Wie is partij bij de homologatie WCO. Een reorganisatieplan mag geen afbreuk doen aan de rechten van buitengewone schuldeisers
O.V. P. t/ NV H.A.B.
De Rechtbank van Koophandel te Turnhout heeft in het bestreden vonnis van 20 april 2010 het reorganisatieplan van NV H.A.B. in het raam van de procedure van gerechtelijke reorganisatie met het oog op een collectief akkoord gehomologeerd en meteen de reorganisatieprocedure gesloten.
Tegen dit vonnis tekenden O.V. P. met een verzoekschrift neergelegd op 29 april 2010 en R. SP, vennootschap naar Pools recht, met een verzoekschrift neergelegd op 6 mei 2010 hoger beroep aan. Zij meenden dat het reorganisatieplan onterecht gehomologeerd werd.
De heer B.K. heeft incidenteel beroep aangetekend. Ook hij meent dat het plan onterecht werd gehomologeerd.
De Belgische Staat heeft derdenverzet aangetekend tegen dit vonnis met een akte betekend op 14 mei 2010. Ook hij meende dat het plan onterecht werd gehomologeerd.
Dit derdenverzet werd door de Rechtbank van Koophandel te Turnhout bij vonnis van 29 juni 2010 niet ontvankelijk verklaard.
Tegen dit vonnis tekende de Belgische Staat hoger beroep aan met een verzoekschrift neergelegd op 5 augustus 2010.
Deze drie zaken in hoger beroep werden samen behandeld ter zitting van dit hof op 8 oktober 2010. Op die zitting heeft het openbaar ministerie advies verleend.
1. De drie zaken hebben alle betrekking op dezelfde betwisting en worden samengevoegd.
2. Geen van de drie appellanten is vrijwillig tussengekomen in de homologatieprocedure die geleid heeft tot het vonnis van 20 april 2010.
Overeenkomstig art. 5, vijfde lid, van de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen van 31 januari 2009 (hierna verkort weergegeven als WCO) kunnen de belanghebbenden tussenkomen in de bij die wet bepaalde procedures overeenkomstig art. 812 tot 814 Ger.W. Geen van de appellanten heeft zich gedragen conform die procedurebepalingen.
Krachtens art. 5, zesde lid, WCO kunnen belanghebbenden die werden gehoord of een geschrift hebben neergelegd om hun opmerkingen te laten gelden, iets te vorderen of middelen naar voor te brengen, door dit feit ook niet geacht worden vrijwillig te zijn tussengekomen in de procedure en partij te zijn geworden. O.V. P. en R. kunnen zich derhalve niet op hun handelwijze voor de eerste rechter beroepen om alsnog te beweren vrijwillig te zijn tussengekomen.
3. Aangezien daaruit volgt dat O.V. P. en R. geen partij waren in eerste aanleg, kunnen zij geen hoger beroep aantekenen tegen het vonnis van homologatie van het reorganisatieplan.
4. O.V. P. concludeert dat, indien zij niet als partij kan worden beschouwd en in die hoedanigheid derhalve geen hoger beroep kan aantekenen tegen het vonnis dat oordeelt over de homologatie, zij geen enkel rechtsmiddel kan aanwenden, aangezien zij, schuldeiser zijnde van NV H.A.B., evenmin derdenverzet kan doen. Zij is daarom van oordeel dat deze wettelijke regeling het gelijkheidsbeginsel schendt en vraagt daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
5. De procedure van homologatie van het reorganisatieplan maakt deel uit van de procedure van gerechtelijke reorganisatie die wordt ingeleid op eenzijdig verzoekschrift (art. 17, § 1, WCO).
Deze procedure is te onderscheiden van de procedure over geschillen met betrekking tot de schuldvorderingen zelf die overeenkomstig art. 46 WCO wel op tegenspraak verloopt. Deze geschillen staan los van de homologatie van het reorganisatieplan, en de invloed ervan op de homologatieprocedure is eveneens geregeld in art. 46 WCO.
Het bestaan van dergelijke geschillen over de schuldvorderingen zelf brengt niet mee dat de schuldeiser, wiens schuldvordering voorwerp van betwisting is, partij wordt in de homologatieprocedure, zoals O.V. P. onterecht aanneemt. Haar opmerking dat zij voor verschillende rechtsmachten verwikkeld was in geschillen met NV H.A.B. baat haar dus niet.
6. Anders dan appellanten menen, beperkt de WCO de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het vonnis dat oordeelt over de homologatie enkel door de mogelijkheid van verzet uit te sluiten (art. 56, eerste lid, WCO). Andere rechtsmiddelen zijn daarentegen niet uitgesloten (art. 5, tweede lid, WCO).
