-A +A

Vouwmes is een blank wapen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 12/12/2017

Een "vouwmes" is een blank wapen met name een wapen voorzien van één of meerdere klingen die één of meerdere snijvlakken hebben (cfr. artikel 2, 13° Wapenwet) - en als zodanig geen verboden wapen "door bestemming" in de zin van artikel 3§ 1, 17° van de Wapenwet, maar een vrij verkrijgbaar wapen in de zin van artikel 3§ 2, 1° van diezelfde wet, waarvan de dracht een wettige reden vergt.

Het was met de invoering van de Wapenwet niet de bedoeling van de wetgever om een onbenoemde en niet-omschreven categorie blanke wapens of messen in stand te houden die slechts onder één van de onderverdelingen van de Wapenwet zou kunnen worden ondergebracht naargelang het gebruik dat ervan wordt gemaakt.

Alle blanke wapens, zoals hoger omschreven, vallen uit hun aard hetzij onder de verboden categorieën vervat in de artikelen 3§ 1, 5°, 6° of 12° van de Wapenwet, hetzij onder de vrij verkrijgbare wapens zoals bedoeld in artikel 3§ 2 van deze wet, en niet onder de verboden wapens "door bestemming" in de zin van artikel 3§ 1, 17° van de Wapenwet. Een"vouwmes" vormt hierop geen uitzondering, ongeacht het gebruik dat ervan werd gemaakt.

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift voor Strafrecht
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018-1
Pagina: 
49
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

OM/K.V.

( ... )

Verdacht van

te Gent, op 22 augustus 2016.

bij inbreuk op de artikelen 2, 3 § 117°, 8, 23, 24 en 26 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, een verboden wapen vervaardigd, hersteld, te koop gesteld, verkocht, overgedragen of vervoerd, opgeslagen, voorhanden gehad of gedragen te hebben, namelijk een voorwerp dat niet als wapen is ontworpen, maar waarvan, gegeven de concrete omstandigheden, duidelijk is dat degene die het voorhanden heeft, draagt of vervoert, het wenst te gebruiken voor het toebrengen van lichamelijk letsel aan of het bedreigen van personen, meer bepaald een vouwmes te hebben gedragen;

Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 32° correctionele kamer, met 1 rechter, dd. 12 mei 2017, rechtdoende op tegenspraak, werd als volgt beslist:

Voorafgaandelijk

Herkwalificeert de feiten onder de enige tenlastelegging als volgt:

"te Gent, op 22 augustus 2016.

Bij inbreuk op de artikelen 1, 2, 3, 9, 23, 24, 25, 26, 29, 46, 47, 48 en 49 van de wet dd. 08 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (1) (B.S. 09.06.2006) een vrij verkrijgbaar wapen te hebben gedragen zonder daartoe een wettige reden te kunnen aantonen, namelijk een vouwmes"

Op strafrechtelijk gebied

Verklaart de feiten, voorwerp van de enige tenlastelegging (zoals geherkwalificeerd) bewezen;

Veroordeelt de beklaagde voor de hierboven omschreven en bewezen verklaarde feiten, voorwerp van de enige tenlastelegging (zoals geherkwalificeerd), tot een GELDBOETE van HONDERD EURO(€ 100,00).

Verhoogt de geldboete met vijftig decimes, aldus gebracht op ZESHONDERD EURO (€ 600,00).

Beveelt dat bij gebreke van betaling binnen de termijn bepaald bij artikel 40 van het Strafwetboek, de geldboete zal kunnen vervangen worden door een gevangenisstraf van ACHT DAGEN.

Beveelt dat de tenuitvoerlegging van het vonnis, in hoofde van de beklaagde, wat betreft:

* ZEVENTIG EURO (€ 70,00), gebracht op vierhonderdtwintig euro (€ 420,00), van de uitgesproken GELDBOETE van HONDERD EURO(€ 100,00);

zal uitgesteld worden voor een termijn van DRIE JAAR te rekenen vanaf heden, ingeval gedurende de proeftijd geen nieuw misdrijf wordt gepleegd dat een veroordeling tot een criminele of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden zonder uitstel tot gevolg heeft.

