-A +A

Vereffening-verdeling van huwelijksvermogen kan niet zonder wijziging huwelijkscontract, overlijden of echtscheiding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 28/04/2017

Een wijziging van de huwelijksvoorwaarden buiten enig wettelijk kader (inzonderheid in de zin van de artt. 1394 e.v. BW) tot stand gekomen regeling is nietig, aangezien zij ingaat tegen het beginsel van de bestendigheid van de vermogensrechtelijke huwelijksvoorwaarden.

Het betreft in zoverre een ongeoorloofde wijziging van het bedoelde huwelijksvermogensstelsel (dat weliswaar, gelet op de echtscheiding, krachtens art. 1278, tweede lid Ger.W., op retroactieve wijze is ontbonden).

Sit belet niet dat een onwettige, zelfs nietige regeling evenwel uitvoering gekregen na de (definitieve) echtscheiding. Niets staat eraan in de weg dat de huwelijkspartnzers na de (definitieve) ontbinding van hun huwelijksvermogensstelsel, op welk ogenblik zij hun contractuele vrijheid hebben herwonnen, een nieuwe wil uiten in dezelfde zin als de eerder nietige regeling.

Bij gebrek aan een nieuw instrumentum kan deze nieuwe wilsovereenstemming (namelijk het negotium) worden afgeleid uit de uitvoering van de regeling 

Welnu een daadwerkelijke uitvoering kan geschieden , na tussenkomst van het echtscheidingsvonnis, weze het na de termijn van beroep of gebeurlijk na een akte van berusting. Deze minnelijke uitvoering kan bestaan uit de uitwerking va de nietige oude minnelijke regeling die staande het huwelijk werd afgesproken en een betaling van een som onder de vorm van een eerste schuijf kan uitmaken. 

Wanneer één en ander dan ook nog verder wordt gevolgd door verdere uitwerking van deze minnelijke regeling inhoudende een onwettige vereffening kan hierdoor vastgesteld worden dat op rechtsgeldige wijze in der minne werd overgegaan tot integrale vereffening-verdeling van het (gewezen) huwelijksvermogen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1391
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
S. t/ V.

...

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. V. en S. zijn ex-echtgenoten. Zij zijn gehuwd op 19 december 1970 onder een gemeenschapsstelsel. Zij zijn uit de echt gescheiden bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde van 22 februari 2005, met navolgende betekening en overschrijving in de registers van de ambtenaar van de burgerlijke stand.

In het echtscheidingsvonnis wordt een notaris-vereffenaar aangewezen met het oog op gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de oude artt. 1207 e.v. Ger.W.) van het gewezen huwelijksvermogen V.-S.

2. De echtscheiding heeft plaats op basis van het oude art. 229 BW en meer precies op grond van overspel van S.

Naar aanleiding van de dagvaarding tot echtscheiding van 10 januari 2005 onderschrijft S. daags vóór de terechtzitting van 25 januari 2005 een verklaring dat zij zich niet zal verzetten tegen de (hoofd)vordering tot echtscheiding en dat zij geen tegenvordering zal instellen.

Deze verklaring van 24 januari 2005 ligt in de lijn van eerdere briefwisseling tussen (de advocaten van) V. en S. met het oog op een snelle echtscheiding en in die optiek ook een snelle regeling van de vereffening-verdeling van hun huwelijksvermogen. Hierbij zou ook worden afgezien van enige aanspraak op een onderhoudsgeld na echtscheiding in de zin van het oude art. 301 BW.

Het echtscheidingsvonnis van 22 februari volgt, waarin V. en S. berusten door middel van een verklaring van 23 februari 2005. De betekening volgt op 30 maart 2005.

3. In deze versnelde context komen V. en S. tot een minnelijke regeling. V. en S. onderschrijven die regeling op 26 januari 2005, hangende de echtscheiding. Zij leven sinds (eerder in) januari 2005 feitelijk gescheiden, aangezien S. de gezinswoning heeft verlaten.

Blijkens die regeling dient V. aan S. met het oog op integrale vereffening-verdeling een forfaitaire vergoeding ten bedrage van 70.000 euro te betalen, inzonderheid gelet op de vergoeding die het eigen vermogen van V. aan de huwelijksgemeenschap V.-S. moet voldoen wegens de bouw van de (gewezen) gezinswoning (met gemeenschapsgelden) op een eigen grond van V. V. zal de eerste schijf ten bedrage van 25.000 euro voldoen binnen drie dagen na de overhandiging van de akte van berusting in het echtscheidingsvonnis door S. V. zal de tweede en laatste schijf ten bedrage van 45.000 euro voldoen binnen vier weken na (de overhandiging van) de akte van berusting en uiterlijk op 31 maart 2005. In geval van te late betaling lopen verwijlinteresten aan de wettelijke interestvoet. Voorts zullen de effectief blootgestelde gerechtskosten worden verrekend bij de betaling van het saldo.

