-A +A

Verkoopconcessie van alleenverkoop onrechtmatige beëindiging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
woe, 18/09/2013

Uit artikel 3bis van de wet van 27 juli 1961 volgt dat bij gebrek aan een tijdige en formeel correcte opzegging de concessiegever geacht wordt te hebben ingestemd met een voortzetting van de overeenkomst.

Voormeld artikel 3bis van de wet van 27 juli 1961 regelt echter niet de gevolgen van een onrechtmatige effectieve beëindiging door één van de partijen van een concessieovereenkomst van bepaalde duur, inzonderheid indien deze beëindiging zoals in dit geval plaats vindt meer dan 6 maanden voor de einddatum van de overeenkomst. In dit verband heeft de eerste rechter terecht gesteld “uiteraard betreffen de feiten van 2008 waardoor de samenwerking werd beëindigd geen 'opzegging' om een stilzwijgende hernieuwing te beletten - deze stilzwijgende hernieuwing en de gevolgen ervan vormen nu precies het voorwerp van het genoemde artikel 3bis - doch wel de effectieve beëindiging van de samenwerking tijdens de duur van een in gemeen akkoord aangegane hernieuwing van een voor bepaalde duur gesloten overeenkomst”.

Dergelijke onrechtmatige beëindiging van een concessieovereenkomst van bepaalde duur wordt in principe geregeld door het algemeen verbintenissenrecht, zelfs indien de overeenkomst, zoals in dit geval onder de omschrijving van artikel 1 van de wet van 27 juli 1961 valt, dat immers geen onderscheid maakt wat de duurtijd van de overeenkomst betreft .

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/8-9
Pagina: 
606
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(B. NV / S. GmbH - Rolnr.: 2010/AR/3320)

Bij verzoekschrift neergelegd op 24 december 2010 tekende B. NV (hierna B. genoemd) hoger beroep aan tegen het vonnis gewezen op tegenspraak door de rechtbank van koophandel te Gent, 6de kamer, op 16 september 2010 in de zaak gekend onder AR nr. A/09/639 tussen haarzelf als eiseres en S. GmbH (hierna S. genoemd) als verweerster.

Antecedenten
Feitelijke voorgaanden
Tussen S. en B. werd op 4 maart 2002 een distributieovereenkomst gesloten waarbij S. aan B. het exclusieve recht gaf op het Belgische grondgebied de in de bijlage omschreven producten te verkopen. Deze overeenkomst werd conform artikel 9.1. van de overeenkomst aangegaan voor een termijn van 5 jaar vanaf 1 september 2002. Na afloop van deze termijn werd de overeenkomst automatisch hernieuwd voor een periode van 3 jaar op voorwaarde dat ze niet door één van de partijen tenminste 3 maand voorafgaand aan het einde van de overeenkomst werd beëindigd via een aangetekende brief.

Uit de voorgelegde e-mails blijkt dat er in de loop van de samenwerking tussen partijen veelvuldig contacten zijn geweest omtrent de verkoop van de producten van S. door de keten “K.” aan prijzen die veel lager waren dan de prijzen die de verkopers die door B. werden bevoorraad, konden hanteren. Hierbij werden de winkels van het “K.” die in België waren gelegen bevoorraad door de Nederlandse verdeler van S. of door een klant van deze verdeler. Verder werd er tussen partijen eveneens mailverkeer gevoerd omtrent de laattijdigheid in de levering van de bestellingen die B. had gedaan (stukken C1-C58 dossier B.).

Bij mail van 2 juli 2008 laat S. aan B. weten dat zij, zoals besproken tijdens de meeting van vorige week, het contract zal beëindigen tussen S. en B. De officiële brief zal gestuurd worden in de volgende dagen (vertaling van “As discussed during our meeting last week, we will terminate the contract between S. and B. The official letter will be send in the coming days”) (stuk C59 dossier B.).

Bij mail van 3 juli 2008 deelt B. mee dat zij de openstaande orders niet meer wenst gehonoreerd te zien rekening houdend met de gewijzigde omstandigheden. Zij is van mening dat, indien S. de overeenkomst wenst te beëindigen zoals vermeld in de mail, dit inhoudt dat alle orders beëindigd worden. Zij stelt dat indien zij de officiële brief voor de beëindiging van de overeenkomst ontvangt, zij haar stock zal inventariseren zodat S. deze kan overnemen (stuk C60 dossier B.).

