-A +A

Wettelijke herhaling correctionalisering en voorwaardelijke invrijheidstelling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
maa, 15/12/2014
A.R.: 
185/2014

- Artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek, in samenhang gelezen met artikel 25 van hetzelfde Wetboek, met artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden en met artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doch enkel in zoverre het tot gevolg heeft de persoon die voor een poging tot moord is veroordeeld door de correctionele rechtbank wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die straf is verjaard, langer uit te sluiten van de mogelijkheid van een voorwaardelijke invrijheidstelling dan de persoon die door het hof van assisen tot een criminele straf is veroordeeld wegens dezelfde misdaad die in diezelfde omstandigheid is gepleegd.

- De gevolgen van die wetsbepaling worden gehandhaafd tot de inwerkingtreding van een wet die aan die discriminatie een einde maakt en uiterlijk tot 31 juli 2015.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat

Het Grondwettelijk Hof,



wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 26 november 2013 in zake C.F. tegen de nv « Marine Harvest Pieters » en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 december 2013, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 56, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 25 Strafwetboek, artikel 2 Wet Verzachtende Omstandigheden en artikel 25, § 2, b, Wet Strafuitvoering, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in zoverre het toelaat om ten aanzien van de beklaagde die, op basis van verzachtende omstandigheden of een reden van verschoning, naar de correctionele rechtbank is verwezen wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die straf is verjaard, een wettelijke staat van herhaling vast te stellen, wat zijn invloed heeft op het toepasselijk regime van strafuitvoering, terwijl dat niet toegelaten is ten aanzien van de beschuldigde die, bij gebrek aan verzachtende omstandigheden of een reden van verschoning wegens dezelfde misdaad naar het hof van assisen is verwezen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek, in samenhang gelezen met artikel 25 van het Strafwetboek, met artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden en met artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.

B.2.1. Artikel 56 van het Strafwetboek, gewijzigd bij artikel 32 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, en vervangen bij artikel 1 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, bepaalt :

« Hij die, na tot een criminele straf te zijn veroordeeld, een wanbedrijf pleegt, kan worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, bij de wet op het wanbedrijf gesteld.

Dezelfde straf kan worden uitgesproken in geval van een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste een jaar, indien de veroordeelde het nieuwe wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is ».

B.2.2. Artikel 25 van het Strafwetboek bepaalt :

« De duur van de correctionele gevangenisstraf is, behoudens de in de wet bepaalde gevallen, ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar.

Hij is ten hoogste vijf jaar voor een met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

Hij is ten hoogste tien jaar voor een met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

Hij is ten hoogste vijftien jaar voor een met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

Hij is ten hoogste twintig jaar voor een met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar of met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

De duur van een dag gevangenisstraf is vierentwintig uren.

De duur van een maand gevangenisstraf is dertig dagen ».

B.2.3. Sedert de vervanging ervan bij artikel 230 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen bepaalt artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden :

« In de gevallen waarin er grond mocht zijn om alleen een correctionele straf uit te spreken wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning, kan de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling, bij een met redenen omklede beschikking, de verdachte naar de correctionele rechtbank verwijzen.

Evenzo kan het openbaar ministerie, indien geen gerechtelijk onderzoek is gevorderd, de beklaagde rechtstreeks voor de correctionele rechtbank dagvaarden of oproepen met mededeling van de verzachtende omstandigheden of van de reden van verschoning, wanneer het van oordeel is dat er wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning geen grond is om een hogere straf te vorderen dan een correctionele straf.

Alleen in de volgende gevallen kan het openbaar ministerie rechtstreeks dagvaarden of oproepen en kan de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling verwijzen wegens verzachtende omstandigheden :

1° als de in de wet bepaalde straf twintig jaar opsluiting niet te boven gaat;

2° als het gaat om een poging tot misdaad strafbaar met levenslange opsluiting;

3° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 216, tweede lid, van het Strafwetboek;

4° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 347bis, §§ 2 en 4, van het Strafwetboek;

5° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 375, laatste lid, van het Strafwetboek, waarvoor de straf in voorkomend geval met toepassing van artikel 377bis van hetzelfde Wetboek kan worden verhoogd;

6° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 408 van het Strafwetboek;

7° als het gaat om een misdaad bedoeld in de artikelen 428, § 5, en 429 van het Strafwetboek;

8° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 473, laatste lid, van het Strafwetboek;

9° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 474 van het Strafwetboek;

10° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 476 van het Strafwetboek;

11° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 477sexies van het Strafwetboek;

12° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 513, tweede lid, van het Strafwetboek, waarvoor de straf in voorkomend geval met toepassing van artikel 514bis van hetzelfde Wetboek kan worden verhoogd;

13° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 518, tweede lid, van het Strafwetboek;

14° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 530, laatste lid, van het Strafwetboek, die met toepassing van artikel 531 van hetzelfde Wetboek wordt gestraft, waarvoor de straf in voorkomend geval met toepassing van artikel 532bis van hetzelfde Wetboek kan worden verhoogd ».

