-A +A

Verjaring schuldvordering RSZ op werkgevers bij ambtshalve regularisaties

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 10/10/2016
A.R.: 
S.15.0076.N

De schuldvorderingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op de werkgevers verjaren na drie jaar vanaf de dag van de opeisbaarheid van de bedoelde schuldvorderingen.

In afwijking van deze regel wordt de verjaringstermijn verlengd tot zeven jaar indien die schuldvorderingen het gevolg zijn van ambtshalve regularisaties na de vaststelling, bij de werkgever, van bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige aangiften.

Er is ambtshalve regularisatie zoals bedoeld in artikel 42, eerste lid, RSZ-wet, telkens wanneer het bedrag van de verschuldigde bijdragen niet wordt verantwoord door een regelmatig ingediende kwartaalaangifte en de Rijksdienst voor sociale zekerheid ertoe gebracht wordt het bedrag van de verschuldigde bijdragen vast te stellen in toepassing van artikel 22 RSZ-wet; ook wanneer de gegevens waarop het bedrag van de overeenkomstig artikel 22 RSZ-wet vastgestelde schuldvordering is gesteund, door de werkgever uit eigen beweging werden medegedeeld, geschiedt de regularisatie ambtshalve; de omstandigheid dat de werkgever al tot betaling van verschuldigde bijdragen overgaat vooraleer hem overeenkomstig artikel 22, tweede lid, RSZ-wet kennis wordt gegeven van het bedrag van de aldus vastgestelde schuldvordering, heeft evenmin tot gevolg dat de regularisatie niet meer ambtshalve geschiedt.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
785

Nr. S.15.0076.N
GROEP HUYZENTRUYT nv, met zetel te 8791 Waregem (Beveren-Leie), Wagenaarstraat 33,
eiseres,

tegen
RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest nr. 397 van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, van 23 mei 2014.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 42, eerste lid, RSZ-wet, in de versies van toepassing sinds 1 januari 2009, verjaren de schuldvorderingen van de Rijksdienst voor sociale ze-kerheid op de werkgevers die onder deze wet vallen na drie jaar vanaf de dag van de opeisbaarheid van de bedoelde schuldvorderingen. In afwijking van deze regel wordt de verjaringstermijn verlengd tot zeven jaar indien de schuldvorderingen van voormelde Rijksdienst het gevolg zijn van ambtshalve regularisaties na de vaststelling, bij de werkgever, van bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige aangiften.

2. Krachtens artikel 21, eerste en tweede, RSZ-wet moet iedere verzekerings-plichtige werkgever zich bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid laten inschrijven en aan deze laatste een aangifte met verantwoording van het bedrag van de verschuldigde bijdragen toezenden, bij middel van een door deze Rijksdienst goedgekeurde elektronische techniek.

Artikel 21, derde lid, RSZ-wet, bepaalt dat de aangifte, behoorlijk ondertekend en vervolledigd met de gevraagde inlichtingen, bij de Rijksdienst moet toekomen binnen de termijn vastgelegd bij koninklijk besluit.

Overeenkomstig artikel 33, § 2, eerste lid, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, moet de werkgever het in artikel 21 van de wet bedoelde aangifteformulier aan de Rijks-dienst bezorgen, uiterlijk de laatste dag van de maand na elk kalenderkwartaal, waarop de aangifte betrekking heeft.

3. Artikel 22, eerste en tweede lid, RSZ-wet bepaalt dat wanneer geen dan wel een onvolledige of onjuiste driemaandelijkse aangifte is gedaan, de Rijksdienst voor sociale zekerheid ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen be-paalt aan de hand van alle reeds voorhanden zijnde gegevens, of na daartoe alle nuttig geachte inlichtingen te hebben ingewonnen bij de werkgever of de curator, die verplicht is ze te verstrekken. Van het bedrag van de aldus vastgestelde schuldvordering wordt de werkgever of de curator kennis gegeven.

4. Uit de samenhang van de voormelde bepalingen volgt dat er ambtshalve re-gularisatie is zoals bedoeld in artikel 42, eerste lid, RSZ-wet, telkens wanneer het bedrag van de verschuldigde bijdragen niet wordt verantwoord door een regelma-tig ingediende kwartaalaangifte en de Rijksdienst voor sociale zekerheid ertoe ge-bracht wordt het bedrag van de verschuldigde bijdragen vast te stellen in toepas-sing van artikel 22 RSZ-wet.

Ook wanneer de gegevens waarop het bedrag van de overeenkomstig artikel 22 RSZ-wet vastgestelde schuldvordering is gesteund, door de werkgever uit eigen beweging werden medegedeeld, geschiedt de regularisatie ambtshalve.

De omstandigheid dat de werkgever al tot betaling van verschuldigde bijdragen overgaat vooraleer hem overeenkomstig artikel 22, tweede lid, RSZ-wet kennis wordt gegeven van het bedrag van de aldus vastgestelde schuldvordering, heeft evenmin tot gevolg dat de regularisatie niet meer ambtshalve geschiedt.

