-A +A

Wil van de verarmde kan een vermogensverschuiving rechtvaardigen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
woe, 04/05/2016

Er kan worden aangenomen dat de wil van de verarmde een vermogensverschuiving kan rechtvaardigen en in die mate een vordering op grond van «verrijking zonder oorzaak» kan uitsluiten.

Een dergelijke vordering staat immers slechts open indien er sprake is van een vermogensverschuiving zonder oorzaak.

Een oorzaak kan gelegen zijn in onder meer de gedraging van de verarmde, inzonderheid wanneer hij handelde uit vrijgevigheid (animus donandi) of uit eigenbelang.

Punt is echter dat het daarbij de bedoeling moet zijn van de verarmde om de verrijking definitief te laten toekomen aan de verrijkte. Enkel de wil van de verarmde om een definitieve verrijking te creëren, sluit recuperatie uit.

Om die reden beklemtoont een recente stroming in de doctrine terecht (1) dat enkel een concrete beoordeling van de oorzaak bij de beweerde verrijking zonder oorzaak tegemoetkomt aan de behoeften van de praktijk en (2) dat een abstracte benadering in het huwelijks- en het samenwoningsvermogensrecht nooit tot recuperatie op grond van «verrijking zonder oorzaak» zou leiden, met de onbillijke gevolgen van dien.

Het mag daarbij duidelijk zijn dat de affectieve samenlevingsvorm tussen de verrijkte en de verarmde in se niet volstaat als oorzaak tot vermogensverschuiving.

De loutere wil van de verarmde bij de vermogensverschuiving voldoet evenmin. Enkel de definitieve wil om afstand te doen van de recuperatie voldoet.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1145
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

H. t/ W.

...

I. Relevante feitelijke procedurele elementen

1. H. en W. zijn gewezen feitelijke samenwoners met twee gemeenschappelijke (intussen meerderjarige) dochters (...). Hun samenwoningsrelatie startte begin jaren ’90 en eindigde medio 2007.

2. Krachtens vonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 20 december 2007 en 19 september 2011 fungeren op heden (1) notaris H. en notaris V. als notarissen-vereffenaars in de zin van het oude art. 1209, tweede lid Ger.W. en (2) notaris C. als notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude art. 1209, derde lid Ger.W. met het oog op gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de oude artt. 1207 e.v. Ger.W.) van het onverdeelde vermogen H.-W.

Tot dit onverdeelde vermogen behoort inzonderheid een woning te L. Daarnaast bezitten de partijen elk 375 aandelen in de gezamenlijk opgerichte BVBA H. (op 5 mei 1995). De woning is gebouwd (eind jaren ’90) op een tijdens de feitelijke samenwoning (gezamenlijk) aangekochte (maar door H. exclusief betaalde) grond (op 17 juni 1996) en wordt tot op heden bewoond door H. H. is ook zaakvoerder van de BVBA H., die haar zetel heeft op het adres van de woning.

3. Bij voormeld vonnis van 20 december 2007 beveelt de rechtbank (met akkoord van de partijen) een deskundigenonderzoek met het oog op waardebepaling van de woning. Zij wijst daartoe landmeter-schatter P. aan als deskundige. In zijn voorverslag van 29 april 2008 en zijn eindverslag van 20 mei 2008 bepaalt de deskundige de venale waarde van de woning op 275.000 euro.

4. Na voorafgaande notariële werkzaamheden (...) komen de notarissen-vereffenaars tot een staat van vereffening-verdeling van 4 mei 2012.

Blijkens deze staat:

– is de deskundige, met akkoord van de partijen blijkens een aanvullend verslag van 16 juli 2010, tot een geactualiseerde schatting overgegaan ten bedrage van 320.000 euro;

– richten de notarissen-vereffenaars zich naar deze waarde, niettegenstaande de betwisting van H., terwijl een verdere actualisatie niet nodig wordt geacht;

– heeft H. recht op nominale recuperatie van W. van de helft van de door hem op 17 juni 1996 exclusief betaalde prijs, vermeerderd met de kosten voor de bouwgrond (35.933,29 euro) en meer precies 17.966,65 euro;

...

