-A +A

Verhuring van kamer in strijd met kamerreglement

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 15/09/2017
A.R.: 
2017/2644

Het misdrijf werd omschreven als volgt:

Bij inbreuk op artike/17 van het decreet d.d. 4 februari 1997 houdende de kwaliteits en veiligheidsnormen van komers en studentenkamers, zoals gewijzigd door het
decreet van 7 juli 2006, als verhuurder hetzij rechtstreeks, hetzij via tussenpersoon, als persoon die het goed ter beschikking stelt met het oog op bewoning, hetzij
rechtstreeks, hetzij via tussenpersoon of als eventuele onderverhuurder hetzij rechtstreeks, hetzij vla tussenpersoon, een kamerwoning of een kamer die niet voldoet aan de vereisten artikelen 4, 6 en 7 van hoger vernoemd decreet te hebben verhuurd, te huur gesteld of ter beschikking te hebben gesteld met het oog op bewoning, met de omstandigheid dat van de activiteit een gewoonte wordt gemaakt;

veroordeling: 

Veroordeelt de eerste beklaagde uit hoofde van de aldus bewezen verklaarde telastlegging tot een geldboete van 1.000,- EUR, te verhogen met 50 opdeciemen en aldus gebracht op 6.000,- EUR;
Zegt dat bij gebrek aan betaling binnen de wettelijke termijn de aan de eerste beklaagde opgelegde geldboete vervangen zal kunnen worden door een vervangende
gevangenisstraf van drie maanden;
Verklaart een bedrag van 18.000.- EUR aan illegale vermogensvoordelen verbeurd in hoofde van de eerste beklaagde

Veroordeelt de tweede beklaagde uit hoofde van de aldus bewezen verklaarde telastlegging tot een geldboete van 1.500,- EUR, te verhogen met 50 opdeciemen
en aldus gebracht op 9.000,- EUR;

Zegt dat bij gebrek aan betaling binnen de wettelijke termijn de aan de tweede beklaagde opgelegde geldboete vervangen zal kunnen worden door een vervangende gevangenisstraf van drre maanden;

Verklaart een bedrag van 30.150,- EUR aan illegale vermogensvoordelen verbeurd in hoofde van de tweede beklaagde

- Legt de eerste beklaagde en de tweede beklaagde elk de verplichting op een bedrag van 25,- EUR, vermeerderd met 70 opdeciemen en aldus gebracht op telkens 200,- EUR te betalen als bijdrage tot de financiering van het fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders;

lees het integrale arrest via deze link

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Het Hof van Beroep, zitting houdende,

te Antwerpen, kamer 14 de kamer

(...)

Beticht van: te (...), op hierna vermelde data:

de eerste en de tweede:

Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, om, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben, als dader of mededader zoals voorzien door art. 66 van het Strafwetboek.

I. In de periode van 1 november 2005 tot 14 december 2005:

Bij inbreuk op artikel 433quinquies §1, 3° SWB, zich schuldig te hebben gemaakt aan mensenhandel zijnde de werving, het vervoer, de overbrenging, de huisvesting, de opvang van een persoon, de wisseling of de overdracht van de controle over hem teneinde deze persoon aan het werk te zetten of te laten aan het werk zetten in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid waarbij zijn toestemming met de voorgenomen of daadwerkelijke uitbuiting van geen belang was, ten nadele van:
- Y. A., geboren te Fujiang op (...),
- Z. W., geboren in China op (...),

met de verzwarende omstandigheid dat:

a. het misdrijf werd gepleegd door misbruik te maken van de bijzondere kwetsbare positie waarin de persoon verkeerde ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand of ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid, zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze had dan zich te laten misbruiken (art. 433septies, 2° SWB)
b t/m d.
e. het misdrijf werd gepleegd ten opzichte van een minderjarige met name ten aanzien van Z.W., geboren op 15 februari 1989 (art. 433septies, 1° SWB).

II. In de periode van 12 september 2005 tot 14 december 2005, meermaals op niet nader te bepalen data:

Bij inbreuk op artikel 433decies SWB, met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren, rechtstreeks of via een tussenpersoon misbruik te hebben gemaakt van de bijzonder kwetsbare positie van een persoon ten gevolge van zijn/haar onwettige of precaire administratieve toestand of zijn/haar precaire sociale toestand door een roerend goed, een deel ervan, een onroerend goed, een kamer of een andere in artikel 479 SWB bedoelde ruimte, verkocht, verhuurd of ter beschikking te hebben gesteld in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze had dan zich te laten misbruiken, met name ten nadele van:
- Y. A., geboren te Fujiang op(...),
- Z. W., geboren in China op (...),

met de verzwarende omstandigheid dat van de betrokken activiteit een gewoonte werd gemaakt en dat het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betrof, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon had of niet (art. 433undecies, 1° en 2° SWB).

III. Bij samenhang:

A. Werkgever, aangestelde of lasthebber zijnde verzuimd te hebben bij de indiensttreding de gegevens bedoeld in art. 4 van het K.B. van 5 november 2002, onmiddellijk en uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer zijn prestaties aanvat, mede te delen aan de instelling die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en dit voor 2 werknemers:
1. op 20 november 2005 voor W. J.
2. op 5 december 2005 voor Y. A..

B. Werkgever, aangestelde of lasthebber zijnde, arbeid doen of laten verrichten door een buitenlandse onderdaan die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf in België van meer dan drie maanden of tot de vestiging zonder daartoe vergunning tot tewerkstelling te hebben verkregen t.o.v. van 2 werknemers.

(...)

2. Het bestreden vonnis is aangetast door een tegenstrijdigheid in zijn motivering. Het overweegt immers dat bij de straftoemeting rekening wordt gehouden met het feit dat beklaagden deel uitmaakten van een vereniging die Chinezen naar het Westen haalde om hen in mensonwaardige omstandigheden aan het werk te stellen en uit te buiten, terwijl beklaagden voor deze feiten als verzwarende omstandigheden aan het misdrijf sub I niet verwezen werden en terwijl het vonnis beklaagden vrijspreekt van de tenlastelegging II, inbegrepen de gelijkaardige verzwarende omstandigheid.

Het behoort dan ook het bestreden vonnis nietig te verklaren.

(...)

4. De schuld van beklaagden aan de hen sub I ten laste gelegde feiten, uitgezonderd de verzwarende omstandigheid dat het misdrijf werd gepleegd ten opzichte van een minderjarige, aan de sub II ten laste gelegde feiten, uitgezonderd de verzwarende omstandigheid dat het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betrof, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon had of niet, en aan de sub III.A. en B. ten laste gelegde feiten, zoals verbeterd, is door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting bewezen gebleven.

Het betrokken restaurant werd door beide beklaagden uitgebaat.

Het is bewezen dat kamers werden ter beschikking gesteld aan de met name genoemde slachtoffers in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid. Het is ook bewezen dat beklaagden een abnormaal profijt beoogden, nu zij immers de slachtoffers tevens tewerkstelden in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, door hen onder meer slechts symbolisch te vergoeden voor gepresteerde arbeid.

(...)

Overeenkomstig de artikelen 42.1 juncto 433novies en 433terdecies van het Strafwetboek worden de betrokken ter beschikking aan de slachtoffers gestelde kamers, en met name de kamers nummers 6 en 8 (stukken 60 en 61 van het strafdossier) in het onroerend goed gelegen te 3650 D., verbeurd verklaard.

(...)
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 12/01/2018 - 11:37
Laatst aangepast op: vr, 12/01/2018 - 11:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.