-A +A

Verbeurdverklaring rechten van derden - Begrip derden andere dan de daders

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 13/12/2016
A.R.: 
P.15.1646.N

Artikel 505, derde lid, Strafwetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan door de wet van 10 mei 2007, vereist niet dat de verbeurd te verklaren goederen, voorwerp van het misdrijf witwassen, tot het vermogen van de veroordeelde behoren, maar laat enkel toe dat derden krachtens hun rechtmatig bezit aanspraken op die goederen doen gelden; onder derden zijn hier te verstaan, alle personen die niet werden veroordeeld voor het witwasmisdrijf of een eraan ten grondslag liggend misdrijf (1). (1) Zie: Cass. 14 januari 2004, AR P.03.1185.F, AC 2004, nr. 20 met concl. advocaat-generaal Loop; Cass. 4 maart 2014, AR P.13.1852.N, AC 2014, nr. 170; Cass. 15 december 2015, AR P.15.1142.N, AC 2015, nr. 753.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.15.1646.N
REDWOOD nv, met zetel te 8750 Wingene, Beernemstraat 93,
persoon die aanspraak maakt op verbeurdverklaarde zaken,
eiseres,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 november 2015.

II. PROCEDUREVOORGAANDEN

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt:
- de eiseres en D D werden vervolgd wegens bepaalde witwasmisdrijven met als voorwerp vier onroerende goederen die volgens de eiseres haar eigendom zijn;
- de correctionele rechtbank te Brugge heeft bij vonnis van 8 juli 2011 de eiseres en D D schuldig verklaard aan deze witwasmisdrijven en de onroerende goederen die het voorwerp ervan uitmaakten, verbeurdverklaard ten laste van de eiseres. Tegen die beslissing hebben de eiseres, D D en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld;
- het hof van beroep te Gent heeft bij arrest van 24 juni 2015 de strafvordering ten aanzien van de eiseres vervallen verklaard door verjaring en het beroepen vonnis vernietigd in zoverre dat de eiseres schuldig had verklaard aan de haar ten laste gelegde feiten en haar tot straf, bijdrage en kosten had veroordeeld;
- dat arrest heeft die onroerende goederen dan verbeurdverklaard ten laste van D D en het beroepen vonnis eveneens vernietigd in zoverre het had nagelaten dat te doen;
- het cassatieberoep van de eiseres tegen dat arrest werd verworpen bij arrest van het Hof van 15 december 2015 in de zaak P.15.1142.N.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 505, derde lid, Strafwetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij wet van 10 mei 2007, artikel 505, vijfde lid, Strafwetboek, zoals thans van toepassing, en de artikelen 187 en 208 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat het arrest van 24 juni 2015 ten aanzien van de eiseres op tegenspraak is gewezen, zodat zij geen verzet kan doen tegen de beslissing in dat arrest waarbij de goederen waarop zij aanspraak maakt, werden verbeurdverklaard ten laste van D D; een beklaagde kan in de procedure voor de vonnisrechter aanspraken laten gelden op goederen die lastens een medebeklaagde kunnen worden verbeurdverklaard, zonder daartoe verplicht te zijn; enkel indien de beklaagde dergelijke aanspraken laat gelden, is de beslissing van die rechter op tegenspraak gewezen ten aanzien van die aanspraakmakende partij; het arrest stelt niet vast dat de eiseres deze aanspraken heeft doen gelden in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 24 juni 2015 en verklaart bijgevolg het verzet van de eiseres ten onrechte niet ontvankelijk.

2. Krachtens artikel 505, derde lid, Strafwetboek, zoals hier toepasselijk, wordt het voorwerp van het misdrijf witwassen verbeurdverklaard, zelfs als het geen eigendom van de veroordeelde is, zonder dat die verbeurdverklaring nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de verbeurdverklaring, schaadt.

Die bepaling vereist niet dat de aldus verbeurd te verklaren goederen tot het vermogen van de veroordeelde behoren, maar laat enkel toe dat derden krachtens hun rechtmatig bezit aanspraken op die goederen doen gelden. Onder derden zijn hier te verstaan, alle personen die niet werden veroordeeld voor het witwasmisdrijf of een eraan ten grondslag liggend misdrijf.

