-A +A

Vermoeden van eerlijk beheer bij scheiding goederen schendt gelijkheidsbeginsel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 17/05/2018
A.R.: 
58/2018

In beginsel beheren de echtgenoten gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen hun vermogen zelf. Overeenkomstig artikel 1466 van het Burgerlijk Wetboek « bezit ieder van hen de bevoegdheid van beheer, genot en beschikking alleen [ ... ]; zijn inkomsten en besparingen blijven eigen goed ».

Maar de ene echtgenoot kan, overeenkomstig artikel 219 van het Burgerlijk Wetboek, aan de andere echtgenoot een algemene of bijzondere last geven om hem te vertegenwoordigen in de uitoefening van de bevoegdheden die zijn huwelijksvermogensstelsel hem toelaat of toekent. Een dergelijke lastgeving wordt in principe beheerst door het gemeen recht inzake lastgeving (artikelen 1984 tot 2010 van het Burgerlijk Wetboek, waartoe ook artikel 1993 van het Burgerlijk Wetboek behoort).

B.2.3. Echter, overeenkomstig artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1976 « betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels », dat is gebaseerd op het oorspronkelijke artikel 1539 van het Burgerlijk Wetboek en enkel van toepassing is tussen echtgenoten die gehuwd zijn onder het stelsel van de scheiding van goederen, wordt af geweken van het gemeen recht inzake de verantwoordelijkheid van de lasthebber, aangezien de verplichting tot rekenschap van de echtgenoot-lasthebber wegvalt ten voordele van een vermoeden van het behoorlijk waarnemen van het beheer.

uittreksel uit het burgerlijk wetboek:



"Art. 1467. Wanneer een echtgenoot het beheer van zijn goederen aan de andere echtgenoot heeft gelaten, is deze, hetzij op verzoek van de eerstgenoemde, hetzij bij de ontbinding van het stelsel, slechts gehouden tot het opleveren van de aanwezige vruchten, en hij is geen verantwoording schuldig van die welke tot dan toe zijn gebruikt."



De afwijking van het gemeen recht inzake de verantwoordelijkheid van de echtgenoot-lasthebber steunt op een onweerlegbaar vermoeden van eerlijk beheer, dat voortvloeit uit de vertrouwensband die tussen echtgenoten bestaat, met name dat de niet meer aanwezige vruchten zijn verbruikt in het belang van de lastgever of ten behoeve van de huishouding, zodat de lasthebber daarvan geen verantwoording meer schuldig is .

Het uitsluiten van elke mogelijkheid om rekenschap te eisen, staat evenwel niet in verhouding tot het nagestreefde doel en strookt niet met de fundamentele regels van gelijkheid en autonomie die tussen van goederen gescheiden echtgenoten moeten gelden. Sedert de wetswijziging van 14 juli 1976 dragen beide echtgenoten immers bij tot de lasten van het huishouden (artikel 217 van het Burgerlijk Wetboek), waardoor een onweerlegbaar karakter van het vermoeden niet kan worden verantwoord door een verplichting van echtgenoot-lasthebber om met de vruchten de lasten van het huwelijk te dragen.

Aangezien het behoort tot de essentie van elke lastgeving dat de lasthebber rekenschap en verantwoording dient af te leggen aan de lastgever (artikel 1993 van het Burgerlijk Wetboek), bestaat er geen redelijke verantwoording voor een regel die, enerzijds, het verlenen, aan de ene echtgenoot, van bevoegdheid op de eigen goederen van de andere echtgenoot toelaat, maar die, anderzijds, op absolute wijze verbiedt om verantwoording te eisen van de lasthebber over de wijze waarop die bevoegdheid werd uitgeoefend.

Ook de mogelijkheid voor de echtgenoten om contractueel af te wijken van artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek, omdat artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek noch van openbare orde, noch van dwingend recht is, ontneemt de in het geding zijnde bepaling niet haar onredelijk karakter. Immers, de lastgeving kan, overeenkomstig artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek, niet alleen uitdrukkelijk worden gegeven, maar ook stilzwijgend, in welk geval de echtgenoot-lastgever eventueel onbewust de toepassing van artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek zou aanvaarden.

