-A +A

voorschot vereffening-verdeling in kortgeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
woe, 06/01/2010
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
434
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D. t/ De B.

...

II. Vordering

1. De vordering van de eiseres strekt ertoe de verweerder te veroordelen tot het geven van zijn toestemming binnen 48 uren na de beschikking aan notarissen V. en D. tot vrijmaking van het bedrag van 80.000 euro ten voordele van haar als voorschot op de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogen. Zij vordert tevens dat voor recht wordt gezegd dat bij gebrek aan toestemming binnen 48 uren de beschikking zal gelden als titel om tot vrijmaking van dit bedrag over te gaan.

2. De verweerder neemt conclusie tot afwijzing van de vordering als onontvankelijk bij gebrek aan spoedeisendheid, minstens als ongegrond.

Subsidiair vordert hij dat hem hetzelfde bedrag wordt toegekend.

III. Bespreking

3. De eiseres voert in de inleidende dagvaarding de spoedeisendheid aan. De kortgedingrechter is bijgevolg bevoegd van de vordering kennis te nemen.

De vraag of de zaak daadwerkelijk spoedeisend is, betreft de gegrondheid van de vordering.

Spoedeisendheid houdt in dat een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen (vgl. Cass. 11 mei 1990, RW 1990-91, 987, noot J. Laenens).

4. De partijen zijn gewezen echtgenoten. Bij vonnis van 18 maart 2008 werd de echtscheiding tussen de partijen uitgesproken. Notarissen V. en D. werden aangesteld om over te gaan tot de vereffening en verdeling van het ontbonden huwelijksvermogensstelsel.

De voormalige gezinswoning die tot het gemeenschappelijk vermogen behoorde, werd inmiddels tegen de prijs van 425.000 euro verkocht. Dit bedrag staat op een rekening bij de notarissen.

De eiseres vordert dat haar bij wijze van voorschot een bedrag van 80.000 euro wordt toegekend. Zij voert aan dat de zaak spoedeisend is omdat haar huidige inkomsten niet volstaan.

Zij bewijst dat haar pensioen thans ongeveer 1.010 euro bedraagt. Zij voert aan dat zij met het voorschot, naast de kosten van levensonderhoud, haar appartement wenst op te knappen, nieuwe meubels wil kopen ter vervanging van de tweede- of derdehands aangekochte meubels, dat zij een auto wil kopen omdat zij niet erg mobiel is en daardoor moeilijk van het openbaar vervoer gebruik kan maken en dat zij nog een reis wil maken. In het algemeen wijst zij erop dat beide partijen gepensioneerd zijn en nu moeten kunnen genieten van het kapitaal waarvoor zij hun hele leven gewerkt en gespaard hebben.

De verweerder betwist de spoedeisendheid omdat volgens hem de verrichtingen van vereffening-verdeling een normaal verloop kennen.

5. De pensioeninkomsten van de eiseres, bijna 65 jaar, zijn beperkt. Met dat pensioen dient zij de kosten van huur (543 euro) en andere uitgaven te betalen. Deze inkomsten laten de eiseres geen grotere bestedingen toe.

Het lijkt vast te staan dat de partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een minnelijke verdeling van het ontbonden huwelijksvermogensstelsel. Er werd tot nu toe proces-verbaal van opening van werkzaamheden (op 9 december 2008) opgesteld en de woning werd verkocht. De partijen zijn bij de notaris bijeengekomen op 31 augustus 2009 voor de voortzetting van de werkzaamheden. Een staat van vereffening-verdeling werd nog niet opgesteld. Er kan bijgevolg worden verondersteld dat een definitieve vereffening-verdeling nog een lange tijd op zich zal laten wachten, zelfs wanneer die een normaal verloop kent.

Gelet op de leeftijd van de eiseres brengt dit mee dat zij, zonder voorlopige maatregel, gedurende een aanzienlijk deel van haar verdere leven over geen enkel, zelfs niet ernstig betwistbaar aandeel in het ontbonden huwelijksvermogen zou kunnen beschikken, terwijl haar inkomsten te beperkt zijn om die bestedingen te doen die haar in staat moeten stellen een nieuw leven op te bouwen.

De eiseres toont bijgevolg de vereiste spoedeisendheid aan (vgl. Gent 11 april 1997, TGR 1997, 124; Luik 4 juni 2002, JLMB 2003, 1754; J.-L. Renchon, “Les mesures provisoires relatives aux biens des époux”, Rev.trim.dr.fam. 1998, p. 5078, nr. 70; H. Vanbockrijck, “Overzicht van rechtspraak (1997-2004) – De vereffening-verdeling na echtscheiding”, EJ 2004, p. 139, nr. 76).