B.2.4. Artikel 25, § 2, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (hierna : wet van 17 mei 2006) bepaalt :

« De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend aan elke veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt voor zover de veroordeelde :

a) hetzij één derde van deze straffen heeft ondergaan;

b) hetzij, indien in het vonnis of in het arrest van veroordeling is vastgesteld dat de veroordeelde zich in staat van herhaling bevond, twee derden van die straffen heeft ondergaan, zonder dat de duur van de reeds ondergane straffen meer dan veertien jaar bedraagt;

[...] ».

B.3.1. Het Hof van Cassatie vraagt of het discriminerend is dat de in het geding zijnde bepaling het mogelijk maakt ten aanzien van de beklaagde die, op basis van verzachtende omstandigheden of een reden van verschoning, naar de correctionele rechtbank is verwezen wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die straf is verjaard, een wettelijke staat van herhaling vast te stellen, wat zijn invloed heeft op het toepasselijke stelsel van strafuitvoering, terwijl dat niet mogelijk is ten aanzien van de beschuldigde die, bij gebrek aan verzachtende omstandigheden of een reden van verschoning, wegens dezelfde misdaad naar het hof van assisen is verwezen.

B.3.2. Geen enkele wetsbepaling maakt het voor het hof van assisen mogelijk vast te stellen dat een veroordeelde zich in staat van wettelijke herhaling bevindt, behalve in de hypothesen bedoeld in de artikelen 54 en 55 van het Strafwetboek, die het geval beogen van een persoon die een misdaad pleegt na tot een criminele straf te zijn veroordeeld.

Krachtens de in het geding zijnde bepaling, daarentegen, kan de correctionele rechtbank een zwaardere straf uitspreken wanneer zij vaststelt dat de veroordeelde zich in staat van wettelijke herhaling bevindt doordat hij een nieuw wanbedrijf heeft gepleegd voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij een gevangenisstraf van ten minste één jaar heeft ondergaan of sinds die straf verjaard is.

B.4.1. Het voor de verwijzende rechter hangende geschil betreft een persoon die, na correctionalisering en in staat van wettelijke herhaling in de zin van artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek, is veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van tien jaar wegens, onder andere, poging tot moord.

B.4.2. De poging tot moord, die strafbaar is met opsluiting van twintig tot dertig jaar (artikel 52 van het Strafwetboek, in samenhang gelezen met artikel 80, eerste lid, van het Strafwetboek, vervangen bij artikel 2 van de wet van 11 december 2001 « tot wijziging van de artikelen 80, 471 en 472 van het Strafwetboek en artikel 90ter, § 2, 8°, van het Wetboek van strafvordering », en met artikel 9 van het Strafwetboek, vervangen bij artikel 6 van de wet van 10 juli 1996), is een misdaad.

B.4.3. Het staat in beginsel aan het hof van assisen een persoon te berechten die van een misdaad in verdenking is gesteld. Zulks is evenwel niet het geval wanneer die persoon, met toepassing van artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867, wegens verzachtende omstandigheden naar de correctionele rechtbank wordt verwezen (artikel 216novies van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 14 van de wet van 21 december 2009).

Een dergelijke verwijzing heeft tot gevolg dat het feit dat de gecorrectionaliseerde misdaad uitmaakt, wettelijk als een wanbedrijf wordt beschouwd.

B.5. Het Hof dient te onderzoeken of het bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet dat een persoon die door de correctionele rechtbank, na correctionalisering, is veroordeeld wegens poging tot moord en die zich bevindt in staat van wettelijke herhaling in de zin van artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek, eerst na twee derden van zijn straf te hebben ondergaan in aanmerking komt voor een voorwaardelijke invrijheidstelling, terwijl een persoon die wegens poging tot moord naar het hof van assisen is verwezen en die tot een criminele straf is veroordeeld, al na één derde van zijn straf te hebben ondergaan in aanmerking komt voor een voorwaardelijke invrijheidstelling, ook al zou hij zich bevinden in soortgelijke omstandigheden als die welke worden beoogd in de in het geding zijnde bepaling.