5. Het middel gaat geheel ervan uit dat een door de werkgever gedane gedeel-telijke betaling van socialezekerheidsbijdragen vóór het opmaken en de verzending door de Rijksdienst voor sociale zekerheid van een bericht van wijziging van bijdrage zoals bedoeld in artikel 22, tweede lid, RSZ-wet, wat betreft de betaalde bijdragen een spontane regularisatie op initiatief van de werkgever inhoudt en met zich meebrengt dat voor de bedragen waarop die betaling betrekking heeft, niet meer kan worden besloten tot het bestaan van een ambtshalve regularisatie in de zin van artikel 42, eerste lid, RSZ-wet.

Het middel berust aldus op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.

Dictum

Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.007,54 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer,  en in openbare rechtszitting van 10 oktober 2016 uitgesproken 

24023/W/04
VOORZIENING IN CASSATIE

Aan het Hof van Cassatie van België

geeft te kennen:

de naamloze vennootschap GROEP HUYZENTRUYT, met zetel te 8791 Beveren (Leie), aan de Wagenaarstraat 33, en met ondernemingsnummer 0424.720.537,
eiseres tot cassatie,
wat volgt.

De eiseres, voornoemd, verklaart hierbij zich in cassatie te voorzien tegen het hieronder nader omschreven arrest en cassatieberoep aan te tekenen tegen de hier-onder nader aangewezen partij.

I. BESTREDEN UITSPRAAK EN PARTIJ WAARTEGEN CASSATIE-BEROEP WORDT AANGETEKEND

Dit cassatieberoep is gericht tegen het arrest dat op 23 mei 2014 door de vijfde kamer van het arbeidshof te Gent (afdeling Brugge) op tegenspraak werd gewe-zen in de zaak, ingeschreven op de algemene rol onder het nummer 2013/AR/102, van de eiseres, als appellante, tegen:

de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid opgericht door de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met zetel te 1060 Sint-Gillis, aan het Victor Hortaplein 11, en met ondernemingsnummer 0206.731.645,
toen geïntimeerde, thans verweerder in cassatie,

en tegen die verwerende partij.

Deze voorziening in cassatie is gesteund op het volgende middel en conclusie.

II. FEITEN EN RETROACTA VAN DE PROCEDURE

1. De nv Woningbouw Huyzentruyt, rechtsvoorgangster van de eiseres, maakte indertijd deel uit van de groep Huyzentruyt, een bouwbedrijf.

Op 19 juni 2008 voerde de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) een fiscale con-trole uit bij de eiseres. Er werd vastgesteld dat lonen waren uitbetaald zonder in-houding van de bedrijfsvoorheffing.

Nadat de eiseres contact had opgenomen met de Sociale Inspectie van de fede-rale overheidsdienst Sociale Zekerheid om spontaan aangifte te doen van de niet-aangegeven lonen en tot een sluitende regeling te komen voor de achterstallige socialezekerheidsbijdragen (p. 3, onder 4, eerste alinea, van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Kortrijk van 18 december 2012) en nadat zij daartoe ver-volgens vruchteloos contact had gezocht met de verweerder (p. 3, onder b, tweede en derde lid van hetzelfde vonnis), werden op initiatief van de dienst Toezicht op de Sociale Wetten (van de federale overheidsdienst Werkgelegen-heid, Arbeid en Sociaal Overleg - p. 3, onder 5, van het vonnis van 18 december 2012) vergaderingen belegd die ertoe leidden dat de eiseres op 1 maart 2010 overging tot ondertekening van een aangifteformulier en betaling van de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen (p. 4, nrs. 11 en 12, van hetzelfde vonnis). Inspecteur Ann Bodts van de inspectie van de verweerder (p. 3, onder nr. 5, van het vonnis van 18 december 2012) liet de eiseres daarop weten het dossier te kunnen afsluiten, wat zij deed "met dank voor de goede samenwerking" (p. 5, derde alinea, van het vonnis).

Bij brief van 29 april 2010 stelde de verweerder de eiseres in kennis van een "re-gularisatie van niet aangegeven lonen en overuren". In deze kennisgeving werd melding gemaakt van de toepassing van de zevenjarige verjaringstermijn (p. 5, onder nr. 15, van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Kortrijk van 18 december 2012).

Bij brief van 12 oktober 2010 maakte de verweerder aan de eiseres een reke-ninguittreksel over, afgesloten op 6 oktober 2010. Hierin werd gewag gemaakt van volgende bedragen:
- een bedrag van euro 868.643,08 als bijdragen;
- een bedrag van euro 86.864,25 als bijdrageopslagen;
- een bedrag van euro 19.307,55 als interesten.

2. Omdat de eiseres niet akkoord ging met de ingeroepen verjaringstermijn van zeven jaar, ging de verweerder op 20 september 2010 over tot dagvaarding van de nv Woningbouw Huyzentruyt, rechtsvoorganger van de eiseres, voor de ar-beidsrechtbank te Kortrijk. De vordering van de verweerder strekte ertoe de nv Woningbouw Huyzentruyt te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van euro 450.029,18 als socialezekerheidsbijdragen, bijdrageopslagen en verwijlinteresten voor het vierde kwartaal 2003 tot het vierde kwartaal 2008, vermeerderd met de verwijlinterest berekend aan de wettelijke interestvoet vanaf 29 juli 2010 op een bedrag van euro 37.013,84, en alle kosten van het geding.