Het hof besluit aldus dat het beginsel vastgelegd in artikel 1467 van het burgerlijk wetboek strijdig is met de grondwet.

Publicatie
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2017
Pagina: 
823
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Rolnummer 6666

Arrest nr. 58/2018 van 17 mei 2018

ARREST

In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie.

Het Grondwettelijk Hof,

wijst na beraad het volgende arrest:

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 28 april 2017 in zake Marc Vanstapel tegen Sonja Giraerts, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 mei 2017, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 1467 Burgerlijk Wetboek, in de mate het erin voorziet dat de echtgenoot die, in het stelsel van bedongen scheiding van goederen het beheer heeft uitgeoefend, slechts gehouden is tot het opleveren van de aanwezige vruchten en geen verantwoording schuldig is van die welke tot dan zijn verbruikt, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet doordat deze bepaling afwijkt van de algemene regel van gemeen recht bepaald in artikel 1993 Burgerlijk Wetboek, volgens dewelke iedere lasthebber gehouden is rekenschap te geven van de uitvoering van zijn opdracht en aan de lastgever, zonder beperking, volledige verantwoording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht heeft ontvangen al was het door hem ontvangene aan de lastgever niet verschuldigd ? ».

Memories zijn ingediend door :

- Marc Vanstapel, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Geigner, advocaat bij het Hof van Cassatie;

- Sonja Giraerts, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie;

- de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen en Mr. T. Moonen, advocaten bij de balie te Brussel.

Marc Vanstapel heeft ook een memorie van antwoord ingediend.

Bij beschikking van 7 februari 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Derycke en P. Nihoul te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 28 februari 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen.

Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 28 februari 2018 in beraad genomen.

De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

II. De feiten en rechtspleging in het bodemgeschil

Bij het Hof van Cassatie is beroep ingesteld tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 10 juni 2015. De eisende en de verwerende partij voor het Hof van Cassatie waren gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen. Het bodemgeschil heeft betrekking op de verdeling van de goederen ingevolge de ontbinding van het huwelijk.

De eiser in cassatie voert aan dat het arrest van het Hof van Beroep de artikelen 1467 en 1993 van het Burgerlijk Wetboek miskent, vermits uit de toepassing van artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek moet volgen dat de lasthebber, in afwijking van artikel 1993 van het Burgerlijk Wetboek, geen rekenschap dient afte leggen van zijn beheer van de goederen van de lastgever.

Het Hof van Cassatie stelt vast dat artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek uitgaat van « een onweerlegbaar vermoeden van eerlijk beheer, met name dat de niet meer aanwezige vruchten zijn verbruikt in het belang van de lastgever of ten behoeve van de huishouding, zodat de lasthebber daarvan geen verantwoording meer schuldig is ». Volgens het Hof van Cassatie kan de uitsluiting van de verantwoording van de lasthebber een onverenigbaar verschil in behandeling uitmaken, in vergelijking met de verantwoording die de lasthebber op basis van artikel 1993 van het burgerlijk Wetboek verschuldigd is.

Dienvolgens stelt het Hof van Cassatie bovenvermelde prejudiciële vraag.

III. In rechte

-A -

A. 1. 1. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, omdat artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is op het bodemgeschil. Het gebruik van het woord «beheer» in artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek is een expliciete keuze geweest van de wetgever, die gevolgen heeft voor de toepassing ervan. Het vermoeden, ingevoerd bij artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek, is derhalve alleen van toepassing in geval van een lastgeving tussen echtgenoten voor het stellen van daden van beheer, en niet voor daden van beschikking.

Volgens de Ministerraad kan er geen twijfel over bestaan dat de belegging van gelden in aandelenfondsen of ondernemingen een daad van beschikking uitmaakt; het betreft immers een translatieve rechtshandeling die een zakenrechtelijke vermogenswijziging uitmaakt. De toepassing van artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek is dan in geen geval aan de orde voor het Hof van Beroep te Antwerpen en het Hof van Cassatie.

A.1.2. De eisende partij voor de verwijzende rechter merkt op dat de prejudiciële vraag wel nuttig is voor de oplossing van het bodemgeschil. Uit de verwijzingsbeslissing van het Hof van Cassatie blijkt dat indien artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek niet strijdig zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het cassatiemiddel tot de vernietiging van het bestreden arrest van het Hof van Beroep zou leiden.

