-A +A

Verzachtende omstandigheden herhaling en maximale straf

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 22/12/2011

Art. 56, tweede lid Sw. maakt deel uit van een geheel van bepalingen die ertoe strekken de herhaling te bestraffen, met andere woorden het geval waarin “de dader van een eerste misdrijf, die wegens dat feit is gestraft, er een tweede pleegt” (eigen vertaling) (Parl.St. Senaat 1851-52, nr. 70, p. 28). Aangezien zij een “verzwarende omstandigheid” is en aangezien zij getuigt van de ondoeltreffendheid van de eerste straf om “[de veroordeelde] ertoe aan te sporen de wet na te leven” (eigen vertaling), verantwoordt de herhaling de toepassing van een strengere straf (ibid., p. 29).

De aan de rechter gelaten mogelijkheid om het dubbele van het maximum van de correctionele straf uit te spreken waarin bij de wet voor dat tweede feit is voorzien, is een nuttige waarborg in het belang van de samenleving (ibid., p. 30).

De onmogelijkheid voor de rechter om een dergelijke beslissing te nemen wanneer een misdaad volgt op een veroordeling tot een correctionele straf, wordt verantwoord door het feit dat “de criminele straf [...] voldoende zwaar is en aan de rechter genoeg ruimte laat om in alle behoeften van verzwaring te voorzien welke die herhaling heeft doen ontstaan”, waarbij “de ondoeltreffendheid van de eerste veroordeling dan wordt verholpen door de noodzakelijke strengheid van de tweede” (eigen vertaling) (Parl.St. Kamer 1850-51, nr. 245, p. 41-42).

B.6.2. De toewijzing aan de raadkamer en aan de kamer van inbeschuldigingstelling van de bevoegdheid om een van poging tot moord in verdenking gestelde persoon naar de correctionele rechtbank te verwijzen, heeft tot doel het aantal door het hof van assisen onderzochte zaken te verminderen (Parl.St. Kamer 2009-10, DOC 52-2127/007, p. 8; ibid., DOC 52-2127/008, p. 106; Parl.St. Senaat 2009-10, nr. 4-924/8, p. 2, 7 en 20).

B.7. Ook al is de correctionele gevangenisstraf een straf die verschilt van de criminele straf van de opsluiting, toch hebben die twee sancties gemeen dat zij de veroordeelde van zijn vrijheid beroven.

Noch de aard van de criminele straf, noch de bekommernis om de werklast van het hof van assisen te verminderen maken het dus mogelijk om een verschil in behandeling redelijkerwijs te verantwoorden. die voortvloeit uit de samenlezing van art. 216novies Sv. met art. 10, 11 en 23 van de Grondwet, in zoverre die bepaling een verschil in behandeling zou invoeren tussen twee categorieën van inverdenkinggestelden aan wie feiten worden verweten die een poging tot moord uitmaken en die zijn gepleegd minder dan vijf jaar nadat die inverdenkinggestelden een gevangenisstraf van minstens één jaar hebben ondergaan of nadat die straf is verjaard: enerzijds, diegenen ten aanzien van wie de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling de verwijzing naar de correctionele rechtbank wegens verzachtende omstandigheden gelast en, anderzijds, diegenen ten aanzien van wie het onderzoeksgerecht de verwijzing naar het hof van assisen gelast. De eerstgenoemden zouden kunnen worden veroordeeld tot een straf van langere duur dan die welke aan de laatstgenoemden wordt opgelegd.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1830
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 199/2011

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 27 juli 2011 heeft de Correctionele Rechtbank te Turnhout de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Schendt art. 14 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen art. 10, 11 en 23 van de Grondwet inzoverre dit meebrengt dat men voor het hof van assisen geen wettelijke herhaling kan vaststellen wanneer men reeds een voorgaande veroordeling wegens het plegen van een wanbedrijf heeft opgelopen, maar de correctionele rechtbank dit wel zou kunnen doen wanneer dezelfde misdaad gecorrectionaliseerd zou worden na aanneming van verzachtende omstandigheden? Met andere woorden, het aannemen van verzachtende omstandigheden door de raadkamer kan een verdubbeling van de maximumstraf meebrengen en de vaststelling van de staat van wettelijke herhaling, terwijl het aannemen van een verzachtende omstandigheid door het hof van assisen een maximum bestraffing van twintig jaar geeft en er een onmogelijkheid is tot vaststellen van de wettelijke herhaling. Het tijdstip van het aannemen van de verzachtende omstandigheid is immers geen objectief criterium”.

...

In rechte

...