Bij conclusie neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 27 april 2012 stelde de nv Woningbouw Huyzentruyt een tegenvordering in. Die tegenvordering strekte ertoe de verweerder te horen veroordelen tot het terugbetalen van het onverschuldigd betaalde bedrag van euro 788.521,42, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interest.

In haar conclusie neergelegd ter griffie op 14 september 2012 hervatte de eiseres het geding.

De eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Kortrijk verklaarde bij tussenvonnis van 18 december 2012 de hoofdvordering van de verweerder niet verjaard en dus ontvankelijk. Alvorens verder te oordelen over de hoofdvordering, de uitvoer-baarheid bij voorraad, de tegenvordering en de gedingkosten, heropende de ar-beidsrechtbank ambtshalve de debatten overeenkomstig artikel 774 van het Ge-rechtelijk Wetboek om de verweerder toe te laten standpunt in te nemen met be-trekking tot de berekeningsbasis van de socialezekerheidsbijdragen die zij in re-kening bracht. De beslissing over de "restpunten" en de kosten werd aangehou-den.

3. De eiseres stelde bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 12 april 2013 te-gen het voormelde tussenvonnis hoger beroep in bij het arbeidshof te Gent. Dat hoger beroep strekte ertoe het vonnis van de arbeidsrechtbank te Kortrijk van 18 december 2012 volledig te horen vernietigen, en, opnieuw recht sprekende, de oorspronkelijke vorderingen van de verweerder ongegrond en de oorspronkelijke vorderingen van de eiseres gegrond te horen verklaren en dienvolgens de ver-weerder te horen veroordelen tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag van euro 788.521,42, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interest.

De vijfde kamer van het arbeidshof te Gent verklaart bij arrest van 23 mei 2014 het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk maar ongegrond. Het arbeidshof bevestigt het tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Kortrijk van 18 december 2012 in zoverre het de hoofdvordering van de verweerder ontvankelijk verklaar-de, en trekt de zaak tot zich overeenkomstig artikel 1068, eerste lid van het Ge-rechtelijk Wetboek. Het verklaart de hoofdvordering van de verweerder gegrond en veroordeelt dienvolgens de eiseres tot betaling aan de verweerder van een bedrag van euro 450.029,18, vermeerderd met de verwijlinterest op een bedrag van euro 37.013,84 vanaf 29 juli 2010. De tegenvordering van de eiseres wordt ontvan-kelijk maar ongegrond verklaard. De eiseres wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

Tegen het arrest dat op 23 mei 2014 door de vijfde kamer van het arbeidshof te Gent werd gewezen, voert de eiseres het volgende middel tot cassatie aan.

III. MIDDELEN

Eerste en enige middel

MIDDEL

Geschonden wettelijke bepalingen

de artikelen 22, inzonderheid eerste en tweede lid, 23 § 1 en § 2, 28, § 1, en 42, eerste lid, eerste en tweede zin, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders

Aangevochten beslissingen

In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof het hoger beroep van de eiseres ongegrond. Het arbeidshof bevestigt het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank Kortrijk (afdeling Kortrijk) van 18 december 2012 in zoverre het de hoofdvordering van de verweerder ontvankelijk verklaart. Het arbeidshof trekt de zaak tot zich overeenkomstig artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek en verklaart de hoofdvordering van de verweer-der in de volgende mate gegrond. Het veroordeelt de eiseres tot het betalen aan de verweerder van een bedrag van euro 450.029,18, vermeerderd met de verwijlinterest op een bedrag van euro 37.013,84 vanaf 29 juli 2010. Het neemt die beslissing op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunt en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende:

" 4.2.1.6. De [eiseres] betwist ook dat er in casu sprake is geweest van een "ambtshalve" regularisatie.

De wet zelf zegt niet wat onder een "ambtshalve" regularisatie moet worden verstaan (de Franse tekst gebruikt de term "d'office"). Beide termen hebben in het gewone taalgebruik verschillende betekenissen. Slechts één ervan kan hier echter als zinvol aangezien worden, nl. wanneer "ambtshalve" (ex officio) begrepen wordt in de zin van "zonder voorafgaande aanvraag/initiatief van de betrokkene", "uit eigen beweging".

Geheel ten onrechte houdt de [eiseres] voor dat de regularisatie die tot de huidige vordering aanleiding heeft gegeven, anders dan op initiatief van de [verweerder] of anders dan zonder dat de [eiseres] hierom heeft gevraagd, werd doorgevoerd, of dat de [verweerder] niet uit eigen beweging heeft gehandeld.

