Verjaring ten aanzien van de overheid aanvangstermijn
Grondwettelijk Hof, 4 juni 2009
Samenvatting
Volgens art. 100, eerste lid, 1o, van de bij K.B. van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit zijn de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen. Die bepaling schendt art. 10 en 11 van de Grondwet wanneer ze in die zin wordt geïnterpreteerd dat de erin geregelde verjaringstermijn ten aanzien van een vordering tot vrijwaring begint te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de hoofdvordering is ontstaan. Dezelfde bepaling schendt art. 10 en 11 van de Grondwet niet wanneer zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat de erin geregelde verjaringstermijn ten aanzien van een vordering tot vrijwaring begint te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan het recht om de vordering tot vrijwaring in te stellen is ontstaan.
tekst ven het Arrest nr. 97/2009
Onderwerp van de prejudiciële vraag
Bij vonnis van 13 oktober 2008 heeft de Politierechtbank te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld: «Schendt art. 1, eerste lid, a), van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, alleen en/of in samenhang met art. 100, eerste lid, van de Wet Rijkscomptabiliteit (gecoördineerd bij K.B. van 17 juli 1991), zoals van kracht vóór 1 januari 2007, art. 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat het eraan in de weg staat dat een gemeente (of een particulier) in een aansprakelijkheidsgeding een vordering in vrijwaring stelt tegen de Staat of het (Vlaamse) Gewest, en zulks doordat het artikel inzake extracontractuele vorderingen tegen de Staat (en dus ook het Vlaamse Gewest) een verjaringstermijn bepaalt van vijf jaar lopende vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan die vordering ontstond, terwijl inzake extracontractuele vorderingen tegen de gemeente een (langere) verjaringstermijn vanaf de schadeverwekkende gebeurtenis van toepassing is (art. 2262bis B.W.), hetgeen impliceert dat een extracontractuele vordering onder bepaalde omstandigheden als verjaard wordt beschouwd tegen de Staat (Vlaamse Gewest), maar niet tegen de gemeente?».
...
In rechte
...
B.1. Art. 1 van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën vormt thans art. 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij K.B. van 17 juli 1991, dat bepaalt:
«Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen:
1o de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan;
2o de schuldvorderingen, die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1o bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd;
3o alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan.
Voor de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen blijft evenwel de tienjarige verjaring gelden; zij dienen te worden uitbetaald door de zorg van de Deposito- en Consignatiekas».
Tot de inwerkingtreding van de wet van 16 mei 2003 «tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof» blijft die bepaling eveneens van toepassing, krachtens art. 71, § 1, van de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989, op de gemeenschappen en de gewesten. Op grond van art. 11 van de programmawet (II) van 27 december 2006 (Belgisch Staatsblad, 28 december 2006, derde uitgave), waarbij art. 17 van de voormelde wet van 16 mei 2003 wordt gewijzigd, kan de inwerkingtreding van die wet van 16 mei 2003 door de Koning worden uitgesteld tot uiterlijk 1 januari 2010. Bij K.B. van 7 juni 2007 (Belgisch Staatsblad, 9 juli 2007) werd die inwerkingtreding, voor wat de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest betreft, uitgesteld tot 1 januari 2010.
B.2. Vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring bedroeg de gemeenrechtelijke verjaringstermijn dertig jaar. Het nieuwe art. 2262bis, § 1, B.W., ingevoegd door voormelde wet, bepaalt dat de persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar, met uitzondering van de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, die verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, waarbij die vorderingen in ieder geval verjaren door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. Wanneer de rechtsvordering vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 is ontstaan, bepaalt art. 10 van die wet bij wijze van overgangsmaatregel dat de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet pas lopen vanaf haar inwerkingtreding.
B.3. De feiten van het voor de verwijzende rechter hangende geschil en de motivering van de verwijzingsbeslissing doen ervan blijken dat het Hof wordt gevraagd of de in het geding zijnde bepaling verenigbaar is met art. 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij meebrengt dat een gemeente zou worden verhinderd om in een aansprakelijkheidsgeding een vordering tot vrijwaring in te stellen tegen het Vlaamse Gewest, doordat voor schuldvorderingen op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van het Vlaamse Gewest is voorzien in een vijfjarige verjaringstermijn, te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan, terwijl voor vorderingen op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van een gemeente is voorzien in een verjaringstermijn die loopt vanaf de schadeverwekkende gebeurtenis (art. 2262bis B.W.), zodat een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering, ingesteld door een derde tegen het Vlaamse Gewest en tegen een gemeente, in bepaalde omstandigheden als verjaard zou moeten worden beschouwd in zoverre ze is gericht tegen het Vlaamse Gewest, maar niet in zoverre ze is gericht tegen de gemeente, die door de verjaring van de vordering tegen het Vlaamse Gewest zou worden verhinderd een vordering tot vrijwaring in te stellen tegen dat Gewest.
