-A +A

Vernietiging verdeling wegens benadeling voor meer dan een vierde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 03/04/2017
A.R.: 
C.15.0508.N

Uit de samenhang van de artikelen 887, tweede lid, 888, eerste lid, 2244, eerste lid en 2052 Burgerlijk Wetboek volgt dat een deelgenoot wegens benadeling van meer dan een vierde kan opkomen tegen een verdeling die ten onrechte als dading werd gekwalificeerd, maar dat deze mogelijkheid niet openstaat ten aanzien van een werkelijke dading, namelijk een wederkerige overeenkomst waarbij de partijen wederzijdse toegevingen doen om de onverdeeldheid te doen ophouden; het Hof komt hiermee terug op zijn eerdere rechtspraak.

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift voor Familierecht
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/7
Pagina: 
184
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0508.N
E.D.
eiser,
tegen
1. T.D.
2. C.D.
verweersters,
3. M.D.
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 30 juni 2015, op verwijzing gewezen na arresten van het Hof van 11 mei 2000 en 22 oktober 2009.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 887, tweede lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat er grond tot vernie-tiging van een verdeling bestaat, wanneer een mede-erfgenaam bewijst dat hij voor meer dan een vierde benadeeld is.

Artikel 888, eerste lid, van hetzelfde wetboek bepaalt dat de vordering tot vernie-tiging is toegelaten tegen elke handeling die ten doel heeft de onverdeeldheid on-der de mede-erfgenamen te doen ophouden, zelfs al mocht die handeling koop, ruil en dading of anders genoemd zijn.

2. Krachtens artikel 2044, eerste lid, Burgerlijk Wetboek is dading een contract waarbij partijen een gewezen geschil beëindigen of een toekomstig geschil voorkomen.

Krachtens artikel 2052 Burgerlijk Wetboek hebben dadingen tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg en kan men er niet tegen opkomen uit hoofde van dwaling omtrent het recht of uit hoofde van benadeling.

3. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat een deelgenoot wegens be-nadeling van meer dan een vierde kan opkomen tegen een verdeling die ten on-rechte als dading werd gekwalificeerd, maar dat deze mogelijkheid niet openstaat ten aanzien van een werkelijke dading, namelijk een wederkerige overeenkomst waarbij de partijen wederzijdse toegevingen doen om de onverdeeldheid te doen ophouden.

Het Hof komt hiermee terug op zijn eerdere rechtspraak.

4. Door te oordelen dat de artikelen 887 en 888 Burgerlijk Wetboek primeren op artikel 2052 van hetzelfde wetboek en dat bijgevolg een overeenkomst van verdeling in de vorm van een reële dading vatbaar is voor vernietiging wegens benadeling voor meer dan een vierde, schenden de appelrechters deze wetsbepa-lingen.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent, anders samengesteld.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, en in openbare rechtszitting van 3 april 2017

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: de heer E.D.

eiser tot cassatie,

TEGEN: 1. T.D.

2. C.D.

3. M.D.

verweerders in cassatie.

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren bij het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser heeft de eer een arrest aan uw beoordeling voor te leggen dat op te-genspraak tussen de partijen op 30 juni 2015 werd uitgesproken door de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel (2010/AR/1246 en 2010/AR/1508).

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1. De partijen zijn de kinderen van mevrouw L.M. en de heer F.D..

Mevrouw L.M. is overleden op 5 juni 1980. Op 16 juni 1980 werd een in-ventaris opgemaakt door notaris P.V. met standplaats te J. Hij stelde ook de aan-gifte van nalatenschap op.

De overlevende echtgenoot, de heer F.D., deed afstand van zijn rechten aan eiser bij akte van notaris P.V. van 31 augustus 1983.

Op 24 november 1988 dagvaardde tweede verweerster tot vereffening-verdeling van de nalatenschap van haar overleden moeder en van de ontbonden gemeenschap die bestond tussen haar ouders. De rechtbank van eerste aanleg te Brugge beval deze gerechtelijke vereffening-verdeling bij vonnis van 24 november 1989.

Op 28 mei 1990 ondertekenden de partijen een overeenkomst, getiteld da-ding, naar luid waarvan zij "teneinde aan alle betwistingen een einde te stellen en een lange gerechtelijke vereffening te vermijden, bij wijze van dading overeenge-komen zijn een einde te stellen aan de tussen hen bestaande onverdeeldheid, en wel als volgt ...".

Eiser nam volgens deze overeenkomst alle activa en passiva over van de nalatenschap van mevrouw L.M. en van de ontbonden huwgemeenschap D-M. Hij nam ook alle schulden op zich en verbond zich tot vrijwaring van de overige par-tijen tegen de schuldeisers van de nalatenschap. Hij verbond zich tot betaling van 5.500.000 BEF aan elk van de partijen, bij ondertekening van de authentieke akte, die zou verleden worden uiterlijk op 1 november 1990 voor notaris P.V.. De be-dragen zouden interesten opbrengen aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 juli 1990 tot het ogenblik van de notariële akte.

2. Op 2 mei 1991 lieten eiser en de derde verweerder eerste en tweede verweersters, dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge tot uitvoering van de dading van 28 mei 1990 en tot betaling van een schadevergoeding.

Eerste en tweede verweersters dienden op 30 augustus 1991 een strafklacht met burgerlijke partijstelling in tegen eiser en derde verweerder op grond van diefstal, misbruik van vertrouwen en oplichting.
Bij vonnis van 5 mei 1992 besliste de rechtbank van eerste aanleg te Brug-ge dat de procedure met betrekking tot de vordering tot gedwongen uitvoering van de overeenkomst van 28 mei 1990 geschorst werd zolang niet definitief was beslist over de strafvordering.

3. Eiser en derde verweerder stelden hoger beroep in tegen dit vonnis. Bij arrest van 18 januari 1994 beval het hof van beroep te Gent de voorlegging van een kopie van de klacht met burgerlijke partijstelling. De voorziening in cassatie die hiertegen werd ingesteld, werd niet ontvankelijk verklaard bij arrest van Uw Hof van 3 maart 1995.

Bij arrest van 3 januari 1997 verklaarde het hof van beroep te Gent het ho-ger beroep gegrond. Het hof van beroep zegde voor recht dat de eerste en tweede verweersters ertoe verplicht zijn de authentieke akte te laten verlijden van de on-derhandse dading van 28 mei 1990.

Bij arrest van 11 mei 2000 van uw Hof werden de arresten van 18 januari 1994 en 3 januari 1997 vernietigd. De zaak werd verwezen naar het hof van be-roep te Antwerpen.

Bij arrest van 18 september 2007 besliste ook het hof van beroep te Ant-werpen dat de eerste en tweede verweersters ertoe verplicht zijn de authentieke akte te laten verlijden van de onderhandse dading van 28 mei 1990.