Bij mail van 18 juli 2008 verwijst S. naar het overleg van 26 juni 2008. Zij stelt dat rekening houdend met de vermelde reden (m.n. onvoldoende verkoopcijfers) B. in principe geen probleem had met het feit dat zij het contract zou beëindigen of dat zij een geschikte opzeg zou geven. B. wees haar erop dat indien zij de beëindiging zou ontvangen, zij de overgebleven voorraad zou terugsturen naar S. en zij zich het recht voorbehield om een raadsman te raadplegen.

S. vervolgt dat zij vooraleer opzeg te geven, wenst te vernemen wanneer B. de beëindiging wenst te laten ingaan (m.n. in 3 of 6 maanden). Zij stelt dat zij immers moeilijk kan inschatten wat de overgangstermijn is die B. nodig heeft en zij evenmin onnodige problemen en kosten wil veroorzaken (vrije vertaling van “I refer to the discussion held with you on 26th of June 2008. Due to the reasons mentioned (totally unsatisfactory turnover trend) you had, in principle, no objections to us terminating the contractual relationship or to giving appropriate notice. You indicated that when you received the termination, you will return the remaining stocked goods to us, whereby you also reserve the right to consult a lawyer. Before we give notice, we would kindly like to ask when we should envisage the termination taking effect (e.g. in 3 of 6 months). We are not able to assess from here what transition time you require and we also not want to cause you unnecessary trouble or costs.”).

Bij brief van 26 augustus 2008 deelt de raadsman van B. mee dat zijn cliënte hem de recente briefwisseling overhandigt. Hij stelt dat zijn cliënte hem meedeelt dat het de intentie is van beide partijen om de overeenkomst wederzijds te beëindigen en alle eruit voortvloeiende verbintenissen. Hij verwijst hiervoor naar de mail van Dhr. T.N. van 18 juli 2008 in de welke hij een opzegtermijn van 3 of 6 maanden voorstelde. Teneinde een succesvolle regeling voor beide partijen te verkrijgen verzoekt hij om hem omtrent de volgende elementen te willen meedelen of:

S. nog steeds wenst mee te werken betreffende de beëindiging van de overeenkomst met wederzijdse toestemming;
zal S. de stock overnemen;
is S. bereid om gedeeltelijk de promotiekosten te compenseren die B. gemaakt heeft.
Hij verzoekt om een antwoord voor 10 september 2008 (zie stuk C64 vertaling uit het Engels).

Bij mail van 9 september 2008 deelt de raadsman van B. aan S. een voorstel tot beëindiging van de overeenkomst van 4 maart 2002 mee, waarin hij stelt dat:

zijn cliënte nog in het bezit is van een voorraad die begroot wordt op 16.901,11 EUR;
volgens de bijlage 2 zijn cliënte recent kosten voor publiciteit heeft gemaakt tot beloop van 26.382,53 EUR;
twee facturen van S. nog niet zijn betaald (19.012,31 EUR + 3.328,20 EUR = 22.340,52 EUR);
vervolgens een vergoeding verschuldigd is wegens een contractbreuk door S.
Wat dit laatste punt betreft zet de raadsman van B. op uitvoerige wijze uiteen dat door S. exclusiviteit was beloofd en dat er niettegenstaande dit feit toch goederen door K. op de Belgische markt werden aangeboden die niet door zijn cliënte waren verdeeld. Hij stelt dat conform artikel 5.2. van de overeenkomst S. gehouden was om de nodige maatregelen te nemen om deze vorm van handel tegen te gaan.

Hij stelt dat zijn cliënte hierdoor een verlies heeft geleden van 961.496,37 EUR over 3 jaar. Verder stelt hij dat de beëindiging van het contract zal leiden tot het ontslag van twee medewerkers, hetgeen de betaling van een opzegvergoeding van 3 maanden loon met zich meebrengt. Hij schat de totale schade van zijn cliënte op 998.439,99 EUR uit hoofde van voorraad en contractbreuk en maakt voorbehoud voor de kosten van een juridische procedure en rechtsbijstand. Hij vervolgt dat om een beëindiging van het contract te bekomen in wederzijdse toestemming zijn cliënte akkoord is om de vergoeding te beperken tot 950.000 EUR, terwijl de stock en de promotiegoederen beschikbaar zullen zijn voor S. na betaling van deze som. Hij stelt dat indien er geen akkoord kan worden bereikt, zijn cliënte zal genoodzaakt zijn om de ontbinding van de overeenkomst te vorderen voor de rechtbank. Hij verzoekt om een antwoord voor 12 september 2008 (stuk C65 dossier B. vertaald uit het Engels).