B.6.1. De Ministerraad voert in eerste instantie aan dat de prejudiciële vraag, rekening houdend met de arresten van het Hof nrs. 193/2011 en 199/2011, geen antwoord behoeft, aangezien de betrokkene is veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van tien jaar en de toepassing van artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek niet kan leiden tot een gevangenisstraf die hoger zou zijn dan die welke het hof van assisen had kunnen opleggen.

B.6.2. De twee voormelde arresten hadden betrekking op een verschil in strafmaat al naargelang een persoon wordt veroordeeld door het hof van assisen dan wel door de correctionele rechtbank.

Zoals het Hof van Cassatie in zijn verwijzingsarrest aangeeft, heeft het Hof in die arresten geen uitspraak gedaan over de gevolgen van het al dan niet vaststellen van de staat van wettelijke herhaling voor de mogelijkheid voor de veroordeelde om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld overeenkomstig artikel 25, § 2, van de wet van 17 mei 2006.

B.7.1. De Ministerraad voert voorts aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft omdat de beweerde ongelijkheid volgens hem niet voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling. Het verschil in behandeling zou naar de mening van de Ministerraad moeten worden opgeworpen voor de strafuitvoeringsrechtbank, overeenkomstig de artikelen 30 en volgende van de wet van 17 mei 2006.

B.7.2. Het verschil in behandeling op het stuk van de mogelijkheid om na één derde, respectievelijk twee derden, van het ondergaan van een gevangenisstraf, overeenkomstig artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei 2006, in aanmerking te komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling, is het rechtstreekse gevolg van de vaststelling van de staat van wettige herhaling, door de correctionele rechtbank, op basis van artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek.

Het in de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling vloeit derhalve voort uit die in het geding zijnde bepaling.

B.8. De prejudiciële vraag dient bijgevolg te worden beantwoord.

B.9. Artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek maakt deel uit van een geheel van bepalingen die ertoe strekken de herhaling te bestraffen, met andere woorden het geval waarin « de dader van een eerste misdrijf, die wegens dat feit is gestraft, er een tweede pleegt » (eigen vertaling) (Parl. St., Senaat, 1851-1852, nr. 70, p. 28).

Aangezien zij een « verzwarende omstandigheid » is en aangezien zij getuigt van de ondoeltreffendheid van de eerste straf om « [de veroordeelde] ertoe aan te sporen de wet na te leven » (eigen vertaling), verantwoordt de herhaling de toepassing van een strengere straf (ibid., p. 29).

De aan de rechter gelaten mogelijkheid om het dubbele van het maximum van de correctionele straf uit te spreken waarin bij de wet voor dat tweede feit is voorzien, is een nuttige waarborg in het belang van de samenleving (ibid., p. 30).

De onmogelijkheid voor de rechter om een dergelijke beslissing te nemen wanneer een misdaad volgt op een veroordeling tot een correctionele straf, werd verantwoord door het feit dat « de criminele straf [...] voldoende zwaar is en aan de rechter genoeg ruimte laat om in alle behoeften van verzwaring te voorzien welke die herhaling heeft doen ontstaan », waarbij « de ondoeltreffendheid van de eerste veroordeling dan wordt verholpen door de noodzakelijke strengheid van de tweede » (eigen vertaling) (Parl. St., Kamer, 1850-1851, nr. 245, pp. 41-42).

Thans laat artikel 25 van het Strafwetboek de rechter evenwel de mogelijkheid een correctionele gevangenisstraf van twintig jaar uit te spreken.

B.10. De wetgever heeft niet enkel strafverzwarende gevolgen verbonden aan de wettelijke herhaling. Hij heeft bovendien een beperking gesteld aan de mogelijkheid tot voorwaardelijke invrijheidstelling in die zin dat die invrijheidstelling in geval van wettelijke herhaling enkel mogelijk is nadat de veroordeelde twee derden van zijn gevangenisstraf zal hebben ondergaan (artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei 2006), terwijl dat in de regel mogelijk is nadat één derde van de gevangenisstraf is ondergaan (artikel 25, §§ 1 en 2, a), van de wet van 17 mei 2006).

B.11. De toewijzing aan de raadkamer en aan de kamer van inbeschuldigingstelling van de bevoegdheid om een van poging tot moord in verdenking gestelde persoon naar de correctionele rechtbank te verwijzen, heeft tot doel het aantal door het hof van assisen onderzochte zaken te verminderen (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2127/007, p. 8; ibid., DOC 52-2127/008, p. 106; Parl. St., Senaat, 2009-2010, nr. 4-924/8, pp. 2, 7 en 20).