Evenwel werd ook dit arrest vernietigd bij arrest van uw Hof van 22 okto-ber 2009. De zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Brussel.

In het thans voor uw Hof bestreden arrest van 30 juni 2015 wordt de oor-spronkelijke vordering van eiser en derde verweerder ongegrond verklaard.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

• de artikelen 10, 11 en 149 van de Grondwet
• de artikelen 887, 888, 890, 2044 en 2052 van het Burgerlijk Wetboek,
• de artikelen 1209, §1, 1214, §1, tweede lid, 1223, §3, 1287 en 1394 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

De appelrechters beslissen dat de tussen partijen afgesloten dading van 28 mei 1990, die tot doel had de onverdeeldheid tussen de mede-erfgenamen te be-eindigen, nietig is wegens benadeling voor meer dan een vierde en verklaren om die reden de vordering van eiser tot het verlijden van de notariële akte van dading ongegrond, op grond van de volgende overwegingen :

"4.2.2.1.3 De vernietiging op grond van benadeling
De dading van 28 mei 1990 had tot doel de onverdeeldheid tussen de mede- erfgenamen te beëindigen, en vormde een akte van verdeling in de zin van de artikelen 887 en 888, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek. De aanhef van de overeenkomst vermeldt uitdrukkelijk dat de partijen om "...een lange gerechtelijke vereffening te vermijden, [...] bij wijze van dading overeengekomen [zijn] een einde te stellen aan de tussen hen bestaande onverdeeldheid

Ten onrechte houdt de heer [eiser] voor dat de dading niet vatbaar is voor vernietiging wegens benadeling, gelet op artikel 2052 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat men niet tegen dadingen kan opkomen uit hoofde van benadeling.

Artikel 888, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek laat de vordering tot ver-nietiging immers uitdrukkelijk toe tegen elke handeling die tot doel heeft de onverdeeldheid tussen de mede-erfgenamen te beëindigen, ook als die handeling onder meer dading mocht genoemd zijn. Artikel 887, 2de lid be-paalt dat er grond tot vernietiging is wanneer een mede-erfgenaam bewijst dat hij voor meer dan een vierde benadeeld is.

Op grond van die laatste bepalingen kan een mede-erfgenaam inderdaad opkomen wegens benade-ling voor meer dan een vierde, tegen een dading die tot doel heeft een on-verdeeldheid te doen ophouden. De artikelen 887 en 888 van het Burgerlijk Wetboek primeren dus op artikel 2052 van het Burgerlijk Wetboek wat de vernietiging wegens benadeling betreft, van een overeenkomst van verdeling in de vorm van een reële dading.

Geheel ondergeschikt (na de behandeling van de grond van de vordering tot vernietiging op grond van benadeling) vordert [eiser] het [hof van beroep] een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het past daarop te antwoorden voor enige toepassing van artikel 888 van het Burgerlijk Wetboek.

[Eiser] ziet een discriminatie zonder redelijke verantwoording in het feit dat bepaalde dadingen vatbaar zijn voor vernietiging en andere niet, zoals blijkt uit de door hem geformuleerde vraag:

"Schendt artikel 887 juncto 888 B.W. de artikelen 10 en 11 van de Grond-wet al dan in samenhang gelezen met art. 6.1. EVRM en art. 1 van het Eerste Aanvullend Protocol op het EVRM door een verschil in behandeling tussen de volgende categorieën personen in te stellen, dat niet op een objectief criterium berust en dat niet redelijk verantwoord is, en meer be-paald een grond tot vernietiging te weerhouden van elke verdeling, zelfs al mocht die handeling dading zijn genoemd, terwijl (1) een dading-verdeling afgesloten op grond van art. 1287 Ger. W, (2) een dading-verdeling afge-sloten op grond van art 1394 BW. (oud of nieuw), (3) een door de rechtbank op grond van art. 1209 § 1 en 2 Ger. W, geacteerde akkoord van de partijen en (4) een door de notarisvereffenaar op grond van art. 1214 § 1, al 2 opgemaakt proces-verbaal van een volledig of gedeeltelijk akkoord van de partijen niet vatbaar zijn voor vernietiging op grond van benadeling voor meer dan een vierde".

[Eiser] brengt daarbij echter niet vergelijkbare categorieën samen. De bij-zondere rechtsplegingen van echtscheiding door onderlinge toestemming en die van de minnelijke wijziging van het huwelijksvermogensstelsel zijn gesitueerd in een bijzonder kader van minnelijke rechtsplegingen louter tussen echtgenoten, en bovendien op het vlak van de willige rechtsmacht.

De dading tot beëindiging van een ingestelde bijzondere rechtspleging van gerechtelijke verdeling is gesitueerd in de gedingbeslissende rechtsmacht. De context van de overeenkomsten bedongen in het kader van de echt-scheiding op grond van onderlinge toestemming, sluit de toepassing van artikel 888 van het Burgerlijk Wetboek uit. Bij echtscheiding door onder-linge toestemming alsook bij wijziging van de huwelijkse voorwaarden moeten de wederzijdse toegevingen van de echtgenoten niet objectief ge-lijkwaardig zijn. Met die logica is een vordering tot vernietiging uit bena-deling uit de aard van de zaak niet verzoenbaar.

De regelingsakte bij echtscheiding door onderlinge toestemming en bij analogie ook bij minnelijke wijziging van huwelijksovereenkomsten tijdens het huwelijk maakt trouwens deel uit van een ruimere, globale regeling tussen echtgenoten waarbij de patrimoniale regeling der rechten én de fa-miliale overeenkomsten samen een geheel vormen. Dit is niet het geval bij een gemeenrechtelijke én louter patrimoniale verdeling van een onver-deeldheid.

Er is dus klaarblijkelijk geen schending van de Grondwet, zodat het hof niet gehouden is tot het stellen van de prejudiciële vraag (artikel 26 § 2 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof).

Om te beoordelen of er benadeling is, schat men de goederen op hun waarde ten tijde van de verdeling (artikel 890 van het Burgerlijk Wetboek). Terecht laat [eiser] gelden dat de waarde dus moet beoordeeld worden zo-als zij was op 28 mei 1990.

In deze ligt een verslag voor van schatter Demuynck van 24 februari 1986, die de onroerende goederen raamt op 37.511.300 BEF. Het staat vast dat deze raming de basis heeft gevormd voor de dading. In het ontwerp van de notariële akte van dading van notaris P.V.is als waarde pro fisco 38.454.632 BEF vermeld; dat is een zeer geringe aanpassing.

De raming van schatter Demuynck is gemaakt op basis van de waarde bij gedwongen verkoop; het is nochtans een algemeen bekend feit dat deze waarde in beginsel veel lager is dan bij onderhandse verkoop. Het blijkt niet dat er een rechtvaardiging bestond voor de waardering op grond van gedwongen verkoop. In zijn verklaring van 31 maart 2000 aan de gerechtelijke politie verklaart de heer Michel DE FONSECA overigens dat aan de schatter was gevraagd om niet te hoog te schatten, ten einde zijn ereloon te kunnen drukken.