In de brief van de raadsman van S. van 17 oktober 2008 wordt gesteld dat zijn cliënte niet akkoord gaat dat er een contractbreuk is geweest wat betreft het exclusief recht van B. om te verkopen op het Belgische grondgebied. Hij wijst erop dat volgens het Europees recht het niet mogelijk is verdelers in andere Europese landen te verbieden om hun goederen te verkopen in Europese landen (zijnde E.G.-landen), zodat er van een inbreuk geen sprake kan zijn. Hij vervolgt dat de reden waarom er binnen het management van zijn cliënte werd gesproken over een beëindiging van het contract lag in het feit dat in het verleden B. nimmer de vooropgestelde omzet heeft behaald. Hij stelt dat met de kennis dat B. voor de komende jaren schat een verlies te zullen lijden van 1.000.000 EUR, zijn cliënte hoopt dat er een mogelijkheid zal zijn dat B. haar omzet in de toekomst zal verhogen. Om deze redenen deelt hij mee dat zijn cliënte heeft besloten om het contract te laten voortduren tot 2010 vermits er inmiddels nog geen formele beëindiging van het contract is geweest hetgeen immers dient te gebeuren via een geschreven beëindiging (stuk C66 dossier B. vertaling uit het Engels).

Bij exploot betekend op 19 december 2008 gaat B. over tot dagvaarding van S. waarin zij stelt dat elke verdere samenwerking door de aangemeten houding en handelwijze van S. onmogelijk is geworden zodat de onregelmatige verbreking van de overeenkomst per 2 juli 2008 dient te worden vastgesteld.

Bij brief van 18 februari 2009 deelt S. aan B. mee dat haar raadsman bij brief van 17 oktober 2008 had meegedeeld dat zij bereid was om de contractuele verhouding verder te zetten tot het jaar 2010 en dat een opzeg nimmer had plaatsgevonden. Zij stelt vast dat B. in haar klacht (bedoeld wordt het exploot van dagvaarding) verklaard heeft dat het contract is verbroken vanaf 2 juli 2008. Zij leidt hieruit af dat B. niet langer het contract wenst verder te zetten zodat zij bevestigt dat de beëindiging kan bepaald worden op 2 juli 2008, waarbij zij meedeelt dat de redenen waarom het contract als beëindigd wordt beschouwd volgens haar niet bestaan. Louter preventief stelt zij het contract eveneens te beëindigen tegen 1 september 2010, de datum waarop de overeenkomst volgens de bepalingen ervan kan opgezegd worden, alhoewel zij van oordeel is dat rekening houdend met de verklaringen van B. de contractuele relatie reeds beëindigd is. Zij vraagt B. per kerende haar standpunt over te maken (stuk C67 dossier B. vertaling uit het Engels).

Bij brief van 19 maart 2009 deelt S. aan B. mee dat zij geen reactie ontving op haar brief van 18 februari 2009 en verzoekt zij hierom binnen een termijn van 7 werkdagen. Zij stelt dat bij gebrek hieraan zij er van uitgaat dat B. akkoord is dat de verbintenissen die voortvloeien uit de overeenkomst niet langer van toepassing zijn en dat het contract is beëindigd op 2 juli 2008. Zij stelt dat zij inmiddels vanwege een verbruiker een vraag heeft gekregen om goederen te kopen op de Belgische markt en verzoekt haar mee te delen of B. deze persoon zal bevoorraden. Bij gebrek aan antwoord binnen de 7 werkdagen zal zij een nieuwe verdeler aanduiden voor de Belgische markt (stuk C68 dossier B. vertaling uit het Engels).

Bij brief van de raadsman van B. van 16 april 2009 gericht aan de raadsman van S. wordt de inhoud van deze brief geprotesteerd vermits uit de brief van 19 maart 2009 blijkt dat S. zelf bevestigt dat de overeenkomst werd beëindigd op 2 juli 2008 (stuk C70 dossier B.).

