-A +A

Vorderingsrecht van de commissionair expediteur toepasselijk recht IPR

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 15/10/2015

Een commissionair, in het bijzonder een commissionair-expediteur stelt onvermijdelijk ook een aantal materiële handelingen.

“Kenmerkend voor een commissieovereenkomst is immers dat de commissionair niet alleen gehouden is tot het sluiten van de overeenkomst, maar ook de uitdrukkelijke verplichting heeft om de gesloten overeenkomst uit te voeren. In dit kader is hij verplicht alle materiële handelingen te verrichten die op grond van de handelgebruiken en het normale gedrag van een zorgvuldige handelaar nauw verbonden zijn met de opgedragen rechtshandeling en noodzakelijk zijn om deze uit te voeren. In het kader van een aan- of verkoopcommissie staat hij bijvoorbeeld in voor het zoeken van een derde, het vaststellen van de verkoopvoorwaarden, het in ontvangst nemen van de prijs, het leveren of in ontvangst nemen van een levering, het bewaren van de goederen en het controleren van de kwaliteit van de levering. Zelfs wanneer deze materiële handelingen een belangrijk aandeel vormen van zijn werkzaamheden worden zij door de meerderheidsopvatting als bijkomstig aan de opdracht tot het verrichten van een rechtshandeling beschouwd. Zij zullen dus geen ontdubbeling van de overeenkomst tot gevolg hebben in een afzonderlijke bewaargeving, huur van werk of vervoerovereenkomst.” (I. Samoy, “Handelstussenpersonen en distributiecontracten” in Bijzondere handelscontracten, in Handels- en Economisch Recht, Deel I, Ondernemingsrecht, Beginselen van Belgisch Privaatrecht, XIII, Mechelen, Kluwer).

Een commissionair-expediteur kan niet alleen de eigen schade vorderen maar ook de schade die door zijn respectievelijke opdrachtgever is geleden. Hij heeft niet alleen het recht maar ook de verplichting om de belangen van zijn opdrachtgever te vrijwaren. Naar Belgisch recht kan de opdrachtgever overeenkomstig artikel 1994, tweede lid BW een rechtstreekse vordering instellen tegen de gesubstitueerde commissionair-expediteur/lasthebber (Cass. 17 september 1993, TBH, 533, met noot C. Dieryck). Als een dergelijke rechtstreekse vordering mogelijk is, is a fortiori een vordering toegelaten die wordt ingesteld via de tussenpersoon PR Shipping (en waarbij alle verdere schakels in de contractuele ketting vertegenwoordigd zijn), zoals hier het geval is.

Om te bepalen welk recht toepasselijk is inzake de vordering van de commissionair-expediteurs, dient rekening gehouden met het recht van het land van de partij die de kenmerkende prestatie moest leveren en het recht van het land waarmee de rechtsverhouding tussen partijen het nauwst verbonden is. Tussenpersonen ontlenen hun vorderingsrecht aan de overeenkomst met hun opdrachtgever. Derhalve is het recht dat toepasselijk is op deze overeenkomst bepalend voor de vorderingsgerechtigdheid.

De gegrondheid van de vordering tot schadevergoeding wordt bepaald door het recht van het land waar de kenmerkende prestatie, ten dezen de belading van het schip, werd geleverd.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/17-18
Pagina: 
1361

(PR S.S. GmbH. / P. NV e.a. - Rolnr.: A/10/9465-A/11/605-A/11/2166-A/12/2010-A/12/9926)

I. Situering van het geschil
PR Shipping vordert vanwege haar medecontractant, Polytra, vergoeding voor de schade die bij het beladen van het schip werd veroorzaakt aan een kist met daarin onderdelen van een gascompressor.

Polytra heeft haar medecontractant, Tramar in tussenkomst en vrijwaring en op rechtstreekse eis gedagvaard. Tramar heeft vervolgens haar contractpartij, GMP gedagvaard. Panalpina, Atlantis en Baloise zijn gedagvaard in tussenkomst en gemeenverklaring.

II. Procedureverloop
Het geding werd ingeleid door de vennootschap naar Oostenrijks recht GmbH PR Shipping Speditions (hierna “PR Shipping”) bij dagvaarding betekend op19 oktober 2010 aan Polytra NV (A/10/09465).