De schatter heeft verder ook geen rekening gehouden met de toekomstmo-gelijkheden van de goederen, die ontegensprekelijk aanwezig waren en die [eiser] overigens ook heeft kunnen realiseren. [Eiser] noemt de industriële gebouwen vervallen en zegt dat er pas na zware investeringen kon verhuurd worden, maar zoals boven vermeld had hij de goederen reeds in november 1989 verhuurd.

Ten slotte houdt de schatting van 1986 uiteraard geen rekening met de be-langrijke prijsstijgingen in de periode 1986-1990; het valt niet in te zien waarom, zoals [eiser] voorhoudt, de gebouwen in casu daaraan niet on-derhevig zouden zijn geweest.

Tegenover deze lage raming staat de aangifte in januari 1990 van schade bij het rampenfonds die, verrekend over het totaal van de goederen, een waarde van 43.700.000 BEF impliceert. [Eiser] voert aan dat er uiteinde-lijk geen vergoedingen zijn betaald, maar dat doet niets af aan de inschat-ting van een beduidend hogere waarde dan die welke werd gehanteerd bij de dading.

Tegenover vermelde lage raming staat ook de verzekerde waarde van 35.000.000 BEF, in augustus 1990, van de bedrijfsgebouwen alleen. In de raming van de heer Demuynck staan die genoteerd voor slechts 15.000.000 BEF. Het argument van [eiser] dat de verzekering werd aangegaan in heropbouwwaarde doet niets af aan de kennelijke discrepantie tussen de verzekerde waarde en de raming voorafgaand aan de dading.

[Verweersters] merken verder op dat de bedrijfsgebouwen in 1991 werden verhuurd voor in totaal jaarlijks 6.310.000 BEF. Ook dit bedrag is niet in overeenstemming te brengen met een raming op 15.000.000 BEF.

[Verweersters] wijzen er verder op dat voor een gebouw dat de heer Demuynck in 1986 had geschat op 1.500.000 BEF in 1999 meer dan 6.800.000 BEF werd uitbetaald door de verzekering. Dit is weliswaar 9 jaar na 1990, maar het verschil tussen de raming van 1986 en de uitbeta-ling kan toch als indicatief beschouwd worden.

Een en ander maakt duidelijk dat de dading steunde op een kennelijke on-derwaardering van de activa; het hof vindt in de conclusies van [eiser] geen concrete en overtuigende weerlegging daarvan. De vermelde elementen met betrekking tot de activa vormen gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens die toelaten te besluiten dat [verweersters] door de dading van 28 mei 1990 kennelijk benadeeld zijn voor ruim meer dan een vierde in de zin van artikel 887 van het Burgerlijk Wetboek. Het [hof van beroep] beklemtoont dat het hiermee niet zonder meer de stelling onderschrijft van [verweersters] die de benadeling ramen op 175 %.

Gelet op het bovenstaande verklaart het hof de dading van 28 mei 1990 nietig.

Deze nietigheid van de dading tot beëindiging van de onverdeeldheid strekt zich noodzakelijkerwijze uit ten aanzien van alle partijen bij de overeenkomst en dus ook tot [derde verweerder]. Zoals vermeld is huidige vordering tot vernietiging onsplitsbaar.

4.2.2.2 De hoofdvordering

Uit de vernietiging van de dading volgt dat de hoofdvordering tot het ver-lijden van de notariële akte van dading ongegrond is."
(Bestreden arrest, blz. 15-19)

Grieven

Eerste onderdeel

Overeenkomstig artikel 2044 van het Burgerlijk Wetboek is dading een contract, waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen, of een toekomstig ge-schil voorkomen.

Dadingen hebben tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg. Men kan er niet tegen opkomen uit hoofde van dwaling omtrent het recht of uit hoofde van benadeling (artikel 2052 van het Burgerlijk Wetboek).

Overeenkomstig artikel 887, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek bestaat er grond tot vernietiging van een verdeling, wanneer een mede-erfgenaam bewijst dat hij voor meer dan een vierde benadeeld is.

De vordering tot vernietiging is toegelaten tegen elke handeling die ten doel heeft de onverdeeldheid onder mede-erfgenamen te doen ophouden, zelfs al mocht die handeling koop, ruil en dading of anders genoemd zijn. Na de verdeling of de daarmee gelijkstaande handeling wordt evenwel de vordering tot vernieti-ging niet meer toegelaten tegen een dading aangegaan over werkelijk bestaande zwarigheden, door de eerste handeling opgeleverd, zelfs wanneer daaromtrent geen rechtsgeding mocht zijn begonnen (artikel 888 van het Burgerlijk Wetboek).

Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat een verdeling die dading ge-noemd wordt in principe vernietigd kan worden wegens benadeling voor meer dan een vierde, maar dat een dergelijke vernietiging wegens benadeling voor meer dan een vierde niet mogelijk is wanneer er tussen partijen een werkelijke dading om-trent de verdeling werd gesloten en de partijen met name een contract hebben ge-sloten, waarbij zij een reeds gerezen concreet geschil beëindigen.

De appelrechters beslissen evenwel dat op grond van de artikelen 887, tweede lid en 888, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek elke mede erfgenaam kan opkomen wegens benadeling van meer dan een vierde, tegen een dading die tot doel heeft een onverdeeldheid te doen ophouden. De appelrechters beslissen dat de artikelen 887 en 888 van het Burgerlijk Wetboek primeren op artikel 2052 van het Burgerlijk Wetboek wat de vernietiging wegens benadeling betreft van een overeenkomst van verdeling in de vorm van een reële dading.

Door aldus te beslissen dat ook een overeenkomst van verdeling in de vorm van een reële dading kan vernietigd worden op grond van benadeling over-eenkomstig de artikelen 887 en 888 van het Burgerlijk Wetboek, terwijl men over-eenkomstig artikel 2052 van het Burgerlijk Wetboek niet kan opkomen tegen een dading uit hoofde van benadeling en de vordering tot vernietiging op grond van benadeling voor meer dan een vierde zoals bedoeld in de artikelen 887 en 888 van het Burgerlijk Wetboek enkel betrekking heeft op verdelingen die louter de bena-ming dading hebben gekregen maar geen reële dading inhouden, schenden de ap-pelrechters de artikelen 887, tweede lid, 888, eerste lid en 2052 van het Burgerlijk Wetboek.

Door, minstens, de dading van 28 mei 1990 te vernietigen op grond van benadeling voor meer dan een vierde, zonder te onderzoeken of deze overeen-komst een reële dading uitmaakt, terwijl men overeenkomstig artikel 2052 van het Burgerlijk Wetboek niet kan opkomen tegen een dading uit hoofde van benadeling en de vordering tot vernietiging op grond van benadeling voor meer dan een vier-de zoals bedoeld in de artikelen 887 en 888 van het Burgerlijk Wetboek enkel be-trekking heeft op verdelingen die louter de benaming dading hebben gekregen maar geen reële dading inhouden, schenden de appelrechters de artikelen 887, tweede lid, 888, eerste lid en 2052 van het Burgerlijk Wetboek.