B.12. Ook al is de correctionele gevangenisstraf een straf die verschilt van de criminele straf van de opsluiting, toch hebben die twee sancties gemeen dat zij de veroordeelde van zijn vrijheid beroven.

B.13. Noch de aard van de criminele straf, noch de bekommernis om de werklast van het hof van assisen te verminderen, kunnen redelijkerwijs verantwoorden dat een persoon die, na zijn veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste één jaar en minder dan vijf jaar nadat hij die straf heeft ondergaan of sinds die straf is verjaard, wordt veroordeeld wegens poging tot moord, op het vlak van de mogelijkheid voor een voorwaardelijke invrijheidstelling, verschillend wordt behandeld naargelang hij wordt verwezen naar het hof van assisen en wordt veroordeeld tot een criminele straf, dan wel, nadat de misdaad is gecorrectionaliseerd wegens verzachtende omstandigheden of een verschoningsgrond, hij door de correctionele rechtbank of door het hof van beroep is veroordeeld tot een correctionele straf.

B.14. De prejudiciële vraag dient in die mate bevestigend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen

B.15. De handhaving van de gevolgen dient als een uitzondering op de declaratoire aard van het in het prejudiciële contentieux gewezen arrest te worden beschouwd. Alvorens te beslissen de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling te handhaven, moet het Hof vaststellen dat het voordeel dat uit de niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid voortvloeit, buiten verhouding staat tot de verstoring die zij voor de rechtsorde met zich zou meebrengen.

B.16. Rekening houdend met de noodzaak, enerzijds, om de buitensporige gevolgen van een vaststelling van ongrondwettigheid te voorkomen door te beletten dat maatregelen kunnen worden genomen op grond van de in het geding zijnde bepaling, en, anderzijds, om niet toe te laten dat de in B.13 omschreven discriminerende situatie een redelijke termijn overschrijdt, dienen de gevolgen van die bepaling te worden gehandhaafd tot aan de inwerkingtreding van een wet die aan die discriminatie een einde maakt en uiterlijk tot 31 juli 2015.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek, in samenhang gelezen met artikel 25 van hetzelfde Wetboek, met artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden en met artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doch enkel in zoverre het tot gevolg heeft de persoon die voor een poging tot moord is veroordeeld door de correctionele rechtbank wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die straf is verjaard, langer uit te sluiten van de mogelijkheid van een voorwaardelijke invrijheidstelling dan de persoon die door het hof van assisen tot een criminele straf is veroordeeld wegens dezelfde misdaad die in diezelfde omstandigheid is gepleegd.

- De gevolgen van die wetsbepaling worden gehandhaafd tot de inwerkingtreding van een wet die aan die discriminatie een einde maakt en uiterlijk tot 31 juli 2015.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 december 2014.

 

Noot: 

De Sloovere, Artikel 56 van het Strafwetboek opnieuw onder vuur, RABG 2015/7, 476

zie ook:

• GwH 07/02/2018, AR 15/2018, juridat

samenvatting

Artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei 2006 « betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringmodaliteiten », in de versie ervan die van toepassing is voor de verwijzende rechter, in samenhang gelezen met de artikelen 25, 56, tweede en derde lid, en 80 van het Strafwetboek en met artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het tot gevolg heeft dat een persoon die, in staat van wettelijke herhaling, door een correctioneel rechtscollege wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een wanbedrijf of een gecorrectionaliseerde misdaad die oorspronkelijk, vóór de correctionalisering ervan, strafbaar was met de straf van opsluiting van vijf tot tien jaar, in aanmerking komt voor de voorwaardelijke invrijheidstelling na twee derde van zijn straf te hebben ondergaan, terwijl een persoon die, in staat van wettelijke herhaling, door een correctioneel rechtscollege wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die oorspronkelijk, vóór de correctionalisering ervan, strafbaar was met een andere straf van opsluiting, in aanmerking komt voor de voorwaardelijke invrijheidstelling na een derde ervan te hebben ondergaan.