B.1.1. Art. 14 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen bepaalt:

“In Boek II, Titel II, Hoofdstuk II van [het Wetboek van strafvordering] wordt een artikel 216novies ingevoegd, luidende:

“Art. 216novies. Het hof van assisen neemt kennis van misdaden, met uitzondering van de gevallen waarin toepassing gemaakt wordt van artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden””.

Art. 14 van de wet van 21 december 2009 is in werking getreden “op de eerste dag van de vierde maand na die waarin [die] wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad” (art. 237 van dezelfde wet), namelijk op 1 mei 2010.

B.1.2. Sedert de vervanging ervan bij art. 230 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen bepaalt art. 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden:

“In de gevallen waarin er grond mocht zijn om alleen een correctionele straf uit te spreken wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning, kan de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling, bij een met redenen omklede beschikking, de verdachte naar de correctionele rechtbank verwijzen.

“Evenzo kan het openbaar ministerie, indien geen gerechtelijk onderzoek is gevorderd, de beklaagde rechtstreeks voor de correctionele rechtbank dagvaarden of oproepen met mededeling van de verzachtende omstandigheden of van de reden van verschoning, wanneer het van oordeel is dat er wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning geen grond is om een hogere straf te vorderen dan een correctionele straf.

“Alleen in de volgende gevallen kan het openbaar ministerie rechtstreeks dagvaarden of oproepen en kan de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling verwijzen wegens verzachtende omstandigheden:

1o als de in de wet bepaalde straf twintig jaar opsluiting niet te boven gaat;

2o als het gaat om een poging tot misdaad strafbaar met levenslange opsluiting;

3o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 216, tweede lid, van het Strafwetboek;

4o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 347bis, §§ 2 en 4, van het Strafwetboek;

5o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 375, laatste lid, van het Strafwetboek, waarvoor de straf in voorkomend geval met toepassing van artikel 377bis van hetzelfde Wetboek kan worden verhoogd;

6o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 408 van het Strafwetboek;

7o als het gaat om een misdaad bedoeld in de artikelen 428, § 5, en 429 van het Strafwetboek;

8o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 473, laatste lid, van het Strafwetboek;

9o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 474 van het Strafwetboek;

10o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 476 van het Strafwetboek;

11o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 477sexies van het Strafwetboek;

12o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 513, tweede lid, van het Strafwetboek, waarvoor de straf in voorkomend geval met toepassing van artikel 514bis van hetzelfde Wetboek kan worden verhoogd;

13o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 518, tweede lid, van het Strafwetboek;

14o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 530, laatste lid, van het Strafwetboek, die met toepassing van artikel 531 van hetzelfde Wetboek wordt gestraft, waarvoor de straf in voorkomend geval met toepassing van artikel 532bis van hetzelfde Wetboek kan worden verhoogd”.

Art. 230 van de wet van 21 december 2009 is eveneens in werking getreden “op de eerste dag van de vierde maand na die waarin [die] wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad” (art. 237 van dezelfde wet), namelijk op 1 mei 2010.

B.1.3. Art. 56 Sw., gewijzigd bij art. 32 van de wet van 9 april 1930 “tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers”, zoals het is vervangen bij artikel 1 van de wet van 1 juli 1964 “tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers”, bepaalt:

“Hij die, na tot een criminele straf te zijn veroordeeld, een wanbedrijf pleegt, kan worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, bij de wet op het wanbedrijf gesteld.

“Dezelfde straf kan worden uitgesproken in geval van een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste een jaar, indien de veroordeelde het nieuwe wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is”.

B.2. Uit de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de verenigbaarheid van art. 216novies Sv. met art. 10, 11 en 23 van de Grondwet, in zoverre die bepaling een verschil in behandeling zou invoeren tussen twee categorieën van inverdenkinggestelden aan wie feiten worden verweten die een poging tot moord uitmaken en die zijn gepleegd minder dan vijf jaar nadat die inverdenkinggestelden een gevangenisstraf van minstens één jaar hebben ondergaan of nadat die straf is verjaard: enerzijds, diegenen ten aanzien van wie de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling de verwijzing naar de correctionele rechtbank wegens verzachtende omstandigheden gelast en, anderzijds, diegenen ten aanzien van wie het onderzoeksgerecht de verwijzing naar het hof van assisen gelast. De eerstgenoemden zouden kunnen worden veroordeeld tot een straf van langere duur dan die welke aan de laatstgenoemden wordt opgelegd.

B.3. Dat verschil in behandeling vloeit op zich niet voort uit de in het geding zijnde bepaling.

Alle inverdenkinggestelden aan wie feiten worden verweten die een poging tot moord uitmaken, kunnen, indien er verzachtende omstandigheden bestaan die verantwoorden dat enkel een correctionele straf wordt uitgesproken, aan de onderzoeksgerechten vragen om hun verwijzing naar de correctionele rechtbank te gelasten, met toepassing van die bepaling, gelezen in samenhang met art. 2 van de wet van 4 oktober 1867.