Het arbeidshof kan toch enkel maar vaststellen (en er kan verwe-zen worden naar het zeer extensieve feitenoverzicht in het bestreden vonnis):

- dat de zaak aan het rollen ging doordat geheel bij toeval het be-staan van een in de groep waartoe de nv Woningbouw Huyzen-truyt behoorde, algemeen verspreid en goed georganiseerd sys-teem van sociale en fiscale fraude werd ontdekt, dat erin bestond een deel van het loon, inzonderheid loon voor overuren, in het zwart te betalen;

- dat deze ontdekking leidde tot een strafrechtelijk onderzoek en een onderzoek door de BBI, die werden afgesloten met een be-schikking van de raadkamer waarbij aan de heer Huyzentruyt het voordeel van de opschorting van de uitspraak werd verleend (!), enerzijds, en een schikking waarbij voor de jaren 2001-2008 een zeer groot bedrag aan de fiscus werd betaald, anderzijds;

- dat, nadat de sociale inspectie medio 2007 van de zaak op de hoogte was geraakt, ook zij een onderzoek is gestart, dat uitein-delijk heeft geleid tot de (ondertekende!) verklaring die de heer Huyzentruyt, afgevaardigd-bestuurder van inzonderheid de nv Woningbouw Huyzentruyt, op 7 december 2009 heeft afgelegd (zie hierboven);

- dat pas op 1 maart 2010 via de raadsman van de [eiseres] voor-behoud werd gemaakt, niet wat de eigenlijke bijdragen betreft, doch wat de bijdrageopslagen en intrest betreft, terwijl meteen een gedeeltelijke betaling werd gedaan, waarna de sociale in-spectie is overgaan tot het opmaken van aangifteformulieren F.33, die door de [eiseres] op 9 maart 2010 werden ondertekend (zie bijlage 8 aan stuk 2.2 van de [verweerder]);

- dat, meteen nadat de [verweerder] het dossier in handen heeft gekregen (zie stuk 2.1 van de [verweerder]), zij de nv Woning-bouw Huyzentruyt op 29 april 2010 ervan heeft verwittigd dat tot ambtshalve regularisatie zou worden overgegaan (stuk 2.3 van de [verweerder]), wat op 14 mei 2010 is gevolgd door het opma-ken van een bericht van wijziging (stuk 2.4 van de [verweerder]), hetgeen echter nog altijd niet heeft geleid tot de betaling van al wat verschuldigd was, zodat uiteindelijk werd gedagvaard.

Het is waar dat de raadslieden van de [eiseres] al medio 2008 hebben gepoogd een overleg met de [verweerder] op gang te brengen (zie haar stuk 2) - evident in een poging om de schade te beperken - doch dit kan niet leiden tot het besluit dat de regularisatie die in het voorjaar van 2010 werd doorgevoerd, er op vraag van de [eiseres] is gekomen. Het is evident dat tussen de vaststelling door parket en inspectie van sociale en fiscale misdrijven en deze regularisatie een band van oorzaak en gevolg bestaat, die door de "vrijwillige" medewerking van de [eiseres] en de door haar gedane betaling - die, gelet op afwezigheid van betwisting "ten gronde", absoluut in haar voordeel was, nu zij inzonderheid aan de beta-ling van bijkomende intrest kon ontsnappen - niet wordt verbroken, zelfs niet wanneer men er rekening mee houdt dat het sociaal secretariaat SD Worx hulp heeft verleend bij het berekenen van de hoogte van de schuld-vordering. Men zou bijna gaan geloven dat de [eiseres] de fraude spontaan aan de overheid heeft gemeld.

De [eiseres] poogt ten slotte aan de toepassing van de zevenjarige termijn te ontsnappen door voor te houden dat de [verweerder] misbruik van recht heeft gepleegd, inzonderheid de bereidwilligheid van de [eiseres] ("goede trouw") heeft misbruikt om een ambtshalve regularisatie te kunnen doorvoeren. Wanneer dit zo mocht zijn, quod non, dan zou één en ander niet tot het niet-toepassen van de wettelijke verjaringstermijn kunnen leiden, doch enkel tot een - hier niet geformuleerde - vordering tot het be-komen van schadevergoeding ex art. 1382-1383 B.W..

Uit geen der overgelegde stukken blijkt overigens dat de [verweerder] (of de inspectie - maar de [verweerder] is natuurlijk niet verantwoordelijk voor fouten en tekortkomingen die aan die kant zouden zijn begaan) de [eiseres] heeft laten geloven dat zij de zaak kon regelen zonder betaling van bijdrageopslagen en intrest.

De beweerde misleiding bestaat enkel in de perceptie van de [eiseres].

De [eiseres] kan de [verweerder] niet verwijten gebruik te hebben gemaakt van het voordeel dat hem sinds 1 januari 2009 door de invoering van de zevenjarige termijn werd verleend."
(p. 7, onderaan t.e.m. p. 9, midden, punt 4.2.1.6, van het bestreden arrest)

Het arbeidshof verklaart tevens de tegenvordering van de eiseres ongegrond. Het steunt die beslissing op het volgende motief:

"4.4. De gegrondheid van de tegenvordering

De [eiseres] heeft geen enkel bedrag onverschuldigd betaald zodat haar tegenvordering ongegrond is."
(p. 9, punt 4.4, van het bestreden arrest)

Grieven

1.1. Krachtens artikel 42, eerste lid, eerste zin, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappe-lijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als de RSZ-wet, verjaren de schuldvorderingen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid (de verweerder) op de werkgevers die onder deze wet vallen na drie jaar vanaf de dag van de opeis-baarheid van de bedoelde schuldvorderingen. In afwijking van deze regel wordt de verjaringstermijn krachtens artikel 42, eerste lid, tweede zin, van diezelfde wet verlengd tot zeven jaar indien de schuldvorderingen van voormelde Rijksdienst (de verweerder) het gevolg zijn van ambtshalve regularisaties na de vaststelling, bij de werkgever, van bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige aangiften.

