-A +A

Verkoopconcessie - Bevoegdheid - Internationale rechtsmacht - Artikelen 2 en 5, 1. EEX-Vo. - Artikel 4 concessiewet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Justitie
Datum van de uitspraak: 
don, 19/12/2013

Artikel 2 van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een nationale bevoegdheidsregel zoals die van artikel 4 van de Belgische wet van 27 juli 1961 wordt toegepast wanneer de verweerder woonplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van de aangezochte rechter.

De concessieovereenkomst heeft in de regel de vorm van een kaderovereenkomst, waarin de algemene regels zijn vastgesteld die zullen gelden voor de betrekkingen tussen de concessiegever en de concessiehouder wat betreft hun leverings- en/of bevoorradingsverbintenis, en die de daaropvolgende koopovereenkomsten voorbereidt. Partijen stipuleren hierbij ook vaak bijzondere bepalingen inzake de distributie door de concessiehouder van de door de concessiegever verkochte goederen.

De bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 5, 1. van de verordening voor verbintenissen uit overeenkomst, waarmee de algemene regel dat het gerecht van de woonplaats van de verweerder bevoegd is, beantwoordt aan een doelstelling van nabijheid en is ingegeven door de wenselijkheid van een nauwe band tussen de overeenkomst en het gerecht dat daarvan kennis moet nemen.

Wat de plaats van uitvoering van verbintenissen uit overeenkomsten inzake koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken betreft, omschrijft artikel 5, 1., sub b), eerste streepje van de verordening dit aanknopingspunt op autonome wijze, ter bevordering van de doelstellingen van eenvormigheid van de regels inzake rechterlijke bevoegdheid en voorspelbaarheid.

Artikel 5, 1., sub b), tweede streepje van de verordening beoogt dezelfde doelstellingen, aangezien de bijzondere bevoegdheidsregels waarin de verordening voorziet voor overeenkomsten inzake koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken en tot verstrekking van diensten dezelfde ontstaansgeschiedenis hebben, hetzelfde doel nastreven en in het door deze verordening ingevoerde systeem dezelfde plaats innemen.

Tegen de achtergrond van die doelstellingen moet worden onderzocht of een concessieovereenkomst onder een van de twee in artikel 5, 1., sub b) van de verordening bedoelde categorieën van overeenkomsten valt.

Om een overeenkomst te kwalificeren uit het oogpunt van die bepaling, moet worden uitgegaan van de kenmerkende verbintenis van de betrokken overeenkomst .

Een overeenkomst waarvan de kenmerkende verbintenis de levering van een goed is, moet als een “koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken” in de zin van artikel 5, 1., sub b), eerste streepje van de verordening worden gekwalificeerd.

Een duurzame handelsbetrekking tussen twee ondernemers kan in die zin worden gekwalificeerd wanneer die verhouding niet verder gaat dan het sluiten van opeenvolgende overeenkomsten die elk de levering en afhaling van goederen tot voorwerp hebben. Die kwalificatie beantwoordt echter niet aan de opzet van een typische concessieovereenkomst, die een kaderovereenkomst is met als voorwerp een leverings- en bevoorradingsverbintenis die twee ondernemers voor de toekomst sluiten en specifieke bedingen bevat inzake de distributie door de concessiehouder van de door de concessiegever verkochte goederen.

Aangaande de vraag of een concessieovereenkomst kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot “verstrekking van diensten” in de zin van artikel 5, 1., sub b), tweede streepje van de verordening, zij eraan herinnerd dat het begrip “diensten” in de zin van die bepaling volgens de definitie van het Hof op zijn minst inhoudt dat de partij die ze verstrekt, tegen vergoeding een bepaalde activiteit verricht.

Het eerste criterium van die definitie, het bestaan van een activiteit, vereist volgens de rechtspraak van het Hof positieve handelingen, hetgeen een eenvoudig achterwege laten uitsluit. Dat criterium stemt in het geval van een concessieovereenkomst overeen met de kenmerkende verrichting van de concessiehouder, die de verspreiding van de producten van de concessiegever mede bevordert door de distributie ervan te verzekeren.

