-A +A

voorwaardelijke verbintenis of verbintenis onder voorwaarde een toepassingsgeval

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 08/10/2007
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
585
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Hof van Beroep te Antwerpen ,7e bis Kamer – 8 oktober 2007

Om uit te maken of de contracterende partijen een verbintenis onder voorwaarde dan wel een verbintenis onder tijdsbepaling voor ogen hebben, dient hun gemeenschappelijke bedoeling te worden nagegaan. Wanneer een persoon zich tegenover een school die muziekonderricht verstrekt ertoe verbindt om vertaalwerk te verrichten en de partijen overeenkomen dat de maandelijkse vergoeding van deze persoon enkel betaald zal worden zodra de betalingen van de studenten zijn overgemaakt op de rekening van de school, dient te worden aangenomen dat een betalingsverbintenis met tijdsbepaling het beste aanleunt bij de geest en de economie van het contract.

VZW F.D.I.A.O.M. t/ H.V.

...

Het maatschappelijk doel van appellante is het verstrekken van muziekonderricht.

Partijen hebben op 1 december 2004 een overeenkomst gesloten in uitvoering waarvan geïntimeerde zich verbond tot vertaalwerk.

De overeenkomst stipuleert m.b.t. de vergoeding waarop geïntimeerde aanspraak kan maken: «The monthly salaries will be paid only from the moment as the students‘ payments are booked on the account of FD D.». (Vrij vertaald: «Het maandelijkse salaris zal enkel betaald worden van zodra de betalingen van de studenten zullen zijn overgemaakt op de rekening van FD D.»).

Partijen zijn het oneens over de juridische draagwijdte van voormeld beding.

Appellante voert aan dat haar verbintenis tot het betalen van een vergoeding was aangegaan op een ogenblik dat de school met haar activiteiten begon en nog geen studenten had. De verbintenis tot het betalen van een vergoeding aan geïntimeerde zou – aldus appellante – zijn aangegaan onder een opschortende voorwaarde, namelijk dat aan de school studenten zouden worden ingeschreven die schoolgeld zouden betalen. Dit laatste zou door partijen als een toekomstige en onzekere gebeurtenis zijn beschouwd. Aangezien de school – aldus appellante – er nooit in geslaagd is ook maar één student aan te trekken, is de opschortende voorwaarde niet in vervulling gegaan en is de vergoeding niet verschuldigd.

Geïntimeerde van zijn zijde voert aan dat de verbintenis van appellante om hem voor zijn prestaties te vergoeden, werd aangegaan – niet onder de voorwaarde van het zich voordoen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis – maar wel met een tijdsbepaling: van meet af stond voor iedereen vast dat de school studenten zou aantrekken en enkel het juiste tijdstip van ontvangst van de schoolgelden stond nog niet vast. Appellante kan zich in die omstandigheden – aldus geïntimeerde – niet bevrijden van haar betalingsverbintenis door enkel staande te houden dat de school er niet in slaagde studenten aan te trekken.

Voor de beoordeling van de vraag wat partijen voor ogen hadden – een voorwaarde of een tijdsbepaling – dient de bedoeling van partijen te worden nagegaan. Op grond van de gegevens die voorliggen besluit het hof dat een betalingsverbintenis met tijdsbepaling het beste aanleunt bij de geest en de economie van het contract. Het is aannemelijk dat geïntimeerde enkel bereid was gedurende maanden vertaalwerk te verrichten zonder hiervoor onmiddellijk te worden betaald, indien hij tenminste de zekerheid had dat betaling op een later tijdstip zou volgen. Niets rechtvaardigt te besluiten dat geïntimeerde de bedoeling zou hebben gehad een meer aleatoir contract te sluiten, d.w.z. een contract waarbij de vergoeding voor de prestaties die hij gedurende maanden leverde afhankelijk zou zijn geweest van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, namelijk de inschrijving van studenten. De vriendschappelijke gevoelens die geïntimeerde mogelijk koesterde voor de oprichters van de school kunnen verklaren dat geïntimeerde bereid was genoegen te nemen met een uitgestelde betaling, maar verklaren niet waarom geïntimeerde bereid zou zijn geweest een contract met een aleatoir karakter te sluiten. Kennelijk gingen partijen er vanuit dat studenten zich alleszins in de school zouden inschrijven. Dit werd ten tijde van het contracteren als een zeker toekomstig feit geaccepteerd. Op basis van dit gegeven zijn partijen tot een consensus gekomen. Het hof acht het aangetoond dat de betalingsverbintenis met een tijdsbepaling werd aangegaan.