Daaruit volgt dat appellanten er onterecht van uitgaan dat er een discriminatie is vervat in de WCO met betrekking tot de mogelijkheid voor het aanwenden van rechtsmiddelen. Buiten het geval van het verzet, hiervoor vermeld en te dezen niet relevant, wijkt de WCO niet af van de commune procesregels. Volgens die regels is hoger beroep alleen mogelijk door degene die partij was en is het derdenverzet maar mogelijk indien de belanghebbende voldoet aan de voorwaarden bepaald in het Gerechtelijk Wetboek. De aangevoerde beperkingen om rechtsmiddelen aan te wenden, vloeien voort uit die commune regels zelf.
Geen ongrondwettigheid wordt ter zake aangevoerd.
7. Aangezien insolventieprocedures een snelle afwikkeling vereisen, is de wettelijk voorgeschreven procesgang bij eenzijdig verzoekschrift om te laten oordelen over het verzoek tot gerechtelijke reorganisatie, niet buitensporig. Het aan de schuldenaar wettelijk toegekende recht om in het voorgestelde reorganisatieplan eenzijdig de mate van betaling aan de schuldeisers en de betalingsmodaliteiten vast te leggen en te beperken, is eigen aan de doelstellingen van de wet zoals omschreven in art. 16 WCO waarbij de schuldenaar rekening moet houden met de wettelijke beperkingen beschreven in art. 47 tot 52 WCO.
Deze regeling is daarom ook niet strijdig met het EVRM. De schuldeisers kunnen hun opmerkingen over de inhoud van het reorganisatieplan mondeling of schriftelijk inbrengen en zij stemmen daar ook over. Daardoor wordt een debat op tegenspraak gecreëerd, evenwel enkel met het oog op de goed- of afkeuring van het plan.
Dat de homologatie in geval van goedkeuring van het plan door de schuldeisers overeenkomstig art. 54 WCO maar geweigerd kan worden om redenen van miskenning van vormvereisten of schending van de openbare orde (art. 55 WCO), doet daaraan geen afbreuk.
Anders dan bij een minnelijk akkoord (art. 43 WCO), is bij een collectief akkoord slechts de goedkeuring vereist van de meerderheid van de schuldeisers zoals bepaald in art. 54 WCO. Het begrip van een collectief akkoord sluit uit dat individuele schuldeisers, die niet akkoord gaan met de gedane betalingsvoorstellen, in een debat op tegenspraak met de schuldenaar de rechtbank zouden laten oordelen over de aan hen gedane voorstellen en de homologatie van het plan daarvan zouden kunnen laten afhangen.
De wettelijke regeling, die een procedure bij eenzijdig verzoek voorschrijft, kan daarom op zichzelf niet worden aangevochten om reden dat niet over de inhoud van het reorganisatieplan kan worden geoordeeld door een onafhankelijke rechter dan in het raam van art. 55 WCO.
8. Om die redenen kan het hoger beroep van O.V. P. en R. niet worden toegelaten en hoeft geen prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te worden gesteld.
9. De Belgische Staat heeft derdenverzet aangetekend.
De Belgische Staat kan als schuldeiser van degene die de gerechtelijke reorganisatie vraagt maar toegelaten worden om een derdenverzet in te stellen tegen het vonnis dat oordeelt over de homologatie van het reorganisatieplan onder de voorwaarden bepaald in art. 1122, 3o, Ger.W. Het derdenverzet kan worden toegelaten indien de Belgische Staat bedrog van NV H.A.B. inroept of zich kan beroepen op een hypotheek, voorrecht of enig ander recht dat buiten zijn schuldvordering ligt.
10. In het vonnis van 29 juni 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat niet voldaan was aan die voorwaarden en daarom heeft zij het derdenverzet niet ontvankelijk verklaard.
11. Uit art. 5 WCO volgt dat de Belgische Staat, die wel verschenen is op de vergadering van de schuldeisers en mee gestemd heeft over het plan, geen partij is geworden in de procedure.
NV H.A.B. is van oordeel dat de Belgische Staat desondanks toch valt onder de toepassing van het eerste lid van art. 1122 Ger.W. en wijst erop dat de Belgische Staat behoorlijk werd opgeroepen. Zij leidt daaruit af dat de Belgische Staat niet gerechtigd is om derdenverzet aan te tekenen.
12. De schuldeisers worden niet “opgeroepen” zoals de NV H.A.B. beweert. Krachtens art. 53 WCO wordt enkel een “mededeling” verstuurd aan de schuldeisers die onder meer de vermelding bevat dat zij hun opmerkingen kunnen maken en over het reorganisatieplan kunnen stemmen op de vastgestelde zitting.
