Vereffening CV ontbinding en vereffening
RSZ t/ CVBA A.A.
1. Appellante heeft op 10 december 2010 hoger beroep ingesteld tegen het door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, 1ste kamer, op 4 oktober 2010 bij verstek gewezen vonnis in de zaak AR 10/2688/A.
...
2. In de oorspronkelijke dagvaarding zette appellante uiteen dat geïntimeerde uit hoofde van bijdragen sociale zekerheid een bedrag verschuldigd bleef van 3.037,61 euro, inbegrepen de wettelijke bijslagen en verwijlinteresten.
Appellante beklemtoonde voorts dat de invordering van deze schuldvordering onmogelijk bleek en geen verhaal op roerend noch onroerend goed kon worden uitgeoefend en er geen actief bleek voorhanden te zijn waarop de voormelde schuldvordering kan worden verhaald.
Een aan de vennoten toegestuurd schrijven bleef ook zonder verder gevolg.
Voor de eerste rechter vorderde appellante de gerechtelijke ontbinding van de CVBA A.A., de aanstelling van een gerechtelijk vereffenaar en het bevelen van alle door de wet ten bate van de schuldeisers opgelegde maatregelen.
3. Het thans bestreden verstekvonnis van 4 oktober 2010 verklaarde de voormelde vordering ontvankelijk maar niet gegrond. Volgens de eerste rechter beschikt appellante, die geen vennoot of aandeelhouder is, niet over het recht een vordering tot gerechtelijke ontbinding van geïntimeerde in te stellen.
4. Als grieven tegen het bestreden vonnis voert appellante aan dat:
– ten onrechte toepassing werd gemaakt van art. 45 W.Venn.;
– er wel degelijk wettige redenen aanwezig zijn in de zin van art. 386, 3o W.Venn. die de gerechtelijke ontbinding van geïntimeerde verantwoorden.
Appellante vordert dan ook dat:
– het bestreden vonnis wordt hervormd en haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard;
– derhalve – in overeenstemming met art. 386, 3o W.Venn. – de ontbinding van geïntimeerde zou worden uitgesproken.
5. Bij de behandeling van het hoger beroep op de terechtzitting van 10 januari 2011 is geïntimeerde niet verschenen en werd zij ook niet vertegenwoordigd.
In overeenstemming met de daartoe door appellante geformuleerde vordering wordt dit arrest ten aanzien van geïntimeerde dan ook bij verstek gewezen.
6. Zonder nadere vermelding of precisering van enige rechtsgrond vorderde appellante voor de eerste rechter de gerechtelijke ontbinding van geïntimeerde.
Nadat de eerste rechter in zijn beoordeling verwees naar art. 45 en art. 386, 3o W.Venn., vordert appellante thans de toekenning van haar oorspronkelijke vordering op grond van art. 386, 3o W.Venn.
Dit art. 386, 3o W.Venn. luidt als volgt:
“Tenzij bij de statuten anders is bepaald, gelden de volgende regels:
...
3o de ontbinding van de coöperatieve vennootschap, aangegaan voor een bepaalde of onbepaalde duur, kan in rechte gevorderd worden om wettelijke redenen. Daarbuiten kan de vennootschap slechts ontbonden worden door een besluit van de algemene vergadering volgens de regels die voor de wijziging van de statuten zijn gesteld. De artikelen 39, 5o en 43 zijn niet van toepassing op de ontbinding van de coöperatieve vennootschap”.
Voormeld art. 386, 3o W.Venn. – net zoals art. 343 W.Venn. (voor de BVBA) en art. 645 W.Venn. (voor de NV) – preciseert niet wie vorderingsgerechtigd is.
Vraag is dan ook of deze vordering enkel door de vennoten, of ook door derden belanghebbenden – hier appellante – kan worden ingesteld.
Het vroegere art. 1871 BW bepaalde dat, vóór het aflopen van de overeengekomen termijn, een vennoot de gerechtelijke ontbinding van de voor een bepaalde tijd aangegane vennootschap kon vorderen voor zover hij wettige redenen kon laten gelden.
Uit de totstandkoming van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de ontbinding op grond van wettige redenen blijkt dat Boek II van het Wetboek van Vennootschappen de vroegere bepaling van art. 1871 BW m.b.t. voor bepaalde tijd aangegane vennootschappen heeft overgenomen en deze bepaling slechts van toepassing is indien er niet van wordt afgeweken door de bepalingen die betrekking hebben op één of meer bijzondere vennootschapsvormen.