4. Na het uitspreken van het echtscheidingsvonnis van 22 februari 2005 en de akte van berusting van 23 februari 2005 en meer precies begin maart 2005 betaalt V. de voormelde eerste schijf ten bedrage van 25.000 euro.

Begin april 2005 betaalt V. de voormelde tweede schijf met verrekening van het aandeel van S. in de door V. blootgestelde gerechtskosten. V. betaalt derhalve een bedrag van 44.759,83 euro door middel van een overschrijving op de derdenrekening van de advocaat van S.

Die betaling kruist blijkbaar een brief van de advocaat van S. van 5 april 2005, waarbij wordt aangedrongen op betaling van het saldo, bij gebreke waarvan verwijlinteresten zullen worden aangerekend.

In een latere brief van 29 april 2005 dringt S. bij haar eigen advocaat ook aan op doorbetaling van het saldo, dat nog op diens derdenrekening zou staan.

5. Op die manier krijgt de eerdere regeling van 26 januari 2005 uitvoering na de (definitieve) echtscheiding.

II. Beroepen vonnis

1. Bij dagvaarding van 14 juni 2013 stelt S. onderhavige procedure in, met het oog op in essentie de nietigverklaring van voormelde minnelijke regeling van 26 januari 2005, zodat, mits de in het echtscheidingsvonnis van 22 februari 2005 aangewezen notaris-vereffenaar wordt vervangen (met toepassing van de wet van 13 augustus 2011 houdende de hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening en verdeling), moet worden overgegaan tot gerechtelijke vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen V.-S., waarbij rekening moet worden gehouden met eertijds niet begrepen vermogenselementen, inzonderheid een groepsverzekering ten behoeve van V.

2. Bij vonnis van 10 maart 2014 (...) wijst (...) de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde deze vordering af als ontvankelijk maar ongegrond, (...).

III. Hoger beroep

1. (...). Met haar hoger beroep beoogt S., met hervorming van het beroepen vonnis, de inwilliging van haar oorspronkelijke vordering.

...

2. V. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep (als ontvankelijk maar ongegrond) en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

...

IV. Beoordeling

...

2. Ten gronde rijst de centrale vraag naar het al dan niet rechtsgeldige karakter van de minnelijke regeling van 26 januari 2005, die duidelijk strekt tot integrale vereffening-verdeling van het (gewezen) huwelijksvermogen V.-S.

Zoals reeds aangegeven, houdt de alomvattende regeling in dat V. aan S. een forfaitaire vergoeding betaalt ten bedrage van 70.000 euro. Die vergoeding behelst inzonderheid de vergoeding die het eigen vermogen van V. aan de huwelijksgemeenschap V.-S. moet voldoen wegens de bouw van de (gewezen) gezinswoning (met gemeenschapsgelden) op een eigen grond van V.

V. verbindt er zich toe de betaling te verrichten in twee schijven ten bedrage van respectievelijk 25.000 euro en 45.000 euro (met verrekening van bepaalde gerechtskosten), en dit (1) binnen een korte tijdspanne na de berusting in het echtscheidingsvonnis en uiterlijk op 31 maart 2005 en (2) op straffe van verwijlinteresten aan de wettelijke interestvoet.

Pijnpunt is dat de regeling door V. en S. is onderschreven op 26 januari 2005, dit is hangende de echtscheiding. Hoewel zij (sinds eerder in januari 2005 en derhalve) ten tijde van het onderschrijven van de regeling reeds feitelijk gescheiden leefden (aangezien S. de gezinswoning heeft verlaten), zijn zij nog niet uit de echt gescheiden.

Een dergelijke buiten enig wettelijk kader (inzonderheid aangaande de wijziging van een huwelijksvermogensstelsel in de zin van de artt. 1394 e.v. BW) tot stand gekomen regeling is nietig, aangezien zij ingaat tegen het beginsel van de bestendigheid van de vermogensrechtelijke huwelijksvoorwaarden (W. Pintens e.a., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 431-432, nr. 806; zie ook en vgl. Cass. 16 maart 2006, RW 2006-07, 1273; Brussel 25 mei 2010, RW 2010-12, 1559). Het betreft in zoverre een ongeoorloofde wijziging van het bedoelde huwelijksvermogensstelsel (dat weliswaar, gelet op de echtscheiding, krachtens art. 1278, tweede lid Ger.W., op retroactieve wijze is ontbonden).