Die bepaling strekt er overigens niet toe de duur te bepalen van de straf die de correctionele rechtbank of het hof van assisen kunnen uitspreken ten aanzien van de inverdenkinggestelden die zij moeten berechten.

B.4. Uit de wijze waarop de prejudiciële vraag is geformuleerd, blijkt evenwel dat de verwijzende rechter in werkelijkheid wenst te vernemen of art. 216novies Sv., gelezen in samenhang met art. 2, eerste lid en derde lid, 2o van de wet van 4 oktober 1867 en met art. 56, tweede lid Sw., verenigbaar is met art. 10, 11 en 23 van de Grondwet.

B.5.1. Moord is strafbaar met levenslange opsluiting (art. 394 Sw., gewijzigd bij art. 15, eerste lid van de wet van 10 juli 1996 “tot afschaffing van de doodstraf en tot wijziging van de criminele straffen”). Aangezien opsluiting een criminele straf is (art. 7 Sw., gewijzigd bij art. 32 van de wet van 9 april 1930, bij art. 4 van de wet van 10 juli 1996, bij art. 3 van de wet van 4 mei 1999 “tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen” en bij art. 2 van de wet van 17 april 2002 “tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken”), is dat misdrijf een misdaad (art. 1, eerste lid Sw.).

Poging tot misdaad is strafbaar met de straf die onmiddellijk lager is dan die gesteld op de misdaad zelf, zodat poging tot moord strafbaar is met opsluiting van twintig tot dertig jaar (art. 52 Sw., gelezen in samenhang met art. 80, eerste lid Sw., vervangen bij art. 2 van de wet van 11 december 2001 “tot wijziging van de artikelen 80, 471 en 472 van het Strafwetboek en artikel 90ter, § 2, 8o, van het Wetboek van strafvordering”, en met art. 9 Sw., vervangen bij art. 6 van de wet van 10 juli 1996). Aangezien opsluiting een criminele straf is, is poging tot moord ook een misdaad.

B.5.2. Het staat in beginsel aan het hof van assisen een persoon te berechten die van een misdaad in verdenking is gesteld. Dit is evenwel niet het geval wanneer die persoon, met toepassing van art. 2 van de wet van 4 oktober 1867, wegens verzachtende omstandigheden naar de correctionele rechtbank wordt verwezen (art. 216novies Sv., ingevoegd bij art. 14 van de wet van 21 december 2009).

Een dergelijke verwijzing heeft tot gevolg dat het feit dat de gecorrectionaliseerde misdaad uitmaakt, wettelijk als een wanbedrijf moet worden beschouwd.

B.5.3. Indien de persoon die van poging tot moord in verdenking is gesteld, wegens verzachtende omstandigheden naar de correctionele rechtbank wordt verwezen, kan die hem enkel tot een correctionele straf veroordelen.

In dat verband bepaalt art. 25 Sw., zoals het is gewijzigd bij art. 2 van de wet van 21 december 2009:

“De duur van de correctionele gevangenisstraf is, behoudens de in de wet bepaalde gevallen, ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar.

“Hij is ten hoogste vijf jaar voor een met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

“Hij is ten hoogste tien jaar voor een met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

“Hij is ten hoogste vijftien jaar voor een met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

“Hij is ten hoogste twintig jaar voor een met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar of met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

“De duur van een dag gevangenisstraf is vierentwintig uren.

“De duur van een maand gevangenisstraf is dertig dagen”.

De correctionele rechtbank kan de van poging tot moord in verdenking gestelde persoon, wegens dat misdrijf, dus veroordelen tot een correctionele gevangenisstraf van maximum twintig jaar. Wanneer die persoon dat wanbedrijf minder dan vijf jaar na het ondergaan of het verjaren van een gevangenisstraf van minstens één jaar heeft gepleegd, kan de rechtbank de duur van die gevangenisstraf op maximum veertig jaar vaststellen (voormeld art. 56, tweede lid Sw.).

Het hof van assisen kan, van zijn kant, de persoon die van poging tot moord wordt beschuldigd, nooit veroordelen tot een criminele straf die het dubbele van het bij de wet op die misdaad gestelde maximum bedraagt (Cass. 30 juni 1999, Arr.Cass. 1999, nr. 411).

