-A +A

wet continuiteit ondernemingen tijdstip neer te leggen stukken bij het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 12/11/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
1309
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

samenvatting:

Art. 17, § 2, 1° tot 4°, Wet Continuïteit Ondernemingen somt de stukken op die  moeten worden neergelegd samen met het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie. Voor de neerlegging van deze stukken is de verlengde termijn van veertien dagen niet van toepassing. Als deze stukken niet samen met het verzoekschrift worden neergelegd  is het verzoekschrift onontvankelijk.

tekst van het arrest:

Overeenkomstig art. 17, § 2, 4o, 5o, 6o en 7o, Wet Continuïteit Ondernemingen moeten bij het verzoekschrift onder meer gevoegd worden: de twee meest recente jaarrekeningen, een boekhoudkundige staat van actief en passief alsmede een resultaatrekening, een simulatie van de kasstromen voor de gevraagde duur van de opschorting en een lijst van de erkende of beweerde schuldeisers in de opschorting.

De gedelegeerde rechter die de rechtbank moet adviseren omtrent de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het verzoek tot gerechtelijke reorganisatie, heeft in zijn verslag gewezen op het ontbreken van de jaarrekening over boekjaar 2008, van de boekhoudkundige staat van actief en passief en de resultatenrekening, van een simulatie van de kasstromen en van een volledige lijst van erkende/beweerde schuldeisers.

Ter zitting van 29 oktober 2009 legde appellante onder meer een fotokopie voor van de jaarrekening van 2006 en een lijst van vijf schuldeisers.

Appellante heeft bij haar verzoekschrift enkel de jaarrekeningen over de boekjaren 2005 en 2007 gevoegd, terwijl de jaarrekening over boekjaar 2008 normalerwijze beschikbaar moest zijn en kennelijk ook was, aangezien appellante in haar verzoekschrift tot hoger beroep – weliswaar onterecht – aanvoert dat zij nog over veertien dagen tijd beschikte om deze ontbrekende stukken neer te leggen.

Deze verlengde termijn geldt evenwel niet voor de in art. 17, § 2, 1o tot 4o, Wet Continuïteit Ondernemingen opgesomde stukken waaronder de meest recente jaarrekeningen, zoals blijkt uit art. 17, § 4, Wet Continuïteit Ondernemingen.

De neerlegging der jaarrekening over het boekjaar 2008 ten tijde van het indienen van het verzoek tot gerechtelijke reorganisatie is een ontvankelijkheidsvereiste en appellante heeft hieraan niet voldaan, zodat het verzoek niet ontvankelijk is.

Enkel volledigheidshalve voegt het hof hieraan toe dat blijkens de voorliggende stukken het verzoek tot gerechtelijke reorganisatie enkel werd neergelegd om te ontsnappen aan de door NV I.B. vervolgde onroerende uitwinning.

Het hoger beroep is ongegrond.

 

 

Noot: 

Zie ook een al te stringent standpunt door 

• Kh. Hasselt 21 februari 2011, NJW 245, 470, met kritische noot.

Samenvatting:

De neerlegging van de stukken omschreven in de artikelen 17, 1° t.e.m. 4° WCO ten tijde van het indienen van het verzoekschrift is een ontvankelijkheidsvereiste.

Het volstaat niet om deze stukken na neerlegging van het verzoekschrift doch binnen de 14 dagen na de neerlegging ervan neer te leggen om een ontvankelijk verzoekschrift te hebben (art. 41 § 2 WCO).

(L.P.P. NV)

Dhr R. Nulens, gedelegeerd rechter, heeft ter zitting van 14 februari 2011 verslag gedaan omtrent de ontvankelijkheid en gegrondheid van het door de NV L.P.P. ingediende verzoek tot het openen van een procedure tot gerechtelijke reorganisatie;

Mevrouw Lenaers K., substituut-procureur des Konings, werd gehoord in haar mondeling advies ter zitting van 14 februari 2011.

1. Op 8 februari 2011 heeft de NV L.P.P. een verzoekschrift neergelegd ter griffie dezer rechtbank waarbij wordt gevraagd de procedure tot gerechtelijke reorganisatie te openen.

Bij beschikking van 9 februari 2011 werd, in toepassing van artikel 18 WCO, dhr. R. Nulens, p/a gerechtshof, Havermarkt 10, te 3500 Hasselt aangesteld als gedelegeerd rechter.

De zitting waarop tot behandeling van het verzoek zou worden overgegaan werd bepaald op 14 februari 2011.