3. Om zijn aanspraken te doen gelden op goederen die in aanmerking komen voor verbeurdverklaring en de rechtmatigheid van zijn bezit op die goederen aan te tonen, kan een derde tussenkomen in elke stand van de procedure en kan hij, ongeacht of hij reeds procespartij is, rechtsmiddelen aanwenden tegen de beslissing die een goed verbeurdverklaart waarop hij aanspraken doet gelden. Is een derde reeds in een andere hoedanigheid procespartij in de procedure waarin dat goed dreigt te worden verbeurdverklaard, dan volstaat het dat hij de rechter kennis geeft van het feit dat hij aanspraken op dat goed doet gelden. Uit de hoedanigheid of bijkomende hoedanigheid die de derde ingevolge die tussenkomst, dat rechtsmiddel of die kennisgeving verkrijgt, volgt de verplichting voor de vonnisrechter om de aanspraken van die derde in feite en in rechte te onderzoeken en voor het Hof om de wettigheid van de verbeurdverklaring na te gaan.

Daarentegen dient de rechter niet ambtshalve de mogelijke aanspraken te onderzoeken van derden die niet voor hem verschijnen in een hier bedoelde hoedanigheid, ook al gaat het om personen die reeds in een andere hoedanigheid in de procedure aanwezig zijn.

4. Hieruit volgt dat de mogelijkheid voor een als beklaagde aanwezige procespartij om verzet te doen tegen een beslissing die lastens een andere beklaagde goederen verbeurdverklaart, enkel afhangt van de vraag of die procespartij in loop van de procedure aanspraken op deze goederen heeft doen gelden. Wanneer dat niet het geval is, dan is de vermelde beslissing ten aanzien van die procespartij bij verstek gewezen. Het feit dat zij zich in de procedure effectief heeft verdedigd als beklaagde en dat het vonnis of arrest tegenover haar in die hoedanigheid op tegenspraak is uitgesproken, doet daaraan geen afbreuk.

5. Het arrest oordeelt dat het verzet van de eiseres tegen het arrest van 24 juni 2015 niet ontvankelijk is omdat:
- uit artikel 5ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering volgt dat met het begrip derde de persoon wordt bedoeld die geen procespartij was in het geding over de grond van de zaak en die op de hoogte moest worden gebracht van de rechtsdag voor het gerecht dat zal vonnissen over de grond van de zaak;
- de eiseres zich in eerste aanleg als beklaagde en in hoger beroep als "derde beklaagde" ten gronde heeft verdedigd over alle aspecten en dus ook over de gevorderde verbeurdverklaring;
- in die omstandigheden de eiseres in de procedure ten gronde in de beide aanleggen een procespartij en geen derde was;
- daaraan geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat in hoger beroep elke veroordeling ten laste van de eiseres is komen te vervallen ingevolge de verjaring en evenmin door het feit dat de door haar opgeworpen argumenten over de gevorderde verbeurdverklaring niet verder werden beoordeeld;
- ook een procespartij die als beklaagde in hetzelfde geding wegens andere misdrijven is vervolgd en tegen wie de verbeurdverklaring niet werd uitgesproken, de mogelijkheid moet hebben alle rechtsmiddelen aan te wenden om de verbeurdverklaring aan te vechten omdat hier aan een procespartij dezelfde bescherming moet worden geboden als aan een derde en omdat anders een procespartij op geen enkele wijze kan opkomen tegen een vonnis of arrest dat de verbeurdverklaring van zijn eigendommen uitspreekt;
- het arrest van 24 juni 2015 in hoofde van de eiseres op tegenspraak is gewezen, zodat zij het rechtsmiddel van het verzet niet kan aanwenden;
- wanneer, zoals in casu, de verbeurdverklaring op tegenspraak en in laatste aanleg in het nadeel van de eiseres als procespartij werd uitgesproken, zij tegen het voormelde arrest enkel cassatieberoep kan instellen, wat zij ook gedaan heeft.

Het arrest dat aldus niet vaststelt dat de eiseres tijdens de procedure die aan het arrest van 24 juni 2015 is voorafgegaan, aanspraken heeft doen gelden op de onroerende goederen die dat arrest ten laste van D D heeft verbeurdverklaard, maar de niet-ontvankelijkheid van haar verzet afleidt uit het feit dat zij zich heeft verdedigd over de te haren laste gevorderde verbeurdverklaring en dat het arrest van 24 juni 2015 tegenover haar op tegenspraak is gewezen in haar hoedanigheid van beklaagde, verantwoordt de beslissing niet naar recht.