Dankzij de gegarandeerde bevoorrading die hij geniet op grond van de overeenkomst en, in voorkomend geval, zijn deelname aan de commerciële strategie van de concessiegever, in het bijzonder aan reclameacties - elementen waarvan de vaststelling aan de nationale rechter staat - is de concessiehouder in staat zijn klanten diensten en voordelen aan te bieden die een gewone doorverkoper niet kan bieden en op die manier een groter deel van de lokale markt te veroveren voor de producten van de concessiegever.

Het tweede criterium, de vergoeding als tegenprestatie voor een activiteit, hoeft niet strikt te worden opgevat als de betaling van een som geld. Een dergelijke beperking vloeit niet voort uit de zeer algemene bewoordingen van artikel 5, 1., sub b), tweede streepje van de verordening en staat voorts ook los van de in de punten 30 tot en met 32 van het onderhavige arrest genoemde doelstellingen van nabijheid en eenvormigheid die deze bepaling nastreeft.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/8-9
Pagina: 
649
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(C.-C. SA / M.d.W. SA - Rolnr.: C-9/12)

(…)

Arrest

1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2 en 5, 1., sub a) en b) van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Pb. 2001, L. 12, p. 1; hierna: “verordening”).

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de in België gevestigde onderneming C.-C. SA (hierna: “C.”) en de in Frankrijk gevestigde onderneming M.d.W. SA (hierna: “M.d.W.”) over een schadevordering wegens opzegging van een verkoopconcessie voor roerende lichamelijke zaken tussen die ondernemingen.

Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3. In de verordening is in lid 1. van artikel 2, dat is opgenomen in Afdeling 1 (“Algemene bepalingen”) van Hoofdstuk II inzake bevoegdheid, het beginsel vastgesteld dat “[0]nverminderd deze verordening […] zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, [worden] opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

4. Artikel 3 van de verordening, dat ook is opgenomen in Afdeling 1 van Hoofdstuk II, bepaalt:

“1. Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.

2. Tegen hen kan in het bijzonder geen beroep worden gedaan op de in bijlage I opgenomen nationale bevoegdheidsregels.”

5. Artikel 5, in Afdeling 2 (“Bijzondere bevoegdheden”) van Hoofdstuk II van de verordening bepaalt:

“Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1. a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b) voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;
voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;
c) punt a is van toepassing indien punt b niet van toepassing is;

[…]”

Belgisch recht
6. De wet van 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop (BS 5 oktober 1961, p. 7.518), zoals gewijzigd bij de wet van 13 april 1971 betreffende eenzijdige beëindiging van de verkoopconcessies (BS 21 april 1971, p. 4.996; hierna: “Belgische wet van 27 juli 1961”), omschrijft in artikel 1, tweede lid, een “verkoopconcessie” als “iedere overeenkomst krachtens welke een concessiegever aan een of meer concessiehouders het recht voorbehoudt in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen, die hijzelf vervaardigt of verdeelt”.

7. Artikel 4 van die wet luidt:

“De benadeelde concessiehouder kan, bij de beëindiging van een verkoopconcessie met uitwerking voor het gehele Belgische grondgebied of een deel ervan, in elk geval de concessiegever in België dagvaarden, hetzij voor de rechter van zijn eigen woonplaats, hetzij voor de rechter van de woonplaats of de zetel van de concessiegever.

Ingeval het geschil voor een Belgische rechtbank wordt gebracht, zal deze uitsluitend de Belgische wet toepassen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8. Tussen C. en M.d.W. bestond ongeveer 10 jaar een handelsbetrekking, in het kader waarvan de eerstgenoemde onderneming whisky's van verschillende merken kocht bij de tweede, die zij in ontvangst nam in Frankrijk en in België doorverkocht.