Opdat toepassing kan worden gemaakt van de verlengde verjaringstermijn van ze-ven jaar moeten de schuldvorderingen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid (de verweerder) krachtens artikel 42, eerste lid, tweede zin, van de RSZ-wet het gevolg zijn van ambtshalve regularisaties.

1.2. Een ambtshalve regularisatie in de zin van artikel 42, eerste lid, tweede zin, van de RSZ-wet veronderstelt de vaststelling van het werkelijk verschuldigde be-drag van de in artikel 23, § 1 en § 2, van die wet bedoelde socialezekerheidsbij-dragen, en van de in artikel 28, § 1, van die wet bedoelde bijdrageopslagen en interesten, dit is het concrete bedrag van de schuldvordering, op eigen initiatief van de Rijksdienst voor sociale zekerheid (de verweerder) en dus zonder vooraf-gaand initiatief van de betrokken werkgever.

Krachtens artikel 22, eerste lid, van de RSZ-wet bepaalt de Rijksdienst voor soci-ale zekerheid (de verweerder), wanneer geen dan wel een onvolledige of onjuiste driemaandelijkse aangifte is gedaan, ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen aan de hand van alle reeds voorhanden zijnde gegevens of na alle daartoe nuttig geachte inlichtingen te hebben ingewonnen bij de werkgever of de curator, die verplicht is ze te verstrekken. Dat gebeurt in de regel door het opma-ken en verzenden van een "bericht tot wijziging van aangifte" door de Rijksdienst voor sociale zekerheid (de verweerder). Krachtens artikel 22, tweede lid, van die-zelfde wet wordt de werkgever of de curator van het bedrag van de aldus vastge-stelde schuldvordering bij aangetekende brief kennis gegeven.

De tot de toepassing van de zevenjarige verjaringstermijn aanleiding gevende ambtshalve regularisatie in de zin van artikel 42, eerste lid, tweede zin, van de RSZ-wet geschiedt dus in de regel door het opmaken en verzenden aan de werkgever van een bericht tot wijziging van bijdragen door de Rijksdienst voor sociale zekerheid (de verweerder) waarbij het werkelijk verschuldigde bedrag van de in artikel 23, § 1 en § 2, van die wet bedoelde socialezekerheidsbijdragen, en van de in artikel 28, § 1, van die wet bedoelde bijdrageopslagen en interesten, dit is het concrete bedrag van de schuldvordering, op eigen initiatief van de Rijks-dienst voor sociale zekerheid (de verweerder) wordt vastgesteld.

Een door de werkgever gedane spontane gedeeltelijke betaling van socialeze-kerheidsbijdragen vóór het opmaken en de verzending van een bericht van wijzi-ging van bijdragen door de Rijksdienst voor sociale zekerheid (de verweerder), en dus vóór de met dat bericht doorgevoerde regularisatie, houdt wat betreft de betaalde bedragen een spontane regularisatie in op initiatief van de werkgever en brengt met zich dat voor de bedragen waarop die betaling betrekking heeft, niet meer kan worden besloten tot het bestaan van een ambtshalve regularisatie door de Rijksdienst voor sociale zekerheid (de verweerder) in de zin van artikel 42, eerste lid, tweede zin, van de RSZ-wet, en dat voor die bedragen dan ook geen toepassing kan worden gemaakt van de in de voornoemde bepaling voorziene verjaringstermijn van zeven jaar.

Uw Hof kan nagaan of de feitenrechter uit de door hem gedane feitelijke vaststel-lingen wettig kon afleiden dat al dan niet sprake is van een ambtshalve regulari-satie in de zin van artikel 42, eerste lid, tweede zin, van de RSZ-wet.

2. Uit de vaststellingen van het arbeidshof dat pas op 1 maart 2010 via de raads-man van de eiseres voorbehoud werd gemaakt, niet wat de eigenlijke bijdragen betreft, doch wat de bijdrageopslagen en interest betreft, terwijl meteen een ge-deeltelijke betaling werd gedaan, en dat, meteen nadat de verweerder het dossier in handen heeft gekregen, hij de nv Woningbouw Huyzentruyt, zijnde de rechts-voorgangster van de eiseres, op 29 april 2010 ervan heeft verwittigd dat tot ambtshalve regularisatie zou worden overgegaan, wat op 14 mei 2010 is gevolgd door het opmaken van een bericht van wijziging (p. 8, tweede alinea, vierde en vijfde streepje, van het bestreden arrest), blijkt dat de eiseres overging tot een ge-deeltelijke betaling van socialezekerheidsbijdragen (op 1 maart 2010) vooraleer de verweerder overging tot regularisatie door het opmaken van een bericht van wijzi-ging (op 14 mei 2010).

