-A +A

Vordering verzekeringsmakelaar tot terugbetaling van voorgeschoten verzekeringspremies

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Veurne
Datum van de uitspraak: 
woe, 16/12/2015

Een verzekeringsmakelaar die namens de verzekeringnemer een rechtshandeling verricht, treedt op als diens lasthebber.De verzekeringsmakelaar treedt in het algemeen op als lasthebber van de verzekeringnemer voor het beheer van de verzekeringspolissen.

Hoewel het niet evident is dat een verzekeringsmakelaar ook gewoonlijk de door zijn cliënt verschuldigde verzekeringspremies voorschiet, kan hij uitzonderlijk met een dergelijke opdracht belast worden.

Art. 1999 BW bepaalt dat de lastgever ertoe gehouden is de lasthebber te vergoeden voor de voorschotten en kosten die hij tot uitvoering van zijn opdracht gemaakt heeft. Het begrip «gemaakte kosten» wordt ruim geïnterpreteerd en omvat bijvoorbeeld de kosten die door een verzekeringsmakelaar worden gemaakt tot beheer van de verzekeringspolissen, meer bepaald het voorschieten van premies (zie ook: Rb. Ieper 19 april 1993, DCCR 1993-94, 554, noot C. Van Schoubroeck; I. Samoy, «Commentaar bij art. 1999 BW» in Comm.Bijz.Ov., 2007, p. 1, nr. 1).

Volgens art. 2001 BW is de lastgever aan de lasthebber intrest verschuldigd voor gedane voorschotten, te rekenen van de dag waarop de voorschotten blijken te zijn gedaan. Het betreft een vergoedende interest (die de lasthebber behouden voor een verlies) en geen moratoire interest (die een vertraging in de betaling zou vergoeden).

De vergoedende interest begint te lopen vanaf het ontstaan van de schade en dus niet vanaf de ingebrekestelling .

De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties is niet van toepassing, aangezien het toepassingsgebied van die wet beperkt is tot betaling van vergoedingen voor de levering van goederen en diensten. Die wet is niet van toepassing op andere geldelijke verplichtingen die hun oorsprong vinden in de handelstransactie

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
792
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV N.V. t/ NV D.

...

II. Feiten

1. N.V. trad gedurende vele jaren op als verzekeringsmakelaar van D., een meubelbedrijf.

2. D. had, via de bemiddeling van N.V., een brandverzekering afgesloten met hoofdverzekeraar A.

In 2011 werd vastgesteld dat de waarde van de gebouwen en het materieel van D. hoger lag dan het risico dat door de brandverzekering werd gedekt. Er volgde een inspectie op 15 juni 2011 op verzoek van A.

Op 16 juni 2011 stuurde N.V. het volgende e-mailbericht naar verzekeringsmaatschappij A.: «(...) Wij vernamen dat onze klant een schatting zal laten uitvoeren door G. In afwachting van het verslag zouden wij graag reeds de toepassing willen van de clausule excedentaire nieuwwaarde. Met uw akkoord kunnen wij ook de medeverzekeraars op de hoogte brengen.»

3. Op 2 november 2011 bezorgde expertisebureau G. een schattingsverslag aan D., waaruit bleek dat de werkelijke waarde van de gebouwen en het materieel hoger lag dan het verzekerde bedrag.

Op 14 december 2011 vond een bespreking plaats bij D.

N.V. vroeg de bestaande verzekeringsmaatschappij A. en de medeverzekeraars om een onmiddellijke bijkomende dekking «wegens het grote verschil met het verzekerde kapitaal».

4. N.V. ontving van A. per e-mailbericht van 1 februari 2012 een voorstel tot hernieuwing van de polis, namelijk een ontwerp van bijvoegsel nr. 12.

In een e-mailbericht van 13 maart 2012 vroeg N.V. aan A. om nog bepaalde correcties aan te brengen aan dit bijvoegsel nr. 12, omdat onder meer een korting ontbrak.

Op 23 maart 2012 heeft A. het definitieve bijvoegsel nr. 12 opgemaakt.

5. Op 13 april 2012 vond er een bespreking plaats bij D.

Volgens N.V. heeft zij op dat ogenblik bijvoegsel nr. 12 en het vervaldagbericht van 12 april 2012 bezorgd voor de aangepaste polis van de brandverzekering voor de periode van 14 december 2011 tot 29 juni 2012, voor de som van 18.162,97 euro. Dat wordt ontkend door D.