Het middel is in zoverre gegrond.

Overige grieven

6. De grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Houdt de beslissing over de kosten aan en laat ze over aan de verwijzingsrechter.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 13 december 2016 uitgesproken 

P.15.1646.N
Conclusie van advocaat-generaal Timperman:

Derden kunnen krachtens hun rechtmatig bezit aanspraken doen gelden op goederen die als voorwerp van het misdrijf witwassen dreigen te worden verbeurdverklaard of verbeurdverklaard werden. Om zijn aanspraken op die goederen te doen gelden en de rechtmatigheid van zijn bezit op die goederen aan te tonen, kan de derde tussenkomen in elke stand van de procedure en kan hij rechtsmiddelen aanwenden tegen de beslissing die een goed verbeurdverklaart.

Onderhavige zaak betreft de vraag of een als beklaagde aanwezige procespartij verzet kan doen tegen een beslissing die lastens een andere beklaagde goederen verbeurdverklaart om alsdan zijn aanspraken op die goederen te laten gelden.

1. De eiseres werd, samen met een aantal medebeklaagden waaronder de verweerder, vervolgd wegens het witwassen van een aantal vermogensvoordelen verkregen uit misdrijf en wegens leiderschap van een criminele organisatie.

In eerste aanleg verklaarde de correctionele rechtbank te Brugge bij vonnis van 8 juli 2011 alle feiten bewezen(1) t.a.v. de eiseres. Verbeurdverklaringen werden opgelegd, overeenkomstig artikel 42, 1° en 505, derde lid, Strafwetboek. Het betrof, in hoofde van de eiseres, een aantal onroerende goederen. De verbeurdverklaring van één van die goederen werd een tweede maal uitgesproken lastens de verweerder.

Op het tegen dit vonnis door de eiseres ingestelde hoger beroep, gevolgd door het openbaar ministerie, stelde het hof van beroep te Gent in het arrest van 24 juni 2015 de verjaring van de strafvordering vast in hoofde van de eiseres, en dit voor alle feiten. De appelrechters ‘vernietigden' het beroepen vonnis waar dat lastens de eiseres de verbeurdverklaring uitsprak van de onroerende goederen, als voorwerp van de haar ten laste gelegde witwasmisdrijven. Tezelfdertijd evenwel verklaarde het arrest deze onroerende goederen verbeurd lastens de verweerder, als voorwerp van de hem eveneens ten laste gelegde witwasmisdrijven.

De eiseres tekende niet alleen verzet aan tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 24 juni 2015, in haar hoedanigheid van eigenares van de kwestieuze onroerende goederen, maar voorzag zich nadien ook in cassatie als persoon die aanspraak maakt op verbeurdverklaarde zaken.

- In het arrest van 15 december 2015(2) verwierp het Hof het door de eiseres en de verweerder ingestelde cassatieberoep tegen het arrest van 24 juni 2015. Het Hof oordeelde dat de voorziening van eiseres onontvankelijk was in zoverre het cassatieberoep gericht was tegen de beslissing van vervallenverklaring van de strafvordering wegens verjaring maar niet in zoverre gericht tegen de verbeurdverklaring van kwestieuze onroerende goederen ten laste van verweerder. Het door eiser tegen deze laatste beslissing ontwikkelde middel en het cassatieberoep werden evenwel verworpen.
Het Hof oordeelde (onder andere) dat ‘(...) wanneer een derde reeds in een andere hoedanigheid procespartij is in de procedure waarin het (...) bedoelde goed dreigt te worden verbeurdverklaard, dan volstaat het dat hij de rechter kennis geeft van het feit dat hij aanspraken op dat goed doet gelden. Uit de hoedanigheid of bijkomende hoedanigheid die de derde ingevolge die tussenkomst, dat rechtsmiddel of die kennisgeving verkrijgt, volgt de verplichting voor de vonnisrechter om de aanspraken van die derde in feite en in rechte te onderzoeken en voor het Hof om de wettigheid van de verbeurdverklaring na te gaan.' en dat ‘(...) wanneer geen enkele partij optreedt in een hoedanigheid waarbij hij aanspraak maakt op voor verbeurdverklaring in aanmerking komende goederen, verplicht geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling de rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan een witwasmisdrijf, ambtshalve na te gaan of de goede trouw van een derde zich verzet tegen de verbeurdverklaring van goederen die het voorwerp van dat misdrijf uitmaken.' Tenslotte oordeelde het Hof dat ‘Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan evenwel niet blijkt dat de eiseres voor de appelrechters aanspraken heeft doen gelden op goederen die lastens de eiser I konden worden verbeurdverklaard als voorwerp van de hem verweten witwasmisdrijven.'