Procedurele voorgaanden
(…)

De eerste rechter oordeelt dat er in casu geen sprake kan zijn van de toepassing van de wet van 27 juli 1961 vermits het in dit geval gaat om een overeenkomst van bepaalde duur, die los van het voorkomen van de hernieuwing ervan door het betekenen van een opzegging, werd beëindigd. Hij is dan ook van oordeel dat er geen toepassing kan gemaakt worden van artikelen 2 en 3 van de wet van 27 juli 1961. Verder stelt hij dat uit de voorgelegde stukken evenmin kan afgeleid worden dat S. de overeenkomst eenzijdig heeft beëindigd, doch dat B. zelf door over te gaan tot dagvaarding eenzijdig de overeenkomst heeft beëindigd.

Vermits er derhalve geen sprake is van een onrechtmatige beëindiging door S. wijst hij de vordering van B. af als ongegrond. De tegeneis van S. om betaling te bekomen van haar facturen wordt gegrond verklaard.

(…)

B. kan zich niet verzoenen met dit vonnis en tekent hoger beroep aan.

De vorderingen in hoger beroep
(…)

Beoordeling
1. Voorafgaandelijk
(…)

2. De grond van de zaak
2.1. De toepassing van de wet van 27 juli 1961
Partijen voeren in eerste instantie een discussie omtrent de vraag of de beëindiging van de overeenkomst wordt geregeld door de wet van 27 juli 1961.

Partijen betwisten niet dat de overeenkomst voldoet aan de voorwaarden gesteld onder artikel 1 van voormelde wet, m.n. dat het gaat om een concessieovereenkomst voor alleenverkoop, zodat de overeenkomst in principe onder het toepassingsgebied van de wet valt.

S. wijst er echter op dat het in dit geval gaat om een overeenkomst voor bepaalde duur, derwijze dat er geen toepassing kan gemaakt worden van de wet vermits deze in artikelen 2 en 3 uitsluitend de beëindiging van de overeenkomsten van onbepaalde duur behandelt. B. betwist op zich niet dat de overeenkomst van bepaalde duur is doch houdt voor dat conform artikel 3bis van de wet van 27 juli 1961 dergelijke overeenkomsten eveneens onder het toepassingsgebied van de wet kunnen vallen.

Artikel 3bis van de wet van 27 juli 1961 bepaalt dat “wanneer een aan deze wet onderworpen verkoopconcessie voor bepaalde tijd wordt verleend, worden de partijen geacht te hebben ingestemd met een vernieuwing van het contract, hetzij voor onbepaalde tijd, hetzij voor de in een eventueel beding van stilzwijgende verlenging vastgestelde tijd, tenzij zij bij een ter post aangetekende brief ten minste drie maanden en ten hoogste zes maanden voor de overeengekomen termijn opzegging hebben gegeven.

Wanneer een voor bepaalde tijd verleende concessie tweemaal werd vernieuwd, ongeacht of de bedingen van het oorspronkelijk contract al dan niet werden gewijzigd tussen dezelfde partijen, of wanneer zij tweemaal stilzwijgend werd verlengd ten gevolge van een beding van het contract, wordt elke latere verlenging geacht te zijn toegestaan voor onbepaalde tijd”.

B. houdt voor dat in de mate dat een overeenkomst niet conform het eerste lid van artikel 3bis wordt beëindigd, dit zou inhouden dat de beëindiging dient te worden vergoed conform de regels die van toepassing zouden zijn voor de vernieuwde overeenkomst. Zij stelt dat in dit geval artikel 9.1. van de overeenkomst slechts voorzag in een éénmalige verlenging van 3 jaar, zodat de hernieuwing na afloop van de periode van 3 jaar van onbepaalde duur zou zijn en derhalve artikelen 2 en 3 van de wet van 27 juli 1961 van toepassing zijn.

Het hof is van oordeel dat deze stelling niet kan gevolgd worden.

Uit voormeld artikel 3bis van de wet van 27 juli 1961 volgt dat bij gebrek aan een tijdige en formeel correcte opzegging de concessiegever geacht wordt te hebben ingestemd met een voortzetting van de overeenkomst.

Voormeld artikel 3bis van de wet van 27 juli 1961 regelt echter niet de gevolgen van een onrechtmatige effectieve beëindiging door één van de partijen van een concessieovereenkomst van bepaalde duur, inzonderheid indien deze beëindiging zoals in dit geval plaats vindt meer dan 6 maanden voor de einddatum van de overeenkomst. In dit verband heeft de eerste rechter terecht gesteld “uiteraard betreffen de feiten van 2008 waardoor de samenwerking werd beëindigd geen 'opzegging' om een stilzwijgende hernieuwing te beletten - deze stilzwijgende hernieuwing en de gevolgen ervan vormen nu precies het voorwerp van het genoemde artikel 3bis - doch wel de effectieve beëindiging van de samenwerking tijdens de duur van een in gemeen akkoord aangegane hernieuwing van een voor bepaalde duur gesloten overeenkomst”.

