-A +A

Verbod op invoer, uitvoer en houden van Europese inheemse vogels die in gevangenschap zijn geboren en gekweekt

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 25/10/2016
A.R.: 
P.15.0593.N

De van het toepassingsgebied van het KB Vogelbescherming uitgesloten in-, uit- en doorvoer van vogels of krengen die behoren tot uitheemse soorten, strekt zich niet uit tot het in bezit hebben of onder zich houden na invoer van vogels of krengen die behoren tot uitheemse soorten.

Bij arrest 139/2003 van 29 oktober 2003 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de gewestelijke wetgever die de natuurbescherming en het natuurbehoud onder zijn bevoegdheid heeft, met uitsluiting van iedere andere wetgever ertoe gemachtigd is maatregelen te nemen tot bescherming van de vogelsoorten en verder dat de federale wetgever bevoegd is voor de in-, uit- en doorvoer van uitheemse diersoorten en hun krengen en dat deze uitzondering op de algemene gewestelijke bevoegdheid niet ruim kan worden geïnterpreteerd waaruit het Grondwettelijk Hof besloot dat de gewestelijke overheid weliswaar niet bevoegd is om maatregelen te nemen die betrekking hebben op de in-, uit- en doorvoer van uitheemse vogelsoorten en hun krengen, maar wel om andere beschermingsmaatregelen te treffen ten aanzien van ingevoerde uitheemse vogelsoorten die zich op het grondgebied van dat Gewest bevinden; hieruit volgt dat het Vlaams Gewest bevoegd is om het houden van uitheemse vogelsoorten te regelen.

Uit het arrest C-100/08 van 10 september 2009 van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat het verbod op invoer, uitvoer en houden van Europese inheemse vogels die in gevangenschap zijn geboren en gekweekt, zoals afgeleid uit de artikelen 1, 3°, en 7bis van het KB Vogelbescherming, tenzij deze conform artikel 7bis van voormeld koninklijk besluit zijn gemerkt, slechts een belemmering vormt op het intracommunautair handelsverkeer indien het vogels betreft die op rechtmatige wijze in de handel zijn gebracht in andere lidstaten of indien die vogels conform de in de andere Lid-staten geldende regels zijn gemerkt en vergezeld zijn van een certificaat afgegeven overeenkomstig de Europese regelgeving inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer.

Het eerlijke karakter van het proces kan in het gedrang komen wanneer de bewijsgaring in haar geheel is geschied in omstandigheden die doen twijfelen aan de betrouwbaarheid van het verkregen bewijs omdat er twijfel bestaat over de onpartijdigheid van de onderzoeker die het onderzoek gevoerd of medegevoerd heeft; de vrees voor een partijdige bewijsgaring moet evenwel objectief gerechtvaardigd zijn en daarvoor is niet vereist dat het bewijs geleverd wordt dat de onderzoeker effectief partijdig heeft gehandeld en geen onderzoek à décharge gevoerd heeft, maar de rechter moet wel vaststellen dat er objectieve redenen voorhanden zijn die bij de partijen de gewettigde vrees doen ontstaan dat dit het geval geweest is (1). (1) Cass. 11 juni 2013, AR P.13.0428.N, AC 2013, nr. 357.