Op 3 mei 2012 stuurde N.V. het volgende e-mailbericht naar D.: «(...) Als bijlage stuur ik u informatie – zoals eerder beloofd – de dekkingsbevestigingen voor de nieuwe verzekerde kap(it)alen. Het zijn respectieve e-mailberichten van volgende verzekeraars (...).

...

De dekkingsbevestigingen zijn van de periode 15 – 19 december 2011.»

6. Op 17 september 2012 stuurde N.V. de volgende brief naar D.: «Wij verwijzen naar de kapitaalsverhogingen die werden doorgevoerd ingevolge de nieuwbouwwaardeschatting uitgevoerd door G. Dienaangaande hebben wij de dekking per e-mail van 3 mei 2012 om 17u07 bevestigd samen met de dekkingsbevestigingen van de diverse verzekeraars, waarover een e-mailbericht met bijlagen in bijlage 1. Deze verhogingen werden opgenomen in bijvoegsel 10 van de polis met vermelding van de verzekerde kapitalen van de leidende verzekeraar en medeverzekeraars, waarover bijlage 2. De te betalen premie voor de periode van 14 december 2011 tot 30 mei 2012 bedraagt 18.162,97 euro. Mocht U nog bijkomende vragen hebben en/of inlichtingen wensen, dan kan u ons steeds vrijblijvend contacteren.»

7. D. betwistte in een e-mailbericht van 18 september 2012 en aangetekende brief van 1 oktober 2012 dat zij akkoord was gegaan met de uitbreiding van de dekking en aanpassing van de polis. Ze deelde mee dat zij het bedrag van 18.162,97 euro niet zou betalen.

8. In een e-mailbericht van 23 december 2013 stelde de advocaat van N.V. D. in gebreke om het vervaldagbericht van 12 april 2014 te betalen.

Er volgde een briefwisseling tussen de advocaten van de partijen.

9. Aangezien beide partijen op hun standpunt bleven, ging N.V. op 19 maart 2015 over tot dagvaarding.

N.V. verzoekt de rechtbank thans D. te veroordelen tot betaling aan N.V. van 24.288,87 euro, te vermeerderen met de rente aan 8,50% volgens de wet van 2 augustus 2002 op 18.162,97 euro vanaf 17 maart 2015 tot op de datum van volledige betaling; (...).

D. verzoekt de rechtbank thans 1) primair de vordering van N.V. af te wijzen als ongegrond; 2) subsidiair: voor recht te zeggen dat pas interest verschuldigd is vanaf 9 maart 2015 (datum dagvaarding), minstens 23 december 2013 (datum eerste kennisgeving ingevorderd vervaldagbericht).

III. In rechte

...

B. Hoofdvordering

1o Optreden als lasthebber

11. Een verzekeringsmakelaar die namens de verzekeringnemer een rechtshandeling verricht, treedt op als diens lasthebber (zie ook: Cass. 16 september 1977, Arr.Cass. 1978, 72). De verzekeringsmakelaar treedt in het algemeen op als lasthebber van de verzekeringnemer voor het beheer van de verzekeringspolissen (zie ook: Gent 6 december 2001, DAOR 2002, afl. 64, 428; B. Tilleman, E. Dursin, E. Terryn e.a., «Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: tussenpersonen 1999-2009», TPR 2010, p. 604, nr. 7).

Hoewel het niet evident is dat een verzekeringsmakelaar ook gewoonlijk de door zijn cliënt verschuldigde verzekeringspremies voorschiet, kan hij uitzonderlijk met een dergelijke opdracht belast worden (zie ook: Bergen 19 december 2006, JLMB 2007, 1341 en (impliciet) Gent 6 december 2001, DAOR 2002, afl. 64, 428).

12. De rechtbank oordeelt op basis van het geheel van de stukken dat D. in deze zaak, minstens impliciet, akkoord ging dat N.V. in haar naam en voor haar rekening de dekking van de verzekeringspolis brand en bedrijfsschade – na een vastgestelde onderwaardering van de gedekte risico’s – voorlopig uitbreidde op basis van de «excedentaire nieuwwaarde», voor de periode van 14 december 2011 tot 29 juni 2012. Uit de stukken blijkt immers dat D. sinds april 2011 op de hoogte was dat de werkelijke waarde van haar gebouwen en materieel hoger was dan de verzekerde waarde, zodat een aanpassing nodig was. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat de dekking van de brandverzekering redelijkerwijze een belangrijk element was voor D., als meubelbedrijf.