Zegt dat de beklaagde verplicht is een bedrag van VIJFENTWINTIG EURO (€ 25,00), verhoogd met zeventig decimes, aldus gebracht op TWEEHONDERD EURO (€ 200,00), te betalen als bijdrage tot het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders.

Overtuigingsstukken

Verklaart verbeurd en beveelt de ter hand stelling aan de directeur van de proefbank met het oog op de vernietiging, van de overtuigingsstukken neergelegd ter griffie van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent onder nummer 2016 07453 als voorwerp van het misdrijf en eigendom van de veroordeelde, overeenkomstig art. 23 lid 4 en 24 lid 1 Wapenwet 8 juni 2006 vervuld zijnde.

Kosten

Begroot de gerechtskosten in hun geheel op 28,46 EUR. Veroordeelt de beklaagde tot de kosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten bate van de Staat tot heden begroot op 28,46 EUR.

Legt de veroordeelde, krachtens artikel 91, tweede lid van het K.B. van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, een vaste vergoeding op voor beheerskosten in strafzaken van ÉÉNENVIJFTIG EURO TWINTIG CENT (€ 51,20) (geïndexeerd zoals voorzien in artikel 148 K.B. 28 december 1950 en de ministeriële omzendbrief nr. 131quater (ns) (B.S. 1 maart 2013))

Tegen vonnis werd hoger beroep ingesteld:

- door de beklaagde, op 30 mei 2017, op strafgebied;

- door het Openbaar Ministerie, tegen de beklaagde voornoemd, op 8 juni 2017. ( ... )

 

1. De hoger beroepen

1.1. Ingevolge de Wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake Justitie (B.S. van 19 februari 2016) werd artikel 204 van het Wetboek van strafvordering als volgt gewijzigd:

"Art. 204. Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd.

Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep gebracht wordt gebracht.

Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt.

Deze bepaling geldt ook voor het openbaar ministerie.".

De bepalingen inzake het grievenstelsel traden in werking op 1 maart 2016. Hogere beroepen die worden aangetekend vanaf 1 maart 2016 zijn dus onderworpen aan de nieuwe bepalingen inzake het grievenstelsel (zie Van Overbeke, S., "Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie ("Potpourri II") (tweede deel)", R.W, 2016-16, nr. 37, 14 mei 2016, 1459, randnr. 82).

Een regelmatige en tijdige verklaring van hoger beroep die niet gevolgd wordt door een regelmatig en tijdig verzoekschrift, kan geen ontvankelijk rechtsmiddel tot stand brengen (Van Dooren, E., en Rozie, M., "Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje", N.C., 2016, 125, randnr. 23). Wanneer er tijdig een verklaring van hoger beroep wordt afgelegd, maar geen regelmatig verzoekschrift met grieven wordt ingediend ter griffie (of een dergelijk verzoekschrift laattijdig wordt ingediend), zal het hoger beroep zonder meer "vervallen" - onontvankelijk - worden verklaard (Van Overbeke, S., l.c., 1446, randnr. 36).

De akte van hoger beroep blijft de ultieme bovengrens bij de vaststelling van de devolutieve werking van het hoger beroep, in die zin dat een verzoekschrift met grieven op zichzelf nooit een uitbreiding kan inhouden van de devolutieve werking van het hoger beroep zoals die voortvloeit uit de akte van beroep. Ingevolge het grievenstelsel, zoals dit blijkt uit art. 204 en 210 Sv., zullen de devolutieve werking van het hoger beroep, zoals dit in beginsel voortvloeit uit de akte van hoger beroep, en de rechtsmacht van de appelrechters verder worden beperkt, want uit die bepalingen vloeit voort dat de rechter in hoger beroep slechts van welbepaalde grieven kennis kan nemen, namelijk de grieven die opgeworpen worden in het in art. 204 Sv. bedoelde verzoekschrift, en voor het overige slechts een strikt omschreven categorie van grieven die van openbare orde zijn. Andere grieven zijn voor de appelrechter niet langer meer aan de orde (Van Overbeke, S., l.c., 1449, randnrs. 44 en 45).