Het feit dat de vordering van de eiseres tot het verkrijgen van een onderhoudsbijdrage na echtscheiding bij vonnis van 7 april 2009 werd afgewezen, zoals de verweerder aanvoert, doet aan het bovenstaande geen afbreuk. De rechtbank oordeelde immers alleen dat de eiseres geen recht heeft op een onderhoudsbijdrage, in het bijzonder na een vergelijking van de pensioeninkomsten van beide partijen en de huur die zij betalen, op grond dat “de globale economische situatie van de eiseres niet beduidend zwakker is dan die van de verweerder en dat er geen sprake is van een wanverhouding in de respectieve globale economische situatie van de partijen, zodat de eiseres geen behoeftige echtgenoot is in de zin van art. 301, § 2 BW”.

6. In spoedeisende gevallen kan de kortgedingrechter aan een gewezen echtgenoot een voorschot toekennen op diens aandeel in de postcommunautaire onverdeeldheid die is ontstaan na de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel. Het gaat om een voorlopige maatregel, binnen de grenzen van de ogenschijnlijke rechten van die partij, die niet tot gevolg mag hebben dat de rechten van de partijen erdoor op een definitieve en onherstelbare wijze worden aangetast. De voorlopige maatregel kan in geen geval de bodemrechter binden.

Het feit dat de eiseres hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 7 april 2009 dat haar geen onderhoudsgeld toekende, belet haar niet voor de kortgedingrechter een voorschot op haar aandeel in het ontbonden huwelijksvermogen te vorderen. Het voorwerp en de rechtsgrond van beide vorderingen zijn immers totaal verschillend.

De eiseres heeft aan de verweerder eerst bij brief van haar raadsman van 17 juni 2009 een voorschot van 100.000 euro gevraagd. Na een bijeenkomst van de partijen bij de notaris heeft de eiseres bij niet-vertrouwelijke brief van haar raadsman van 3 september 2009 de vrijgave van een bedrag van 80.000 euro gevraagd. Deze vraag is gebaseerd op het feit dat de verweerder zou hebben erkend dat hij op maximum 80% van het gemeenschappelijk vermogen gerechtigd is. Het minimale aandeel van de eiseres in de koopprijs van de woning wordt dan ook op 20% van 425.000 euro of 85.000 euro geschat.

Na een brief aan de notarissen van 23 september 2009 waarin de eiseres verzocht om de vrijgave van 75.000 euro, antwoordde de raadsman van de verweerder dat de redenering van de eiseres niet correct is en dat er nog verschillende bedragen moeten worden verrekend. Hij lichtte niet toe welke die verrekeningen zijn.

Uit het overzicht dat de verweerder aan de notarissen bezorgde met het oog op de verrichtingen van vereffening-verdeling, blijkt dat de verweerder aanspraak maakt op 61,08% van de koopsom van het verkochte gemeenschappelijk onroerend goed omdat hij in die mate eigen gelden in de aankoop van de bouwgrond en in de bouwkosten zou hebben geïnvesteerd. Meer bepaald zou hij:

– in de aankoopprijs van de bouwgrond (79.325,92 euro) de gelden van een erfenis (21.534,00 euro) hebben geïnvesteerd, aan welke som hij toevoegt (zie nochtans art. 1405, 2 BW) de interest die deze gelden hebben opgebracht en die hij (zonder verdere verantwoording) bepaalt op de wettelijke interest op die som over de periode van 20 september 1983 tot 1 augustus 1994 (20.672,64 euro), zodat hij in totaal 42.206,64 euro eigen gelden in de aankoop van de bouwgrond zou hebben geïnvesteerd;

– in de bouwkosten (200.404,90 euro in totaal) 128.666,43 euro eigen gelden hebben geïnvesteerd die afkomstig zijn van de verkoop van zijn eigen onroerend goed gelegen te N. (152.454,54 euro) en van het materiaal van zijn garage (3.718,40 euro).

Op die wijze bepaalt hij de vergoeding waarop hij ten laste van het gemeenschappelijk vermogen aanspraak maakt, op 61,08% van 425.000 euro, dit is 259.590 euro. Aan hem en de eiseres zou dan bij helften het saldo toekomen, elk 82.705 euro. Dit komt er inderdaad op neer dat 80% van de koopsom aan de verweerder zou moeten toekomen.