De door het arbeidshof vastgestelde "ambtshalve" regularisatie door het opmaken van een bericht van wijziging door de verweerder op 14 mei 2010, kan geen be-trekking hebben op de bedragen die blijkens de vaststellingen van het arbeidshof voordien reeds, op 1 maart 2010, door de eiseres werden betaald, zodat met be-trekking tot die door de eiseres betaalde bedragen geen toepassing kan worden gemaakt van de in artikel 42, eerste lid, tweede zin, van de RSZ-wet bepaalde ze-venjarige verjaringstermijn.

Door,

- na vastgesteld te hebben dat pas op 1 maart 2010 via de raadsman van de eiseres voorbehoud werd gemaakt, niet wat de eigenlijke bijdragen betreft, doch wat de bijdrageopslagen en interest betreft, terwijl meteen een gedeeltelijke betaling werd gedaan, en dat, meteen nadat de verweerder het dossier in handen heeft gekregen, hij de nv Woningbouw Huyzentruyt, zijnde de rechtsvoorgangster van de eiseres, op 29 april 2010 ervan heeft verwittigd dat tot ambtshalve regularisa-tie zou worden overgegaan, wat op 14 mei 2010 is gevolgd door het opmaken van een bericht van wijziging (p. 8, tweede alinea, vierde en vijfde streepje, van het bestreden arrest), en aldus dat de eiseres overging tot een gedeeltelijke beta-ling van socialezekerheids-bijdragen vooraleer de verweerder overging tot regularisatie door het opmaken van een bericht van wijziging,

- te beslissen dat het feit dat de raadslieden van de eiseres al "medio 2008" hebben gepoogd een overleg met de verweerder op gang te brengen - evident in een poging om de schade te beperken - niet kan leiden tot het besluit dat de regularisatie die in het voorjaar van 2010 werd doorgevoerd, er op vraag van de eiseres is gekomen (p. 8, laatste alinea, eerste zin, van het bestreden arrest), dat het evident is dat tussen de vaststelling door parket en inspectie van sociale en fiscale misdrijven en deze regularisatie een band van oorzaak en gevolg bestaat, die door de "vrijwillige" medewerking van de eiseres en de door haar gedane betaling (- die, gelet op afwezigheid van betwisting "ten gronde", absoluut in haar voordeel was, nu zij inzonderheid aan de betaling van bijkomende interest kon ontsnappen -) niet wordt verbroken, zelfs niet wanneer men er rekening mee houdt dat het sociaal secretariaat SD Worx hulp heeft verleend bij het berekenen van de hoogte van de schuldvordering (p. 8, onderaan t.e.m. p. 9, bovenaan, van het bestreden arrest), en dat de eiseres de verweerder niet kan verwijten gebruik te hebben gemaakt van het voordeel dat hem sinds 1 januari 2009 door de invoering van de zevenjarige termijn werd verleend (p. 9, derde volledige alinea, van het bestreden arrest), en aldus te beslissen tot het bestaan van een ambtshalve regularisatie door de verweerder en tot de toepassing van de zevenjarige verja-ringstermijn ook wat betreft de door de eiseres op 1 maart 2010 betaalde bedragen, schendt het arbeidshof de artikelen 22, inzonderheid eerste en tweede lid, 23 § 1 en § 2, 28, § 1, en 42, eerste lid, eerste en tweede zin, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschap-pelijke zekerheid der arbeiders, uit de samenlezing waarvan volgt dat een door de werkgever (de eiseres) gedane spontane gedeeltelijke betaling van socialezeker-heidsbijdragen vóór het opmaken en de verzending van een bericht van wijziging van bijdragen door de Rijksdienst voor sociale zekerheid (de verweerder), en dus vóór de met dat bericht doorgevoerde regularisatie, wat betreft de betaalde bedra-gen een spontane regularisatie inhoudt op initiatief van de werkgever (de eiseres) en met zich meebrengt dat voor de bedragen waarop die betaling betrekking heeft, niet meer kan worden besloten tot het bestaan van een ambtshalve regularisatie door de Rijksdienst voor sociale zekerheid (de verweerder) in de zin van artikel 42, eerste lid, tweede zin, van de voornoemde wet, en bijgevolg dat voor die be-taalde bedragen geen toepassing kan worden gemaakt van de in de voornoemde bepaling voorziene verjaringstermijn van zeven jaar.

 

Conclusie

Het arbeidshof beslist niet wettig dat de eiseres de verweerder niet kan verwijten gebruik te hebben gemaakt van het voordeel dat hem sinds 1 januari 2009 door de invoering van de zevenjarige termijn werd verleend wat betreft de door de eiseres op 1 maart 2010 betaalde bedragen (schending van de artikelen 22, inzonderheid eerste en tweede lid, en 42, eerste lid, eerste en tweede zin, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Het arbeidshof bevestigt bijgevolg niet wet-tig het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank Kortrijk (afdeling Kortrijk) van 18 december 2012 in zoverre het de hoofdvordering van de verweerder ontvankelijk verklaart, verklaart die hoofdvordering niet wettig gegrond, veroordeelt de eiseres niet wettig tot het betalen aan de verweerder van een bedrag van euro 450.029,18, vermeerderd met de verwijlinterest op een bedrag van euro 37.013,84 vanaf 29 juli 2010, en verklaart niet wettig de tegenvordering van de eiseres ongegrond (schending van de artikelen 22, inzonderheid eerste en tweede lid, 23 § 1 en § 2, 28, § 1, en 42, eerste lid, eerste en tweede zin, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders).