Ter zitting van 14 februari 2011 heeft de gedelegeerd rechter verslag gedaan en werd het Openbaar Ministerie gehoord in haar mondeling advies.

2. Ter zitting van 14 februari 2011 verscheen verzoekster niet zodat de zaak bij verstek in beraad werd genomen.

Nadat de zaak in beraad werd genomen legde de raadsman van verzoekster nog dezelfde dag ter griffie een verzoekschrift neer tot heropening der debatten.

Artikel 772 Ger.W. bepaalt dat, indien een verschijnende partij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt, zij, zolang het vonnis niet is uitgesproken, de heropening van de debatten kan vragen.
Uit artikel 772 Ger.W. blijkt dat een verzoek tot heropening van de debatten enkel kan worden gevraagd door een verschijnende partij.
Verzoekende partij is niet verschenen zodat zij geen heropening van de debatten kan vragen en dus het geformuleerde verzoek niet ontvankelijk is.

3. Artikel 17 WCO bepaalt dat een aantal stukken, met name deze bedoeld in artikel 17, 1° t.e.m. 4° WCO bij het verzoekschrift dienen te worden gevoegd.

Het gaat om volgende stukken:

een uiteenzetting van de gebeurtenissen waarop het verzoek is gegrond en waaruit blijkt dat, naar het oordeel van de verzoeker, de continuïteit van zijn onderneming onmiddellijk of op termijn is bedreigd;

een aanwijzing van de doelstelling of doelstellingen waarvoor het openen van de reorganisatieprocedure wordt aangevraagd;
de vermelding van het elektronisch adres, bedoeld in artikel 46 Ger.W., waarop hij kan worden bereikt;
de twee recentste jaarrekeningen.

Verzoekster heeft nagelaten in haar verzoekschrift aan te wijzen voor welke doelstel-ling het openen van de reorganisatieprocedure wordt aangevraagd (art. 17, 2° WCO). Evenmin wordt aangegeven voor welke termijn een opschorting wordt gevraagd. Ter zitting van 14 februari 2011 kon geen verduidelijking worden gevraagd nu verzoekster niet verscheen.

Verzoekster heeft dan ook het stuk, zoals bedoeld in artikel 17, 2° WCO, niet bij haar verzoekschrift gevoegd.

De neerlegging van één der stukken, omschreven in artikel 17, 1° t.e.m. 4° WCO, ten tijde van het indienen van het verzoekschrift is een ontvankelijkheidsvereiste (Antwerpen 12 november 2009, RW 2009-10, 1309; H. GEIGNER en P. VANLERS-BERGHE, “De gerechtelijke reorganisatie: procedurele aspecten” in K. BYTTEBIER, E. DIRIx, M. TISON en M. VANMEENEN, Gerechtelijke reorganisatie, getest, gewikt en gewogen, Antwerpen, Intersentia, 2010, p 133, nr. 18).

Bepaalde rechtspraak volgt deze zienswijze niet (Brussel 23 februari 2010, NjW 2010, nr. 222, 366; Antwerpen 3 december 2009, TBH 2010, 540) en dit onder verwijzing naar artikel 41 § 2 WCO dat stelt dat wanneer de schuldenaar de in artikel 17 § 2, 1° tot 9° bepaalde stukken niet heeft neergelegd binnen een termijn van 14 dagen na de neerlegging van zijn verzoekschrift, de rechtbank ambtshalve kan beslissen de procedure van gerechtelijke reorganisatie te beëindigen.

De redactie van artikel 41 § 2 WCO is schijnbaar foutief.
Immers, artikel 41 § 2 WCO is enkel compatibel met artikel 17 § 2 WCO wanneer in bedoeld artikel zou staan dat wanneer de schuldenaar de in artikel 17 § 2, 5° tot 9° (i.p.v. 1° t.e.m. 9°) bepaalde stukken niet heeft neergelegd binnen een termijn van 14 dagen na de neerlegging van zijn verzoekschrift, de rechtbank ambtshalve kan beslissen de procedure van gerechtelijke reorganisatie te beëindigen.
De rechtbank kan zich dan ook niet aansluiten bij de rechtspraak die stelt dat het ontbreken van de stukken bij het verzoekschrift, zoals omschreven in artikel 17 § 2, 1° t.e.m. 4° niet leidt tot de onontvankelijkheid van het verzoek.

Het verzoek wordt dan ook niet ontvankelijk verklaard.

De voorschriften van artikelen 2 en 30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken werden nageleefd.