Appellante voert aan dat zij van haar betalingsverbintenis is bevrijd, omdat zij er niet in is geslaagd studenten aan te trekken en zij derhalve ook geen inkomsten heeft.

De debiteur wiens schuld eisbaar is van zodra een toekomstige maar zekere gebeurtenis zich zal voordoen, is niet bevrijd doordat de toekomstige gebeurtenis niettemin uitblijft. De debiteur dient bijkomend te bewijzen dat de toekomstige gebeurtenis door overmacht uitbleef. Dit bewijs wordt in casu niet geleverd. Appellante maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat zij alles in het werk zou hebben gesteld om via het aanvragen van vergunningen, erkenningen, subsidies of wat ook, studenten aan te trekken. Noch de belastingaangifte van appellante zelf, noch die van haar oprichters zijn in het raam van deze bewijsvoering relevant. Het hof besluit dat appellante tot betaling gehouden is.

2. Appellante voert aan dat geïntimeerde niet het bewijs zou leveren van de prestaties die hij leverde en waarvoor hij betaling vraagt.

Appellante heeft naar aanleiding van de factuur nooit betwist dat geïntimeerde de aangerekende prestaties daadwerkelijk leverde. De afrekening is zeer gedetailleerd en werd opgesteld volgens de bepalingen van de overeenkomst. Hierop is van de zijde van appellante nooit protest gekomen. De weigering van appellante om de factuur te betalen had uitsluitend betrekking op de hierboven vermelde betwisting – er zijn geen studenten en derhalve is er geen betaling verschuldigd – maar nooit op de prestaties zelf. Indien appelante van oordeel was dat wat geïntimeerde aanrekende niet in overeenstemming was met de prestaties die hij leverde, had zij dienen te reageren naar aanleiding van de ontvangst van de afrekening en de ingebrekestellingen. Daar appellante nooit een opmerking maakte, wordt zij geacht het gevorderde bedrag te hebben aanvaard.

...

 

Noot: 

Een overeenkomst komt tot stand door het akkoord over aanbod en aanvaarding.

Er komt geen overeenkomst onder opschortende voorwaarde tot stand door de aanvaarding van een aanbod onder opschortende voorwaarde.

Enkel de aanvaarding van een onvoorwaardelijk aanbod of een aanbod waarvan alle voorwaarden zijn vervuld resulteert in een overeenkomst.

Deze conclusie over het aanbod onder opschortende voorwaarde kan afgeleid worden uit het hierna geciteerde cassatiearrest:

Cassatie 18 mei 2012, R.W.2013-2014, 338

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 9 december 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Het definitieve aanbod, waarvan de aanvaarding leidt tot de totstandkoming van de overeenkomst, is het aanbod dat niet afhangt van een opschortende voorwaarde of dat door de vervulling van die voorwaarde definitief wordt.

Uit het arrest blijkt dat de eerste verweerder op 1 september 2005 aangeboden heeft het pand van de eisers te kopen en dat hij zijn aanbod afhankelijk heeft gesteld van verschillende opschortende voorwaarden, waaronder het verkrijgen van een hypothecaire lening.

Het arrest, dat de conclusie verwerpt waarin de eiser aanvoerde dat de koopovereenkomst niet tot stand was gekomen, daar het aanbod afhing van verschillende voorwaarden en dus niet definitief was, beslist dat de overeenkomst, “wanneer [zij] wordt gesloten onder een opschortende voorwaarde, blijft bestaan zolang de voorwaarde niet is vervuld, hoewel de uitvoering van de verbintenis geschorst is”.

Het arrest, dat niet vaststelt dat de opschortende voorwaarden van het aanbod zouden zijn vervuld, zodat dit aanbod definitief zou zijn geworden, maar dat beslist dat er tussen de partijen een koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde is gesloten, schendt de artikelen 1101, 1108 en 1582 tot 1584 BW.

Het middel is gegrond.

...

Rechtsleer:
M. Van Quickenborne en J. Del Corral, Voorwaarde, Bijdragen in boek - In: X., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, IV. Commentaar Verbintenissenrecht, Titel I, Hfdst. 3, Afd. 1, 1-184 (184 p.) - juli 201, Voorwaardelijke verbintenis, algemeen, jurabibliotheek, Eveneens verschenen in: DEL CORRAL, J., Voorwaardelijke verbintenissen, Kluwer, Mechelen, 2014, 205 p.
Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 01/12/2009 - 10:26
Laatst aangepast op: di, 03/07/2018 - 10:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.