Polytra heeft vervolgens bij exploot van 7 januari 2011 Tramar gedagvaard teneinde deze te veroordelen om tussen te komen in het geding waarvan hierboven sprake (A/11/605).

Tramar heeft daarop een vordering ingesteld lastens Générale de Manutention Portuaire (A/11/605).

Bij dagvaarding in tussenkomst en gemeenverklaring van 15 maart 2012 werd de Oostenrijkse vennootschap Panalpina Welttransport GmbH in zake geroepen teneinde haar het tussen te komen vonnis gemeen te doen verklaren (A/12/2010).

Panalpina bracht een dagvaarding uit op 26 oktober 2012 lastens Baloise en Atlantis tot tussenkomst en gemeenverklaring (A/12/9926).

De zaak werd door een beschikking gewezen op 30 juli 2014 krachtens artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek vastgesteld en in beraad genomen op de openbare zitting van 21 juni 2015 nadat de partijen werden gehoord.

Het onderwerp van de vordering wordt uitsluitend bepaald door de syntheseconclusies. De rechtbank hield bij de beoordeling van het geschil dan ook rekening met:

de syntheseconclusie neergelegd op 31 oktober 2014 en de stukken neergelegd op 19 mei 2015 door PR Shipping;
de syntheseconclusie neergelegd op 17 november 2014 en de stukken neergelegd op 15 juni 2015 door Polytra;
de syntheseconclusie neergelegd op 24 december 2014 en de stukken neergelegd op 9 april 2015 door Tramar;
de syntheseconclusie neergelegd op 30 januari 2015 en de stukken neergelegd op 29 mei 2015 door Panalpina;
de syntheseconclusie neergelegd op 31 maart 2015 en de stukken neergelegd op 6 mei 2015 door GMP;
de syntheseconclusie neergelegd op 29 november 2013 en de stukken neergelegd op 1 juni 2015 door Baloise en Atlantis.
III. Samenhang
Aangezien de procedures gekend onder A/10/09465, A/11/605, A/12/2010 en A/12/9926 samenhangend zijn, dienen zij conform artikel 30 Gerechtelijk Wetboek te worden samengevoegd.

IV. Vorderingen
(…)

V. Beoordeling
1. De vennootschap Enex heeft een gascompressor bestaande uit 8 kisten met een waarde van 8.245.298 EUR verkocht aan de staatsentiteit Turkmengas (factuur van 21 april 2010). Producent van de gascompressor was de Franse vennootschap Dresser-Rand.

2. Panalpina zou van Enex de opdracht hebben ontvangen om als commissionair-expediteur het vervoer te organiseren van deze gascompressor. Panalpina deed hiervoor een beroep op PR Shipping die als (onder-)commissionair-expediteur op haar beurt Polytra zou gelast hebben met het effectief in ontvangst nemen van de gascompressor en het aanbrengen en laden aan boord van het zeeschip in Le Havre.

3. Polytra verzocht de Franse vennootschap Tramar om te zorgen voor de belading alsook het sjorren en vastzetten van de kist aan boord van het schip. Tramar heeft voor de belading op de vennootschap GMP beroep gedaan en voor het sjorren en vastzetten op de firma Ascot.

4. Toen de kist aan boord werd geladen, werd zij beschadigd door toedoen van GMP.

Dit blijkt uit het cognossement:

“I have to draw your attention to the fact that as result of negligent and careless handling of the cargo by stevedores some damage was caused to the packing cases during loading. Packing of cases 'N° 10F' of the damage. Please note as well that the cargo has been delivered in good conditions.

In view of the above, I have to attribute all losses incurred hereupon to the stevedoring company of which I please take due note

Yours faithfully,

Master of the m/V Pyalma

V. Sorokin”

Vrije vertaling:

“Ik wens uw aandacht te vestigen op het feit dat ingevolge een onzorgvuldig en nalatig manipuleren van de lading door de stuwadoor, bepaalde schade was veroorzaakt aan het omhulsel van de kisten gedurende de belading.

De verpakking n° 10F van de schade. Ik wens alle schade die hieruit voortvloeit toe te wijzen aan de stuwadoor waarvan akte.