- Bij het thans bestreden arrest van 18 november 2015 wees het hof van beroep te Gent eisers verzet af als onontvankelijk op grond dat eiseres ‘in de procedure ten gronde een procespartij was en geen derde' en dat ‘het voormelde arrest(3) in hoofde van (eiseres) op tegenspraak is gewezen'.

2. De derde die beweert eigenaar te zijn van of minstens zakelijke aanspraken kan doen gelden op een verbeurd te verklaren of verbeurdverklaarde zaak, beschikt over verschillende actiemogelijkheden: ofwel komt hij tussen in een hangend geding (2.1), ofwel wendt hij een rechtsmiddel aan tegen een uitgesproken verbeurdverklaring (2.2).

2.1 Tussenkomst veronderstelt dat de derde op de hoogte is van een hangend geding. Artikel 5ter V.T.Sv., ingevoerd door de wet van 19 december 2002 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken en gewijzigd door de wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers, bepaalt dat elke belanghebbende derde, ten aanzien van wie de rechtspleging aanwijzingen verschaft dat hij rechtmatige rechten kan doen gelden op zaken die voor de verbeurdverklaring in aanmerking komen, op de hoogte wordt gebracht van de rechtsdag voor het gerecht dat zal vonnissen over de grond van de zaak.

De verplichte kennisgeving heeft betrekking op elke belanghebbende derde die volgens de door de rechtspleging verschafte aanwijzingen krachtens zijn rechtmatig bezit rechten kan doen gelden op de betrokken goederen(4).

Artikel 5ter V.T.Sv. biedt aan de opgeroepen derde de mogelijkheid vrijwillig in de procedure tussen te komen(5). De belanghebbende derde die overeenkomstig deze bepaling wordt opgeroepen, heeft uiteraard niet de plicht om in de procedure tussen te komen.

Een derde kan tussenkomen in het strafproces, wanneer de strafrechter, bij wie de zaak aanhangig, is, tezelfdertijd met de beslissing over de straf ten aanzien van de beklaagde, een veroordeling, een sanctie of een andere maatregel ten laste kan een derde kan uitspreken(6). Algemeen wordt aanvaard dat de derde vrijwillig tussen kan komen in de strafprocedure waarin de verbeurdverklaring kan worden uitgesproken van een zaak die zijn (beweerde) eigendom is of waarop hij minstens bepaalde zakelijke aanspraken kan doen gelden(7).

De procedure van het Koninklijk Besluit van 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak, die slechts kan worden aangewend wanneer de beslissing tot verbeurdverklaring in kracht van gewijsde is getreden, belet niet dat de rechter zich bevoegd mag verklaren om kennis te nemen van de vordering tot vrijwillige tussenkomst van de derde die beweert recht te hebben op de zaak(8).

Door zijn tussenkomst wordt de derde partij in het strafproces zonder daarom de hoedanigheid van burgerlijke partij te verkrijgen. De rechter heeft geen rechtsmacht om het betrokken goed een bepaalde bestemming te geven, hij kan hoogstens beslissen om het goed niet verbeurd te verklaren(9), tenzij de toepassingsvoorwaarden van de teruggave in de zin van artikel 44 Strafwetboek verenigd zijn.

2.2 Daarnaast kan de derde rechtsmiddelen aanwenden tegen het vonnis of arrest dat de verbeurdverklaring uitspreekt, aangezien hij van rechtswege partij is in het geding, ook al is hij daarin niet verschenen noch opgeroepen of tussengekomen(10).

Concreet betekent dit dat de derde hoger beroep kan aantekenen(11), verzet kan aantekenen(12) en zich kan voorzien in cassatie wanneer de verbeurdverklaring lastens hem in laatste aanleg werd uitgesproken(13).

Wat is de positie te dezen van de derde die reeds in een andere hoedanigheid, met name als medebeklaagde die wegens deels andere misdrijven wordt vervolgd, procespartij is in de procedure waarin het goed dreigt te worden verbeurdverklaard?