OM DEZE REDENEN,
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart zowel het verzoek tot heropening der debatten als het verzoek tot het openen van de procedure tot gerechtelijke reorganisatie onontvankelijk;
Legt de kosten van huidig verzoek ten laste van verzoekster;

Commentaar:

Wat wint men hiermee. Wat wint het recht hiermee, Wat winnen de schuldeisers hiermee? Het kan kan toch niet dat we kwatongen moeten geloven dat de rechtbank zich met een dergelijk vonnis veel tijd en moeite bespaard? Het recht is er voor de burgers en niet voor het formalisme of tot voordeel van werkontlasting.
 

• Rechtbank van Koophandel te Hasselt, 7e Kamer – 21 februari 2011, RW 2011-2012, 627

NV L.P.P.

...

3. Art. 17 WCO bepaalt dat een aantal stukken, met name die bedoeld in art. 17, 1o tot 4o, WCO bij het verzoekschrift dienen te worden gevoegd. Het gaat om volgende stukken:

– een uiteenzetting van de gebeurtenissen waarop het verzoek is gegrond en waaruit blijkt dat, naar het oordeel van de verzoeker, de continuïteit van zijn onderneming onmiddellijk of op termijn is bedreigd;

– een aanwijzing van de doelstelling of doelstellingen waarvoor het openen van de reorganisatieprocedure wordt aangevraagd;

– de vermelding van het elektronisch adres, bedoeld in art. 46 Ger.W., waarop hij kan worden bereikt;

– de twee recentste jaarrekeningen.

Verzoekster heeft nagelaten in haar verzoekschrift aan te wijzen voor welke doelstelling het openen van de reorganisatieprocedure wordt aangevraagd (art. 17, 2o, WCO). Evenmin wordt aangegeven voor welke termijn een opschorting wordt gevraagd. Ter zitting van 14 februari 2011 kon geen verduidelijking worden gevraagd, omdat verzoekster niet verscheen.

Verzoekster heeft dan ook het stuk, zoals bedoeld in art. 17, 2o, WCO, niet bij haar verzoekschrift gevoegd.

De neerlegging van één van de stukken, omschreven in art. 17, 1o tot 4o, WCO, ten tijde van het indienen van het verzoekschrift is een ontvankelijkheidsvereiste (Antwerpen 12 november 2009, RW 2009-10, 1309; H. Geinger en P. Vanlersberghe, “De gerechtelijke reorganisatie: procedurele aspecten” in Gerechtelijke reorganisatie, getest, gewikt en gewogen, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 133, nr. 18).

Bepaalde rechtspraak volgt deze zienswijze niet (Brussel 23 februari 2010, NjW 2010, 366; Antwerpen 3 december 2009, TBH 2010, 540), en dit onder verwijzing naar art. 41, § 2, WCO, dat bepaalt dat wanneer de schuldenaar de in art. 17, § 2, 1o tot 9o, WCO bepaalde stukken niet heeft neergelegd binnen een termijn van veertien dagen na de neerlegging van zijn verzoekschrift, de rechtbank ambtshalve kan beslissen de procedure van gerechtelijke reorganisatie te beëindigen.

De redactie van art. 41, § 2, WCO is schijnbaar foutief. Immers, art. 41, § 2, WCO is enkel compatibel met art. 17, § 2, WCO, wanneer in bedoeld artikel zou staan dat wanneer de schuldenaar de in art. 17, § 2, 5o tot 9o (i.p.v. 1o tot 9o) bepaalde stukken niet heeft neergelegd binnen een termijn van veertien dagen na de neerlegging van zijn verzoekschrift, de rechtbank ambtshalve kan beslissen de procedure van gerechtelijke reorganisatie te beëindigen.

De rechtbank kan zich dan ook niet aansluiten bij de rechtspraak die oordeelt dat het ontbreken van de stukken bij het verzoekschrift, bedoeld in art. 17, § 2, 1o tot 4°, WCO, leidt tot de onontvankelijkheid van het verzoek.

• Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, 6e Kamer – 7 oktober 2013, RW 2013-2014, 1109

Samenvatting:


Een onderneming kan enkel aanspraak maken op de bescherming geboden door de Wet Continuïteit Ondernemingen indien alle verplichte stukken bij het verzoekschrift worden neergelegd.

Tekst vonnis:


NV D., BVBA E.F. e.a.

...