Dergelijke onrechtmatige beëindiging van een concessieovereenkomst van bepaalde duur wordt in principe geregeld door het algemeen verbintenissenrecht, zelfs indien de overeenkomst, zoals in dit geval onder de omschrijving van artikel 1 van de wet van 27 juli 1961 valt, dat immers geen onderscheid maakt wat de duurtijd van de overeenkomst betreft (zie P. Naeyaert, Distributeurs en handelstussenpersonen. Met focus op beëindiging, Brugge, die Keure, 2012, 296, nr. 345).

Van een toepassing van artikelen 2 en 3 van de wet van 27 juli 1961 die de beëindiging van de overeenkomst van onbepaalde duur betreffen, kan dan ook geen sprake zijn.

2.2. De beëindiging conform het gemeen recht
2.2.1. Initiatief van de beëindiging
2.2.1.1.

B. is van oordeel dat S. op eenzijdige wijze de overeenkomst heeft verbroken met haar mail van 2 juli 2008 waarin zij stelt “zoals besproken in onze vergadering, zullen wij de overeenkomst beëindigen. De officiële brief zal gestuurd worden in de volgende dagen”.

B. stelt dat S. in deze mail haar vaste wil heeft uitgedrukt om de overeenkomst te beëindigen.

Het hof is van oordeel dat in voormelde mail uitsluitend kan gelezen worden dat S. de intentie heeft uitgedrukt om in de toekomst de overeenkomst te beëindigen en dit door het sturen van een officiële brief in de komende dagen. In dit geval kan immers niet naast het gebruik van de toekomstige wijs in combinatie met de aankondiging van het versturen van een officiële brief gekeken worden. De brief kan dan ook slechts gelezen worden als de uitdrukking van de wil van S. om in de toekomst de overeenkomst te beëindigen, m.n. op het ogenblik dat zij een officiële brief zou sturen.

Volledigheidshalve merkt het hof op dat B. zelf de voormelde brief als dusdanig heeft geïnterpreteerd. Zo wordt in de brief van de raadsman van B. van 26 augustus 2008 uitdrukkelijk gesteld dat zijn cliënte hem meedeelt dat het de intentie is van beide partijen om de overeenkomst wederzijds te beëindigen en alle eruit voortvloeiende verbintenissen en hij verzoekt S. hem te willen meedelen of zij nog bereid is hieraan mee te werken.

In de mail van 9 september 2008 stelt de raadsman van B. onder meer dat om een beëindiging van het contract te bekomen in wederzijdse toestemming zijn cliënte akkoord is om de vergoeding te beperken tot 950.000 EUR, terwijl de stock en de promotiegoederen beschikbaar zullen zijn voor S. na betaling van deze som. Hij stelt dat indien er geen akkoord kan worden bereikt, zijn cliënte zal genoodzaakt zijn om de ontbinding van de overeenkomst te vorderen voor de rechtbank.

Uit voormelde mails blijkt dus duidelijk dat B. zelf van oordeel was dat de overeenkomst door S. nog niet was beëindigd vermits zij aanstuurde op een minnelijke beëindiging en in ontkennend geval dreigde met een dagvaarding in ontbinding. Indien B. van oordeel was dat de overeenkomst reeds was beëindigd, had zij geen dergelijke voorstellen gedaan of dergelijke acties aangekondigd.

2.2.2.2.

B. stelt dat in elk geval de aanhoudende tekortkomingen van S. dienen beschouwd te worden als een daad die gelijk staat met de verbreking van de overeenkomst. Deze tekortkomingen zijn volgens haar (1) de schending van de exclusiviteitsrechten en (2) de laattijdige levering zoals beschreven onder randnummers 4 en 5 van haar syntheseconclusies.

Het hof stelt vast dat de laattijdige leveringen die B. onder haar randnummer 5 beschrijft allen dateren van het jaar 2006, zodat deze tekortkomingen, in de mate dat zij zouden bewezen voorkomen, in het jaar 2008 niet meer kunnen beschouwd worden als handelingen die gelijk staan met de verbreking van de overeenkomst. Het hof stelt verder vast dat B. nalaat enig feit aan te halen met betrekking tot de laattijdigheid van leveringen dat op 2 juli 2008 van die aard was dat dit moet gezien worden als een handeling die gelijk staat met de verbreking van de overeenkomst.