Tekst arrest

Het Grondwettelijk Hof,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 31 mei 2017 in zake M.S., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 juni 2017, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, in samenhang gelezen met de artikelen 25, 56, tweede en derde lid, en 80 van het Strafwetboek en met artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het tot gevolg heeft dat een persoon die door een correctioneel rechtscollege is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een in staat van wettelijke herhaling gepleegde, gecorrectionaliseerde misdaad die, vóór de correctionalisering ervan, strafbaar was met opsluiting van twintig tot dertig jaar, aanspraak kan maken op een voorwaardelijke invrijheidstelling nadat hij een derde van zijn straf heeft ondergaan, terwijl een persoon die, in staat van wettelijke herhaling, door een correctioneel rechtscollege is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een andere gecorrectionaliseerde misdaad of een wanbedrijf, pas op een voorwaardelijke invrijheidstelling aanspraak kan maken na twee derde van zijn straf te hebben ondergaan ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de daarmee verbonden bepalingen

B.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (hierna : de wet van 17 mei 2006), in samenhang gelezen met de artikelen 25, 56, tweede en derde lid, en 80 van het Strafwetboek en met artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden.

B.2. Artikel 23, § 1, 1°, van de wet van 17 mei 2006 bepaalt :

« De beperkte detentie en het elektronisch toezicht kunnen worden toegekend aan de veroordeelde die :

1° zich, op zes maanden na, in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling, [...] ».

Artikel 25, § 2, van dezelfde wet bepaalt, in de versie ervan die van toepassing is voor de verwijzende rechter :

« De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend aan elke veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt voor zover de veroordeelde :

a) hetzij één derde van deze straffen heeft ondergaan;

b) hetzij, indien in het vonnis of in het arrest van veroordeling is vastgesteld dat de veroordeelde zich in staat van herhaling bevond, twee derden van die straffen heeft ondergaan, zonder dat de duur van de reeds ondergane straffen meer dan veertien jaar bedraagt;

[...] ».

Bij artikel 25 van het Strafwetboek wordt de duur van de correctionele gevangenisstraf vastgesteld, met name voor gecorrectionaliseerde misdaden.

Artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek bepaalt dat de correctionele rechtbank een zwaardere straf kan uitspreken wanneer zij vaststelt dat de veroordeelde zich in staat van wettelijke herhaling bevindt doordat hij een nieuw wanbedrijf heeft gepleegd voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij een gevangenisstraf van ten minste één jaar heeft ondergaan of sinds die straf verjaard is.

Artikel 56, derde lid, van het Strafwetboek, zoals ingevoegd bij artikel 14 van de wet van 5 februari 2016 « tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie », bepaalt :

« [...] indien het nieuwe wanbedrijf een misdaad is die werd gecorrectionaliseerd of waarvoor het hof van assisen het bestaan van verzachtende omstandigheden heeft aanvaard, mag de gevangenisstraf de maximumduur van de opsluiting waarin de wet voorziet voor die misdaad of veertig jaar indien het om levenslange opsluiting gaat, niet te boven gaan ».

Artikel 80 van het Strafwetboek bepaalt hoe de criminele straffen kunnen worden verminderd indien er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn.

Artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden maakt het mogelijk misdaden te correctionaliseren wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning.

B.3. Krachtens artikel 1 van het Strafwetboek bepaalt de door de rechter in laatste aanleg uitgesproken straf (criminele, correctionele of politiestraf) de aard van het misdrijf (misdaad, wanbedrijf of overtreding).

Een gecorrectionaliseerde misdaad is een misdrijf dat normaal gezien wordt bestraft met een criminele straf die wordt omgezet in een correctionele straf wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning.

De gecorrectionaliseerde misdaad wordt gelijkgesteld met een wanbedrijf, waarop in beginsel de op de wanbedrijven toepasselijke regeling, met name inzake herhaling, wordt toegepast.

B.4.1. In het stadium van de uitspraak van de straf wordt de herhaling van een gecorrectionaliseerde misdaad na wanbedrijf (of na gecorrectionaliseerde misdaad) gelijkgesteld met een herhaling van een wanbedrijf na wanbedrijf en wordt zij geregeld bij artikel 56, tweede en derde lid, van het Strafwetboek.

B.4.2. Het Strafwetboek voorziet niet in de verzwaring van de straf ingeval van herhaling van misdaad na wanbedrijf.

B.4.3. Bij zijn arresten nrs. 193/2011 (B.7.1), 199/2011 (B.6.1), 185/2014 (B.9) en 102/2017 (B.5.) heeft het Hof met betrekking tot artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek geoordeeld :

« Artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek maakt deel uit van een geheel van bepalingen die ertoe strekken de herhaling te bestraffen, met andere woorden het geval waarin « de dader van een eerste misdrijf, die wegens dat feit is gestraft, er een tweede pleegt » (eigen vertaling) (Parl. St., Senaat, 1851-1852, nr. 70, p. 28).