Het komt de verwijzende rechter, die het Hof een vraag stelt, toe vast te stellen welke normen toepasselijk zijn op het aan hem voorgelegde geschil en, algemener, na te gaan of het antwoord op een prejudiciële vraag dienstig is om dat geschil te beslechten. Wanneer uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het cassatieberoep ongegrond zou zijn indien het Hof zou oordelen dat de in het geding zijnde bepaling strijdig zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en gegrond indien dit niet zo zou zijn, kan het antwoord op de prejudiciële vraag niet worden geacht klaarblijkelijk niet nuttig te zijn voor het beslechten van het voor de verwijzende rechter hangende geschil.

Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter bekritiseert de Ministerraad de door de feitenrechter in aanmerking genomen kwalificatie, bewerende dat er geen lastgeving voor beheer werd gegeven, maar wel voor beschikking, en dat op een dergelijk mandaat in ieder geval artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zou zijn. Echter, het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek wel op het geschil van toepassing is, en op zich volstaat dit reeds om aan te nemen dat het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het beslechten van het bodemgeschil.

In die omstandigheden is, volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter, niet in te zien hoe het Hof zou kunnen oordelen dat er een mandaat voor beschikking was en geen mandaat voor beheer, en hoe het Hof, anders dan hetgeen de verwijzingsrechter stelt, en ondanks de omstandigheid dat het Hof van Cassatie niet de bevoegdheid heeft om het mandaat anders te kwalificeren, toch zou kunnen besluiten dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet nuttig is omdat er een mandaat tot beschikking zou geweest zijn waarop artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zou zijn.

Bovendien wordt thans een functioneel criterium gehanteerd om het begrip « daden van beheer » te omschrijven. De kwalificatie hangt niet meer louter af van de juridisch-technische aard van de handeling; er moet rekening worden gehouden met de economische overwegingen en omstandigheden, waarbij bijvoorbeeld een efficiënt beheer van een effectenportefeuille de aan- en verkoop van effecten kan vereisen. Het beheer kan daden van beschikking omvatten in de mate dat dit dienend is voor de redelijke vruchtdraging van het beheerde vermogen.

A.2.1. De verwerende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat de prejudiciële vraag bevestigend beantwoord moet worden, aangezien de redenen waarom er bij de echtgenoot-lasthebber een onweerlegbaar vermoeden bestaat thans niet meer gelden. Het voorheen bestaande artikel 1539 van het Burgerlijk Wetboek voorzag in een onweerlegbaar vermoeden, met als tegenhanger de verplichting voor de echtgenoot-lasthebber om alle lasten van het onderhoud en het beheer te dragen, alsmede de lasten van het huishouden, tenzij hij kon bewijzen dat de vruchten daarvoor ontoereikend waren. Sinds de wetswijziging van 14 juli 1976 dragen beide echtgenoten sowieso bij tot de lasten van het huishouden, zodat de zogenaamde tegenprestatie voor het onweerlegbaar karakter van het vermoeden niet meer opgaat. Van enige bijzondere specifieke verplichting van de man om met die vruchten de lasten van het huishouden te dragen, is geen sprake meer.

Volgens de verwerende partij voor de verwijzende rechter ontbreekt elke verantwoording bij de uitlegging van artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek om er een onweerlegbaar vermoeden in te zien, terwijl dat onweerlegbaar karakter ook niet strikt vereist is om het gestelde doel te bereiken. Het doel van de wetgever kan ook met een weerlegbaar vermoeden worden bereikt, zodat de maatregel niet in verhouding staat tot het nagestreefde doel.

A.2.2. In haar memorie van antwoord stelt de eisende partij voor de verwijzende rechter dat een onweerlegbaar vermoeden wel vereist is om het gestelde doel te bereiken. Onweerlegbare vermoedens berusten op beschouwingen van openbare orde, dan wel op de vaststelling dat de inhoud van het vermoeden praktisch altijd met de werkelijkheid overeenkomt. De keuze van de wetgever kan worden beschouwd als een meestal met de werkelijkheid overeenstemmend vermoeden.