 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.15.0593.N
D D,
beklaagde,
eiser,
tegen
1. VOC GERAARDSBERGEN-LIERDE, Opvangcentrum, met zetel te 9500 Geraardsbergen, Hoge Buizemont 211,
burgerlijke partij,
2. VOGEL- EN ZOOGDIERENOPVANGCENTRUM vzw, met zetel te 3550 Heusden-Zolder, Stabroekweg 32,
burgerlijke partij,
3. VOGELBESCHERMING VLAANDEREN vzw, met zetel te 9100 Sint-Niklaas, Walburgstraat 37,
burgerlijke partij,
verweersters.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 27 maart 2015.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Hij doet zonder berusting afstand van zijn cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen de beslissing waarbij met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster 3 het debat wordt heropend en de zaak daartoe naar een andere rechtszitting wordt verdaagd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest spreekt de eiser ten dele vrij van de ten laste gelegde feiten. Het verklaart de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweersters 1 en 2 ongegrond.
In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan be-lang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld: het arrest weigert te besluiten dat het vooronderzoek niet met de vereiste objectiviteit en loyauteit werd gevoerd, hoewel het vaststelt dat de initiële vaststellingen van 6 november 2007 waarop het gehele verdere onderzoek is gesteund werden gedaan door J. C. en P. V., personen die lid zijn van de verweerster  3, en de CITES-expert, D. V., die lid is van de Franstalige moedervereniging van die verweerster; de opstellers hadden dus een persoonlijk belang bij de uit-komst van het vooronderzoek en het strafproces; door deze weigering verplicht het arrest minstens dat de eiser geloofwaardig zou aanvoeren dat door dit lidmaat-schap het vooronderzoek op partijdige en deloyale wijze werd gevoerd; hun lid-maatschap alleen al laat toe te vrezen dat de eiser geen eerlijk proces zal genieten; dat de rechtspleging voor de eerste rechter en voor de appelrechters op tegenspre-kelijke en objectieve wijze is verlopen neemt dit gebrek niet weg; het vermoeden van onschuld dat inhoudt dat niet wordt vooruitgelopen op de beslissing van de rechter, moet beoordeeld worden over de gehele rechtspleging; indien gedurende het vooronderzoek het vermoeden van onschuld is miskend doordat de verbalisan-ten of de deskundige een persoonlijk belang hebben bij de uitkomst, dan dient te worden aangenomen dat elke verdere eerlijke procesvoering die steunt op de re-sultaten van het opsporingsonderzoek dat op tendentieuze wijze en met misken-ning van het vermoeden van onschuld is gevoerd, onmogelijk is.

3. Het eerlijke karakter van het proces kan in het gedrang komen wanneer de bewijsgaring in haar geheel is geschied in omstandigheden die doen twijfelen aan de betrouwbaarheid van het verkregen bewijs omdat er twijfel bestaat over de on-partijdigheid van de onderzoeker die het onderzoek gevoerd of medegevoerd heeft.

De vrees voor een partijdige bewijsgaring moet evenwel objectief gerecht-vaardigd zijn. Daarvoor is niet vereist dat het bewijs geleverd wordt dat de onder-zoeker effectief partijdig heeft gehandeld en geen onderzoek à décharge gevoerd heeft, maar de rechter moet wel vaststellen dat er objectieve redenen voorhanden zijn die bij de partijen de gewettigde vrees doen ontstaan dat dit het geval geweest is.

4. Het arrest (p. 26) oordeelt : "Er zijn geen onregelmatigheden aangetoond in het vooronderzoek. Dit brengt mede mee dat de door de [eiser] voorgehouden partijdigheid en gebrek aan objectiviteit in hoofde van J. C., P. V. en D. V. niet enigszins geloofwaardig is gemaakt. Dat sprake was van een ‘persoonlijke kruis-tocht' in hun hoofde is een loutere insinuatie van de [eiser], waarvan de gegevens van het dossier geen aanwijzingen bevatten. Het gebruik van het woord ‘tegen-partij' door J. C. in de procedure voor de eerste rechter is niet van aard het hof [van beroep] tot een ander besluit te kunnen brengen." Op grond van die redenen oordeelt het arrest dat er geen objectieve redenen zijn die bij de partijen een ge-wettigde vrees kunnen doen ontstaan dat het onderzoek partijdig is geweest of er geen onderzoek à décharge is geweest. Aldus is de beslissing naar recht verant-woord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1.5°, en 7bis van het ko-ninklijk besluit van 9 september 1981 betreffende de bescherming van vogels in het Vlaamse Gewest (hierna: KB Vogelbescherming): het arrest oordeelt dat het KB Vogelbescherming van toepassing is, hoewel dit koninklijk besluit niet van toepassing is op de in- uit- en doorvoer en bijgevolg op het in bezit hebben of on-der zich houden van vogels of krengen van uitheemse soorten, waartoe alle inbe-slaggenomen vogels, de slechtvalk uitgezonderd, behoren; de verwijzing naar het Soortenbesluit van 15 mei 2009 dat dagtekent van na de ten laste gelegde feiten, verantwoordt evenmin de beslissing.