9. Gedurende deze gehele periode heeft C. gebruikgemaakt van de benaming “M.d.W. Belgique” en van een website met de naam “www.whisky.be” zonder dat dit gebruik leidde tot enige reactie van M.d.W. Daarnaast stonden de adresgegevens van C. in het tijdschrift “Whisky Magazine”, dat door een dochteronderneming van M.d.W. werd uitgegeven.

10. In december 2010 heeft M.d.W. C. verboden om de benaming “M.d.W. Belgique” te gebruiken en de website “www.whisky.be” gesloten. In februari 2011 heeft zij C. ingelicht dat zij vanaf 1 april respectievelijk 1 september 2011 de exclusieve distributie van de twee merken van haar producten zou toekennen aan een andere onderneming, bij wie C. voortaan haar bestellingen kon plaatsen.

11. C. heeft M.d.W. gedagvaard voor de rechtbank van koophandel te Verviers, primair tot betaling van een vergoeding wegens opzegging en een aanvullende schadevergoeding op basis van de Belgische wet van 27 juli 1961.

12. M.d.W. heeft de territoriale bevoegdheid van de aangezochte rechter betwist op grond dat de Franse gerechten bevoegd zijn krachtens artikel 2 van de verordening. In repliek op dit bezwaar heeft C. artikel 4 van de genoemde Belgische wet aangevoerd.

13. In dat verband zijn partijen in het hoofdgeding het oneens over de kwalificatie van hun handelsbetrekking. Volgens C. betrof het een concessieovereenkomst, terwijl M.d.W. stelt dat het ging om eenvoudige koopovereenkomsten, die werden gesloten op basis van wekelijkse bestellingen volgens C.'s wensen.

14. In zijn verwijzingsbeslissing stelt de rechtbank van koophandel te Verviers uitdrukkelijk vast dat C. en M.d.W. waren “gebonden […] door een mondelinge overeenkomst” en dat “op basis van […] de Belgische wet van 27 juli 1961, […] de juridische relatie tussen partijen aangemerkt [kan] worden als een verkoopconcessie, aangezien verzoekster de bij verweerster aangekochte producten mocht doorverkopen op het Belgische grondgebied”.

15. De verwijzende rechter betwijfelt echter of hij zijn bevoegdheid kan baseren op de regel van artikel 4 van de Belgische wet van 27 juli 1961. Hij merkt op dat krachtens artikel 2 van de verordening - die volgens hem in casu van toepassing is - de Franse gerechten bevoegd zijn, maar dat ook artikel 5, 1. van die verordening zou kunnen worden toegepast. Gelet op de rechtspraak van het Hof vraagt hij zich in dit verband af of een verkoopconcessie moet worden aangemerkt als een overeenkomst inzake koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken en/of als een overeenkomst tot verstrekking van diensten in de zin van artikel 5, 1., sub b) van de verordening. Indien een dergelijke overeenkomst op geen van deze wijzen kan worden gekwalificeerd, moet worden vastgesteld wat in het hoofdgeding de litigieuze verbintenis is die aan de eis ten grondslag ligt, in de zin van artikel 5, 1., sub a) van de verordening.

16. Gelet op die overwegingen heeft de rechtbank van koophandel te Verviers de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