Tweede onderdeel

Overeenkomstig artikel 2044 van het Burgerlijk Wetboek is dading een contract, waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen, of een toekomstig ge-schil voorkomen. Om een dading aan te gaan moet men bekwaam zijn om te be-schikken over de voorwerpen die in de dading begrepen zijn (artikel 2045 van het Burgerlijk Wetboek).

Dadingen hebben tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg. Men kan er niet tegen opkomen uit hoofde van benadeling (artikel 2052 van het Burgerlijk Wetboek).

Overeenkomstig artikel 887, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek bestaat er grond tot vernietiging van een verdeling, wanneer een mede-erfgenaam bewijst dat hij voor meer dan een vierde benadeeld is.

De vordering tot vernietiging is toegelaten tegen elke handeling die ten doel heeft de onverdeeldheid onder mede-erfgenamen te doen ophouden, zelfs al mocht die handeling koop, ruil en dading of anders genoemd zijn. Na de verdeling of de daarmee gelijkstaande handeling wordt evenwel de vordering tot vernieti-ging niet meer toegelaten tegen een dading aangegaan over werkelijk bestaande zwarigheden, door de eerste handeling opgeleverd, zelfs wanneer daaromtrent geen rechtsgeding mocht zijn begonnen (artikel 888 van het Burgerlijk Wetboek).

In zoverre uit deze bepalingen volgt dat wegens benadeling voor meer dan een vierde kan worden opgekomen tegen een werkelijke dading die tot doel heeft de onverdeeldheid te doen ophouden, wordt een onderscheid gemaakt tussen ver-schillende categorieën van personen dat niet op een objectief criterium berust en evenmin redelijk verantwoord is.

Hoewel de regels van de artikelen 887, tweede lid en 888 van het Burger-lijk Wetboek in principe van toepassing zijn op alle verdelingen, zijn er niettemin een aantal gevallen waarin omtrent de verdeling bindende akkoorden kunnen worden gesloten die naderhand niet meer voor vernietiging wegens benadeling in aanmerking komen.

Dit is met name enerzijds het geval voor bepaalde verdelingen tussen echt-genoten.

Zo kan de regelingsakte die krachtens artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek wordt gesloten tussen de echtgenoten die besloten hebben tot echtschei-ding door onderlinge toestemming over te gaan niet worden aangevochten wegens benadeling aangezien partijen worden geacht deze risico's bij het sluiten van de overeenkomst te hebben verdisconteerd.

Ook kunnen de echtgenoten die besloten hebben hun huwelijksvermogens-stelsel te wijzigen een akkoord treffen omtrent de verdeling van de gemeenschap-pelijke goederen, dat naderhand niet meer kan worden aangevochten (artikel 1394 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van kracht voor de wijziging ervan bij wet van 18 juli 2008). Hoewel niet meer uitdrukkelijk bepaald, blijft dit ook onder de nieuwe wet gelden (artikel 1394 van het Burgerlijk Wetboek).

Uit bovenvermelde bepalingen volgt dat de verdelingen tussen echtgenoten in het kader van de echtscheiding door onderlinge toestemming en in het kader van een wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, niet aangevochten kunnen worden wegens benadeling voor meer dan een vierde.

Voorts kunnen, anderzijds, akkoorden die voor de rechtbank of voor de no-taris gesloten worden in het kader van een gerechtelijke verdeling evenmin wor-den aangevochten wegens benadeling voor meer dan een vierde.

Overeenkomstig artikel 1209, §1 van het Gerechtelijk Wetboek beslist de rechtbank in het kader van een gerechtelijke verdeling over alle geschillen die bij haar aanhangig worden gemaakt en verleent de partijen akte van een eventuele akkoorden. Deze door de rechtbank vastgestelde akkoorden gelden als vonnis be-doeld in artikel 1043 van het Gerechtelijk Wetboek en kunnen derhalve niet we-gens benadeling voor meer dan een vierde worden aangevochten.

Ook kan de notaris in het kader van de gerechtelijke verdeling het akkoord van de partijen over de vereffening of de verdeling vaststellen. Dit akkoord bindt hen definitief (artikel 1214, §1, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek).

Partijen kunnen naderhand door middel van het formuleren van bezwaren geen afbreuk meer doen aan de akkoorden die werden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 1209, §1 of 1214, §1, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek (arti-kel 1223, §3 van het Gerechtelijk Wetboek).

Uit wat voorafgaat volgt dat bovenvermelde bepalingen een ongelijke be-handeling invoeren tussen enerzijds mede-erfgenamen die een dading sluiten die tot doel heeft de onverdeeldheid die tussen hen bestaat te doen ophouden en die vernietigd kan worden op grond van benadeling voor meer dan een vierde en an-derzijds echtgenoten die in de regelingsakte in het kader van de echtscheiding door onderlinge toestemming of echtgenoten die in het kader van een wijziging van het huwelijksvermogensstelsel een dading sluiten die tot doel heeft de onver-deeldheid die tussen hen bestaat te doen ophouden en die niet vernietigd kan wor-den op grond van benadeling voor meer dan een vierde, zonder dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.

Voorts voeren bovenvermelde bepalingen een ongelijke behandeling in tus-sen de mede-erfgenamen die in het kader van een minnelijke verdeling een dading sluiten die tot doel heeft de onverdeeldheid die tussen hen bestaat te doen ophou-den en die vernietigd kan worden op grond van benadeling voor meer dan een vierde en de mede-erfgenamen die in het kader van een gerechtelijke verdeling een akkoord sluiten voor de rechtbank of voor de notaris, dat tot doel heeft de on-verdeeldheid tussen hen bestaat te doen ophouden en dat niet vernietigd kan wor-den op grond van benadeling voor meer dan een vierde, zonder dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.

In zoverre derhalve de artikelen 887, tweede lid en 888, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek zo gelezen moeten worden dat ook werkelijke dadingen die tot doel hebben de onverdeeldheid die tussen de mede-erfgenamen bestaat te doen ophouden, vernietigd kunnen worden wegens benadeling voor meer dan een vierde, schenden zij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, evenals, voor zoveel als nodig, de artikelen 1209, §1, 1214, §1, tweede lid, 1223, §3, 1287 en 1394 van het Gerechtelijk Wetboek.

Derde onderdeel

Overeenkomstig artikel 887, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek bestaat er grond tot vernietiging van een verdeling, wanneer een mede-erfgenaam bewijst dat hij voor meer dan een vierde benadeeld is.