6. Artikel 1.5°, KB Vogelbescherming, bepaalt: "Dit besluit is van toepassing op alle vogels behorende tot één van de op het Europese grondgebied van de lid-staten van de Europese Gemeenschappen in het wild voorkomende vogelsoorten. Daarin worden alle ondersoorten, rassen of variëteiten van deze vogelsoorten be-grepen, ongeacht hun geografische herkomst en ongeacht of de vogels levend, dood of opgezet zijn. Vallen echter niet onder de bepalingen van dit besluit : ...5° de in-, uit- en doorvoer van vogels of van hun krengen die behoren tot uitheemse soorten, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, III, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen."

7. De van het toepassingsgebied van het KB Vogelbescherming uitgesloten in-, uit- en doorvoer van vogels of krengen die behoren tot uitheemse soorten, strekt zich niet uit tot het in bezit hebben of onder zich houden na invoer van vogels of krengen die behoren tot uitheemse soorten.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

8. Het onderdeel dat opkomt tegen de verwijzing door het arrest naar het Soor-tenbesluit van 15 mei 2009, heeft betrekking op een overtollige reden.

In zoverre kan het onderdeel niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 159 Grondwet en artikel 6, § 1, III. 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instel-lingen (hierna Bijzondere Wet Hervorming Instellingen): het arrest kon de eiser niet veroordelen vermits de invoer van uitheemse vogelsoorten een bevoegdheid is van de federale wetgever; het houden, verkopen en overdragen van deze vogel-soorten kan een constitutief bestanddeel uitmaken van de invoer ervan zodat het Vlaams Gewest niet bevoegd was om het houden van uitheemse vogels te regelen en het KB Vogelbescherming betreffende de bescherming van vogels in het Vlaams Gewest buiten toepassing diende te worden gelaten.

10. Artikel 6, § 1, III. 2°, Bijzondere Wet Hervorming Instellingen bepaalt: "De aangelegenheden bedoeld in artikel 39 van de Grondwet zijn : ... III. Wat de land-inrichting en het natuurbehoud betreft : ... 2°, De natuurbescherming en het na-tuurbehoud, met uitzondering van de in-, uit- en doorvoer van uitheemse planten-soorten evenals van uitheemse diersoorten en hun krengen".

11. Bij arrest 139/2003 van 29 oktober 2003 heeft het Grondwettelijk Hof ge-oordeeld dat de gewestelijke wetgever die de natuurbescherming en het natuurbe-houd onder zijn bevoegdheid heeft, met uitsluiting van iedere andere wetgever er-toe gemachtigd is maatregelen te nemen tot bescherming van de vogelsoorten. Het oordeelde verder dat de federale wetgever bevoegd is voor de in-, uit- en doorvoer van uitheemse diersoorten en hun krengen en dat deze uitzondering op de algemene gewestelijke bevoegdheid niet ruim kan worden geïnterpreteerd. Het Grondwettelijk Hof besloot daaruit dat de gewestelijke overheid weliswaar niet bevoegd is om maatregelen te nemen die betrekking hebben op de in-, uit- en doorvoer van uitheemse vogelsoorten en hun krengen, maar wel om andere beschermingsmaatregelen te treffen ten aanzien van ingevoerde uitheemse vogelsoorten die zich op het grondgebied van dat Gewest bevinden. Hieruit volgt dat het Vlaams Gewest bevoegd is om het houden van uitheemse vogelsoorten te regelen.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht.

Derde middel

12. Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en artikel 2, tweede lid, Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de verplichting om een inventaris van levende vogels in tweevoud in te vullen en jaarlijks af te sluiten en om voor elke vogel een afzonderlijke steekkaart in te vullen (telastleggingen B en C) nog van toepassing is op het ogenblik van de berechting, hoewel het KB Vo-gelbescherming werd afgeschaft door het Soortenbesluit van 15 mei 2009.
13. Artikel 7.1 EVRM bepaalt: "Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of het nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was."

Artikel 15.1 IVBPR bepaalt: "Niemand kan worden veroordeeld wegens een han-delen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakt ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin, mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren."