B.5.4. Uit het bovenstaande vloeit voort dat, door de combinatie van art. 25 en 56, tweede lid Sw., art. 216novies Sv. en art. 2, eerste lid en derde lid, 2o van de wet van 4 oktober 1867, de inverdenkinggestelde die tot de in B.2 beschreven eerste categorie behoort en die naar de correctionele rechtbank wordt verwezen, kan worden veroordeeld tot een vrijheidsberoving van langere duur (correctionele gevangenisstraf van veertig jaar) dan die welke de inverdenkinggestelde die tot de beschreven tweede categorie behoort, die van zijn kant naar het hof van assisen wordt verwezen, riskeert (opsluiting van dertig jaar).

Wanneer het hof van assisen verzachtende omstandigheden in aanmerking neemt, kan de inverdenkinggestelde die tot de tweede categorie behoort, bovendien slechts worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van maximum twintig jaar (art. 79 en 80 Sw.).

B.6.1. Art. 56, tweede lid Sw. maakt deel uit van een geheel van bepalingen die ertoe strekken de herhaling te bestraffen, met andere woorden het geval waarin “de dader van een eerste misdrijf, die wegens dat feit is gestraft, er een tweede pleegt” (eigen vertaling) (Parl.St. Senaat 1851-52, nr. 70, p. 28). Aangezien zij een “verzwarende omstandigheid” is en aangezien zij getuigt van de ondoeltreffendheid van de eerste straf om “[de veroordeelde] ertoe aan te sporen de wet na te leven” (eigen vertaling), verantwoordt de herhaling de toepassing van een strengere straf (ibid., p. 29).

De aan de rechter gelaten mogelijkheid om het dubbele van het maximum van de correctionele straf uit te spreken waarin bij de wet voor dat tweede feit is voorzien, is een nuttige waarborg in het belang van de samenleving (ibid., p. 30).

De onmogelijkheid voor de rechter om een dergelijke beslissing te nemen wanneer een misdaad volgt op een veroordeling tot een correctionele straf, wordt verantwoord door het feit dat “de criminele straf [...] voldoende zwaar is en aan de rechter genoeg ruimte laat om in alle behoeften van verzwaring te voorzien welke die herhaling heeft doen ontstaan”, waarbij “de ondoeltreffendheid van de eerste veroordeling dan wordt verholpen door de noodzakelijke strengheid van de tweede” (eigen vertaling) (Parl.St. Kamer 1850-51, nr. 245, p. 41-42).

B.6.2. De toewijzing aan de raadkamer en aan de kamer van inbeschuldigingstelling van de bevoegdheid om een van poging tot moord in verdenking gestelde persoon naar de correctionele rechtbank te verwijzen, heeft tot doel het aantal door het hof van assisen onderzochte zaken te verminderen (Parl.St. Kamer 2009-10, DOC 52-2127/007, p. 8; ibid., DOC 52-2127/008, p. 106; Parl.St. Senaat 2009-10, nr. 4-924/8, p. 2, 7 en 20).

B.7. Ook al is de correctionele gevangenisstraf een straf die verschilt van de criminele straf van de opsluiting, toch hebben die twee sancties gemeen dat zij de veroordeelde van zijn vrijheid beroven.

Noch de aard van de criminele straf, noch de bekommernis om de werklast van het hof van assisen te verminderen maken het dus mogelijk om het in B.2 beschreven verschil in behandeling redelijkerwijs te verantwoorden.

B.8. Art. 56, tweede lid Sw., gelezen in samenhang met art. 25 Sw., met art. 216novies Sv. en met art. 2, eerste lid en derde lid van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, is niet verenigbaar met art. 10 en 11 van de Grondwet, maar enkel in zoverre het toelaat de inverdenkinggestelde die tot de in B.2 beschreven eerste categorie van personen behoort, te veroordelen tot een hogere straf dan die welke kan worden uitgesproken ten aanzien van de inverdenkinggestelde die tot de in B.2 beschreven tweede categorie van personen behoort.

In die mate dient de prejudiciële vraag, in zoverre ze betrekking heeft op art. 10 en 11 van de Grondwet, bevestigend te worden beantwoord.

Het staat aan de wetgever die discriminatie weg te werken.

In afwachting dat de wetgever optreedt, komt het de correctionele rechter toe bij de bepaling van de straf erover te waken dat hij in zodanig geval niet veroordeelt tot een vrijheidsberovende straf waarvan de duur de maximumtermijn van de vrijheidsberovende straf die door het hof van assisen dat verzachtende omstandigheden in aanmerking neemt, zou kunnen worden opgelegd, te boven gaat.

B.9. Het onderzoek van de verenigbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met artikel 23 van de Grondwet, kan niet tot een ruimere vaststelling van schending leiden.
 

Noot: 

Gelijklopende rechtspraak: GwH 15 december 2011, arrest nr. 193/2011.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 09/06/2012 - 12:47
Laatst aangepast op: za, 09/06/2012 - 12:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.