De vordering tot vernietiging is toegelaten tegen elke handeling die ten doel heeft de onverdeeldheid onder mede-erfgenamen te doen ophouden, zelfs al mocht die handeling koop, ruil en dading of anders genoemd zijn (artikel 888 van het Burgerlijk Wetboek).

Om te beoordelen of er benadeling is geweest, schat men de goederen op hun waarde ten tijde van de verdeling (artikel 890 van het Burgerlijk Wetboek).

Te dezen stellen de appelrechters vast dat

- De onroerende goederen in het verslag van schattig Demuynck van 24 februari 1986 geraamd worden op 37.511.300 BEF en als waarde in het ontwerp van notariële akte van dading vermeld is 38.454.632 BEF;
- deze waarde geraamd is op basis van de waarde bij gedwongen ver-koop terwijl deze veel lager is dan bij onderhandse verkoop en er geen rechtvaardiging bestond voor de waardering op grond van gedwongen verkoop;
- derde verweerder op 31 maart 2000 aan de gerechtelijke politie heeft verklaard dat aan de schatter was gevraagd om niet te hoog te schatten, teneinde zijn ereloon te kunnen drukken;
- de schatter geen rekening heeft gehouden met de toekomstmogelijkhe-den van de goederen en niet blijkt dat de goederen pas na zware inves-teringen konden worden verhuurd;
- de schatter geen rekening heeft gehouden met de belangrijke prijsstij-gingen in de periode 1986-1990;
- een aangifte in januari 1990 van schade bij het rampenfonds, een waar-de van de goederen van 43.700.000 BEF impliceert;
- de bedrijfsgebouwen alleen in augustus 1990 verzekerd werden voor een waarde van 35 miljoen BEF;
- de bedrijfsgebouwen in 1991 verhuurd werden voor in totaal jaarlijks 6.310.000 BEF, wat niet in overeenstemming te brengen is met een ra-ming op 15 miljoen BEF;
- voor een gebouw dat in 1986 werd geschat op 1.500.000 BEF in 1999 meer dan BEF 16.800.000 uitbetaald werd, wat weliswaar 9 jaar na 1990 is, maar dat dit verschil tussen de raming van 1986 en de uitbeta-ling toch indicatief is.

De appelrechters besluiten dat de dading steunde op een kennelijke onder-waardering van de activa en dat voormelde elementen met betrekking tot de activa gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens vormen die toelaten te besluiten dat verweersters door de dading van 28 mei 1990 kennelijk benadeeld zijn voor ruim meer dan een vierde in de zin van artikel 887 van het Burgerlijk Wetboek.

Door hun beoordeling dat de dading steunt op een kennelijke onderwaardering van de activa, deels af te leiden uit schattingen van de waarde van de goederen die hebben plaatsgevonden na de verdeling, dit is na 28 mei 1990, en met name op de overwegingen dat de bedrijfsgebouwen in 1991 werden verhuurd voor in totaal jaarlijks 6.310.000 BEF en dat in 1999 meer dan 6.800.000 BEF werd uitbetaald, schenden de appelrechters de artikelen 887, tweede lid, 880 eerste lid en 890 van het Burgerlijk Wetboek, die vereisen dat de rechter zich bij de beoordeling of er benadeling voor meer dan een vierde heeft plaatsgevonden, plaatst op het ogenblik van de verdeling.

In zoverre de appelrechters op grond van hun overwegingen konden beslui-ten tot een kennelijke onderwaardering van de activa, laten de overwegingen van de appelrechters uw Hof niettemin niet toe om het wettigheidstoezicht waarmee het belast is, uit te oefenen. Niet alleen stellen de appelrechters niet vast wat de waarde van de activa is, maar bovendien kan uit de beslissing van de appelrechters op geen enkele manier worden afgeleid wat de omvang van het passief was.

Uit de overwegingen van de appelrechters kan ook niet worden afgeleid welke de omvang van het netto-actief van de nalatenschap was, zodat uw Hof niet kan na-gaan of er aan de zijde van verweersters daadwerkelijk een benadeling is geweest voor meer dan een vierde. Daar het bestreden arrest uw Hof niet toelaat zijn wet-tigheidtoezicht uit te oefenen, is het niet regelmatig met redenen omkleed (schen-ding van artikel 149 van de Grondwet). Door voorts te besluiten tot vernietiging van de dading wegens benadeling voor meer dan een vierde, hoewel uit de motie-ven van het bestreden arrest niet kan worden opgemaakt of er daadwerkelijk een benadeling voor meer dan een vierde was in de zin van de artikelen 887, tweede lid en 888, eerste lid, schenden de appelrechters eveneens deze bepalingen.

TOELICHTING

Eerste onderdeel

Overeenkomstig artikel 887, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek bestaat er grond tot vernietiging van een verdeling, wanneer een mede-erfgenaam bewijst dat hij voor meer dan een vierde benadeeld is.

De vordering tot vernietiging is toegelaten tegen elke handeling die ten doel heeft de onverdeeldheid onder mede-erfgenamen te doen ophouden, zelfs al mocht die handeling koop, ruil en dading of anders genoemd zijn (artikel 888 van het Burgerlijk Wetboek).

Luidens deze bepalingen kunnen verdelingen worden vernietigd wegens benadeling voor meer dan een vierde, ook indien deze dading genoemd zijn.

Evenwel bepaalt artikel 2052 van het Burgerlijk Wetboek dat men tegen dadingen niet kan opkomen uit hoofde van benadeling.

Bij de toepassing van deze bepalingen is discussie ontstaan over de vraag of kan opgekomen worden tegen een reële dading houdende verdeling wegens be-nadeling voor meer dan een vierde. In het bijzonder rijst de vraag of artikel 888, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek enkel betrekking heeft op verdelingen die louter dading genoemd worden, dan wel eveneens van toepassing is op reële da-dingen.

Deze problematiek geeft al meer dan twee eeuwen aanleiding tot felle dis-cussies. H. CASMAN geeft hiervan een zeer volledig overzicht in haar bijdrage "La partage transactionnel, stable ou égalitaire avant tout?", RNB 2012, 406-429.

Nadat uw Hof aanvankelijk had geoordeeld dat artikel 888 van het Burger-lijk Wetboek enkel van toepassing is op een gesimuleerde dading (Cass. 7 decem-ber 1829, Pas. 1829, 317; Cass. 10 juli 1862, Pas. 1862, 290 en 298), besliste uw Hof in zijn arrest van 21 november 1946 (Cass. 21 november 1946, Pas. 1946, I, 435; in dezelfde zin reeds Cass. 21 oktober 1943, Pas. 1944, I, 18) dat de regel dat de vernietiging van de verdeling kan worden gevorderd op grond van benade-ling voor meer dan een vierde ook van toepassing is op werkelijke dadingen, en niet enkel op verdelingen die door de partijen dading genoemd worden, maar geen werkelijke dadingen zijn. Als grondslag hiervoor werd aangenomen dat het de be-doeling is van de wetgever om bij de verdeling de gelijkheid tussen de deelgenoten te verzekeren en dat dit maar kan worden bereikt door de vordering tot vernie-tiging wegens benadeling voor meer dan een vierde mogelijk te laten, zelfs in het geval van een reële dading.