TOELICHTING

Het middel komt op tegen de beslissing van het arbeidshof dat toepassing dient te worden gemaakt van de zevenjarige verjaringstermijn bedoeld in artikel 42, eerste lid, tweede zin, van de RSZ-wet (en dus niet van de principiële driejarige verja-ringstermijn bedoeld in artikel 42, eerste lid, eerste zin, van de RSZ-wet) om reden dat sprake is van een ambtshalve regularisatie (na de vaststelling bij de werkgever van bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige verklaringen), zodat de hoofdvordering van de verweerder niet is verjaard (en dus ontvankelijk en gegrond is).

1. Krachtens artikel 42, eerste lid, eerste zin, van de RSZ-wet verjaren de schuld-vorderingen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid (de verweerder) op de werkgevers die onder deze wet vallen na drie jaar vanaf de dag van de opeisbaar-heid van de bedoelde schuldvorderingen. In afwijking van deze regel wordt de verjaringstermijn krachtens artikel 42, eerste lid, tweede zin, van diezelfde wet verlengd tot zeven jaar indien de schuldvorderingen van voormelde Rijksdienst (de verweerder) het gevolg zijn van ambtshalve regularisaties na de vaststelling, bij de werkgever, van bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige aangiften.

Opdat toepassing kan worden gemaakt van de verlengde verjaringstermijn van ze-ven jaar moeten de schuldvorderingen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid (de verweerder) dus het gevolg zijn van ambtshalve regularisaties.

Onder "ambtshalve" dient verstaan te worden uit eigen beweging (van de Rijks-dienst voor sociale zekerheid), zonder voorafgaand initiatief van de betrokkene (werkgever).

De ambtshalve regularisatie slaat hier uiteraard op de regularisatie op socialeze-kerheidsrechtelijk vlak door de Rijksdienst voor sociale zekerheid.

Een (ambtshalve) regularisatie door de Rijksdienst voor sociale zekerheid veron-derstelt de vaststelling van het werkelijk verschuldigde bedrag van socialezeker-heidsbijdragen, bijdrageopslagen en interesten. De loutere verklaring dat bijdragen verschuldigd zijn in het socialezekerheidsstelsel voor werknemers zonder vaststelling van het concrete bedrag van de schuldvordering, volstaat niet om te besluiten tot het bestaan van een regularisatie.

Wanneer geen dan wel een onvolledige of onjuiste driemaandelijkse aangifte is gedaan, bepaalt de Rijksdienst voor sociale zekerheid ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen aan de hand van alle reeds voorhanden zijnde gegevens of na alle daartoe nuttig geachte inlichtingen te hebben ingewonnen bij de werkgever, of de curator die verplicht is ze te verstrekken (art. 22, eerste lid, RSZ-wet). Dat gebeurt in de regel door het opmaken en verzenden van een "be-richt tot wijziging van aangifte (bijdragen)" door de Rijksdienst voor sociale ze-kerheid. Van het bedrag van de aldus vastgestelde schuldvordering wordt de werkgever of de curator bij aangetekende brief kennis gegeven (art. 22, tweede lid, RSZ-wet).

De hierboven bedoelde ambtshalve regularisatie door de Rijksdienst voor sociale zekerheid zal dus in de regel geschieden door het opmaken en verzenden aan de werkgever van een bericht tot wijziging van bijdragen.

Een door de werkgever gedane spontane gedeeltelijke betaling van socialeze-kerheids-bijdragen vóór het opmaken en de verzending van een bericht van wij-ziging van bijdragen door de Rijksdienst voor sociale zekerheid (de verweerder), en dus vóór de met dat bericht doorgevoerde regularisatie, houdt wat betreft de betaalde bedragen een spontane regularisatie in op initiatief van de werkgever en brengt met zich mee dat voor de bedragen waarop die betaling betrekking heeft, niet meer kan worden besloten tot het bestaan van een ambtshalve regularisatie door de Rijksdienst voor sociale zekerheid (de verweerder) in de zin van artikel 42, eerste lid, tweede zin, van de RSZ-wet. Voor die door de werkgever betaalde bedragen kan dan ook geen toepassing worden gemaakt van de in de voornoemde bepaling voorziene verjaringstermijn van zeven jaar (en dient dus wel toepassing gemaakt te worden van de principiële in artikel 42, eerste lid, eer-ste zin, van de RSZ-wet bepaalde verjaringstermijn van drie jaar).

Aangezien het in artikel 42, eerste lid, tweede zin, van de RSZ-wet bepaalde be-grip "ambtshalve regularisatie" een rechtsbegrip uitmaakt, kan uw Hof nagaan of de feitenrechter uit de door hem gedane feitelijke vaststellingen wettig kon aflei-den dat al dan niet sprake is van een dergelijke ambtshalve regularisatie.