“Moet artikel 2 van [de] verordening […], eventueel gelezen in samenhang met artikel 5, 1., sub a) of sub b), aldus worden uitgelegd dat deze bepaling zich verzet tegen een bevoegdheidsregel als die in artikel 4 van de Belgische wet van 27 juli 1961, die de Belgische rechter bevoegd verklaart wanneer de concessiehouder gevestigd is op Belgisch grondgebied en de verkoopconcessie geheel of gedeeltelijk werking heeft op datzelfde grondgebied, ongeacht de plaats van vestiging van de concessiegever, wanneer deze verweerder is?
Moet artikel 5, 1., sub a) van [de] verordening […] aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op een concessie voor de verkoop van roerende lichamelijke zaken op basis waarvan de ene partij producten koopt van de andere partij met het doel deze door te verkopen op het grondgebied van een andere lidstaat?
Indien de vorige vraag ontkennend moet worden beantwoord, moet artikel 5, 1., sub b) van [de] verordening […] dan aldus worden uitgelegd dat deze bepaling van toepassing is op een verkoopconcessie als in geding tussen de partijen in de onderhavige zaak?
Indien de twee vorige vragen ontkennend moeten worden beantwoord, ligt de litigieuze verbintenis in geval van opzegging van een verkoopconcessie dan bij de verkoper-concessiegever of bij de koper-concessiehouder?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
17. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bepalingen van de verordening zich ertegen verzetten dat indien een concessiegever die in een geding optreedt als verweerder woonplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van de aangezochte rechter, een nationale bevoegdheidsregel zoals die van artikel 4 van de Belgische wet van 27 juli 1961 wordt toegepast, op grond waarvan de nationale rechter kennis mag nemen van een geding over de opzegging van een verkoopconcessie wanneer de concessiehouder op het nationale grondgebied is gevestigd.

18. Wat in de eerste plaats het toepassingsgebied van de verordening betreft, blijkt uit punt 2 van de considerans daarvan dat die verordening ertoe strekt de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken eenvormig te maken, waarbij moet worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de toepassing van die regels vereist dat het geding een aanknopingspunt met het buitenland heeft (zie met name arrest van 17 november 2011, C-327/10, Hypotecni banka, Jur., p. I-11543, punt 29).

19. Krachtens punt 8 van de considerans van de verordening moeten de daarin opgenomen gemeenschappelijke regels in beginsel van toepassing zijn wanneer de verweerder woonplaats in een lidstaat heeft.

20. Wat in de tweede plaats de in de verordening neergelegde bevoegdheidsregels betreft, bepaalt de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2 dat wanneer de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, de gerechten van die lidstaat bevoegd zijn.

21. Artikel 3, 1. van de verordening preciseert dat van die basisregel enkel kan worden afgeweken in de gevallen zoals bepaald in de bevoegdheidsregels van de Afdelingen 2 tot en met 7 van Hoofdstuk II van die verordening. Dat artikel 3, lid 1, sluit dus impliciet maar noodzakelijkerwijs de toepassing van nationale bevoegdheidsregels uit. Die uitsluiting wordt bevestigd door lid 2. van datzelfde artikel, waarin wordt verwezen naar een niet-limitatieve lijst van nationale bevoegdheidsregels die niet kunnen worden ingeroepen.

22. Daaruit volgt dat zodra een geding met een buitenlands aanknopingspunt onder het materiële toepassingsgebied van de verordening valt - wat in casu niet wordt betwist - en de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat - wat het geval is in het hoofdgeding - de bevoegdheidsregels van de verordening in beginsel moeten worden toegepast en voorrang hebben op nationale bevoegdheidsregels.

23. Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2 van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een nationale bevoegdheidsregel zoals die van artikel 4 van de Belgische wet van 27 juli 1961 wordt toegepast wanneer de verweerder woonplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van de aangezochte rechter.

Tweede en derde vragen
24. Met deze vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, 1., sub b) van de verordening, dat betrekking heeft op de overeenkomsten inzake koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken en tot verstrekking van diensten, van toepassing is op een verkoopconcessie, dan wel of voor dit soort van overeenkomst op grond van artikel 5, 1., sub a) van de verordening moet worden bepaald welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van een op een dergelijke overeenkomst gebaseerde vordering.

25. Om die vragen te beantwoorden, moet in de eerste plaats het begrip concessieovereenkomst worden verduidelijkt.

26. Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt het begrip “verkoopconcessie”, dat de verwijzende rechter gebruikt in zijn prejudiciële vragen, niet gedefinieerd in het Unierecht en kan het verwijzen naar verschillende situaties in het recht van de lidstaten.