Aangezien zij een « verzwarende omstandigheid » is en aangezien zij getuigt van de ondoeltreffendheid van de eerste straf om « [de veroordeelde] ertoe aan te sporen de wet na te leven » (eigen vertaling), verantwoordt de herhaling de toepassing van een strengere straf (ibid., p. 29).

De aan de rechter gelaten mogelijkheid om het dubbele van het maximum van de correctionele straf uit te spreken waarin bij de wet voor dat tweede feit is voorzien, is een nuttige waarborg in het belang van de samenleving (ibid., p. 30).

De onmogelijkheid voor de rechter om een dergelijke beslissing te nemen wanneer een misdaad volgt op een veroordeling tot een correctionele straf, werd verantwoord door het feit dat « de criminele straf [...] voldoende zwaar is en aan de rechter genoeg ruimte laat om in alle behoeften van verzwaring te voorzien welke die herhaling heeft doen ontstaan », waarbij « de ondoeltreffendheid van de eerste veroordeling dan wordt verholpen door de noodzakelijke strengheid van de tweede » (eigen vertaling) (Parl. St., Kamer, 1850-1851, nr. 245, pp. 41-42) ».

B.5. In het stadium van de tenuitvoerlegging van de straffen zijn de tijdsvoorwaarden om in aanmerking te komen voor de voorwaardelijke invrijheidstelling minder gunstig in geval van veroordeling in staat van herhaling : wanneer het vonnis of arrest van veroordeling heeft vastgesteld dat de veroordeelde tot een of meer vrijheidsstraffen waarvan het uit te voeren deel meer dan drie jaar bedraagt, in staat van herhaling verkeerde, dan dient die laatste in beginsel twee derde van die straffen te hebben ondergaan, zonder dat de duur van de reeds ondergane straffen meer dan veertien jaar bedraagt, om in aanmerking te komen voor de voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei 2006), in plaats van een derde van die straffen in geval van veroordeling zonder staat van herhaling (artikel 25, § 2, a), van dezelfde wet).

De omstandigheid dat de veroordeelde de datum van toelaatbaarheid tot de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft bereikt, houdt evenwel niet in dat die laatste automatisch wordt toegekend. Naast de tijdsvoorwaarden zijn grondvoorwaarden vereist om de veroordeelde toe te laten een voorwaardelijke invrijheidstelling te genieten : alvorens een strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen, gaan de strafuitvoeringsrechtbanken na of er tegenaanwijzingen bestaan (namelijk onder meer « de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering », « het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten » en « het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastigvallen »), alsook of een sociaal reclasseringsplan is opgesteld waaruit de perspectieven op reclassering van de veroordeelde blijken (artikelen 25, § 2, 47, § 1, en 48 van de wet van 17 mei 2006).

Ten aanzien van de prejudiciële vraag

B.6. De verwijzende rechter vraagt of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij « tot gevolg heeft dat een persoon die door een correctioneel rechtscollege is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een in staat van wettelijke herhaling gepleegde, gecorrectionaliseerde misdaad die, vóór de correctionalisering ervan, strafbaar was met opsluiting van twintig tot dertig jaar, aanspraak kan maken op een voorwaardelijke invrijheidstelling nadat hij een derde van zijn straf heeft ondergaan, terwijl een persoon die, in staat van wettelijke herhaling, door een correctioneel rechtscollege is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een andere gecorrectionaliseerde misdaad of een wanbedrijf, pas op een voorwaardelijke invrijheidstelling aanspraak kan maken na twee derde van zijn straf te hebben ondergaan ».

Het Hof onderzoekt de prejudiciële vraag in zoverre zij betrekking heeft op artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei 2006, zoals het van kracht was vóór de wijziging ervan bij artikel 4 van de wet van 21 december 2017 « tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de invoering van een beveiligingsperiode en tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis voor wat de onmiddellijke aanhouding betreft ».

B.7. In zijn verwijzingsbeslissing stelt de verwijzende rechter vast dat uit het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 185/2014 blijkt dat « een persoon die door de correctionele rechtbank wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een gecorrectionaliseerde misdaad, strafbaar vóór de correctionalisering ervan met de straf van opsluiting van twintig tot dertig jaar, gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een gevangenisstraf van minder dan een jaar heeft ondergaan of nadat die straf is verjaard, in aanmerking komt voor de voorwaardelijke invrijheidstelling na een derde van zijn straf te hebben ondergaan ».