Een aantal auteurs zijn naderhand de stelling van uw Hof bijgetreden (zie bijv. R. PIRET, note sous Cass. 21 novembre 1946, RCJB 1947, 99-112; F. LAU-RENT, Principes de droit civil, Brussel, Bruylant 1874, T. X, 516-524; A. KLUYS-KENS, Beginselen van burgerlijk recht. De erfenissen, 1927, II, 330-331; F. LAU-RENT, Cours élémentaire de droit civil, X, Brussel, Bruylant 1887, 130; A. SCHICKS en A. VAN ISTERBEEK, "Traité formulaire de la pratique noariale", Rev. prat.n.b., 1927, IV, 287; V. THIRY, Cours de droit civil, II, Luik, 1892, 258 ; M. PLANIOL en G. RIPERT, Traité pratique de droit français, IV, Successions, 1956, 940-941 ; C. AUBRY en C. RAU, Droit civil français, X, Successsions et testaments, 1954, 240-243 ; zie hierover tevens, met verwijzingen, B. TILLEMAN, I. CLAEYS, Ch. COUDRON, en K. LOONTJENS, Dading, APR, 2000, 245-246, nr. 509).

De meerderheid van de rechtsleer stond echter kritisch tegenover het standpunt van uw Hof. Met name diende volgens deze rechtsleer een evenwicht te worden gevonden tussen twee fundamentele waarden, met name enerzijds de ge-lijkheid tussen de deelgenoten en anderzijds de stabiliteit van de tussen partijen gesloten overeenkomsten, en inzonderheid van dadingen, waarbij het tweede be-ginsel voorrang diende te krijgen op het eerste beginsel (J. DE GAVRE, Le contrat de transaction en droit civil et en droit judiciaire privé, Bruylant, 1967, 119-128; J. DE GAVRE, "Actualité de la transaction-partage", in X, Mélanges offerts à Jean Baugniet, Bruylant, 1976, 137-156; H. DE PAGE en R. DEKKERS, Traité, Tome IX, Bruylant, 1974, 1048, nr. 1474; C. DEKKERS en M. VAN QUICKENBORNE, "Exa-men de jurisprudence. Les successions et les libertés", RCJB 1975, 202; H. CASMAN, "De minnelijke vereffening-verdeling", in X, Vereffening-verdeling, recy-clagedagen 1991 NRR, Kluwer, 1992,16; H. CASMAN, "Fraus corrumpit sed non omnia corrumpit en matière de divorce par consentement mutuel", RCJB 2002, 427; P. DELNOY, "Chronique de jurisprudence. Les successions", JT 1990, 95; F. BOUCKAERT, "Dading en verdeling : nieuwe koers in de rechtspraak", T.Not. 1992, 220; M. PUELINCKX-COENE, I. VERHAERT, N. GEELHAND en J. VERSTRAETE, "Overzicht van rechtspraak. Erfenissen (1988-1995), TPR 1997, 313, nr. 212 en "Overzicht van rechtspraak. Erfenissen (1996-2004), TPR 2005, 637, nr. 281; J. VERSTRAETE, "Levende fossielen in ons familiaal vermogensrecht", in Liber ami-corum Hélène Casman, 2013, 516; L. RAUCENT en M. GRÉGOIRE, "Examen de jurisprudence. Les successions, les partages et les libertés", RCJB 1995, 464; M. THUYSBAERT, noot onder Rb. Antwerpen 27 april 1968, RW 1968, 424 ; C. DE-CLERCK en G. DEKNUDT, "Erfrecht", in W. PINTENS en C. DECLERCK, Patrimo-nium 2010, 106 ; Y.-H. LELEU, "Les conventions matrimoniales préalables au di-vorce par consentement mutuel", TBBR 1999, 388 ; Y. MERCHIERS, Les contrats spéciaux. Chronique de jurisprudence 1996-2000, Brussel, Larcier, Dossiers JT, 2002, 203; D. COTTENIE, "Gedane zaken nemen geen keer. Of soms wel? Over het karakter van ‘dading' van de EOT-regelingsakte", TBBR 2010, 221).

Het arrest van uw Hof van 28 januari 2010 (C.09.0036.N) beoogde onge-twijfeld een einde te stellen aan voormelde discussies in de rechtsleer. Uw Hof be-sliste in dit arrest ondubbelzinnig dat de mede-erfgenaam wegens benadeling voor meer dan een vierde kan opkomen tegen een dading die tot doel heeft de onver-deeldheid te doen ophouden. Gezien uit voormeld arrest bleek dat er tussen partij-en in deze zaak een werkelijke dading werd afgesloten, heeft uw Hof de discussie ondubbelzinnig beslecht in de zin dat ook een verdeling waaromtrent een reële dading werd gesloten wegens benadeling voor meer dan een vierde kan worden aangevochten.

Niettemin heeft dit arrest geen einde kunnen stellen aan de discussies in de rechtsleer en werd dit arrest op felle kritiek onthaald (H. CASMAN, "La partage transactionnel, stable ou égalitaire avant tout?", RNB 2012, 406-429; R. SABBAH, "Le partage transactionnel", TBBR 2010, 76-86; J. VERSTRAETE, "Levende fossie-len in ons familiaal vermogensrecht", in Liber amicorum Hélène Casman, 2013, 516).

In deze rechtsleer wordt erop gewezen dat uit de tekst van artikel 888, eer-ste lid van het Burgerlijk Wetboek volgt dat enkel verdelingen die dading ge-noemd worden vernietigd kunnen worden wegens benadeling. Volgens deze rechtsleer heeft artikel 888, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek geen betrekking op werkelijke dadingen (R. SABBAH, "Le partage transactionnel", TBBR 2010, 81).

Deze rechtsleer wijst er voorts op dat het beginsel van gelijkheid van de kavels niet behoort tot de essentie van verdelingen. Met name is vooreerst niet el-ke verdeling wegens benadeling vernietigbaar. Vereist is dat er een benadeling is voor meer dan een vierde. Van een absolute gelijkheid kan dan ook geen sprake zijn (R. SABBAH, "Le partage transactionnel", TBBR 2010, 82). Verder is de regel van de vernietiging wegens benadeling voor meer dan een vierde niet van toepas-sing op alle verdelingen. Verdelingen die gedaan worden in het kader van een EOT zijn immers niet vernietigbaar wegens benadeling (artikel 1287 van het Ge-rechtelijk Wetboek), evenmin als verdelingen die gebeuren in het kader van een wijziging van het huwelijksstelsel (artikel 1394 van het Gerechtelijk Wetboek). Ook akkoorden gesloten voor de rechtbank of de notaris in het kader van een ge-rechtelijke verdeling zijn niet vernietigbaar wegens benadeling voor meer dan een vierde (artikelen 1209, §1 en 1214, §1 van het Burgerlijk Wetboek) (zie hierover H. CASMAN, "La partage transactionnel, stable ou égalitaire avant tout?", RNB 2012, 406-429). Bovendien kunnen er goede redenen zijn waarom partijen afwij-ken van het beginsel van de gelijkheid van de kavels. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de mede-erfgenamen in het verleden niet over gelijke kansen hebben beschikt waardoor het redelijk kan voorkomen hiermee rekening te houden bij de verdeling. Er kunnen ook andere, bijv. medische, omstandigheden voorhanden zijn op grond waarvan partijen wensen af te wijken van het beginsel van de gelijkheid van de kavels.