Uit dit overzicht blijkt echter ook dat de verweerder dit bedrag nog wil verrekenen met leningen die de partijen aan de kinderen van de eiseres zouden hebben verstrekt, namelijk twee leningen van elk 22.310,42 euro aan de dochter van de eiseres en een lening van 20.996,58 euro aan de zoon van de eiseres. De verweerder voert aan dat deze leningen moeten worden toegekend aan de eiseres die dan kan beslissen of zij deze leningen al dan niet invordert.

De verweerder wijst er voorts op dat de eiseres in december 2005, kort vóór de aanvang van de feitelijke scheiding, een bedrag van 16.248,71 euro op haar eigen spaarrekening overmaakte en enkele afhalingen verrichtte (van 1.000 euro, 2.000 en 1.518,95 euro).

Voor het overige blijken uit het overzicht geen aanspraken ten aanzien van de eiseres. De roerende goederen werden min of meer gelijk tussen de partijen verdeeld. Beide partijen hebben een levensverzekering en pensioenspaarplan. Tussen de partijen bestaat voorts nog betwisting over de verblijfsvergoeding die de verweerder verschuldigd is en die hij wil verrekenen met door hem betaalde onroerende voorheffing, brandverzekeringspremies, kosten van onderhoud en van het in staat stellen van de woning voor verkoop.

De eiseres beklemtoont dat in het huwelijkscontract tussen de partijen werd bedongen dat zij beschikt over eigen gelden ten bedrage van destijds 1.000.000 fr. die zij had geïnvesteerd in de koopsom van het onroerend goed te N. Dit onroerend goed werd tijdens het huwelijk verkocht en het is de koopsom van dat goed die volgens de verweerder (deels) in de nieuwe gezinswoning werd geïnvesteerd.

De eiseres betwist voorts dat de verweerder een erfenis heeft ontvangen die in de aankoop van de woning zou zijn geïnvesteerd. Voorts betwist zij dat er aan haar kinderen leningen werden toegestaan. Zij voert aan dat, indien er toch leningen zouden zijn toegekend, dit in elk geval vreemd blijft aan de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel.

Uit de bovenvermelde gegevens kan op het eerste gezicht worden besloten dat, op de betwiste leningen en geldafhalingen na, de verweerder erkent dat het aandeel van de eiseres in het gemeenschappelijk vermogen op 82.705 euro kan worden bepaald.

Van de leningen die de verweerder aanvoert, legt hij geen stuk voor zodat, binnen de grenzen van een beoordeling op het eerste gezicht en nog los van de vraag welke weerslag deze aangevoerde leningen op de vereffening-verdeling zouden kunnen hebben, daarmee geen rekening kan worden gehouden.

In zijn overzicht heeft de verweerder dan nog geen rekening gehouden met de som van destijds 1.000.000 fr. die in het huwelijkscontract tussen de partijen als een eigen goed van de eiseres werd gekwalificeerd.

In de huidige stand van zaken, bij gebrek aan een door de notarissen opgestelde staat van vereffening met ontwerp van verdeling en op grond van de bovenvermelde gegevens, kan uitgaande van verweerders eigen benadering redelijkerwijze worden aangenomen dat het voorschot van 75.000 euro dat de eiseres in haar brief van 23 september 2009 aan de notarissen vroeg, niet de grenzen overschrijdt van het bedrag dat bij de vereffening-verdeling aan de eiseres zal toekomen. Dit bedrag lijkt eveneens tegemoet te komen aan de behoeften van de eiseres. In die omstandigheden kan het gevorderde thans in die mate worden toegestaan.

Aangezien de eiseres vordert dat de beschikking als titel zal gelden om het voorschot aan haar over te maken, is het niet nodig een termijn te bepalen waarin de verweerder zijn toestemming tot vrijgave zou moeten geven.

Na betekening van deze beschikking aan de verweerder (behalve in geval van berusting door de verweerder), zullen de notarissen krachtens deze beschikking, die van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad is zonder zekerheidstelling (art. 1039 Ger.W.), ertoe gehouden zijn het toegekende voorschot aan de eiseres over te maken (zie art. 1388, tweede lid Ger.W.).

7. De verweerder vordert dat wanneer aan de eiseres een voorschot wordt toegekend, hem hetzelfde bedrag zou worden toegekend.

Uit de briefwisseling met de notarissen blijkt dat de eiseres daartegen geen bezwaar had. Het gevorderde kan bijgevolg bij gebrek aan betwisting worden toegestaan.

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 11/11/2012 - 00:12
Laatst aangepast op: zo, 11/11/2012 - 00:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.