De verwijzende rechter leidt hieruit af dat de volgende twee categorieën van personen zijn onderworpen aan een verschillende regeling inzake toelaatbaarheid tot de voorwaardelijke invrijheidstelling :

- de personen die door de correctionele rechtbank of door het hof van beroep zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een gecorrectionaliseerde misdaad gepleegd in staat van wettelijke herhaling, strafbaar, vóór de correctionalisering ervan, met opsluiting van twintig tot dertig jaar, die in aanmerking komen voor die modaliteit, met toepassing van het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof, na een derde van hun straf te hebben ondergaan, en

- de personen die, zoals de eiser, door de correctionele rechtbank of door het hof van beroep zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een andere gecorrectionaliseerde misdaad of wegens een wanbedrijf gepleegd in staat van wettelijke herhaling, die pas in aanmerking komen voor de voorwaardelijke invrijheidstelling na twee derde van hun straf te hebben ondergaan.

B.8.1. Bij zijn arrest nr. 193/2011 van 15 december 2011 heeft het Hof geoordeeld :

« Artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek, in samenhang gelezen met artikel 25 van hetzelfde Wetboek en met artikel 2, eerste lid en derde lid, van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doch enkel in zoverre het toelaat de inverdenkinggestelde die naar de correctionele rechtbank is verwezen wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die straf is verjaard, te veroordelen tot een hogere straf dan die welke kan worden uitgesproken ten aanzien van de inverdenkinggestelde die wegens dezelfde misdaad die in diezelfde omstandigheid is gepleegd, naar het hof van assisen is verwezen ».

B.8.2. Bij zijn arrest nr. 199/2011 van 22 december 2011 heeft het Hof geoordeeld :

« Artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek, in samenhang gelezen met artikel 25 van hetzelfde Wetboek, met artikel 216novies van het Wetboek van strafvordering en met artikel 2, eerste lid en derde lid, van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doch enkel in zoverre het toelaat de inverdenkinggestelde die naar de correctionele rechtbank is verwezen wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die straf is verjaard, te veroordelen tot een hogere straf dan die welke kan worden uitgesproken ten aanzien van de inverdenkinggestelde die wegens dezelfde misdaad die in diezelfde omstandigheid is gepleegd, verwezen is naar het hof van assisen dat verzachtende omstandigheden in aanmerking neemt ».

B.8.3. Bij zijn arrest nr. 185/2014 van 18 december 2014 heeft het Hof geoordeeld :

« - Artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek, in samenhang gelezen met artikel 25 van hetzelfde Wetboek, met artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden en met artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doch enkel in zoverre het tot gevolg heeft de persoon die voor een poging tot moord is veroordeeld door de correctionele rechtbank wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die straf is verjaard, langer uit te sluiten van de mogelijkheid van een voorwaardelijke invrijheidstelling dan de persoon die door het hof van assisen tot een criminele straf is veroordeeld wegens dezelfde misdaad die in diezelfde omstandigheid is gepleegd.

- De gevolgen van die wetsbepaling worden gehandhaafd tot de inwerkingtreding van een wet die aan die discriminatie een einde maakt en uiterlijk tot 31 juli 2015 ».

Tot op heden heeft de wetgever de in het arrest nr. 185/2014 vastgestelde ongrondwettigheid evenwel niet verholpen.

B.8.4. Bij zijn arrest nr. 102/2017 van 26 juli 2017 heeft het Hof geoordeeld dat de in het voormelde arrest nr. 185/2014 vervatte vaststelling van een schending, met betrekking tot de datum waarop men voor de voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking kan komen, ook geldt ten aanzien van een met opsluiting van vijftien tot twintig jaar strafbare misdaad die is gecorrectionaliseerd.

B.9. Bij een arrest van 19 oktober 2016 (P.16.0837.F) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat, met toepassing van het arrest nr. 185/2014, met de staat van wettelijke herhaling vastgesteld in het stadium van de uitspraak van de straf, geen rekening kan worden gehouden in het stadium van de strafuitvoering om de duur van de te ondergane hechtenis te bepalen alvorens voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking te komen ten aanzien van een persoon die is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die oorspronkelijk strafbaar was met dezelfde strafmaat als die welke wordt beoogd in het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 185/2014 (namelijk een gevangenisstraf van twintig tot dertig jaar).

Bij een arrest van 2 augustus 2017 (P.17.0766.N) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat uit het arrest nr. 102/2017, voortvloeide dat de vaststelling van ongrondwettigheid vervat in het arrest nr. 185/2014 niet beperkt was tot de misdaden die strafbaar zijn met een straf van opsluiting van twintig tot dertig jaar.