Er kan niet worden aangenomen dat de vordering tot gerechtelijke ontbinding van voor bepaalde tijd aangegane vennootschappen op grond van wettige redenen, die thans door art. 45 W.Venn. wordt toegestaan, inhoudt dat een voor onbepaalde tijd aangegane coöperatieve vennootschap niet kan worden ontbonden wegens wettige redenen.
Indien krachtens art. 43 W.Venn. de voor onbepaalde tijd aangegane vennootschap kan worden ontbonden door de wil van één enkele vennoot, kan deze a fortiori worden ontbonden om wettige redenen (“wie het meerdere kan, kan ook het mindere”) (P. Jehasse, “La dissolution judiciaire” in P. Jehasse, Manuel de la liquidation, p. 100-101, nr. 149; B. Tilleman, Ontbinding van vennootschappen, Kalmthout, Biblo, 1997, p. 195, nr. 383).
In de mate dat art. 386, 3o W.Venn. – en ook art. 343 en art. 645 W.Venn. respectievelijk voor de BVBA en de NV – preciseren dat de artikelen 39, 5o en 43 W.Venn. niet van toepassing zijn, is de conclusie dat de in art. 45 W.Venn. vermelde principes eveneens van toepassing zijn in geval van een vordering tot ontbinding van een coöperatieve vennootschap – en ook van een BVBA en een NV – op grond van wettige redenen.
De thans geldende wettelijke bepalingen, zoals zij in het Wetboek van Vennootschappen zijn opgenomen, leiden dan ook tot de vaststelling dat enkel de aandeelhouders en de vennoten – en niet iedere belanghebbende derde – gerechtigd zijn tot het instellen van de vordering tot gerechtelijke ontbinding op grond van wettige redenen (P. Jehasse, o.c., in P. Jehasse, Manuel de la liquidation, p. 108-109, nr. 158; Kh. Gent 5 januari 1989, TRV 1992, 554; Kh. Oudenaarde, 7 juli 1987, TRV 1988, 67).
Naar het oordeel van het hof overwoog de eerste rechter dan ook terecht: “Door een meerderheid van de rechtsleer wordt dan ook aangenomen dat (de) vordering tot gerechtelijke ontbinding uitsluitend aan de aandeelhouders toekomt (A. François, K. Byttebier e.a, “Omgaan met conflicten in vennootschappen: regeling van geschillen is meer dan geschillenregeling” in K. Byttebier, A. François e.a. (eds.), Omgaan met conflicten in de vennootschap, Antwerpen, Intersentia, 2009; B. Tilleman, Ontbinding van vennootschappen, Kalmthout, Biblo, 1997, 224)”.
Voormelde vaststelling dat de vordering in gerechtelijke ontbinding op grond van wettige redenen zoals bepaald in art. 386, 3o W.Venn. enkel aan de aandeelhouders en de vennoten toekomt, wordt naar het oordeel van het hof nog bevestigd door het feit dat het Wetboek van Vennootschappen enkel in welbepaalde gevallen toestaat dat ook iedere belanghebbende en het openbaar ministerie gerechtigd zijn tot het instellen van een vordering in gerechtelijke ontbinding. Bij wijze van voorbeeld verwijst het hof naar art. 182 W.Venn., waaraan elke relevantie zou worden ontnomen indien het voor iedere belanghebbende mogelijk zou zijn om op grond van art. 386, 3o W.Venn. – en nog vooraleer aan de toepassingsvoorwaarden van art. 182 W.Venn. zou zijn voldaan – een vordering in gerechtelijke ontbinding wegens wettige reden in te stellen.
7. Wat voorafgaat leidt tot de vaststelling dat appellante niet over de rechtens vereiste hoedanigheid beschikt om de vordering tot gerechtelijke ontbinding op grond van wettige redenen in te stellen. Anders dan de eerste rechter, wijst het hof de vordering van appellante dan ook als niet ontvankelijk van de hand.
NOOT Rubben Lindemans – Kan een schuldeiser een beroep doen op de vordering tot gerechtelijke ontbinding om wettige reden wanneer een dagvaarding in faillissement niet mogelijk is? noot onder deze uitspraak zoals gepubliceerd in RW.
- Doelgroep:
- Elfricon trefzinnen:
- Instantie:
- Link rubrieken:
- Rechtstakken:
- Kernwoorden:
- Soort link:
- Status homepage:
- Toepassingsgebied:
- Topics:
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.