3.1 VANDERHAUWAERT stipt terecht aan dat een persoon die als medebeklaagde wordt vervolgd, zich niet op de mogelijkheid tot tussenkomst moet beroepen, nu hij als medebeklaagde reeds betrokken is in de strafprocedure. Voor hem is de toepassing van artikel 5ter V.T.Sv. overbodig(14).

3.2 Wat met zijn mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden?

In een arrest van 17 mei 2011 besliste uw Hof dat ‘uit deze bepaling [artikel 505, derde lid, Strafwetboek] volgt dat indien de rechter een verbeurdverklaring uitspreekt die een derde kan benadelen, die derde tot het geding moet worden toegelaten of erin kan worden geroepen. Wanneer die derde een medebeklaagde is die in hetzelfde geding wegens andere misdrijven is vervolgd en tegen wie de verbeurdverklaring niet is uitgesproken, heeft ook hij het vereiste belang om die maatregel aan te vechten. Zijn recht op toegang tot de rechter en zijn recht van verdediging vereisen dat hij tegen die beslissing van verbeurdverklaring hoger beroep kan instellen teneinde die maatregel te betwiste'(15).

Deze beslissing werd positief onthaald in de doctrine. Zo stelde VANDERHAUWAERT dat "wanneer aangenomen [wordt] dat een derde de mogelijkheid heeft rechtsmiddelen aan te wenden tegen een vonnis of arrest dat de verbeurdverklaring in zijn nadeel uitspreekt, een procespartij ook deze mogelijkheid [a fortiori moet] hebben. Er anders over oordelen zou betekenen dat enerzijds aan een derde in het kader van de verbeurdverklaring een ruimere bescherming wordt toegekend dan aan een procespartij en anderzijds dat een procespartij op geen enkele wijze kan opkomen tegen een vonnis of arrest dat de verbeurdverklaring van zijn eigendommen uitspreekt, nu de andere procedures enkel openstaan voor derden"(16).

Uw Hof besliste in dezelfde zin in het hoger reeds vermelde arrest van 15 december 2015(17), en oordeelde dat het voor een derde die reeds in een andere hoedanigheid procespartij is in de procedure waarin het goed dreigt te worden verbeurdverklaard, volstaat dat hij de rechter kennis geeft van het feit dat hij aanspraken op dat goed doet gelden.

Kan de derde/medebeklaagde in voorkomend geval eveneens verzet instellen teneinde die maatregel te betwisten?

Opdat verzet kan worden ingesteld tegen een beslissing, is vereist dat deze beslissing effectief bij verstek is gewezen ten aanzien van de partij die verzet aantekent. Een beslissing is bij verstek gewezen wanneer die partij door zijn afwezigheid niet in de mogelijkheid is geweest om alle tegenargumenten te weerleggen die tegen zijn standpunt zijn ingebracht(18). Het criterium ‘deelname aan de debatten' houdt aldus in dat de regelmatig gedagvaarde partij de kans krijgt om haar argumenten naar voor te brengen, en te reageren op de pleidooien van de andere partijen. Voor de beklaagde komt het erop aan dat hij alle bezwaren kan weerleggen die tegen hem worden ingebracht(19). Algemeen wordt aanvaard dat de loutere passiviteit van een procespartij, die wel aanwezig is op het proces, niet met verstek kan worden gelijkgesteld(20). Beklaagden die gebruik maken van hun zwijgrecht, laten geen verstek(21).

Tegen de mogelijkheid dat een derde/medebeklaagde verzet instelt tegen de verbeurdverklaring zou kunnen aangevoerd worden dat van de derde, die reeds in een andere hoedanigheid procespartij is in de procedure waarin zijn goed dreigt te worden verbeurdverklaard, niet kan worden beweerd dat hij niet de kans had om in de loop van die procedure zijn argumenten met betrekking tot zijn vermeend recht op het goed in kwestie naar voor te brengen. Daardoor zou de verbeurdverklaring ten aanzien van hem dan ook niet bij verstek gewezen zijn.

