-A +A

Vraag uitgaansvergunning gevangenis - terechtzitting - recht gehoord te worden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 25/10/2016
A.R.: 
P.16.0981.N

Krachtens artikel 95/13, § 2 en § 3, Wet Strafuitvoering kan de strafuitvoeringsrechtbank ambtshalve beslissen een rechtszitting te organiseren om de ter beschikking gestelde veroordeelde te horen over zijn verzoek om een uitgaansvergunning en moet zij dat doen wanneer die veroordeelde het vraagt; de aldus bedoelde rechtszitting is deze die de strafuitvoeringsrechtbank organiseert alvorens te beslissen over het verzoek van de ter beschikking gestelde veroordeelde en niet deze waarop die rechtbank het vonnis uitspreekt dat de beslissing over dat verzoek bevat (1). (1) Zie Cass. 13 maart 2013, AR P.13.0320.F, AC 2013, nr. 181; Cass. 4 maart 2014, AR P.14.0271.N, AC 2014, nr. 172.

De omstandigheid dat het verkrijgen van een uitgaansvergunning een recht uitmaakt voor de ter beschikking gestelde veroordeelde, heeft niet tot gevolg dat hij steeds moet worden gehoord over zijn desbetreffende verzoek; wanneer de strafuitvoeringsrechtbank het overeenkomstig artikel 95/13, § 2, Wet Strafuitvoering niet nuttig acht die veroordeelde te horen en hijzelf dat niet vraagt, levert het feit dat hij niet is gehoord geen miskenning op van het recht op een eerlijk proces.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.16.0981.N
S B V,
veroordeelde tot een vrijheidsstraf, gedetineerd,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Gent van 21 september 2016.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 95/13, § 3, Wet Strafuitvoe-ring: de strafuitvoeringsrechtbank heeft de eiser niet gehoord over zijn verzoek om een uitgaansvergunning, alhoewel die rechtbank een rechtszitting heeft geor-ganiseerd waarop zij het bestreden vonnis heeft uitgesproken; wanneer de straf-uitvoeringsrechtbank facultatief beslist een rechtszitting te organiseren, is zij ver-plicht de ter beschikking gestelde veroordeelde te horen.

2. Artikel 95/13, § 2 en § 3, Wet Strafuitvoering bepaalt:
"§ 2. Indien de strafuitvoeringsrechtbank het nuttig acht om te kunnen oordelen over het verzoek om een uitgaansvergunning of penitentiaire verlof, of op verzoek van de ter beschikking gestelde veroordeelde, kan hij een zitting organiseren. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het advies van de directeur.

Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zit-ting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf onder-gaat.

De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.

§ 3. De ter beschikking gestelde veroordeelde, zijn raadsman, de directeur en het openbaar ministerie worden gehoord.

De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.

Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de veroordeelde hierom verzoekt."

3. Krachtens die bepalingen kan de strafuitvoeringsrechtbank ambtshalve be-slissen een rechtszitting te organiseren om de ter beschikking gestelde veroordeel-de te horen over zijn verzoek om een uitgaansvergunning en moet zij dat doen wanneer die veroordeelde het vraagt. De aldus bedoelde rechtszitting is deze die de strafuitvoeringsrechtbank organiseert alvorens te beslissen over het verzoek van de ter beschikking gestelde veroordeelde en niet deze waarop die rechtbank het vonnis uitspreekt dat de beslissing over dat verzoek bevat.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: de strafuitvoerings-rechtbank verwerpt eisers verzoek om een uitgaansvergunning zonder hem te hebben gehoord; het al dan niet verlenen van een uitgaansvergunning maakt een burgerlijk recht uit; door de eiser niet te horen, miskent de strafuitvoeringsrechtbank het recht op een eerlijk proces.

5. De omstandigheid dat het verkrijgen van een uitgaansvergunning een recht uitmaakt voor de ter beschikking gestelde veroordeelde, heeft niet tot gevolg dat hij steeds moet worden gehoord over zijn desbetreffende verzoek. Wanneer de strafuitvoeringsrechtbank het overeenkomstig artikel 95/13, § 2, Wet Strafuitvoe-ring niet nuttig acht die veroordeelde te horen en hijzelf dat niet vraagt, levert het feit dat hij niet is gehoord geen miskenning op van het recht op een eerlijk proces.
Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde onderdeel

6. Het onderdeel voert miskenning aan van het recht van verdediging, met in-begrip van het recht op tegenspraak en het recht op wapengelijkheid: doordat de strafuitvoeringsrechtbank de eiser niet heeft gehoord, was hij niet in de mogelijk-heid zijn zaak voor die rechtbank uiteen te zetten en werd hij in een nadelige posi-tie geplaatst tegenover het openbaar ministerie; bovendien was de eiser aldus niet in de mogelijkheid een bepaald stuk voor zijn verdediging voor te leggen en mon-deling toe te lichten en is dat stuk niet betrokken bij de besluitvorming van de strafuitvoeringsrechtbank.