Bij een arrest van 27 september 2017 (P.17.0461.F) gewezen in een geschil dat aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 102/2017, heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de strafuitvoeringsrechtbank terecht had beslist dat de veroordeelde in aanmerking kwam voor de voorwaardelijke invrijheidstelling na een derde van zijn straf te hebben ondergaan, niettegenstaande dat het vonnis van veroordeling heeft vastgesteld dat de verweerder zich in staat van herhaling bevond.

B.10. De twee voormelde arresten nrs. 193/2011 en 199/2011 hadden betrekking op een verschil in strafmaat naargelang een persoon wordt veroordeeld door het hof van assisen dan wel door de correctionele rechtbank.

De twee voormelde arresten nrs. 185/2014 en 102/2017 hadden betrekking op een verschil ten aanzien van de strafuitvoering, naargelang een persoon wordt veroordeeld door het hof van assisen of door de correctionele rechtbank.

De onderhavige prejudiciële vraag heeft betrekking op een verschil in behandeling ten aanzien van de strafuitvoering, tussen personen die door een correctioneel rechtscollege zijn veroordeeld, naar gelang van het in het geding zijnde type misdrijf.

B.11.1. De personen die zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een wanbedrijf dat in staat van wettelijke herhaling is gepleegd, komen pas voor de voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking nadat zij twee derden van hun straf hebben ondergaan.

Hetzelfde geldt voor de personen die zijn veroordeeld wegens een met opsluiting van vijf tot tien jaar strafbare misdaad die is gecorrectionaliseerd. In dat geval is de straf die kan worden uitgesproken, immers een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaar, met andere woorden een correctionele straf.

B.11.2. Het komt aan de wetgever en niet aan het Hof toe om te bepalen op welk ogenblik personen die zijn veroordeeld en zich in een staat van wettelijke herhaling bevinden, voor een voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking kunnen komen. In het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet dient het Hof echter erover te waken dat personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden niet ongelijk worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Indien het Hof daarbij een discriminatie vaststelt, komt het aan de wetgever toe om te bepalen in welke zin daaraan een einde dient te worden gesteld. In afwachting van een optreden van de wetgever dienen de in het geding zijnde bepalingen evenwel in overeenstemming met de Grondwet te worden toegepast.

B.11.3. Om redenen die analoog zijn aan die welke in de voormelde arresten nrs. 185/2014 en 102/2017 zijn vermeld, is de in het geding zijnde bepaling aangetast door eenzelfde ongrondwettigheid.

B.12. Het in geding zijnde verschil in behandeling, dat erin bestaat te kiezen voor een strengere drempel van toelaatbaarheid tot de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de personen die, in staat van wettelijke herhaling, door een correctioneel rechtscollege zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een met opsluiting van vijf tot tien jaar strafbare misdaad die is gecorrectionaliseerd of wegens een wanbedrijf, is niet redelijk verantwoord.

Het heeft immers tot gevolg dat niet wordt gewaarborgd dat de strafmaat in acht wordt genomen in het stadium van de strafuitvoering daar de personen die in staat van wettelijke herhaling worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een bij de wet strenger bestraft feit, eerder in aanmerking kunnen komen voor de voorwaardelijke invrijheidstelling dan de personen die in staat van wettelijke herhaling worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een bij de wet minder zwaar bestraft feit.

B.13. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei 2006 « betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringmodaliteiten », in de versie ervan die van toepassing is voor de verwijzende rechter, in samenhang gelezen met de artikelen 25, 56, tweede en derde lid, en 80 van het Strafwetboek en met artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het tot gevolg heeft dat een persoon die, in staat van wettelijke herhaling, door een correctioneel rechtscollege wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een wanbedrijf of een gecorrectionaliseerde misdaad die oorspronkelijk, vóór de correctionalisering ervan, strafbaar was met de straf van opsluiting van vijf tot tien jaar, in aanmerking komt voor de voorwaardelijke invrijheidstelling na twee derde van zijn straf te hebben ondergaan, terwijl een persoon die, in staat van wettelijke herhaling, door een correctioneel rechtscollege wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die oorspronkelijk, vóór de correctionalisering ervan, strafbaar was met een andere straf van opsluiting, in aanmerking komt voor de voorwaardelijke invrijheidstelling na een derde ervan te hebben ondergaan.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 februari 2018.

Noot:Ruben Vilain, Voorwaardelijke invrijheidstellingg van 2/3 bij wettelijke herbaling van wanbedrijven, NJW 2018, 385, 531

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 24/09/2015 - 14:25
Laatst aangepast op: vr, 29/06/2018 - 13:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.