2. Uit de vaststellingen van het arbeidshof dat pas op 1 maart 2010 via de raads-man van de eiseres voorbehoud werd gemaakt, niet wat de eigenlijke bijdragen betreft, doch wat de bijdrageopslagen en interest betreft, terwijl meteen een ge-deeltelijke betaling werd gedaan, en dat, meteen nadat de verweerder het dossier in handen heeft gekregen, hij de nv Woningbouw Huyzentruyt (rechtsvoorgang-ster van de eiseres) op 29 april 2010 ervan heeft verwittigd dat tot ambtshalve re-gularisatie zou worden overgegaan wat op 14 mei 2010 is gevolgd door het op-maken van een bericht van wijziging (p. 8, tweede alinea, vierde en vijfde streepje, van het bestreden arrest), blijkt dat de eiseres overging tot een gedeeltelijke be-taling van socialezekerheidsbijdragen (op 1 maart 2010) vooraleer de verweerder overging tot regularisatie door het opmaken van een bericht van wijziging (op 14 mei 2010).

De door het arbeidshof vastgestelde "ambtshalve" regularisatie door het opmaken van een bericht van wijziging door de verweerder op 14 mei 2010, kan geen be-trekking hebben op de bedragen die blijkens de vaststellingen van het arbeidshof voordien reeds, op 1 maart 2010, door de eiseres werden betaald, zodat met be-trekking tot die door de eiseres betaalde bedragen geen toepassing kan worden gemaakt van de in artikel 42, eerste lid, tweede zin, van de RSZ-wet bepaalde ze-venjarige verjaringstermijn.

Een door de werkgever (de eiseres) gedane spontane betaling van socialezekerheidsbijdragen (vóór de verzending van een bericht van wijziging van bijdragen door de verweerder) houdt wat betreft de betaalde bedragen een spontane regularisatie in op initiatief van de werkgever (de eiseres) en brengt met zich mee dat voor de bedragen waarop die betaling betrekking heeft, niet meer kan worden besloten tot het bestaan van een ambtshalve regularisatie door de Rijksdienst voor sociale zekerheid (de verweerder).

Na vastgesteld te hebben dat door de eiseres (werkgever) op 1 maart 2010, dit is vóór het opmaken van een bericht van wijziging van bijdragen door de verweerder (de Rijksdienst voor sociale zekerheid) op 14 mei 2010, een gedeeltelijke betaling werd gedaan, kan het arbeidshof niet wettig beslissen tot het bestaan van een ambtshalve regularisatie en dus tot de toepassing van de zevenjarige verjaringstermijn wat betreft de bedragen waarop die gedeeltelijke betaling betrekking heeft. Wat die door de eiseres betaalde bedragen betreft diende toepassing te worden gemaakt van de principiële driejarige verjaringstermijn. Het arbeidshof kan aldus uit zijn feitelijke vaststellingen niet wettig besluiten tot het bestaan van een ambtshalve regularisatie wat betreft de bedragen die voordien spontaan door de eiseres werden betaald en waarop de door de eiseres gedane gedeeltelijke betaling dus betrekking heeft.

3. De gedeeltelijke betaling van de eiseres had betrekking op een groter bedrag dan dat welk verschuldigd zou zijn met toepassing van de driejarige verjarings-termijn, zodat zij het verschil (volgens haar euro 788.521,42) tussen het volledige betaalde bedrag (volgens haar euro 1.067.644,59) en het bedrag dat verschuldigd is met toepassing van de driejarige verjaringstermijn (volgens haar euro 279.123,17) bij wijze van tegenvordering terugvorderde. Het cassatiemiddel zou er dus toe leiden dat de Rijksdienst voor sociale zekerheid (de verweerder) dat verschil, waarvoor de verjaring met toepassing van de driejarige verjaringstermijn was ingetreden, op grond van onverschuldigde betaling dient terug te betalen.

Wat betreft het teveel betaalde boven wat verschuldigd zou zijn met toepassing van de verjaringstermijn van drie jaar, heeft het arbeidshof dus niet wettig beslist tot de toepasselijkheid van de zevenjarige verjaringstermijn, aangezien dat te veel betaalde niet het gevolg is van een ambtshalve regularisatie, maar werd betaald vóór de met het bericht van wijziging van bijdragen doorgevoerde regularisatie, zodat voor die betaalde bedragen toepassing dient te worden gemaakt van de principiële verjaringstermijn van drie jaar.

 

 

 

OM DEZE REDENEN

Concludeert de eiseres dat het uw Hof behage
- de bestreden beslissing te vernietigen,
- de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander arbeidshof,
- uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Gent, 25 juni 2015

Voor de eiseres,

 

Stuk dat bij deze voorziening wordt gevoegd:
1. pro-fiscoverklaring (zaak voor de arbeidsgerechten over een geschil (hoofd-vordering in hoger beroep) waarvan de waarde hoger is dan euro 250.000 en lager is dan euro 500.000)

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 07/01/2018 - 09:20
Laatst aangepast op: zo, 07/01/2018 - 09:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.