27. Maar hoe verscheiden de concessieovereenkomsten in het handelsverkeer ook zijn, de daarin opgenomen verbintenissen concentreren zich rond het doel van dat soort overeenkomsten, te weten de distributie verzekeren van de producten van de concessiegever.

Daartoe verbindt de concessiegever zich tot verkoop aan de concessiehouder - die hij met het oog daarop heeft uitgekozen - van de goederen die laatstbedoelde bestelt om te voldoen aan de vraag van zijn cliënteel en verbindt de concessiehouder zich ertoe bij de concessiegever de goederen aan te kopen die hij nodig heeft.

28. Volgens een in het recht van de lidstaten algemeen aanvaarde analyse, heeft de concessieovereenkomst de vorm van een kaderovereenkomst, waarin de algemene regels zijn vastgesteld die zullen gelden voor de betrekkingen tussen de concessiegever en de concessiehouder wat betreft hun leverings- en/of bevoorradingsverbintenis, en die de daaropvolgende koopovereenkomsten voorbereidt. Zoals de advocaat-generaal in punt 41 van zijn conclusie heeft opgemerkt, stipuleren partijen ook vaak bijzondere bepalingen inzake de distributie door de concessiehouder van de door de concessiegever verkochte goederen.

29. De tweede en de derde vragen moeten, voor zover zij betrekking hebben op de toepassing van artikel 5, 1. van de verordening op een concessieovereenkomst, worden beantwoord op basis van een typeovereenkomst met dergelijke verbintenissen, waarbij in dat verband zij gepreciseerd dat volgens de scheiding van de taken van de nationale rechterlijke instanties en het Hof waarop de procedure van artikel 267 VWEU berust, elke beoordeling van de feiten tot de bevoegdheid van de nationale rechter behoort (zie met name Besch. 14 november 2013, C-469/12, Krejci Lager & Umschlagbetrieb, punt 28 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

30. Wat in de tweede plaats de vraag betreft welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van een geding over een concessieovereenkomst in de hierboven gepreciseerde zin, zij er vooraf aan herinnerd dat aan de begrippen van de verordening in beginsel een autonome uitlegging moet worden gegeven, waarbij in de eerste plaats aansluiting moet worden gezocht bij het stelsel en de doelstellingen van deze verordening, teneinde de uniforme toepassing daarvan in alle lidstaten te verzekeren (zie met name arrest van 14 maart 2013, C-419/11, Ceská sporntelna, punt 25).

31. Aangaande de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 5, 1. van de verordening voor verbintenissen uit overeenkomst, waarmee de algemene regel dat het gerecht van de woonplaats van de verweerder bevoegd is, wordt aangevuld, heeft het Hof geoordeeld dat deze aan een doelstelling van nabijheid beantwoordt en is ingegeven door de wenselijkheid van een nauwe band tussen de overeenkomst en het gerecht dat daarvan kennis moet nemen (arrest van 11 maart 2010, C-19/09, Wood Floor Solutions Andreas Domberger, Jur., p. I-2121, punt 22 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

32. Voorts heeft het Hof erop gewezen dat, wat de plaats van uitvoering van verbintenissen uit overeenkomsten inzake koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken betreft, artikel 5, 1., sub b), eerste streepje van de verordening dit aanknopingspunt op autonome wijze omschrijft, ter bevordering van de doelstellingen van eenvormigheid van de regels inzake rechterlijke bevoegdheid en voorspelbaarheid (arrest Wood Floor Solutions Andreas Domberger, reeds aangehaald, punt 23 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Artikel 5, 1., sub b), tweede streepje van de verordening beoogt dezelfde doelstellingen, aangezien de bijzondere bevoegdheidsregels waarin de verordening voorziet voor overeenkomsten inzake koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken en tot verstrekking van diensten dezelfde ontstaansgeschiedenis hebben, hetzelfde doel nastreven en in het door deze verordening ingevoerde systeem dezelfde plaats innemen (arrest Wood Floor Solutions Andreas Domberger, reeds aangehaald, punt 26 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

33. Tegen de achtergrond van die doelstellingen moet worden onderzocht of een concessieovereenkomst onder een van de twee in artikel 5, 1., sub b) van de verordening bedoelde categorieën van overeenkomsten valt.

