnis verdient (mits voormelde nuance aangaande de toets van het belang van kind T.A.) integrale bevestiging.

( ... )
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 28/05/2018 - 21:37
Laatst aangepast op: wo, 06/06/2018 - 22:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.