1.2. Na onderzoek van de zaak stelt het hof vast dat er geen grieven van openbare orde, zoals bedoeld in art. 210 Sv., dienen te worden opgeworpen.

1.3. De beklaagde V.K. heeft op 30 mei 2017 ter griffie hoger beroep aangetekend "op strafgebied" tegen het vonnis van 12 mei 2017. Tegelijkertijd werd een "Grievenformulier hoger beroep" neergelegd waarin volgende grieven tegen het eerste vonnis werden geformuleerd:

1. strafgebied

- 1.1 schuldigverklaring "verboden wapendracht"

- 1.4 strafmaat

Het hoger beroep van de beklaagde V.K. is tijdig en regelmatig.

1.4. Het openbaar ministerie heeft op 8 juni 2017 ter griffie tegen de beklaagde hoger beroep aangetekend. Tegelijkertijd werd door het openbaar ministerie een "Grievenformulier hoger beroep" neergelegd waarin volgende grieven tegen het eerste vonnis werden aangegeven:

- De kwalificatie van de tenlastelegging(en) - "Mijn ambt betwist de herkwalificatie van de feiten vermeld onder de enige tenlastelegging, gelet op het feit dat een vouwmes niet ontworpen is als wapen en als dusdanig als intentioneel wapen onder artikel 3 § 1, 17° van de Wapenwet valt."

- De straf(maat) - "De uitgesproken straf is een geldboete van € 100 waarvan een deel met uitstel; mijn ambt had een gevangenisstraf van 6 maanden en een geldboete van € 100 gevorderd."

- Probatie/opschorting/uitstel - "Mijn ambt betwist het verleende uitstel van een deel van de opgelegde geldboete."

- Andere: "Gelet op het aangetekende hoger beroep en de neergelegde grievenformulieren van de partij V.K. volgt het openbaar ministerie het ingestelde hoger beroep en tekent het, wat deze partij betreft, ook hoger beroep aan wat de lastens haar uitgesproken straffen betreft."

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is tijdig en regelmatig.

1.5. Het hof beslist in het voorliggend arrest binnen de perken van de grieven zoals bedoeld in artikel 210 van het Wetboek van Strafvordering (zoals aangevuld bij artikel 94 van de wet van 5 februari 2016).

Ingevolge de voormelde hoger beroepen is het hof gevat om te oordelen over het geheel van de zaak.

2. De kwalificatie van de feiten

De eerste rechter heeft terecht de feiten van de enige tenlastelegging in hoofde van de beklaagde geherkwalificeerd naar een inbreuk op artikel 3 § 2, 1 ° en artikel 9 van de Wapenwet, namelijk het dragen van een vrij verkrijgbaar wapen zonder wettige reden.

Er dient immers vastgesteld dat een "vouwmes", zoals gedragen door de beklaagde op 22 augustus 2016, een blank wapen is - met name een wapen voorzien van één of meerdere klingen die één of meerdere snijvlakken hebben (cfr. artikel 2, 13° Wapenwet) - en als zodanig geen verboden wapen "door bestemming" in de zin van artikel 3§ 1, 17° van de Wapenwet, maar een vrij verkrijgbaar wapen in de zin van artikel 3§ 2, 1° van diezelfde wet, waarvan de dracht een wettige reden vergt.

Het was met de invoering van de Wapenwet niet de bedoeling van de wetgever om een onbenoemde en niet-omschreven categorie blanke wapens of messen in stand te houden die slechts onder één van de onderverdelingen van de Wapenwet zou kunnen worden ondergebracht naargelang het gebruik dat ervan wordt gemaakt.

Alle blanke wapens, zoals hoger omschreven, vallen uit hun aard hetzij onder de verboden categorieën vervat in de artikelen 3§ 1, 5°, 6° of 12° van de Wapenwet, hetzij onder de vrij verkrijgbare wapens zoals bedoeld in artikel 3§ 2 van deze wet, en niet onder de verboden wapens "door bestemming" in de zin van artikel 3§ 1, 17° van de Wapenwet. Een"vouwmes" vormt hierop geen uitzondering, ongeacht het gebruik dat ervan werd gemaakt.