34. In dat verband heeft het Hof aangegeven dat om een overeenkomst te kwalificeren uit het oogpunt van die bepaling, moet worden uitgegaan van de kenmerkende verbintenis van de betrokken overeenkomst (arrest van 25 februari 2010, C-381/08, Car Trim, Jur., p. I-1255, punten 31 en 32).

35. Zo heeft het Hof geoordeeld dat een overeenkomst waarvan de kenmerkende verbintenis de levering van een goed is, als een “koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken” in de zin van artikel 5, 1., sub b), eerste streepje van de verordening moet worden gekwalificeerd (arrest Car Trim, reeds aangehaald, punt 32).

36. Een duurzame handelsbetrekking tussen twee ondernemers kan in die zin worden gekwalificeerd wanneer die verhouding niet verder gaat dan het sluiten van opeenvolgende overeenkomsten die elk de levering en afhaling van goederen tot voorwerp hebben. Die kwalificatie beantwoordt echter niet aan de opzet van een typische concessieovereenkomst, die een kaderovereenkomst is met als voorwerp een leverings- en bevoorradingsverbintenis die twee ondernemers voor de toekomst sluiten en specifieke bedingen bevat inzake de distributie door de concessiehouder van de door de concessiegever verkochte goederen.

37. Aangaande de vraag of een concessieovereenkomst kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot “verstrekking van diensten” in de zin van artikel 5, 1., sub b), tweede streepje van de verordening, zij eraan herinnerd dat het begrip “diensten” in de zin van die bepaling volgens de definitie van het Hof op zijn minst inhoudt dat de partij die ze verstrekt, tegen vergoeding een bepaalde activiteit verricht (arrest van 23 april 2009, C-533/07, Falco Privatstiftung en Rabitsch, Jur., p. I-3327, punt 29).

38. Het eerste criterium van die definitie, het bestaan van een activiteit, vereist volgens de rechtspraak van het Hof positieve handelingen, hetgeen een eenvoudig achterwege laten uitsluit (zie in die zin arrest Falco Privatstiftung en Rabitsch, reeds aangehaald, punten 29-31). Dat criterium stemt in het geval van een concessieovereenkomst overeen met de kenmerkende verrichting van de concessiehouder, die de verspreiding van de producten van de concessiegever mede bevordert door de distributie ervan te verzekeren. Dankzij de gegarandeerde bevoorrading die hij geniet op grond van de overeenkomst en, in voorkomend geval, zijn deelname aan de commerciële strategie van de concessiegever, in het bijzonder aan reclameacties - elementen waarvan de vaststelling aan de nationale rechter staat - is de concessiehouder in staat zijn klanten diensten en voordelen aan te bieden die een gewone doorverkoper niet kan bieden en op die manier een groter deel van de lokale markt te veroveren voor de producten van de concessiegever.

39. Het tweede criterium, de vergoeding als tegenprestatie voor een activiteit, hoeft niet strikt te worden opgevat als de betaling van een som geld. Een dergelijke beperking vloeit niet voort uit de zeer algemene bewoordingen van artikel 5, 1., sub b), tweede streepje van de verordening en staat voorts ook los van de in de punten 30 tot en met 32 van het onderhavige arrest genoemde doelstellingen van nabijheid en eenvormigheid die deze bepaling nastreeft.