Met hoogachting,

Kapitein m/v Pyalma

V. Sorokin.”

5. Ook in het “mate's receipt” werd een gelijkaardig voorbehoud opgenomen:

“Stevedors damage. Package NC1 was damaged during loading”; vertaling: “stuwadoor schade. Verpakking NC1 was beschadigd tijdens het laden.”

6. De schade werd onderzocht door het expertisebureau AMACS die de schadeoorzaak als volgt beschrijft (vrij vertaald):

“Na het neerzetten van de kist in stuwingspositie in het ruim, trokken de goederenbehandelaars de kettingen weg maar één ketting bleef haken onder hoger vermeld trefpunt. Ten gevolge hiervan werd de kist blijkbaar 5 à 10 cm aan deze hoek omhoog getrokken waarna ze bruusk neerviel toen de ketting terug vrij, los kwam.”

7. Tramar, die GMP had aangesteld voor de belading, heeft GMP op 30 april 2010 hiervoor aansprakelijk gesteld:

“Lors de l'embarquement de la caisse C1 -52-9592 à bord du MV Pyalma le 19 avril 2010, cette dernière a été endommagée par vos équipes selon 'statement of facts' et mate's receipt émis par l'agent du navire que vous trouverez en pièces jointes.

Votre responsabilité étant engagée dans cet incident, nous vous tenons pour responsable de tous les préjudices matériels et financiers qui pourraient en découler.

Nous nous réservons donc le droit de revenir vers vous ultérieurement et de vous demander réparations desdits préjudices.”

Vrije vertaling:

“Tijdens de belading van kist C1-52-9592 aan boord van het mv Pyalma op 19 april 2010, werd deze beschadigd door jullie toedoen volgens het 'statement of facts' en het 'mate's receipt' uitgegeven door de kapitein van het schip, zoals gevoegd in bijlage.

Uw aansprakelijkheid is betrokken bij dit incident en wij houden u aansprakelijk voor alle materiële en financiële schade die hieruit zou kunnen voortvloeien.

Wij behouden ons het recht voor om ons tot u te keren teneinde schadevergoeding te vorderen.”

8. Op bladzijde 5 van het verslag maakt AMACS gewag van de volgende schade (vrije vertaling):

een horizontale barst, vlakbij een hoek, van ongeveer 80 cm lang op ongeveer 0,5 m hoogte in de triplex;
het onderaan gebroken triplex zijpaneel was naar buiten gedrukt met een gapende opening van ca. 3 cm;
de verstevigde bar onderaan voor het heffen van de kist was vervormd, gebogen en gedeeltelijk verschoven;
er kon niet worden vastgesteld of de luchtdichte verpakking gescheurd was of niet.
9. Uit de foto's die deel uitmaken van het dossier, blijkt dat de schade aan de kist substantieel was. Er kon op dat ogenblik niet worden vastgesteld of de gascompressor zelf beschadigd was. Daarom werd beslist om de kist opnieuw naar Le Havre te verschepen en daar door de fabrikant, Dresser-Rand te laten onderzoeken. Of de gascompressor zelf beschadigd was kon immers enkel worden vastgesteld na onderzoek en ontmanteling van de compressor in de werkhuizen van Dresser-Rand in Le Havre.

10. Uiteindelijk heeft het onderzoek door de fabrikant uitgewezen dat de gascompressor zelf niet beschadigd was. GMP, die van meet af aan heeft volgehouden dat enkel de kist en niet de inhoud ervan beschadigd was, voert dan ook aan dat de onderzoekskosten alsook de bijkomende transport- en manipulatiekosten niet voor haar rekening zijn.

11. Uiteindelijk zouden de totale kosten zijn opgelopen tot 415.294,27 EUR en 9.353,91 EUR. Het bedrag van 415.294,27 EUR is onderverdeeld als volgt:

170.010 EUR: kosten gemaakt door de fabrikant Dresser-Rand m.b.t. demontage, technische proeven, hermontage en (her)verpakking;
9.353,91 EUR: voor het ontladen van de kist in Antwerpen;
667,46 EUR: voor het uitpakken van de kist in de haven van Antwerpen;
35.608,83 EUR: voor de luchtvervoerskosten van de werkinstrumenten waarmee de inspectie kon worden uitgevoerd;
1.200 EUR: voor het onderzoek in Antwerpen;
950 EUR: voor het onderzoek in Le Havre;
9.082 EUR: voor het onderzoek van de fabrikant;
68.877,90 EUR: voor de transportkosten van de kist van de haven van Antwerpen naar de fabrikant in Le Havre;
111.600 EUR: voor het transport van de compressor, na het onderzoek van Le Havre naar de bestemmingshaven;
5.814,17 EUR: voor het inlandse transport;
1.380 EUR: voor het transport in Turkmenistan;
750 EUR: voor het uitpakken na aankomst.
12. Voormeld bedrag werd, blijkens het voorgelegde subrogatieformulier, aan Enex, de afzender, uitbetaald door “Avero Belgium Insurance”, de rechtsvoorgangster van Baloise, als ladingverzekeraar van Enex. Deze partij werd gedagvaard in gemeenverklaring. Ook Atlantis werd gedagvaard; zij was niet betrokken bij het schadegeval en treedt enkel op als schaderegelaar aangesteld door Baloise om het regres met betrekking tot de uitgekeerde schadepenningen op te volgen en te beheren.

13. Deze rechtbank heeft rechtsmacht conform artikel 2 EEX-Verordening, nu de partij die gedagvaard is door PR Shipping, namelijk Polytra, haar maatschappelijke zetel in België heeft. Voor wat betreft de vorderingen in gemeenverklaring, in vrijwaring en op rechtstreekse eis, heeft deze rechtbank rechtsmacht ingevolge artikel 6, 1. en 2. van de EEX-Verordening.

15. Vooraleer ten gronde kan worden geoordeeld, dient de vorderingsgerechtigdheid van PR Shipping (en de overige partijen) te worden onderzocht. Hiertoe is van belang dat men de juiste hoedanigheid bepaalt waarin PR Shipping optreedt.

16. Volgens Panalpina en PR Shipping trad PR Shipping op als commissionair-expediteur voor Panalpina. Juister nog, Panalpina trad zelf op als commissionair-expediteur voor Enex, zodat PR Shipping in feite als (onder-)commissionair-expediteur dient te worden beschouwd.

17. Het komt de feitenrechter toe om aan de hand van de feitelijke gegevens na te gaan of de contractuele relatie inderdaad degene is die partijen voorhouden. Indien de feitenrechter vaststelt dat de feiten niet onverenigbaar zijn met de kwalificatie die partijen zelf geven aan hun overeenkomst dient deze kwalificatie te worden weerhouden (Cass. 3 mei 2004, NJW 2005, RW 2004-05, TBBR 2005, 271). Welnu, de door PR Shipping en Panalpina aan hun rechtsrelatie gegeven kwalificatie wordt niet tegensproken door de feitelijke gegevens. Nu de kwalificatie van het contract consistent is met de feiten zoals zij zich voordoen, is er geen enkele reden om de door de contractpartijen aangevoerde kwalificatie af te wijzen.

18. Voor wat de rechtsrelatie betreft tussen PR Shipping en Polytra, houdt PR Shipping voor dat Polytra niet optrad als commissionair-expediteur omdat zij zou verantwoordelijk zijn geweest voor het stellen van de materiële handelingen.

19. Een commissionair, in het bijzonder een commissionair-expediteur stelt onvermijdelijk ook een aantal materiële handelingen.

“Kenmerkend voor een commissieovereenkomst is immers dat de commissionair niet alleen gehouden is tot het sluiten van de overeenkomst, maar ook de uitdrukkelijke verplichting heeft om de gesloten overeenkomst uit te voeren. In dit kader is hij verplicht alle materiële handelingen te verrichten die op grond van de handelgebruiken en het normale gedrag van een zorgvuldige handelaar nauw verbonden zijn met de opgedragen rechtshandeling en noodzakelijk zijn om deze uit te voeren. In het kader van een aan- of verkoopcommissie staat hij bijvoorbeeld in voor het zoeken van een derde, het vaststellen van de verkoopvoorwaarden, het in ontvangst nemen van de prijs, het leveren of in ontvangst nemen van een levering, het bewaren van de goederen en het controleren van de kwaliteit van de levering. Zelfs wanneer deze materiële handelingen een belangrijk aandeel vormen van zijn werkzaamheden worden zij door de meerderheidsopvatting als bijkomstig aan de opdracht tot het verrichten van een rechtshandeling beschouwd. Zij zullen dus geen ontdubbeling van de overeenkomst tot gevolg hebben in een afzonderlijke bewaargeving, huur van werk of vervoerovereenkomst.” (I. Samoy, “Handelstussenpersonen en distributiecontracten” in Bijzondere handelscontracten, in Handels- en Economisch Recht, Deel I, Ondernemingsrecht, Beginselen van Belgisch Privaatrecht, XIII, Mechelen, Kluwer).