Dit laatste standpunt lijkt mij evenwel het fundamentele onderscheid te negeren dat moet worden gemaakt tussen een medebeklaagde die zich als beklaagde effectief heeft verdedigd in de procedure en een medebeklaagde die als derde aanspraken op het goed heeft doen gelden. Wanneer een medebeklaagde zich in de procedure effectief heeft verdedigd als beklaagde, spreekt het voor zich dat die rechterlijke beslissing tegenover hem in die hoedanigheid op tegenspraak is. Dit neemt niet weg dat wanneer dezelfde beklaagde in de loop van de procedure géén aanspraken op deze goederen heeft doen gelden, de beslissing die lastens een andere beklaagde goederen verbeurdverklaart, bij verstek gewezen is tegenover eerstgenoemde in zijn hoedanigheid van ‘aanspraakgerechtigde'.

Ten slotte zou de onmogelijkheid voor een medebeklaagde/derde om verzet aan te tekenen tegen de verbeurdverklaring, een onderscheid doen ontstaan ten aanzien van een derde die géén medebeklaagde is in dezelfde procedure. Zoals hierboven aangestipt (supra, nr. 2.1) verplicht een eventuele verwittiging in de zin van artikel 5ter V.T.Sv. laatstgenoemde niet om effectief tussen te komen in de hangende procedure. Zijn keuze om niet tussen te komen ontneemt hem evenwel niet de mogelijkheid om nadien, als occulte verstek doende partij, verzet aan te tekenen tegen de verbeurdverklaring. In dezelfde zin kan van een derde die reeds als medebeklaagde in de procedure aanwezig is, niet geëist worden dat hij tijdens die procedure reeds zijn aanspraken doet gelden.

Het bestreden arrest oordeelt dat het verzet van de eiseres tegen het arrest van 24 juni 2015 niet ontvankelijk is op grond van de vaststelling dat eisers een procespartij is en geen derde, en dat de eiseres in haar hoedanigheid van beklaagde zich over alle aspecten ten gronde, en dus ook over de gevorderde verbeurdverklaring, heeft verdedigd zodat het arrest op tegenspraak is gewezen.

Dit impliceert evenwel niet dat de eiseres (als derde) aanspraken heeft doen gelden op de onroerende goederen die het arrest van 24 juni 2015 ten laste van de verweerder heeft verbeurdverklaard. In het arrest van 15 december 2015 oordeelde uw Hof trouwens precies dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat de eiseres voor de appelrechters aanspraken heeft doen gelden op de goederen die lastens de verweerder konden worden verbeurdverklaard als voorwerp van de hem verweten witwasmisdrijven.

Door te beslissen tot de niet-ontvankelijkheid van het verzet zonder vast te stellen dat de eiseres tijdens de procedure die voorafging aan het arrest van 24 juni 2015 als derde aanspraken heeft doen gelden op de onroerende goederen die dat arrest ten laste van de verweerder heeft verbeurdverklaard, verantwoorden de appelrechters hun beslissing bijgevolg niet naar recht. In die zin zijn de middelen gegrond.