Op 15 juni 2011 vond een inspectie plaats bij D. op verzoek van hoofdverzekeraar A. D. liet weten dat zij wenste dat expertisebureau G. een schatting zou laten uitvoeren. Volgens N.V. is tijdens die inspectie gebleken dat er een ernstig risico van onderverzekering was.

N.V. heeft bij e-mailbericht van 16 juni 2011, dus onmiddellijk na de inspectie, aan A. gevraagd om in afwachting van het verslag reeds toepassing te maken van de clausule «excedentaire nieuwwaarde» om de eventuele onderverzekering ongedaan te maken.

Na ontvangst van het verslag van expertisebureau G. van 2 november 2011, waaruit de onderverzekering van de gebouwen en het materieel van D. bleek, voerde N.V. in naam en voor rekening van D. onderhandelingen met A. en de medeverzekeraars, die elk voor een deel voorlopige dekking verleenden.

Op 23 maart 2012 heeft A. het definitieve bijvoegsel nr. 10 opgemaakt, nadat een eerder voorstel gecorrigeerd werd na opmerkingen door N.V.

N.V. legt een vervaldagbericht nr. 2012041132 voor dat zij opmaakte ten aanzien van D., met als datum 12 april 2012 en voor de som van 18.162,97 euro. Volgens D. zou dit vervaldagbericht geantidateerd en vals zijn, aangezien er eenzelfde vervaldagbericht nr. 2012041132 bestaat, met als datum 17 september 2012. D. heeft in de huidige procedure geen burgerlijke valsheidsvordering in de zin van art. 895 e.v. Ger.W. ingesteld. De rechtbank oordeelt dat in dit verband de stelling van N.V. gevolgd kan worden, aangezien het aannemelijk is dat het vervaldagbericht automatisch een nieuwe datum kreeg toen het op 17 september 2012 opnieuw werd afgedrukt, om als bijlage te dienen bij de brief die N.V. opmaakte op 17 september 2012. Er zijn geen aanwijzingen dat het vervaldagbericht geantidateerd werd.

Er vond op 13 april 2012 een bespreking plaats tussen N.V. en D. Het is redelijkerwijze aannemelijk dat het bijvoegsel nr. 12 van 23 maart 2012 en het vervaldagbericht, dat op 12 april 2012 werd opgemaakt, op dat ogenblik werden afgegeven aan D. Deze laatste erkent trouwens dat N.V. tijdens die vergadering heeft vermeld dat er reeds dekking werd verleend.

In een e-mailbericht van 3 mei 2012 deelde N.V. ter informatie aan D. «zoals eerder beloofd» een overzicht mee van de dekkingsbevestigingen van de verzekeraars voor de nieuwe verzekerde kapitalen. Dat e-mailbericht vermeldde: «De dekkingsbevestigingen zijn van de periode 15 – 19 december 2011.»

Uit deze in hun onderlinge samenhang gelezen stukken leidt de rechtbank af dat D., minstens impliciet door haar omstandig stilzwijgen tijdens de uitvoering van de verzekeringsmakelaarsovereenkomst, akkoord is gegaan met het feit dat N.V. de nodige stappen ondernam bij de verzekeraars om de dekking van de brandverzekering voorlopig uit te breiden op grond van de excedentaire nieuwwaarde van de gebouwen en het materieel, met ingang van 14 december 2011. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat N.V. al vele jaren als verzekeringsmakelaar van D. optrad en er tussen de partijen en vertrouwensband bestond. Het is echter pas nadat D. in september 2012 beslist had om een andere verzekeringsmakelaar onder de arm te nemen, dat zij tal van opmerkingen maakte over de uitbreiding van de dekking en zij haar akkoord met die uitbreiding ten onrechte betwistte.

2o Verplichtingen van de verzekeringsmakelaar

13. Art. 277, § 1 Verzekeringswet bepaalt dat de verzekeringstussenpersonen zich op loyale, billijke en professionele wijze moeten inzetten voor de belangen van hun cliënteel. Volgens die bepaling moet de door hen verstrekte informatie correct, duidelijk en niet-misleidend zijn.