Artikel 2 Strafwetboek bepaalt: "Geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd. Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minste zware straf toegepast."
14. De in deze bepalingen vervatte regel en het algemeen rechtsbeginsel van de toepassing van de mildere strafwet zijn enkel van toepassing indien de wet ten tijde van de rechterlijke beslissing verschilt van de wet ten tijde van het misdrijf. Die regel is niet van toepassing wanneer een uitvoeringsbesluit wordt vervangen door een ander uitvoeringsbesluit, zonder dat de wet zelf wordt gewijzigd. De fei-ten die ingevolge het eerste uitvoeringsbesluit strafbaar waren op het ogenblik van het plegen ervan, blijven strafbaar zelfs indien ze ingevolge een later uitvoerings-besluit van dezelfde ongewijzigd gebleven wet, ten tijde van de rechterlijke be-slissing geen strafbaar feit meer opleveren. Uit het ongewijzigd blijven van de strafbepaling blijkt het ongewijzigd inzicht van de wetgever op het vlak van de bestraffing. Een wijziging van een uitvoeringsbesluit dat door zijn aard tijdelijk en veranderlijk is, doet hieraan geen afbreuk.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

15. De strafbepaling op grond waarvan overtredingen van het KB Vogelbe-scherming werden bestraft, namelijk de artikelen 13 en 58 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, bleven onge-wijzigd toen het KB Vogelbescherming werd opgeheven.
Uit de wetsgeschiedenis van het Soortenbesluit, waarvan artikel 56 het KB Vo-gelbescherming opheft, blijkt dat het de uitdrukkelijke wil van de Vlaamse Rege-ring is dat het Soortenbesluit in de plaats daarvan komt en dat het de bedoeling is om de beschermingsmaatregelen van het KB Vogelbescherming en in het bijzon-der van artikel 7bis van het opgeheven besluit, te continueren.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Vierde middel

16. Het middel voert schending aan van de artikelen 28 en 30 EG-Verdrag en de artikelen 34 en 36 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna VWEU), alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de primauteit van het Europees recht op de nationale wet: het arrest veroordeelt de eiser omdat een aantal van zijn vogels niet gemerkt waren met een voetring zoals geregeld in het KB Vogelbescherming (telastlegging A), hoewel de wijze van merking van vogels met een voetring, zoals geregeld in dat besluit, neerkomt op een beperkende voorwaarde ten aanzien van de invoer, het houden en de verkoop van in gevangenschap geboren en gekweekte vogels die in andere Lid-staten rechtmatig in de handel zijn gebracht, maar waarbij de betrokken marktdeelnemers worden verplicht de merking van de specimens te wijzigen om aan de Belgische regelgeving te voldoen; dit is strijdig met het Europees recht inzake het vrije verkeer van goederen en België werd daarvoor trouwens door het Hof van Justitie veroordeeld, zodat de bepaling buiten toepassing moet worden gelaten.

17. Overeenkomstig artikel 28 EG-Verdrag, thans artikel 34 VWEU, zijn kwan-titatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de Lid-Staten verboden. Overeenkomstig artikel 30 EG-Verdrag, thans artikel 36 VWEU, vormt dit verbod geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer welke gerechtvaardigd zijn in de door die bepaling vermelde gevallen, op voorwaarde dat dit geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-staten vormt.

18. De artikelen 1, 3°, en 7bis van het KB Vogelbescherming houden een ver-bod in op de invoer, uitvoer en houden van Europese inheemse vogels die in ge-vangenschap zijn geboren en gekweekt, tenzij deze conform artikel 7bis van voormeld koninklijk besluit zijn gemerkt.

19. Bij arrest C-100/08 van 10 september 2009 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie het volgende beslist: "Het Koninkrijk België is door de invoer, het houden en de verkoop van in gevangenschap geboren en gekweekte vogels die in andere Lid-staten rechtmatig in de handel zijn gebracht, aan beperkende voor-waarden te onderwerpen die de betrokken marktdeelnemers verplichten om de merking van de specimens te wijzigen opdat deze aan de specifiek in de Belgische wetgeving gestelde voorwaarden voldoet, en door noch de merking die in andere Lid-staten wordt aanvaard, noch de certificaten die zijn afgegeven overeenkomstig verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de be-scherming van in het wild levende dier en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, te aanvaarden (...) de krachtens artikel 28 EG op hem rustende verplichtingen niet nagekomen".

