-A +A

Vereffening-verdeling voorafgaand aan de echtscheiding is onderworpen aan de regels inzake wijziging huwelijksvermogensstelsel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 25/02/2010
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
446
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D.J. t/ S.I.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 september 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Ontvankelijkheid

1. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het middel is nieuw in zoverre het de schending aanvoert van de artikelen 1393, 1394 en 1395 BW en hieraan verbonden, de schending van de artikelen 6, 1131 en 1133 BW.

2. De wettelijke regels inzake de wijzigbaarheid van het huwelijksvermogensstelsel zijn van dwingend recht. Nu uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat de eiser afstand heeft gedaan van de hem door de wet toegekende bescherming, is de eiser derhalve gerechtigd voor het eerst voor het Hof aan te voeren dat het de echtgenoten verboden is voor de ontbinding van het huwelijk een overeenkomst te sluiten betreffende de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Middel zelf

3. De echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, moeten een alomvattende regeling treffen zoals art. 1287 en 1288 Ger.W. bepalen.

Indien tussen de echtgenoten een overeenkomst betreffende hun vermogensrechtelijke verhouding werd gesloten tijdens het huwelijk, die geen voorafgaande regeling betreft in de procedure van echtscheiding door onderlinge toestemming, die onderworpen is aan art. 1287 e.v. Ger.W., «dan dient een dergelijke overeenkomst te voldoen aan het bepaalde in art. 1392 e.v. BW».

4. De appelrechters overwegen dat:

– de verweerster van haar kant zich beroept op de onderhandse overeenkomst van 1 februari 1998, dit is bijna twee maanden voorafgaand aan de eerste notariële regelingsakte, en waarbij de eiser ten gunste van verweerster afstand deed van alle roerende en onroerende goederen in Spanje;

– die onderhandse regeling voorafgaat aan de notariële regelingen en de rechtspositie van partijen met betrekking tot hun aanspraken in de Spaanse goederen, zowel de roerende als de onroerende, definitief vaststelde.

5. De appelrechters die op grond van deze overwegingen zonder meer uitgaan van de geldigheid van de tussen partijen tot stand gekomen onderhandse akte, verantwoorden hun beslissing «dat er niets meer te verdelen viel op het moment dat partijen hun eerste regelingsakte opstelden» en «dat er geen reden is tot aanvullende vereffening en verdeling van die goederen», niet naar recht.

Het middel is gegrond.

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 24/10/2011 - 18:52
Laatst aangepast op: ma, 24/10/2011 - 18:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.