Conclusie: vernietiging met verwijzing.
________________
(1) Na herkwalificatie van leiderschap van een criminele organisatie naar deelneming aan de activiteiten van een criminele organisatie.
(2) Cass. 15 december 2015, AR P.15.1142.N, AC 2015, nr. 753.
(3) Arrest van 24 juni 2015 van het hof van beroep te Gent.
(4) G. STESSENS, "De verbeurdverklaring", in Strafrecht en strafprocesrecht. XXXIIe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva 2005-2006, p. 373, nr. 36.
(5) Zie hierover K. BEIRNAERT, "Art. 5ter V.T.Sv.", in Wet en duiding. Strafprocesrecht, Brussel, Larcier, 2013, 28-29.
(6) Cass. 24 maart 1947, Pas. 1947, I, 123, concl. R. HAYOIT DE TERMICOURT; Cass. 12 mei 1947, Pas. 1947, I, 198.
(7) Cass. 24 maart 1947, Pas. 1947, I, 123, concl. R. HAYOIT DE TERMICOURT; Cass. 31 juli 1995, JLMB 1996, 578, noot O. KLEES en P. MONVILLE; B. DEJEMEPPE, "La confiscation", in Beslag en verbeurdverklaring van criminele voordelen, Antwerpen, Maklu, 2004, p. 132; E. FRANCIS, "De verbeurdverklaring van andermans goed: forum shopping?, T.Strafr. 2007, p. 128, nr. 4.1; K. VANDERHAUWAERT, "De bescherming van derden bij de verbeurdverklaring", T.Strafr. 2013, p. 371, nr. 7; P. VAN CAENEGEM, "De tussenkomst van derden voor de strafrechter ter vrijwaring van hun rechten op een voor verbeurdverklaring vatbare zaak", R.Cass. 1996, 139; J. ROZIE, Voordeelsontneming, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 313, nr. 242; C. DESMET, "Derdenbescherming bij strafrechtelijke inbeslagname en verbeurdverklaring", T.Strafr. 2008, p. 263, nr. 33; G. STESSENS, "De verbeurdverklaring", in Strafrecht en strafprocesrecht. XXXIIe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva 2005-2006, p. 372.
(8) Cass. 31 juli 1995, AR P.95.0807.F, AC 1995, nr. 352, RW 1995-96, 1370, noot A. DE NAUW, R.Cass. 1996, 138, noot P. VAN VAENEGEM; J. ROZIE, Voordeelsontneming, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 315, nr. 243.
(9) Zie: K. VANDERHAUWAERT, "De bescherming van derden bij de verbeurdverklaring", T.Strafr. 2013, p. 371, nr. 7; J. ROZIE, Voordeelsontneming, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 315, nr. 243.
(10) Cass. 12 mei 1947, Pas. 1947, I, 198, AC 1947, 155; RDP 1946-47, 963; Cass. 13 oktober 1947, Pas. 1947, I, 408, AC 1947, 317; B. DEJEMEPPE, "La confiscation", in Beslag en verbeurdverklaring van criminele voordelen, Antwerpen, Maklu, 2004, p. 132; E. FRANCIS, "De verbeurdverklaring van andermans goed: forum shopping?, T.Strafr. 2007, p. 128, nr. 4.2; K. VANDERHAUWAERT, "De bescherming van derden bij de verbeurdverklaring", T.Strafr. 2013, p. 372, nr. 8; A. VANDEPLAS, "De verbeurdverklaring van zaken die aan derden toebehoren", RW 1995-96, 161; J. ROZIE, Voordeelsontneming, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 316, nr. 244; C. DESMET, "Derdenbescherming bij strafrechtelijke inbeslagname en verbeurdverklaring", T.Strafr. 2008, p. 264, nr. 35.
(11) Cass. 12 mei 1947, Pas. 1947, I, 198; Antwerpen 29 november 1996, AJT 1996-97, 388, noot L. ARNOU; K. VANDERHAUWAERT, "De bescherming van derden bij de verbeurdverklaring", T.Strafr. 2013, p. 372, nr. 8; J. ROZIE, Voordeelsontneming, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 316, nr. 244.
(12) J. ROZIE, Voordeelsontneming, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 316, nr. 244. Het gaat niet om derdenverzet, aangezien de verbeurdverklaring een straf is. Er kan daardoor geen derdenverzet worden aangetekend, ongeacht of die straf burgerrechtelijke consequenties heeft (Cass. 25 april 2001, AR P.01.0167.F, AC 2001, nr. 232; E. FRANCIS, "De verbeurdverklaring van andermans goed: forum shopping?, T.Strafr. 2007, p. 128, nr. 4.2).
(13) Cass. 13 oktober 1947, Pas. 1947, I, 408; J. ROZIE, Voordeelsontneming, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 317, nr. 244.
(14) K. VANDERHAUWAERT, "De bescherming van derden bij de verbeurdverklaring", T.Strafr. 2013, p. 371, nr. 7.
(15) Cass. 17 mei 2011, AR P.11.0339.N, AC 2011, nr. 323
(16) K. VANDERHAUWAERT, "De bescherming van derden bij de verbeurdverklaring", T.Strafr. 2013, p. 372, nr. 8.
(17) Cass. 15 december 2015, AR P.15.1142.N, AC 2015, nr. 753.
(18) R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 1408; M. FRANCHIMONT e.a., Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, 994-995; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, 1075-1076.
(19) B. DE SMET, Verstek en verzet in strafzaken, CABG, Gent, Larcier, 2014, 26.
(20) B. DE SMET, Verstek en verzet in strafzaken, CABG, Gent, Larcier, 2014, 26; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, 1076.
(21) B. DE SMET, Verstek en verzet in strafzaken, CABG, Gent, Larcier, 2014, 26.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 12/01/2018 - 13:47
Laatst aangepast op: vr, 12/01/2018 - 13:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.