B.4. Zoals het Hof in de arresten nrs. 32/96, 75/97, 5/ 99, 85/2001, 42/2002, 64/2002, 37/2003, 1/2004, 86/ 2004, 127/2004, 165/2004, 170/2004, 153/2006, 90/ 2007, 122/2007, 124/2007, 17/2008 en 97/2008 heeft geoordeeld, heeft de wetgever, door de vorderingen gericht tegen de Staat aan de vijfjarige verjaring te onderwerpen, een maatregel genomen die in verband staat met het nagestreefde doel dat erin bestaat de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten. Er werd immers geoordeeld dat een dergelijke maatregel noodzakelijk was omdat de Staat op een bepaald ogenblik zijn rekeningen moet kunnen afsluiten: het is een verjaring van openbare orde, die noodzakelijk is in het licht van een goede comptabiliteit (Pasin. 1846, p. 287).
Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 februari 1970 werd herbevestigd dat «de Staat, die jaarlijks meer dan 150 miljard uitgeeft en met het bestuursapparaat werkt dat log, ingewikkeld, en dan nog overstelpt is met documenten en archiefstukken, (...) wel een debiteur van heel bijzondere aard» is en dat «het wegens orderedenen geboden is zo spoedig mogelijk een einde te maken aan eisen die hun oorsprong vinden in achterstallige zaken» (Parl. St. Kamer, 1964-1965, nr. 971/1, p. 2; Parl. St. Senaat, 1966-1967, nr. 126, p. 4). Analoge argumenten verantwoorden tevens de bijzondere verjaringstermijn voor schuldvorderingen tegen het Vlaamse Gewest.
De omstandigheid dat de verjaringstermijn van de schuldvorderingen tegen de Staat en het Vlaamse Gewest reeds een aanvang neemt op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan – en bijgevolg daadwerkelijk bijna steeds voordat de vordering is ontstaan – vloeit voort uit het specifieke criterium dat wordt gehanteerd om de verjaringstermijn te berekenen. De keuze van dat criterium wordt verantwoord door de eigenheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten als schuldenaars van die vorderingen. Doordat die berekeningswijze een concrete verjaringstermijn oplevert van ten minste vier jaar na het ontstaan van de schuldvordering, dat wil zeggen vanaf het ogenblik dat alle constitutieve elementen aanwezig zijn, namelijk een fout, een schade en het oorzakelijke verband tussen beide, heeft de maatregel, rekening houdend met de doelstelling ervan, in beginsel geen onevenredige gevolgen.
B.5. In het arrest nr. 32/96 van 15 mei 1996 heeft het Hof echter geoordeeld dat de in art. 100, eerste lid, 1o, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit bepaalde verjaringstermijn onevenredige gevolgen heeft voor personen die in de onmogelijkheid verkeren om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden, omdat de schade die zij hebben geleden pas na het verstrijken van die termijn tot uiting is gekomen.
Om dezelfde redenen heeft het Hof in de arresten nrs. 153/2006 en 90/2007 vastgesteld dat de in het geding zijnde bepaling eveneens discriminerend is in zoverre zij voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid, wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn kunnen worden vastgesteld.
B.6.1. De huidige prejudiciële vraag doet ervan blijken dat de verwijzende rechter de in het geding zijnde bepaling interpreteert in die zin dat de erin geregelde verjaringstermijn ten aanzien van een vordering tot vrijwaring begint te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de hoofdvordering is ontstaan.
B.6.2. Die interpretatie leidt ertoe dat een tegen het Vlaamse Gewest gerichte vordering tot vrijwaring reeds kan zijn verjaard vooraleer ze kan worden ingesteld.
B.7. In die interpretatie heeft de in het geding zijnde bepaling onevenredige gevolgen voor personen die in het raam van een aansprakelijkheidsgeding in de onmogelijkheid verkeren een vordering tot vrijwaring in te stellen en dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.
B.8. De in het geding zijnde bepaling kan echter ook worden geïnterpreteerd in die zin dat de erin geregelde verjaringstermijn ten aanzien van een vordering tot vrijwaring begint te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan het recht om de vordering tot vrijwaring in te stellen is ontstaan.
B.9. In die interpretatie heeft de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen en dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.
NOOT – Zie en vergelijk: Arbitragehof 15 juni 1996, nr. 32/96, R.W. 1996-97, 292, noot D. De Keuster; Arbitragehof 18 oktober 2006, nr. 153/2006, R.W. 2006-07, 1234; Grwh. 20 juni 2007, nr. 90/2007, R.W. 2007-08, noot. Zie daarover ook: J. Baeck, «Verjaring van buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen tegen de overheid: een doolhof met achter elke hoek een nieuwe discriminatie?», R.W. 2006-07, 1254-1257.
- Doelgroep:
- Elfricon trefzinnen:
- Instantie:
- Kernwoorden:
- Toepassingsgebied:
- Topics:
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.