Anderzijds is het beginsel van de stabiliteit wel degelijk essentieel voor dadingen. Partijen hebben immers de bedoeling om door een dading een einde te maken aan hun geschillen (R. SABBAH, "Le partage transactionnel", TBBR 2010, 83).

Stabiliteit maakt inderdaad een essentieel kenmerk van de dading uit. Door een dading af te sluiten wensen de partijen een einde te maken aan geschil zonder dit aan de rechter voor te leggen. Hun bedoeling bestaat er precies in hun geschil bij de rechter weg te houden. Noch de partijen zelf, noch de maatschappij in het algemeen, noch justitie in het bijzonder hebben er belang bij dat dadingen kunnen worden aangevochten wegens benadeling. De partijen wensten immers definitief een einde te stellen aan hun geschil en de maatschappij heeft er geen belang bij dat akkoorden die tussen partijen werden gesloten om geschillen te beëindigen naderhand nog voor de rechter kunnen worden aangevochten. In een maatschappij waar de buitengerechtelijke geschillenafwikkeling steeds meer aangemoedigd wordt, is het niet redelijk om een dergelijke regeling, die door partijen bewust werd aangegaan, te laten aanvechten wegens benadeling.

Dadingen worden in de regel inderdaad gesloten na lange onderhandelin-gen en met kennis van zaken, waarbij de partijen zich laten bijstaan door raadslie-den. Wanneer de partijen vervolgens een akkoord bereiken om een einde te maken aan de tussen hen bestaande geschillen, dan is het niet redelijk om hen toe te laten dit akkoord nadien terug in vraag te stellen op grond dat zij benadeeld zouden zijn. Wanneer zij op het ogenblik van het sluiten van de dading volledig op de hoogte waren van de ongelijke verdeling, dan is er geen enkele reden om hen toe te laten hierop naderhand terug te komen.

Om bovenvermelde redenen nodigt eiser uw Hof uit om zijn eerdere recht-spraak te heroverwegen en artikel 888, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek te in-terpreteren in het licht van de huidige nood aan efficiënte buitengerechtelijke ge-schillenafwikkeling, en met name de mogelijkheid tot vernietiging wegens bena-deling te beperken tot de gevallen waarin aan een verdeling slechts de benaming dading werd gegeven, zonder dat er ook werkelijk een dading werd afgesloten tussen de partijen.

Tweede onderdeel

Ingeval uw Hof opnieuw zou oordelen dat artikel 888, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek niet enkel een betrekking heeft op verdelingen die dading ge-noemd worden, maar ook op reële dadingen die een verdeling tot gevolg hebben, meent eiser dat hierdoor een ongelijke behandeling ontstaat, zonder dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.

Er blijkt immers dat deelgenoten in een onverdeeld goed in een aantal ge-vallen wel degelijk reële dadingen kunnen sluiten, zonder dat deze op grond van benadeling voor meer dan een vierde kunnen worden aangevochten.

Dit is met name het geval voor bepaalde bewerkingen van verdeling tussen echtgenoten. Verder kunnen ook akkoorden die in het kader van een gerechtelijke verdeling tussen partijen tot stand komen voor de rechter of de notaris naderhand niet meer worden aangevochten wegens benadeling voor meer dan een vierde.

Krachtens artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek moeten de echtgeno-ten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, hun wederzijdse rechten waaromtrent het hun evenwel vrijstaat en tegelijk te treffen, vooraf regelen. De regelingsakte die overeenkomstig deze bepaling is afgesloten is een familiaalrechtelijke overeenkomst van bijzondere aard die on-derworpen is aan de algemene regels van het verbintenissenrecht, met dien ver-stande dat zij gelet op haar aard en strekking niet kan worden aangevochten we-gens dwaling of benadeling aangezien de partijen worden geacht deze risico's bij het sluiten van de overeenkomst te hebben verdisconteerd (Cass. 9 november 2012, C.12.0051.N).

Overeenkomstig artikel 1394 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van kracht voor de wijziging ervan bij wet van 18 juli 2008, kunnen de echtgenoten tijdens het huwelijk hun huwelijksvermogensstelsel wijzigen naar goeddunken en zelfs een ander stelsel aannemen. De akte houdende wijziging van het huwelijksvermo-gensstelsel wordt voorafgegaan door een beschrijving van alle roerende en onroe-rende goederen en van de schulden van de echtgenoten en een regeling van hun wederzijdse rechten, waaromtrent het hun vrij staat een vergelijk te treffen. Hoe-wel artikel 1394 van het Burgerlijk Wetboek gewijzigd werd, wordt aangenomen dat de draagwijdte ervan ongewijzigd blijft (H. CASMAN, "La partage transaction-nel, stable ou égalitaire avant tout?", RNB 2012, 423; W. PINTENS, "Wijziging van het huwelijksvermogensstelsel. Een commentaar op de wet van 18 juli 2008, RW 2008-2009, 946-954).

In zoverre het bijzondere karakter van de regelingsakte al zou kunnen ver-antwoorden dat, wat betreft de mogelijkheid om de vernietiging ervan te vorderen, een onderscheid gemaakt wordt tussen de regelingsakte enerzijds en andere akten van verdeling anderzijds, geldt dit in geen geval voor wat betreft het onderscheid dat gemaakt wordt tussen verdelingen in het kader van de wijziging van het huwelijksstelsel en verdelingen tussen mede-erfgenamen. Er bestaat inderdaad geen enkele redelijke verantwoording voor het feit dat deelgenoten in het kader van een verdeling van een nalatenschap wel kunnen opkomen tegen de verdeling wegens benadeling voor meer dan een vierde, en derhalve niet definitief een einde kunnen stellen aan concrete geschilpunten in het kader van een verdeling, terwijl echtgenoten in het kader van een wijziging van het huwelijksvermogensstelsel niet kunnen opkomen tegen de verdeling wegens benadeling voor meer dan een vierde en derhalve wel zekerheid hebben dat het door hen gesloten akkoord ook stand zal houden.