Verder zet B. (onder haar randnr. 4) uiteen dat S. herhaaldelijk haar exclusiviteitsrecht zou hebben geschonden. Zij verwijst hiervoor naar het feit dat de producten eveneens via K. en M. op de Belgische markt werden verkocht terwijl zij niet aan deze warenhuisketens heeft geleverd.

Uit de briefwisseling blijkt dat de producten op de Belgische markt belanden via de verdeler in Nederland, waarbij wat K. betreft deze goederen blijkbaar via K. Nederland aan de Belgische filialen werden overgemaakt.

B. wijst op de clausule in haar contract waarbij zij verbod wordt opgelegd om de producten te verkopen buiten het grondgebied of aan kopers die de producten op hun beurt verkopen buiten het grondgebied. Zij stelt dat dergelijke clausule zich eveneens in de overeenkomst van de Nederlandse verdeler moet bevinden, zodat S. gehouden was de verdeler deze clausule te laten naleven.

S. merkt in dit verband terecht op dat zij zelf geen inbreuk heeft gepleegd tegen het exclusiviteitsrecht van B. vermits zij nimmer rechtstreeks producten aan derden heeft verkocht op de Belgische markt. Verder merkt zij eveneens terecht op dat zij krachtens de Europese mededingingsregels niet kan beletten dat producten binnen Europa via haar Europese verdelers terecht komen op de Belgische markt, terwijl uit geen enkel element blijkt dat zij hierbij enige fout heeft begaan, bijvoorbeeld door haar Nederlandse verdeler hierbij actief te steunen.

Overigens dient opgemerkt dat uit geen enkel element blijkt dat er zich op 2 juli 2008, datum waarop de overeenkomst volgens B. zou zijn beëindigd, een feit heeft voorgedaan, m.n. een inbreuk op het exclusiviteitsrecht, op grond waarvan kon besloten worden tot de verbreking van de overeenkomst.

Het hof is van oordeel dat een daad die gelijk staat met de verbreking van de overeenkomst in hoofde van S. niet kan worden weerhouden.

2.2.2.3.

Het hof stelt verder vast dat bij brief van 17 oktober 2008 de raadsman van S. aankondigt dat rekening houdend met alle omstandigheden zijn cliënte heeft besloten om de overeenkomst te laten duren tot aan haar einddatum. Op die wijze toont S. aan dat zij niet langer wenste de overeenkomst in onderling overleg te beëindigen.

Het hof stelt vast dat als reactie op deze houding B. een dagvaarding heeft betekend waarin zij verzoekt de onrechtmatige beëindiging van de overeenkomst door S. op 2 juli 2008 vast te stellen en waarbij zij een vergoeding vordert voor de winstderving over 5 jaar wegens de onrechtmatige beëindiging en rouwgeld voor het personeel, naast een vergoeding voor de schade wegens schending van de exclusiviteitsverplichting.

Het hof is van oordeel dat dergelijke houding, waarbij een vergoeding wordt gevorderd voor het ontslag van het personeel en winstderving en dit wegens de stopzetting van de concessieovereenkomst een handeling is die gelijk staat met de verbreking van de overeenkomst. Door aldus te handelen heeft B. duidelijk te kennen gegeven dat de overeenkomst voor haar was beëindigd. Dit klemt des te meer nu B. op geen enkele wijze tegenspreekt dat zij vanaf 2 juli tot 17 oktober 2008 geen leveringen meer heeft in ontvangst genomen, zoals S. voorhoudt. Het hof is dan ook van oordeel dat door het laten betekenen van de dagvaarding B. een daad heeft gesteld die gelijkstaat met de beëindiging van de overeenkomst.

2.2.2. Gevolgen van de beëindiging
Vermits hierboven wordt aangenomen dat B. zelf de overeenkomst heeft beëindigd en de schade die zij vordert voortvloeit uit de door haar beweerde onrechtmatige beëindiging van de overeenkomst door S. komt deze vordering ongegrond voor.

2.3. De tegenvordering
(…)

2.4. De gerechtskosten
(…)

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en slechts heel gedeeltelijk gegrond,

(…)

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 12/07/2017 - 13:57
Laatst aangepast op: wo, 12/07/2017 - 13:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.