A.3.1. De eisende partij voor de verwijzende rechter merkt allereerst op dat artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek enkel geldt voor echtgenoten gehuwd met scheiding van goederen. In een dergelijk stelsel van scheiding van goederen bestaan slechts twee vermogens. Er is geen gemeenschappelijk vermogen. Hoogstens bestaan onverdeeldheden tussen de echtgenoten, waarbij de onverdeelde aandelen van elke echtgenoot tot hun eigen vermogen moeten worden gerekend. Wat het bestuur betreft, bepaalt artikel 1466 van het Burgerlijk Wetboek dat voor echtgenoten gehuwd met scheiding van goederen ieder van hen de bevoegdheid van beheer, genot en beschikking alleen heeft. Overeenkomstig artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek is een echtgenoot die belast is met het beheer van de goederen van de andere echtgenoot, slechts gehouden tot het opleveren van de aanwezige vruchten en is hij geen verantwoording verschuldigd voor de vruchten die hij tot dan toe heeft gebruikt.

Die afwijking van het gemeen recht steunt op het vermoeden dat de echtgenoot-lasthebber de niet meer aanwezige vruchten heeft gebruikt, hetzij in het voordeel van de andere echtgenoot, hetzij ten behoeve van de huishouding. Tegen dat vermoeden kan geen tegenbewijs geleverd worden, zelfs al mocht de lasthebber die vruchten uitsluitend in zijn belang hebben gebruikt of belegd of mocht hij hebben verzuimd die te innen.

De wetgever heeft aldus iedere discussie over de aanwending van de inkomsten willen uitsluiten, nu het beheer door de echtgenoot-lasthebber geacht wordt regelmatig te zijn gebeurd zolang de echtgenoot-lastgever het beheer van zijn goederen overlaat aan de andere echtgenoot.

De ratio legis is de vertrouwensband die tussen echtgenoten wordt verondersteld te bestaan : zolang de ene echtgenoot zijn goederen laat beheren door de andere echtgenoot, wordt het gebruik van de vruchten vermoed regelmatig te zijn. Zodra de ene echtgenoot de andere niet meer vertrouwt, moet hij het mandaat herroepen. Artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek komt er in feite op neer dat de echtgenoten van dag tot dag aan elkaar rekenschap geven wat de vruchten betreft, zodat geen verdere verantwoording verschuldigd is. Partijen kunnen van de regel van artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek afwijken door de invoeging van een uitdrukkelijke verplichting tot rekening bij het verlenen van een uitdrukkelijke lastgeving.

De wil om discussies te vermijden tussen echtgenoten wat betreft hun vermogensrechtelijke verhoudingen en de gevolgen van de bijdrageplicht in de lasten van het huwelijk, blijken ook uit de regels van het concurrentieel bestuur in gemeenschapsstelsels, met name dat het gemeenschappelijk vermogen door de ene of de andere echtgenoot wordt bestuurd, onder de verplichting van ieder van hen om de bestuurshandelingen van de andere te eerbiedigen, waaruit ook voortvloeit dat elke echtgenoot in beginsel geen rekening en verantwoording moet afleggen voor zijn bestuur.

A.3.2. Derhalve moet, volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter, worden besloten dat de in artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven, van het gemeen recht afwijkende verantwoordingsplicht wat betreft de vruchten van de beheerde goederen op een objectief criterium berust, redelijk verantwoord is en in verhouding staat tot het nagestreefde doel.

A.4.1. Voor zover het Hof toch tot een ongrondwettigverklaring zou beslissen, menen de Ministerraad en de eisende partij voor de verwijzende rechter dat de gevolgen van het prejudiciële arrest zouden moeten worden beperkt door middel van een handhaving.

Immers, volgens de Ministerraad, het voordeel dat uit de niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid voortvloeit, staat te dezen buiten verhouding tot de verstoring die zij voor de rechtsorde met zich zou meebrengen. Zonder handhaving van de gevolgen zou de afhandeling van de lastgevingen moeten worden teruggedraaid, met mogelijk verstrekkende gevolgen voor de financiële verhoudingen tussen de (ex)echtgenoten, in voorkomend geval hun rechtverkrijgenden en eventueel ook de Belgische Staat. Dit zou moeilijk te verenigen zijn met de rechtszekerheid en de rust der families.

Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter dient het Hof een billijk evenwicht na te streven tussen het belang dat elke situatie die strijdig is met de Grondwet wordt verholpen en de bekommernis dat bestaande toestanden en gewekte verwachtingen na verloop van tijd niet meer in gedrang worden gebracht. Het niet-handhaven van de gevolgen van een ongrondwettigverklaring zal het vertrouwensbeginsel schaden, aangezien daardoor het gemeen recht inzake lastgeving van toepassing zou zijn wat betreft de verantwoordingsplicht over de vruchten van de beheerde goederen (artikel 1993 van het Burgerlijk Wetboek). Het voordeel staat aldus buiten verhouding tot de verstoring die die ongrondwettigverklaring voor de rechtsorde met zich zou meebrengen.

A.4.2. De verwerende partij voor de verwijzende rechter meent dat de gevolgen van een eventuele ongrondwettigverklaring niet moeten worden beperkt, indien artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek zo wordt geïnterpreteerd dat het slechts een weerlegbaar vermoeden inhoudt.

-B-

B.1. Het verwijzende rechtscollege vraagt aan het Hof of artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het afwijkt van de algemene regel van gemeen recht zoals vastgesteld in artikel 1993 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat iedere lasthebber gehouden is rekenschap te geven van de uitvoering van zijn opdracht en aan de lastgever, zonder beperking, volledige verantwoording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht heeft ontvangen, terwijl de echtgenoot-lasthebber, overeenkomstig artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek, slechts gehouden is tot het opleveren van de aanwezige vruchten en geen verantwoording schuldig is van die welke tot dan zijn verbruikt.

B.2.1. Artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt :

« Wanneer een echtgenoot het beheer van zijn goederen aan de andere echtgenoot heeft gelaten, is deze, hetzij op verzoek van de eerstgenoemde, hetzij bij de ontbinding van het stelsel, slechts gehouden tot het opleveren van de aanwezige vruchten, en hij is geen verantwoording schuldig van die welke tot dan toe zijn gebruikt ».

Artikel 1993 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt :

« Iedere lasthebber is gehouden rekenschap te geven van de uitvoering van zijn opdracht, en aan de lastgever verantwoording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht ontvangen heeft, al was ook het door hem ontvangene aan de lastgever niet verschuldigd ».

B.2.2. In beginsel beheren de echtgenoten gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen hun vermogen zelf. Overeenkomstig artikel 1466 van het Burgerlijk Wetboek « bezit ieder van hen de bevoegdheid van beheer, genot en beschikking alleen [ ... ]; zijn inkomsten en besparingen blijven eigen goed ».

Maar de ene echtgenoot kan, overeenkomstig artikel 219 van het Burgerlijk Wetboek, aan de andere echtgenoot een algemene of bijzondere last geven om hem te vertegenwoordigen in de uitoefening van de bevoegdheden die zijn huwelijksvermogensstelsel hem toelaat of toekent. Een dergelijke lastgeving wordt in principe beheerst door het gemeen recht inzake lastgeving (artikelen 1984 tot 2010 van het Burgerlijk Wetboek, waartoe ook artikel 1993 van het Burgerlijk Wetboek behoort).

B.2.3. Echter, overeenkomstig artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1976 « betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels », dat is gebaseerd op het oorspronkelijke artikel 1539 van het Burgerlijk Wetboek en enkel van toepassing is tussen echtgenoten die gehuwd zijn onder het stelsel van de scheiding van goederen, wordt af geweken van het gemeen recht inzake de verantwoordelijkheid van de lasthebber, aangezien de verplichting tot rekenschap van de echtgenoot-lasthebber wegvalt ten voordele van een vermoeden van het behoorlijk waarnemen van het beheer.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag

B.3.1. Volgens de Ministerraad behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord, omdat het niet dienstig zou zijn voor de oplossing van het geschil. Artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek zou enkel van toepassing zijn op « daden van beheer »; het geschil zou in casu evenwel betrekking hebben op « daden van beschikking».

B.3.2. In de regel komt het het rechtscollege toe dat het Hof een vraag stelt, te bepalen welke de normen zijn die toepasselijk zijn op het geschil dat erbij aanhangig is gemaakt en, algemener, na te gaan of het antwoord op een prejudiciële vraag nuttig is om het aan het rechtscollege voorgelegde geschil te beslechten.