Uit de e-mailketting die door partijen wordt voorgelegd, blijkt dat het van meet af aan de bedoeling was om de materiële handelingen uit te besteden aan een derde, Tramar (cf. de e-mail van 26 februari 2010 van Polytra aan PR Shipping waarin uitdrukkelijk melding werd gemaakt van “our partner Tramar” (“onze partner Tramar”). Polytra heeft de prijzen doorgegeven voor handelingen die door derden (in casu Tramar) zouden worden uitgevoerd. Bovendien blijkt uit deze e-mails dat er initieel verschillende pistes waren die door Polytra dienden te worden onderzocht (belading te Antwerpen of Le Havre), zodat de te stellen materiële handelingen in feite bijkomstig waren aan de rechtshandelingen.

20. Een commissionair-expediteur kan niet alleen de eigen schade vorderen maar ook de schade die door zijn respectievelijke opdrachtgever is geleden. Hij heeft niet alleen het recht maar ook de verplichting om de belangen van zijn opdrachtgever te vrijwaren. Naar Belgisch recht kan de opdrachtgever overeenkomstig artikel 1994, tweede lid BW een rechtstreekse vordering instellen tegen de gesubstitueerde commissionair-expediteur/lasthebber (Cass. 17 september 1993, TBH, 533, met noot C. Dieryck). Als een dergelijke rechtstreekse vordering mogelijk is, is a fortiori een vordering toegelaten die wordt ingesteld via de tussenpersoon PR Shipping (en waarbij alle verdere schakels in de contractuele ketting vertegenwoordigd zijn), zoals hier het geval is.

21. Er wordt evenwel voorgehouden dat Oostenrijks recht toepasselijk zou zijn op de rechtsverhouding tussen Panalpina en PR Shipping. Beide partijen stellen dat dit recht door hen werd gekozen.

Zelfs bij ontstentenis van rechtskeuze zou Oostenrijks recht toepasselijk zijn als het recht van het land van de partij die de kenmerkende prestatie moest leveren (PR Shipping) en ook - naar het oordeel van de rechtbank - het recht van het land waarmee de rechtsverhouding tussen beide partijen het nauwst verbonden is, overeenkomstig artikel 4, 3. Rome I-Verordening. Dit geldt overigens ook voor wat de rechtsrelatie betreft tussen Enex en Panalpina. Panalpina was degene die het vervoer diende te organiseren. Als Oostenrijkse vennootschap was zij de partij die in deze rechtsrelatie de kenmerkende prestatie diende te leveren. Ook op deze rechtsrelatie is, bij ontstentenis van een andersluidende rechtskeuze, Oostenrijks recht toepasselijk.

22. Aangezien de tussenpersonen hun vorderingsrecht ontlenen aan de overeenkomst met hun opdrachtgever, is het recht dat toepasselijk is op deze overeenkomst bepalend voor de vorderingsgerechtigdheid. Zoals overtuigend aangetoond door PR Shipping en Panalpina laat Oostenrijks recht de zgn. “drittschadensliquidation” toe. Over de vorderingsgerechtigdheid van PR Shipping kan dan ook omwille van de erkenning van de “drittschadensliquidation” naar Oostenrijks recht geen enkele twijfel bestaan. Ook Polytra is vorderingsgerechtigd aangezien er, zoals hoger aangetoond, naar Belgisch recht (zie randnr. 20) geen enkele twijfel kan bestaan over de vorderingsgerechtigdheid van een commissionair-expediteur (indien men ervan uitgaat dat in de relatie tussen Polytra en PR Shipping Belgisch recht toepasselijk is). De redenering is dezelfde indien men ervan uitgaat dat Oostenrijks recht toepasselijk is op de vraag of Polytra vorderingsgerechtigd is. De voorwaarden die gelden tussen de opdrachtgever en de hoofd-commissionair kunnen immers aan de verdere onder-commissionairs worden tegengesteld (Cass. 17 december 1993, TBH 1994, 533).