20. Hieruit volgt dat het verbod op invoer, uitvoer en houden van Europese in-heemse vogels die in gevangenschap zijn geboren en gekweekt, zoals afgeleid uit de artikelen 1, 3°, en 7bis van het KB Vogelbescherming, tenzij deze conform ar-tikel 7bis van voormeld koninklijk besluit zijn gemerkt, slechts een belemmering vormt op het intracommunautair handelsverkeer indien het vogels betreft die op rechtmatige wijze in de handel zijn gebracht in andere lidstaten of indien die vo-gels conform de in de andere Lid-staten geldende regels zijn gemerkt en vergezeld zijn van een certificaat afgegeven overeenkomstig de Europese regelgeving inzake de bescherming van in het wild levende dier en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

21. Het arrest (p. 32 en p. 38) oordeelt:

- de vogels waarop de telastleggingen A, B en C betrekking hebben en die vol-gens de eiser afkomstig zijn uit Duitsland waar ze werden besteld en dus vol-gens hem daar in gevangenschap zijn geboren, door hem werden uitgevoerd naar de Verenigde Arabische Emiraten en, nadat ze voor zijn opdrachtgevers aldaar waardeloos waren geworden, vervolgens werden overgebracht naar Bel-gië om deze te houden en sporadisch te kweken, blijken niet gemerkt te zijn met een microchip;

- zowel het gebruik van microchips als van stiftringen zoals toegestaan in Duits-land werd nagegaan, maar de vogels deze gelijkwaardig geachte "merkings" niet hebben;

- de eiser maakte door de ten laste gelegde misdrijven de efficiënte controle op de herkomst en traceerbaarheid in de handel van vogels die moeten worden be-schermd, onmogelijk;

- de stiftringen konden immers ook worden aangebracht op in het wild gevangen vogels;

- uit het merken met een niet gesloten voet- of pootring moet bij afwezigheid van andere gegevens, die de eiser niet bijbrengt, ook worden aangenomen dat de vogels niet van legaal in gevangenschap gehouden exemplaren afkomstig zijn;

- dit geldt a fortiori wat de steppearenden zonder ring betreft.

Met deze redenen oordeelt het arrest dat de vogels die het voorwerp uitmaken van de telastleggingen, niet rechtmatig in een andere Lid-staat van de Europese Unie in de handel werden gebracht en niet voorzien zijn van een in een andere Lid-staat geldende merking zodat de voormelde verbodsbepalingen van de Belgische wet-geving van toepassing zijn. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Vijfde middel

22. Het middel voert schending aan van de artikelen 193, 196 en 197 Strafwet-boek: het arrest oordeelt voor elk van de documenten waarvoor het de eiser ver-oordeelt, dat het werd vervalst om de administratieve diensten bij de invoer te misleiden over de herkomst van de vogel en dat op 6 november 2007 nog geen einde aan het gebruik van het vervalste stuk werd gesteld; het arrest laat evenwel na vast te stellen welk gebruik van die stukken op 6 november 2007 werd gedaan, minstens diende het arrest na te gaan of het stuk de door de vervalser gewenste uitwerking bleef behouden op die datum en anderen nog steeds bleef misleiden of schaden.

23. Het arrest (p. 12-13) beschrijft omstandig welke vogels en documenten wer-den aangetroffen op 6 november 2007. Het beschrijft vervolgens (p. 14) welke onderzoeksdaden nodig waren om de dieren te identificeren en een verband te leggen met de documenten. Het verklaart verder de feiten van de telastlegging E, gebruik van de valse stukken bedoeld in de telastlegging D zoals omschreven in de telastlegging deels bewezen als zijnde gepleegd op 6 november 2007. Aldus stelt het arrest vast dat de eiser op die datum een nuttig gebruik van het valse stuk heeft gepleegd. Bij gebrek aan daartoe strekkende conclusie dient het die beslissing niet nader te motiveren.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand, zoals voormeld.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 196,41 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 25 oktober 2016 uitgesproken

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 09/09/2017 - 09:06
Laatst aangepast op: za, 09/09/2017 - 09:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.