Enkel wanneer het antwoord klaarblijkelijk niet nuttig is om het geschil te beslechten, met name omdat de in het geding zijnde norm klaarblijkelijk niet erop van toepassing is, vermag het Hof te beslissen dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft.

B.3.3. Het komt inderdaad niet aan het Hof, maar aan de verwijzende rechter toe om de in het geding zijnde bepaling toe te passen op het geschil en om vast te stellen of bepaalde handelingen als « daden van beheer », dan wel als « daden van beschikking » moeten worden aangemerkt.

De exceptie wordt verworpen.

Ten gronde

B.4. Het verschil in behandeling tussen een lasthebber en een echtgenoot-lasthebber berust op een objectief criterium, te weten het al dan niet gehuwd zijn met de lastgever, onder het stelsel van de scheiding van goederen.

B.5. Het Hof dient te onderzoeken of het verschil in behandeling redelijk verantwoord is ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling.

B.6. De afwijking van het gemeen recht inzake de verantwoordelijkheid van de echtgenoot-lasthebber steunt op een onweerlegbaar vermoeden van eerlijk beheer, dat voortvloeit uit de vertrouwensband die tussen echtgenoten bestaat, met name dat de niet meer aanwezige vruchten zijn verbruikt in het belang van de lastgever of ten behoeve van de huishouding, zodat de lasthebber daarvan geen verantwoording meer schuldig is (Cass., 28 april 2017, C.16.0075.N).

B.7. Het uitsluiten van elke mogelijkheid om rekenschap te eisen, staat evenwel niet in verhouding tot het nagestreefde doel en strookt niet met de fundamentele regels van gelijkheid en autonomie die tussen van goederen gescheiden echtgenoten moeten gelden. Sedert de wetswijziging van 14 juli 1976 dragen beide echtgenoten immers bij tot de lasten van het huishouden (artikel 217 van het Burgerlijk Wetboek), waardoor een onweerlegbaar karakter van het vermoeden niet kan worden verantwoord door een verplichting van echtgenoot-lasthebber om met de vruchten de lasten van het huwelijk te dragen.

Aangezien het behoort tot de essentie van elke lastgeving dat de lasthebber rekenschap en verantwoording dient af te leggen aan de lastgever (artikel 1993 van het Burgerlijk Wetboek), bestaat er geen redelijke verantwoording voor een regel die, enerzijds, het verlenen, aan de ene echtgenoot, van bevoegdheid op de eigen goederen van de andere echtgenoot toelaat, maar die, anderzijds, op absolute wijze verbiedt om verantwoording te eisen van de lasthebber over de wijze waarop die bevoegdheid werd uitgeoefend.

Ook de mogelijkheid voor de echtgenoten om contractueel af te wijken van artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek, omdat artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek noch van openbare orde, noch van dwingend recht is, ontneemt de in het geding zijnde bepaling niet haar onredelijk karakter. Immers, de lastgeving kan, overeenkomstig artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek, niet alleen uitdrukkelijk worden gegeven, maar ook stilzwijgend, in welk geval de echtgenoot-lastgever eventueel onbewust de toepassing van artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek zou aanvaarden.

B.8. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

B.9.1. De Ministerraad en de eisende partij voor de verwijzende rechter verzoeken het Hof de gevolgen te handhaven van de bepaling waarvan het de ongrondwettigheid zou vaststellen.

B.9.2. De handhaving van de gevolgen dient als een uitzondering op de declaratoire aard van het in het prejudicieel contentieux gewezen arrest te worden beschouwd. Alvorens te beslissen de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling te handhaven, moet het Hof vaststellen dat het voordeel dat uit de niet gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid voortvloeit, buiten verhouding staat tot de verstoring die zij voor de rechtsorde met zich zou meebrengen, wat te dezen niet het geval is.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 1467 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 mei 2018.

Noot: 

Roeland Vasseur, Vermoeden van eerlijk beheer bij scheiding van goederen strijdig met gelijkheidsbeginsel, Juristenkrant, 27 juni 2018, pagina 5.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 02/07/2018 - 16:19
Laatst aangepast op: ma, 02/07/2018 - 16:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.