23. Bijgevolg moeten Panalpina noch PR Shipping noch Polytra bewijzen dat zij zelf een pecuniair verlies hebben geleden. Bovendien geldt dit principe naar Oostenrijks recht ongeacht of zij als commissionair-expediteur of dan wel als commissionair-vervoerder zijn opgetreden.

24. Panalpina is in gebreke gesteld door de verzekeraar van Enex en zij heeft deze vordering vervolgens doorgeleid naar PR Shipping. PR Shipping mag zonder meer rechtmatig een contractueel vorderingsrecht ten aanzien van haar contractpartij uitoefenen ter vrijwaring van de geleden schade door de uiteindelijke opdrachtgever. Een eventuele verjaring van de vorderingen tussen de commissionair-expediteurs is niet relevant; het gaat immers om vorderingen ingesteld voor rekening van hun opdrachtgever en niet om aansprakelijkheidsvorderingen gesteund op een fout in hoofde van de (sub)commissionair-expediteur. Voornoemde partijen handelen louter ter vrijwaring van de rechten van hun opdrachtgever en zij zijn daartoe verplicht op basis van de commissieovereenkomst.

25. Het is niet relevant om, zoals gevraagd door Polytra en Tramar, voorlegging te vragen van het contract tussen Panalpina en Enex of nog, van de correspondentie tussen PR Shipping en Panalpina aangezien de mogelijkheid om schadevergoeding voor derden (“drittschadensliquidation”) te vorderen zowel in hoofde van de (commissionair-)vervoerder als in hoofde van de (onder-)commissionair-expediteur bestaat. Bovendien is het twijfelachtig of er wel een contract werd opgesteld tussen Enex en Panalpina. In de brief van Atlantis aan Panalpina van 11 april 2011 werd op een gegeven ogenblik naar een dergelijk “contract” verwezen, maar dit wordt betwist. Het kan ook het gevolg zijn van een loutere vergissing. In de sector is het immers weinig gebruikelijk om contracten op te stellen. Zo werd er bijvoorbeeld tussen Tramar en GMP evenmin een contract opgesteld.

26. De vordering van PR Shipping vormt geen “nieuwe” vordering die om deze reden onontvankelijk zou zijn. In de dagvaarding werd weliswaar niet expliciet vermeld dat PR Shipping optrad voor rekening van een derde partij, namelijk Panalpina. In de conclusies werd dat vervolgens wel verduidelijkt. Het gaat hier evenwel niet om een “nieuwe” vordering in de zin van artikel 807 Gerechtelijk Wetboek, minstens is zij gesteund op feiten en handelingen in de dagvaarding aangevoerd.

27. Terwijl de vorderingsgerechtigdheid naar Oostenrijks recht dient te worden beoordeeld, dient de gegrondheid van de vordering tot schadevergoeding naar Frans recht te worden beoordeeld, zoals GMP en Tramar terecht stellen. Immers, de kenmerkende prestatie (de belading van het schip) werd in Frankrijk geleverd.

28. Tussen Polytra en Tramar is er een goederenbehandelingscontract tot stand gekomen. Uit niets blijkt dat Tramar louter als tussenpersoon of lasthebber zou zijn opgetreden. Tramar is opgetreden als goederenbehandelaar en zij heeft deze opdracht uitbesteed aan GMP. Dat de schade aan de kist werd veroorzaakt door GMP als goederenbehandelaar en dat deze hiervoor aansprakelijk is staat niet ter discussie. Evenmin kan ernstig worden betwist dat Tramar hiervoor t.o.v. Polytra aansprakelijk is, aangezien zij deze opdracht aan GMP had uitbesteed. Tramar toont niet aan dat de in haar algemene voorwaarden opgenomen aansprakelijkheidsbeperking in dit geval toepasselijk zou zijn. Er ligt geen bewijs voor dat deze voorwaarden gekend en aanvaard zijn door Polytra.