In zoverre moet worden aangenomen dat de deelgenoten tegen een verde-ling kunnen opkomen wegens benadeling voor meer dan een vierde, ook wanneer een reële dading werd gesloten omtrent de verdeling, wordt eveneens een onder-scheid gemaakt tussen akkoorden die worden afgesloten buiten het kader van een procedure gerechtelijke verdeling en akkoorden die worden gesloten voor de rech-ter of voor de notaris in het kader van een gerechtelijke verdeling.

Overeenkomstig artikel 1209, §1 verleent de rechtbank in het kader van de gerechtelijke verdeling definitief akte van hun eventuele akkoorden. Deze ak-koorden gelden overeenkomstig de tweede paragraaf van deze bepaling als ak-koordvonnis bedoeld in artikel 1043 van het Gerechtelijk Wetboek en kunnen niet worden aangevochten wegens benadeling voor meer dan een vierde (H. CASMAN, "La partage transactionnel, stable ou égalitaire avant tout?", RNB 2012, 424).

Ook de notaris-vereffenaar kan in elke stand van de rechtspleging een pro-ces-verbaal opmaken van de tussen partijen bereikte akkoorden over de vereffe-ning of de verdeling. Het aldus vastgestelde akkoord bindt hen definitief (artikel 1214, §1, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek). De partijen kunnen in dit verband afzien van het opmaken van een boedelbeschrijving (artikel 1214, §2 van het Gerechtelijk Wetboek).

Partijen kunnen naderhand geen bezwaren meer formuleren die afbreuk doen aan de akkoorden die werden vastgesteld overeenkomstig artikelen 1209, §1 of 1214, §1, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 1223, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek).

Uit het geheel van deze bepalingen blijkt dat partijen bij wijze van dading voor de rechtbank of voor de notaris akkoorden kunnen sluiten over de verdeling, die naderhand niet meer wegens benadeling kunnen worden aangevochten (H. CASMAN, "La partage transactionnel, stable ou égalitaire avant tout?", RNB 2012, 424-428).

Er bestaat evenwel geen enkele objectieve en redelijke verantwoording voor het onderscheid dat aldus gemaakt wordt in het kader van verdelingen. Met name bestaat er geen objectieve en redelijke verantwoording voor het feit dat reële dadingen die worden gesloten in het kader van een minnelijke verdeling wel kun-nen worden aangevochten wegens benadeling voor meer dan een vierde, terwijl reële dadingen die in het kader van een gerechtelijke verdeling worden afgesloten voor de rechter of de notaris niet meer vatbaar zijn voor vernietiging wegens be-nadeling voor meer dan een vierde.

In de interpretatie dat de artikelen 887, tweede lid en 888, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek inhouden dat ook reële dadingen houdende verdeling vatbaar zijn voor vernietiging wegens benadeling voor meer dan een vierde, creëren zij dan ook een onderscheid dat niet berust op een objectieve en redelijke verantwoording en schenden deze bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Eiser verzoekt uw hof dan ook de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof :

"Schenden de artikelen 887 juncto 888 van het Burgerlijk Wetboek de arti-kelen 10 en 11 van de Grondwet door een verschil in behandeling in te stel-len, dat niet op een objectief criterium berust en dat niet redelijk verant-woord is, tussen deelgenoten die in het kader van een minnelijke verdeling van een nalatenschap een reële dading sluiten, en die deze naderhand kun-nen aanvechten wegens benadeling voor meer dan een vierde enerzijds en echtgenoten die in het kader van de wijziging van een huwelijksvermogens-stelsel een dading afsluiten die een verdeling inhoudt (artikel 1394 van het Gerechtelijk Wetboek) en echtgenoten die in het kader van de regelingsakte EOT een dading sluiten die een verdeling inhoudt (artikel 1287 van het Ge-rechtelijk Wetboek) en die naderhand niet meer kunnen worden aangevoch-ten wegens benadeling voor meer dan een vierde anderzijds?

Schenden de artikelen 887 juncto 888 van het Burgerlijk Wetboek de arti-kelen 10 en 11 van de Grondwet door een verschil in behandeling in te stel-len, dat niet op een objectief criterium berust en dat niet redelijk verant-woord is, tussen deelgenoten die in het kader van een minnelijke verdeling van een nalatenschap een reële dading sluiten, en die deze naderhand kun-nen aanvechten wegens benadeling voor meer dan een vierde enerzijds en deelgenoten die in het kader van een gerechtelijke verdeling van een nala-tenschap voor de rechtbank of voor de notaris akkoorden sluiten (artikelen 1209, §1 en 1214, § 1, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek), en die deze naderhand niet meer kunnen aanvechten wegens benadeling voor meer dan een vierde?"

Derde onderdeel

Uit de artikelen 887, tweede lid en 888 eerste lid volgt dat verdelingen kunnen worden vernietigd wegens benadeling voor meer dan een vierde.

Het bestreden arrest laat evenwel na het netto-actief van de nalatenschap vast te stellen en stelt uw Hof aldus niet in staat het wettigheidstoezicht waarmee het belast is, uit te oefenen. De appelrechters omkleden hun beslissing derhalve niet regelmatig met redenen en schenden zodoende artikel 149 van de Grondwet (Cass. 7 december 2001, C.99.0442.F).

Op deze gronden en overwegingen besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie voor eiser dat het U, Hooggeachte Dames en Heren, moge behagen de bestreden beslissing te vernietigen, te bevelen dat hiervan melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep en uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Antwerpen, 30 november 2015

Bij de indiening ter griffie wordt bij deze voorziening gevoegd:

1. het exploot van betekening van deze voorziening aan de verwerende par-tijen;
2. de verklaring pro-fisco.

Noot: 

• Revue Générale de Droit Civil Belge [RGDC] VAN ZUYLEN, Jean; Note 'La lésion d'un partage transactionnel: échec et mat!' 2018, n° 2, p. 82-93.

• Journal des tribunaux [JT] GLANSDORFF, François; Observations 'Transaction n'est point partage' 2017, n° 6689, p. 350-351.

• Tijdschrift voor Familierecht [T.Fam.] MOSSELMANS, Sven; Noot 'Enkel gesimuleerde dadingen tot verdeling zijn vatbaar voor vernietiging wegens benadeling voor meer dan een vierde' 2017, nr. 7, p. 184-189.

• TBBR, J. Van Zuylen, La lésion d’un partage transactionnel : échec et mat !, TBBR, 2018-2, 83

Rechtspraak:

• Cass. 21 november 1946, AC 1945-46, p. 400 en

• Cass. 28 januari 2010, AR C.09.0036.N, AC 2010, nr. 67

zie ook:

• B. Verlooy De vernietiging van een dading wegens benadeling, RABG 2010/12, 761, noot onder het arrest zoals eveneens gebubliceerd in RABG/12, 755.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 23/05/2018 - 13:45
Laatst aangepast op: do, 07/06/2018 - 20:09

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.