3. Deschuld

Op grond van de voor het hof gevoerde debatten getoetst aan een nieuw onderzoek van alle gegevens zoals vervat in het voorliggend strafdossier zijn de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, voorwerp van de tenlastelegging zoals geherkwalificeerd, in zijnen hoofde zoals voor de eerste rechter ook voor het hof ten genoegen van rechte bewezen gebleven, hetgeen overigens door de beklaagde op de terechtzitting van het hof op 13 november 2017 ook niet werd betwist (cfr. zittingsblad).

Het hof treedt met betrekking tot dit besluit de oordeelkundige beweegredenen van de eerste rechter (zoals vervat op het derde blad van het bestreden vonnis onder "Feiten en beoordeling") dan ook bij en neemt deze over, nu zij in rechte voldoende grond vinden in de gegevens van het voorliggende strafdossier.

4. De strafmaat

De ernst van de feiten wettigt ten volle de door de eerste rechter opgelegde bestraffing en laat naar het oordeel van het hof geen ruimte voor enige mildering.

De door de eerste rechter lastens de beklaagde opgelegde geldboete (en vervangende gevangenisstraf) is de wetmatige en passende beteugeling van het in zijnen hoofde aangehouden misdrijf.

Deze bestraffing werd bepaald op basis van oordeelkundige motieven (zoals vervat op het vierde blad van het bestreden vonnis onder "Straf") die het hof beaamt en dan ook overneemt.

De beklaagde is thans 20 jaar oud en werd in het verleden eenmaal veroordeeld door de politierechtbank.

Rekening houdend met deze omstandigheden kan naar het oordeel van het hof de door de eerste rechter verleende gunstmaatregel van gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging worden uitgebreid naar het geheel van de geldboete.

5. De gerechtskosten, de vaste vergoeding, de bijdrageverplichtingen en de overtuigingsstukken

De oordeelkundige beslissingen van de eerste rechter met betrekking tot de gerechtskosten, de vaste vergoeding van 51,20 EUR, de bijdrageverplichting van 200,00 EUR en de overtuigingsstukken zijn te bevestigen.

Krachtens artikel 4 § 3 en 5 §§ 1 en 2 van de Wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt de beklaagde thans tevens veroordeeld tot de betaling van een bijdrage aan het Fonds. Deze bijdrage bedraagt thans 20,00 EUR.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op de artikelen aangehaald door de eerste rechter en gelet op:

- artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

- de artikelen 190, 195 en 211 wetboek van strafvordering;

- de artikelen 4 § 3 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart

2017 (B.S. 31 maart 2017- inwerkingtreding 1 mei 2017); al deze wetsbepalingen ter terechtzitting van heden door de heer voorzitter aangehaald;

Verklaart de hoger beroepen tegen het vonnis van 12 mei 2017 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, ontvankelijk, en opnieuw ten gronde erover beslissend binnen de perken van de grieven zoals bedoeld in de artikelen 204 en 210 van het Wetboek van Strafvordering:

Bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat thans uitstel van tenuitvoerlegging wordt verleend voor wat de volledig opgelegde geldboete van (100 x 6 =) 600,00 EUR betreft.

Veroordeelt krachtens artikel 4 § 3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijns bijstand tot het betalen van een bijdrage aan het Fonds van 20,00 EUR.

Veroordeelt tot de kosten in hoger beroep gevallen aan de zijde van het Openbaar Ministerie te begroten op 68,20 EUR. ( ... )

Noot: 

Noot - L. Van Den Steen, De kwalificatie van een mes onder de Wapenwet: (g)een tweesnijdend zwaard T.Strafr. 2018/1 -[2018/8]-51, Jurabibliotheek strafrecht.