Van een oproeping is geen sprake, zodat het feit dat de Belgische Staat op de vastgestelde zitting is verschenen, zijn opmerkingen heeft gemaakt en gestemd heeft, niet meebrengt dat hij geen derdenverzet meer kan aantekenen op grond van art. 1122, eerste lid, Ger.W.
13. Voor de invordering van de directe belastingen en van de voorheffingen heeft de Schatkist een algemeen voorrecht op de inkomsten en op de roerende goederen van alle aard van de belastingschuldige (art. 422 WIB 1992). Op grond van art. 423, laatste lid, WIB ‘92 en art. 19 Hypotheekwet kan de Belgische Staat dit voorrecht ook laten gelden.
Daaruit volgt dat de Belgische Staat in de mogelijkheid is om derdenverzet te doen in een procedure waarin de inkomsten en de roerende goederen van de belastingschuldige voorwerp van het geschil uitmaken.
Aangezien het reorganisatieplan de besteding regelt van de inkomsten en van de goederen van de NV H.A.B., maken de goederen waarop het voorrecht betrekking heeft het voorwerp uit van het vonnis waarbij over de homologatie van het reorganisatieplan geoordeeld wordt.
De Belgische Staat is derhalve gerechtigd derdenverzet aan te tekenen tegen het vonnis dat oordeelt over de homologatie van het reorganisatieplan. Het derdenverzet is ontvankelijk.
14. Het derdenverzet kan maar gegrond worden verklaard in geval van niet-naleving van de vormvereisten door de WCO opgelegd of wegens schending van de openbare orde.
Volgens de Belgische Staat bevat het reorganisatieplan wat haar schuldvorderingen betreft bepalingen die strijdig zijn met wetten van openbare orde.
15. Krachtens art. 172 van de Grondwet kan geen vrijstelling of vermindering van belastingen worden ingevoerd dan bij een wet.
Overeenkomstig art. 2, c, WCO zijn schuldvorderingen in de opschorting de schuldvorderingen die zijn ontstaan vóór het openen van de procedure van gerechtelijke reorganisatie of die uit het verzoekschrift of beslissingen genomen in het raam van de procedure volgen.
Geen uitzonderingen zijn daarbij bepaald, zodat aangenomen moet worden dat de WCO ook van toepassing is op fiscale schuldvorderingen. Zodoende is de WCO een wet zoals bepaald in art. 172 van de Grondwet in de mate dat deze de vermindering en vrijstelling van belastingen toelaat als schuldvorderingen waarover het reorganisatieplan kan beschikken. Art. 7 WCO doet daaraan geen afbreuk.
16. De beweerde schendingen van de openbare orde die in het reorganisatieplan volgens de Belgische Staat vervat zijn, hebben betrekking op de verminderingen van de fiscale schuldvorderingen en de betalingsmodaliteiten daarvan. De Belgische Staat vecht onder meer het reorganisatieplan aan met betrekking tot de niet of te laat ingediende schuldvorderingen. Hij wijst erop dat ingevolge de toepassing van de belastingwetten er nog belastingen kunnen worden geheven en ingekohierd die als schuldvorderingen in de opschorting moeten worden beschouwd.
Het plan bepaalt daarover (nr. IV, c, p. 22): “Voor alle schulden, claims, juridische procedures die betrekking hebben op de periode vóór de toekenning van de voorlopige opschorting en waarvoor de schuldeisers geen (of te laat) een schuldvordering hebben ingediend voorzien we geen betaling en een vermindering van de vordering naar één euro”.
De rechten van de schuldeisers die in die bepaling van het reorganisatieplan zijn bedoeld, zijn geregeld in art. 57 WCO. De schuldenaar heeft niet de bevoegdheid om in het reorganisatieplan deze rechten te beknotten en de betrokken schuldvorderingen te verminderen tot één euro. Anders dan NV H.A.B. beweert, is art. 57 WCO wel van openbare orde, zodat de afwijkende bepalingen van het reorganisatieplan strijdig zijn met de openbare orde.
17. Om de hiervoor vermelde redenen heeft de rechtbank onterecht het reorganisatieplan gehomologeerd.
Het derdenverzet is gegrond.
Het reorganisatieplan wordt niet gehomologeerd.
...
- Doelgroep:
- Elfricon trefzinnen:
- Instantie:
- Rechtstakken:
- Kernwoorden:
- Soort link:
- Status homepage:
- Toepassingsgebied:
- Topics:
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.