40. In dat verband moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat bij een concessieovereenkomst de concessiegever de concessiehouder kiest. Die keuze, die kenmerkend is voor dat soort overeenkomst, biedt de concessiehouder een concurrentieel voordeel omdat hij als enige de producten van de concessiegever mag verkopen op een bepaald grondgebied, of op zijn minst omdat dit recht aan een beperkt aantal concessiehouders is verleend. Bovendien biedt de concessieovereenkomst de concessiehouder vaak ondersteuning in de vorm van toegang tot reclamemedia, overdracht van knowhow door opleidingen of betalingsfaciliteiten. Het geheel van die voordelen - het staat aan de rechter ten gronde om het bestaan ervan na te gaan - vertegenwoordigt voor de concessiehouder een economische waarde die kan worden beschouwd als een vergoeding.

41. Voor de toepassing van de bevoegdheidsregel van artikel 5, 1., sub b), tweede streepje van de verordening kan een concessieovereenkomst met de typische verbintenissen zoals opgesomd in de punten 27 en 28 van het onderhavige arrest dus worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot verstrekking van diensten.

42. Die kwalificatie sluit uit dat de bevoegdheidsregel van bedoeld artikel 5, 1., sub a) van de verordening wordt toegepast op een concessieovereenkomst. Gelet op de hiërarchie die punt c) van die bepaling instelt tussen punt a) en punt b), is de bevoegdheidsregel van artikel 5, 1., sub a) van de verordening slechts alternatief van toepassing, wanneer de bevoegdheidsregels van artikel 5, 1., sub b) van de verordening dat niet zijn.

43. Gelet op een en ander moet op de tweede en de derde vragen worden geantwoord dat artikel 5, 1., sub b) van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat de in het tweede streepje van die bepaling neergelegde bevoegdheidsregel voor geschillen over overeenkomsten tot verstrekking van diensten van toepassing is op een vordering in rechte waarmee een in een lidstaat gevestigde verzoeker zich ten aanzien van een in een andere lidstaat gevestigde verweerder beroept op rechten uit een concessieovereenkomst, voor zover de overeenkomst tussen de partijen bijzondere bepalingen bevat inzake de distributie door de concessiehouder van de door de concessiegever verkochte goederen. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of dit in de bij hem aanhangige zaak het geval is.

Vierde vraag
44. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen wat bij een geding naar aanleiding van de beëindiging van een verkoopconcessie de litigieuze verbintenis is die aan de eis ten grondslag ligt.

45. Tegen de achtergrond van de motivering van de verwijzingsbeslissing heeft die vraag dus betrekking op de uitlegging van artikel 5, 1., sub a) van de verordening.

46. Gelet op het antwoord op de tweede en de derde vraag, hoeft deze vraag niet te worden beantwoord.

Kosten
(…)

Het Hof (1ste k.) verklaart voor recht:

Artikel 2 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een nationale bevoegdheidsregel zoals die van artikel 4 van de Belgische wet van 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, zoals gewijzigd bij de wet van 13 april 1971 betreffende eenzijdige beëindiging van de verkoopconcessies, wordt toegepast wanneer de verweerder woonplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van de aangezochte rechter.
Artikel 5, 1., sub b) van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat de in het tweede streepje van die bepaling neergelegde bevoegdheidsregel voor geschillen over overeenkomsten tot verstrekking van diensten van toepassing is op een vordering in rechte waarmee een in een lidstaat gevestigde verzoeker zich ten aanzien van een in een andere lidstaat gevestigde verweerder beroept op rechten uit een concessieovereenkomst, voor zover de overeenkomst tussen de partijen bijzondere bepalingen bevat inzake de distributie door de concessiehouder van de door de concessiegever verkochte goederen. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of dit in de bij hem aanhangige zaak het geval is.

Noot: 

Ulrix, E. en Van den Broeck, K., « Ondergeschiktheid artikel 4 alleenverkoopwet aan de Europese bevoegdheidsregels – Artikel 7, 1. Brussel Ibis toegepast op de verkoopconcessie », R.A.B.G., 2016/8-9, p. 658-665

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 12/07/2017 - 14:25
Laatst aangepast op: wo, 12/07/2017 - 14:27

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.