Zoals eveneens reeds aangegeven, heeft de regeling van 26 januari 2005 evenwel uitvoering gekregen na de (definitieve) echtscheiding. Niets staat eraan in de weg dat V. en S. op die manier, na de (definitieve) ontbinding van hun huwelijksvermogensstelsel, op welk ogenblik zij hun contractuele vrijheid hebben herwonnen, een nieuwe wil uiten in dezelfde zin als de eerder nietige regeling. Bij gebrek aan een nieuw instrumentum kan deze nieuwe wilsovereenstemming (namelijk het negotium) worden afgeleid uit de uitvoering van de regeling (zie ook en vgl. F. Buyssens, «Overzicht van rechtspraak (2001-2012): echtscheiding door onderlinge toestemming», T.Fam. 2013, p. 52-53, nr. 15).

Welnu, na tussenkomst van het echtscheidingsvonnis van 22 februari 2005 en de akte van berusting van 23 februari 2005 en meer precies begin maart 2005 betaalt V. overeenkomstig de voormelde minnelijke regeling de eerste schijf ten bedrage van 25.000 euro. Nog steeds overeenkomstig de voormelde minnelijke regeling betaalt V. begin april 2005 de tweede schijf met verrekening van het aandeel van S. in de door V. blootgestelde gerechtskosten. V. betaalt derhalve een bedrag van 44.759,83 euro door middel van een overschrijving op de derdenrekening van de advocaat van S.

Dat (ook) S. duidelijk de intentie heeft om de regeling te bestendigen, blijkt uit een brief van haar advocaat van 5 april 2005 (die blijkbaar voormelde betaling kruist), waarbij wordt aangedrongen op betaling van het saldo, bij gebreke waarvan verwijlinteresten zullen worden aangerekend. Ook in een latere brief van 29 april 2005 dringt S. bij haar eigen advocaat aan op doorbetaling van het saldo, dat nog op diens derdenrekening zou staan.

Zowel V. als S. bestendigen derhalve met een nieuwe wilsovereenstemming de voormelde minnelijke regeling na de (definitieve) echtscheiding en na de (definitieve) ontbinding van hun huwelijksvermogensstelsel. Het gaat op die manier om een nieuwe wilsovereenstemming (in dezelfde zin als de eerdere nietige regeling) en niet zonder meer om de bevestiging van de eerdere nietige regeling.

Een en ander maakt dat V. en S. op rechtsgeldige wijze in der minne zijn overgegaan tot integrale vereffening-verdeling van het (gewezen) huwelijksvermogen V.-S.

3. Nagenoeg acht jaar later stelt S. de minnelijke vereffening-verdeling in vraag. S. voert aan dat een en ander haar, mede gelet op haar zwakke psychische toestand, is opgedrongen. Haar huwelijk zou een hel zijn geweest, met depressies bij S. vanaf einde jaren ’90 tot gevolg. In 2003-2004 zou zij (om medische redenen) zijn teruggevallen op een halftijdse werksituatie, waarna zij uiteindelijk (eenmaal dat de twee kinderen op eigen benen stonden) onderhandelingen heeft aangevat tot echtscheiding door onderlinge toestemming. Die onderhandelingen zijn afgesprongen en vervangen door een vluchtige echtscheiding op grond van overspel. Dit overspel zou niet kloppen. S. hekelt het eertijdse privédetectiverapport dat gewag maakt van een overspelige relatie. Zij diende blijkbaar eertijds klacht in tegen de privédetective, zij het zonder concreet gevolg.

S. zou te uitgeput en neerslachtig zijn geweest om betwisting te voeren, vanwaar (1) haar verklaring van 24 januari 2005 en (2) haar berusting van 23 februari 2005. Zij zou geen zicht hebben gehad op de gang van zaken.

S. zou hebben gedwaald dan wel zijn bedrogen of op een gekwalificeerde wijze zijn benadeeld. Zij voert aan informatie te hebben gemist en dringt thans, vele jaren later, aan op een tabula rasa. Zij dringt aan op een nieuwe vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen V.-S., waarbij rekening moet worden gehouden met eertijds niet begrepen vermogenselementen, inzonderheid een groepsverzekering ten behoeve van V.