II. Beoordeling

2. De vordering is niet ontvankelijk, aangezien niet alle stukken zoals bepaald in art. 17, § 2 WCO zijn neergelegd.

3. De jaarrekening van 2012, zijnde het laatste boekjaar, werd nog niet neergelegd. Deze jaarrekening diende volgens de statuten reeds neergelegd te zijn. De statuten bepalen dat de jaarlijkse vergadering, waarop de jaarrekening dient te worden goedgekeurd, wordt gehouden op de eerste vrijdag van juni. De schuldenaar kan enkel aanspraak maken op de bescherming indien hij zijn verplichtingen inzake het neerleggen van de jaarrekeningen is nagekomen (T. Lysens, De gewijzigde wet continuïteit van ondernemingen: een eerste commentaar, Mechelen, Kluwer, 2013, 21).

Art. 17, § 2 WCO bepaalt weliswaar dat eventueel de nog niet neergelegde jaarrekening van het laatste boekjaar dient te worden neergelegd. Deze eventualiteit is echter voorgeschreven voor het geval dat de jaarrekening reeds beschikbaar is maar de algemene vergadering nog niet werd gehouden, wat zich zal voordoen wanneer de WCO wordt aangevraagd vóór de datum van de jaarlijkse statutaire algemene vergadering. Deze hypothese is hier dus niet van toepassing, omdat de datum voor het houden van de jaarlijkse statutaire vergadering reeds lang verstreken is.

4. De boekhoudkundige staat die het actief en passief weergeeft en de resultatenrekening die maximum drie maanden oud is werden niet opgesteld onder toezicht van een bedrijfsrevisor, een externe accountant, een externe erkende boekhouder of een externe erkende boekhouder-fiscalist. De verklaring van de heer M.K., bedrijfsrevisor, is ter zake onvoldoende. Deze revisor verklaart wel dat hem op 30 juni 2013 een proef- en saldibalans werd voorgelegd en dat hij hierover geen opinie kan geven. Hij maakt wel een aantal bemerkingen bij deze staat. Deze verklaring verantwoordt niet het besluit dat de boekhoudkundige staat die het actief en passief weergeeft en de resultatenrekening onder toezicht van een bedrijfsrevisor werden opgesteld. Het is evenmin bewezen dat deze staat onder toezicht van een externe accountant, een externe erkende boekhouder of een externe erkende boekhouder-fiscalist werd opgesteld.

5. Ook de begroting met een schatting van de inkomsten en uitgaven voor ten minste de duur van de gevraagde opschorting werd niet opgesteld met bijstand van een externe accountant, een externe erkende boekhouder, een externe erkende boekhouder-fiscalist of een bedrijfsrevisor.

In dat verband verklaart de heer M.K., bedrijfsrevisor, dat de begroting met schatting van inkomsten en uitgaven voor de duur van de opschorting werd opgesteld door de bedrijfsleiding en dat deze zich hierbij gebaseerd heeft op een document F.D., zoals opgesteld door W.V., accountant. De begroting is dus niet opgesteld met bijstand van bedrijfsrevisor M. Er is ook geen verklaring van W.V. dat de begroting zoals die thans voorligt, met schatting van de inkomsten en uitgaven voor de duur van de opschorting, werd opgesteld met zijn bijstand.

6. Het volstaat niet te verwijzen naar de moeilijkheden met de vorige accountant W.V. De bedrijfsleiding kon perfect onder toezicht van een andere, erkende boekhouder, accountant of revisor de boekhoudkundige staat van actief en passief opmaken en een begroting van inkomsten en uitgaven opstellen met diens bijstand.

7. In feite werd de aanvraag van WCO gedaan op het allerlaatste moment op 30 september 2013, de dag waarop de dagvaarding in faillissement gefixeerd stond van de voorlopige bewindvoerders aangesteld overeenkomstig art. 8 Faillissementswet.

De boekhoudkundige staat die het actief en passief weergeeft en de resultatenrekening van maximum drie maanden oud zijn zeker noodzakelijk.

De voorlopige bewindvoerders wezen ter zitting op de afwezigheid van liquide middelen om het personeel te betalen. Een begroting van inkomsten en uitgaven voor de duur van de gevraagde opschorting is dus zeker noodzakelijk om te kunnen oordelen over de gegrondheid van de aanvraag.

De stukken zijn volgens de rechtbank onontbeerlijk om de toestand van de vennootschap te beoordelen.

8. Deze WCO werd duidelijk overhaast gevraagd zonder de noodzakelijke ernstige voorbereiding enkel om op de zitting van 30 september 2013 te ontkomen aan de behandeling van de dagvaarding in faillissement.

9. De rechtbank stelt vast dat de stukken zoals bedoeld in art. 17, § 2 WCO niet neerliggen, zodat de vordering niet ontvankelijk is.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 29/03/2010 - 13:42
Laatst aangepast op: vr, 04/04/2014 - 21:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.