7. Het onderdeel is in zijn geheel afgeleid uit de in het tweede onderdeel ver-geefs aangevoerde wetsschending en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede mis-kenning van het gezag van gewijsde in strafzaken: de motivering van het bestre-den vonnis dat eisers verzoek om een uitgaansvergunning afwijst wegens het ge-vaar dat de eiser zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, is tegenstrij-dig met de motivering van vorige beslissingen waarbij de strafuitvoeringsrecht-bank aangaf dat een uitgaansvergunning vereist is voor het uitwerken van eisers reclassering, zonder dat er sprake was van onttrekkingsgevaar; aldus berust het bestreden vonnis op een gebrekkige en tegenstrijdige motivering en miskent dat vonnis het gezag van gewijsde van de vorige vonnissen.

9. Er is slechts tegenstrijdigheid in de motivering wanneer de redenen van een-zelfde rechterlijke beslissing onderling tegenstrijdig zijn. De tegenstrijdigheid van de redenen van een vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank met de redenen van een vorig vonnis van die rechtbank levert dan ook geen motiveringsgebrek op als bedoeld bij artikel 149 Grondwet.

10. De vonnissen van de strafuitvoeringsrechtbank doen geen uitspraak over de strafvordering en hebben bijgevolg geen gezag van gewijsde. Aldus is die recht-bank niet gebonden door de motivering van haar vroegere vonnissen.

11. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 95/11, § 1, derde lid, Wet Strafuitvoering: de strafuitvoeringsrechtbank weigert eisers verzoek om een uitgaansvergunning wegens enkel de tegenaanwijzing van het onttrekkingsgevaar en benadrukt dat zij niet van oordeel is dat de eiser tot 2026 dient verstoken te blijven van alle kansen, maar het op dit moment te vroeg is en de bescherming van de maatschappij hier nog primeert; de bescherming van de maatschappij is echter geen tegenaanwijzing in de zin van artikel 95/11, § 1, derde lid, voormeld en heeft geen uitstaans met het gevaar op onttrekking, zodat het niet in rekening kan worden gebracht om tot die tegenaanwijzing te besluiten.

13. Het oordeel van het bestreden vonnis dat het gevaar bestaat dat de eiser zich zou onttrekken aan de uitvoering van zijn straf, steunt niet op de reden dat de be-scherming van de maatschappij thans primeert, maar wel op andere redenen die het onderdeel niet in de kritiek betrekt.
Het onderdeel dat uitgaat van een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 6,11 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer,en op de openbare rechtszitting van 25 oktober 2016 uitgesproken 

Noot: 

Zie ook het zgn Ploski-arrest EHRM 12 november 2002, nr. 26761/95, Ploski/Polen; 

De Poolse staat werd veroordeeld wegens het weigeren van een uitgaansvergunning, nietegenstaande de aanwezigheid van tegenindicaties, maar zonder dat de Poolse staat staat alles gedaan had teneinde deze uitgaansvergunning toch te kunnen toestaan.

De Poolse gedetineerde botste eerst op een wedigering om naar de begrafenis van zijn moeder te gaan en later naar die van zijn vader. De Polse staat steunde deze weigering op de overweging dat de veiligheid van de maatschappij in het gedrang zou komen indien ze hem uitgang zouden verlenen.
Het EHRM vond deze overweging onvoldoende, in die zin dat de Poolse staat had dienen te onderzoeken in hoeverre de gedetineerde de begrafenis dan niet onder (strenge) politiebegeleiding had kunnen bijwonen. De kosten en organisatie hiervan wegen volgens het EVRM namelijk niet op tegende schending van het privé en familieleven uit artikel 8 EVRM, dat ook voor gedetineerden gewaarborgd zou moeten blijven.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 09/09/2017 - 10:36
Laatst aangepast op: za, 09/09/2017 - 10:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.