4. V. stelt daar tegenover dat S. wel degelijk afdoende zicht had op de gang van zaken, aangezien zij ab initio was bijgestaan door een advocaat. Zo wist S. van de groepsverzekering ten behoeve van V. De litigieuze minnelijke vereffening-verdeling is overigens niet plotsklaps uit de lucht komen vallen, gelet op eerdere onderhandelingen tot echtscheiding door onderlinge toestemming. Het zou volgens V. veeleer S. zijn geweest die heeft aangedrongen op een snelle regeling, temeer daar zij (1) sinds januari 2005 afzonderlijk woonde en (2) liquide financiële middelen nodig had. Het was hoe dan ook S. die met brieven van 5 en 29 april 2005 aanstuurde op uitvoering van voormelde minnelijke regeling.

5. S. is (los van de door V. beweerde rechtsverwerking) a posteriori (zeer) slecht gekomen met een resem aanvoeringen om de eertijds vrijwillig en met afdoende kennis van zaken uitgevoerde minnelijke regeling te doen vallen. Die regeling strekte duidelijk tot integrale vereffening-verdeling van het (gewezen) huwelijksvermogen V.-S. V. en S. stelden daarbij in 2005 volledige opgave te hebben gedaan van alle roerende elementen en financiële waarden, terwijl zij geen (verdere) inventarisatie nodig achtten. Zij zijn ook over de onderlinge verdeling overeengekomen. Dat S. geen degelijk zicht had op de gang van zaken, blijkt niet. Anders dan zij wil voordoen, had zij wel degelijk voldoende (ook juridische) kennis van zaken. De regeling is er inderdaad gekomen in overeenstemming met de afgesprongen onderhandelingen tot echtscheiding door onderlinge toestemming (met bijhorende briefwisseling, mede van S.). Dat de echtscheiding uiteindelijk zeer snel en op definitieve wijze is uitgesproken, kan S. moeilijk aan V. verwijten, daar waar zij (1) het eertijdse privédetectiverapport (dat gewag maakt van een overspelige relatie) hekelt, maar de beweerde klacht (blijkbaar) niet concreet heeft gemaakt; (2) steeds was bijgestaan door een advocaat (terwijl diens aansprakelijkheid blijkbaar niet op het spel staat); (3) blijkbaar doelbewust geen betwisting voerde en (4) blijkbaar even doelbewust heeft berust.

Medische verslagen over depressies bij S. vanaf einde jaren 90 kunnen als zodanig niet verhelpen. Die verslagen (inzonderheid van 1999 en 2003) overkoepelen niet noodzakelijk de hele periode van echtscheiding.

Het was evengoed S. die heeft aangedrongen op een snelle regeling, omdat zij (1) sinds januari 2005 afzonderlijk woonde en (2) mogelijk liquide financiële middelen nodig had. Het was inderdaad S. die met brieven van 5 en 29 april 2005 aanstuurde op uitvoering van voormelde minnelijke regeling.

S. blijft steken in beweringen. Zij faalt in haar bewijslast, ook wanneer zij gewag maakt van (1) dwaling, (2) bedrog (dan wel het rechtsbeginsel «fraus omnia corrumpit») en (3) gekwalificeerde benadeling.

De vermogenselementen die volgens haar niet waren begrepen, maar die thans wel zouden moeten worden begrepen, blijven vaag. Afdoende concrete cijfers blijven achterwege. Het beweerde onevenwicht bij de bedoelde minnelijke regeling is onzuiver. Voorts kan zij bezwaarlijk actuele rechtspraak (o.m. van het Grondwettelijk Hof, inzonderheid GwH 27 juli 2011, JT 2012, 156, noot Y.-H. Leleu en L. Rousseau, NFM 2012, noot B. Scheers, RABG 2011, 1353, noot C. Hendrickx, RNB 2012, 3061, 211, noot H. Casman, TBH 2012, 272, noot C. Devoet, T.Fam. 2012, 19, noot U. Cerulus, T.Not. 2011, 595, noot J. Du Mongh) aangrijpen om te beweren dat een eerdere regeling dienovereenkomstig had moeten gebeuren.

6. Een en ander maakt dat, zoals ook de eerste rechter oordeelde, de vordering van S. in geen van de onderdelen slaagt.

Het beroepen vonnis verdient bevestiging.

...

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 23/04/2018 - 23:36
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 23:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.