29. De vraag naar het oorzakelijk verband tussen de fout van GMP en de gevorderde schade dient te worden onderzocht. De vraag rijst of al deze kosten overbodig waren aangezien op het ogenblik van het incident al zou gebleken zijn dat de schade enkel betrekking had op de kist en niet op de compressor.

30. Dat de kist beschadigd was, kan niet worden ontkend. Bovendien kon niet op het zicht worden vastgesteld of de werking van de compressor intact was. Derhalve drongen de Dresser-Rand-ingenieurs erop aan dat de unit naar Le Havre zou worden verscheept voor demontage en inspectie van alle gevoelige onderdelen.

31. Aangezien de inspectie van de compressor niet in Antwerpen of Turkmenistan kon plaatsvinden en gezien de aard en de waarde van het toestel was het onderzoek van de gascompressor bij de fabrikant in Le Havre redelijkerwijze verantwoord. Op die manier kon alle twijfel in verband met mogelijke schade worden uitgesloten. Dat dit de juiste werkwijze was, werd overigens bevestigd door Dr. Ir. W.O. van de Universiteit Gent die door deskundige AMACS was geraadpleegd om de door de fabrikant voorgestelde werkwijze te evalueren. Indien achteraf na aankomst in Turkmenistan zou zijn gebleken dat de compressor wel beschadigd was, zou de schade nog veel groter zijn. De betrokkenen hebben zich dan ook niet onvoorzichtig of onredelijk gedragen door de gascompressor te laten onderzoeken door de fabrikant.

32. Aangezien het onderzoek van de gascompressor noodzakelijk was ingevolge de door GMP aan de kist aangebrachte schade, zijn deze onderzoekskosten verschuldigd. Dit komt neer op een bedrag van 170.010 EUR. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de gegrondheid van de gevorderde onderzoekskosten.

33. GMP voert verder aan dat bepaalde schade had kunnen vermeden worden of dubbel gebruik vormt. Hierin kan GMP wel worden bijgetreden. De kosten die bijkomend aan de onderzoekskosten worden gevormd, vormen dubbel gebruik, zijn niet gestaafd door middel van facturen of het causaal verband is niet aangetoond, zoals nauwkeurig toegelicht op p. 12 en 13 van de syntheseconclusie van GMP. Voor wat bijvoorbeeld de transportkosten betreft, geldt dat deze in ieder geval hadden moeten betaald worden, ook zonder het schadegeval. Derhalve kunnen enkel de kosten van onderzoek in aanmerking worden genomen, meer de kosten i.v.m. het ontladen van de kist te Antwerpen ten belope van 9.353,91 EUR.

34. Het gaat om schade die conform artikel 1150 van het Franse Burgerlijk Wetboek een voorzienbaar gevolg vormt van het door GMP veroorzaakte schadegeval. De aansprakelijkheid van Tramar en GMP is echter naar Frans recht beperkt, zoals voorzien in artikel 54 juncto artikel 28 van de Franse wet nr. 66-420 van 18 juni 1966 (zoals overgenomen in art. L5422-23 van het Franse Transportwetboek). Ook goederenbehandelaars kunnen zich naar Frans recht op deze wettelijke beperking beroepen. Deze beperking is identiek aan deze in artikel 91, A, § 4, 5, a) van de Belgische zeewet, hetzij 2 rekeneenheden per kilogram brutogewicht van de beschadigde goederen. Dit kwam op datum van 19 april 2010 neer op een bedrag van 194.914,90 EUR (86.100 kg x 2 x 1,131910) (Cass.fr. 14 januari 2014, legi­france.com; Rouen (12e ch.) 12 april 2012, Bulletin des Transports et de la Logistique, N° 3412, 14 mei 2012, 313; Aix-en-Provence 29 maart 2007, met noot J. Bonnaud).

35. Zoals gevorderd door PR Shipping, past het om dit vonnis voorlopig uitvoerbaar te verklaren. Er bestaat echter geen aanleiding om de mogelijkheid tot kantonnement uit te sluiten.

VI. De kosten van het geding
(…)

VII. Beslissing
(…)

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 14/07/2017 - 09:56
Laatst aangepast op: vr, 14/07/2017 - 10:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.