D. levert niet het bewijs dat N.V. art. 277, § 1 Verzekeringswet heeft geschonden.

14. N.V. bewijst niet dat zij geantwoord heeft op de aangetekende brief van 1 oktober 2012 van D., waarin onder meer vermeld werd dat N.V. ernstige fouten zou hebben begaan bij het beheer van de polis en haar informatieplicht niet nageleefd zou hebben.

Gelet op de inhoud van de voorafgaande brief van 17 september 2012 van N.V. en bij gebrek aan andere feitelijke omstandigheden die aan haar stilzwijgen een omstandig karakter gaven, kan echter uit dat stilzwijgen niet worden afgeleid dat N.V. de inhoud van de brief van 1 oktober 2012 aanvaard zou hebben.

3o Verplichting lastgever tot terugbetaling van de kosten

15. Art. 1999 BW bepaalt dat de lastgever ertoe gehouden is de lasthebber te vergoeden voor de voorschotten en kosten die hij tot uitvoering van zijn opdracht gemaakt heeft. Het begrip «gemaakte kosten» wordt ruim geïnterpreteerd en omvat bijvoorbeeld de kosten die door een verzekeringsmakelaar worden gemaakt tot beheer van de verzekeringspolissen, meer bepaald het voorschieten van premies (zie ook: Rb. Ieper 19 april 1993, DCCR 1993-94, 554, noot C. Van Schoubroeck; I. Samoy, «Commentaar bij art. 1999 BW» in Comm.Bijz.Ov., 2007, p. 1, nr. 1).

Volgens art. 2001 BW is de lastgever aan de lasthebber intrest verschuldigd voor gedane voorschotten, te rekenen van de dag waarop de voorschotten blijken te zijn gedaan. Het betreft een vergoedende interest (die de lasthebber behouden voor een verlies) en geen moratoire interest (die een vertraging in de betaling zou vergoeden) (zie ook: I. Samoy, «Commentaar bij art. 2001 BW» in Comm.Bijz.Ov., p. 1, nr. 1; B. Tilleman, E. Dursin, E. Terryn e.a., «Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: tussenpersonen 1999-2009», TPR 2010, p. 653, nr. 57). De vergoedende interest begint te lopen vanaf het ontstaan van de schade en dus niet vanaf de ingebrekestelling (zie ook: Rb. Bergen 31 oktober 2012, JLMB 2014, 228; C. Vanackere en N. Peeters, «Interest» in Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, Mechelen, Kluwer, 2015, V.2bis – 11).

16. Aangezien N.V. binnen de perken van haar mandaat heeft gehandeld, volgt uit art. 1999 BW dat D. haar moet vergoeden voor de gemaakte kosten. Het betreft meer bepaald de verzekeringspremies die N.V. voorgeschoten heeft aan A. en de medeverzekeraars, voor een totale som van 18.162,97 euro. De rechtbank veroordeelt D. om aan N.V. een som van 18.162,97 euro te betalen.

17. Volgens art. 2001 BW is D. in principe interest verschuldigd vanaf de dag waarop N.V. de premies heeft voorgeschoten. Uit het vervaldagbericht van 12 april 2012 blijkt evenwel dat N.V. aan D. verzocht om de premie «binnen veertien dagen» te betalen, dus tegen uiterlijk 26 april 2012. De intrest loopt dus vanaf 27 april 2012 (dag na de vervaldag) tot de dag van de volledige betaling.

In deze zaak gaat het om een vergoedende interest, die de rechtbank bepaalt aan de gemeenrechtelijke wettelijke intrestvoet (wet van 5 mei 1865). De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties is niet van toepassing, aangezien het toepassingsgebied van die wet beperkt is tot betaling van vergoedingen voor de levering van goederen en diensten. Die wet is niet van toepassing op andere geldelijke verplichtingen die hun oorsprong vinden in de handelstransactie (zie ook: wetsontwerp betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, Parl.St. Kamer 2001-02, nr. 1827-1828/001, p. 8).

18. N.V. bewijst niet dat zij een schadebeding is overeengekomen met D. zodat de som in verband met het schadebeding niet toegekend wordt.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 07/01/2018 - 14:20
Laatst aangepast op: zo, 07/01/2018 - 14:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.