Verboden messen

Niet alle blanke wapens zijn verboden wapenqs. De wapenwet heeft in de wet van 8 juni 2006  bepaalde blanke wapens als de verboden wapens geklasseerd bestempeld. Een verboden wapen is een wapen dat je niet in het bezit mag hebben (dus ook niet thuis in kast), verboden wapens mag je evenmin dragen, fabriceren, herstellen, tentoonstellen voor verkoop, verkopen, weggeven, vervoeren, opslaan of er reclame voor maken.

De verboden messen zijn:

- springmessen met automatische blokkering ;

- messen die door de zwaartekracht uit het heft komen en automatisch blokkeren ;

- vlindermessen, waarvan het mes vrijkomt door het handvat in twee delen open te plooien ;

- messen die ontworpen zijn om met precisie te gooien ;

- werpsterren in metaal, met scherpe punten ;

- blanke wapens die uiterlijk op een ander voorwerp gelijken ;

- wandelstokken die een degen bevatten, als ze geen historische sierwapens zijn.

Daarnaast zijn er de vrij verkrijgbare blanke wapens

Dit zijn ondermeer : zwaarden, sabels, dolken, dolkmessen, degens, bajonetten, jachtmessen en aanvalsbijlen. 

Deze blanke wapens mogen in bezit gehouden worden (thuis), zij kunnen vrij gekocht en verkocht, geruild, weggeven, vervoerd., 



De huis- en tuinmessen (ondermeer : zakmessen, vouwmessen al dan niet blokkerend, Opinels, keukenmessen, cutters, werkgerief, enzovoort) die als werktuig ontworpen zijn en niet als wapen, zijn niet verboden.

De dracht van een vrij verkrijgbaar blank wapen is verboden begoudens wettige reden. De dracht van een wapen is het onmiddellijk bij zich beschikbaar hebben van een wapen. De "wettige redenen" zijn niet wettelijk vastgelegd. Het is de rechter die a posteriori oordeelt of er een "wettige reden" voorhanden was. Dit is een oordeel in concreto op basis van het gezond verstand, rekening houdend met de gevaarsgraad voor de openbare veiligheid.

Volgens artikel 135 van het Strafwetboek wordt onder het woord “wapens” begrepen : alle toestellen, werktuigen, gereedschappen of andere snijdende, stekende of kneuzende voorwerpen die men ter hand heeft genomen om te doden, te verwonden of te slaan, zelfs indien men er geen gebruik van gemaakt heeft.



Elk mes wordt een verboden wapen van zodra het door concrete omstandigheden duidelijk is dat de bezitter, houder of vervoerder ervan, de intentie heeft om er personen mee te bedreigen of te verwonden.

uitreksel uit de memorie van toelichting bij de wapenwet:

 “De niet nader gereglementeerde wapens die geen vuurwapens zijn (waarvoor dus noch de wet, noch een uitvoeringsbesluit bepaalt dat ze verboden of vergunningsplichtig zijn) horen vanaf nu in deze categorie.

Dit is vooral belangrijk om een einde te stellen aan de onduidelijkheid nopens bepaalde types van messen die niet uitdrukkelijk verboden zijn, zoals het welbekende Opinelmes en verschillende modellen van plooibare messen waarvan het lemmet kan worden geblokkeerd.

Dergelijke messen werden tot nu toe vaak ten onrechte als verboden wapens beschouwd, terwijl het gaat om nuttige gebruiksvoorwerpen die soms noodzakelijk zijn voor bepaalde activiteiten (bijvoorbeeld tuiniers-, duikers- en jagersmessen).

 Het past bij deze bepaling te bevestigen dat eenvoudige huis-, tuin- en keukenmessen evenals eenvoudige ‘Zwitserse’ zakmessen en andere ‘onschuldige’ gebruiksvoorwerpen in principe niet als wapens in de zin van deze wet worden beschouwd, behoudens in geval van misbruik. Voor hun dracht is dus geen wettige reden vereist en de handel erin is volkomen vrij.” – memorie van toelichting, Parl.St. 2005-06, DOC 51, 2263/001, 21)

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 20/06/2018 - 20:06
Laatst aangepast op: wo, 20/06/2018 - 20:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.