5. Blijkens de notariële akte van 28 juni 2012 formuleert H. een aantal bezwaren, inzonderheid omtrent: (1) de waarde van de woning; (...); (3) de volgens H. benodigde herwaardering van het te recupereren bedrag wegens de exclusief betaalde prijs + kosten voor de bouwgrond; (...)

W. formuleert geen bezwaren.

6. Bij akte van 11 oktober 2012 brengen de notarissen-vereffenaars advies uit. Zij handhaven hun staat van vereffening-verdeling van 4 mei 2012 (...), terwijl zij aangeven de beheersrekening deels in de lijn van het bezwaar (6) te zullen actualiseren.

II. Beroepen vonnis

1. Op 25 oktober 2012 leggen de notarissen-vereffenaars eensluidende afschriften van de benodigde notariële akten neer ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde, en dit met toepassing van het oude art. 1219, § 2 Ger.W.

2. H. neemt conclusie in de lijn van zijn eerder aangebrachte en door de notarissen-vereffenaars verworpen bezwaren.

W. beoogt de homologatie van de (te actualiseren) staat van vereffening-verdeling.

3. Bij vonnis van 12 september 2013 (...) beoordeelt de rechtbank de bezwaren (...). De rechtbank bevestigt in essentie de zienswijze van de notarissen-vereffenaars.

...

III. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 10 december 2013 stelt H. hoger beroep in. Met zijn hoger beroep beoogt H., met hervorming van het beroepen vonnis (...) de inwilliging van zijn eerder aangebrachte en door de notarissen-vereffenaars en/of de eerste rechter verworpen bezwaren.

...

2. W. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep van H. Zij beaamt de zienswijze van de notarissen-vereffenaars. (...). Zij beoogt de homologatie van de (te actualiseren) staat van vereffening-verdeling. (...).

IV. Beoordeling

...

(3) Volgens H. benodigde herwaardering van het te recupereren bedrag wegens de exclusief betaalde de prijs, vermeerderd met de kosten van de bouwgrond

1. Zoals reeds aangegeven, is de woning te L. gebouwd eind jaren ’90 op een tijdens de feitelijke samenwoning gezamenlijk aangekochte grond. De aankoopakte dateert van 17 juni 1996.

Het staat buiten kijf dat H. op exclusieve wijze de prijs en (akte)kosten voor de bouwgrond ten bedrage van 35.933,29 euro heeft voldaan. H. wil dit bedrag (in globo) recupereren van W., met hetzij indexering, gelet op de stijging van de vastgoedmarktprijzen sinds 2010 tot het beoogde moment van verdeling (art. 890 BW), om zodoende te komen tot een bedrag van 43.500 euro, hetzij weerspiegeling van de door de deskundige in zijn voorverslag van 29 april 2008 en eindverslag van 20 mei 2008 bepaalde grondwaarde ten bedrage van 85.000 euro.

2. Zowel de notarissen-vereffenaars als de eerste rechter gaan in op het verzoek tot recuperatie van H., zonder daaromtrent een rechtsgrond uit te werken.

3. Het hof is van oordeel dat dienaangaande is voldaan aan alle voorwaarden van de rechtsgrond «verrijking zonder oorzaak», die meebrengt dat H. de ten behoeve van W. geïnvesteerde helft bij de aankoop van de bouwgrond kan recupereren. Anders dan H. beoogt, behelst het ten behoeve van W. geïnvesteerde bedrag niet het totaalbedrag van 35.933,29 euro, maar wel de helft en meer precies 17.966,65 euro. Er is immers (1) verarming aan de zijde van H.; (2) verrijking aan de zijde van W.; (3) een oorzakelijk verband tussen de verrijking en de verarming, terwijl (4) dienaangaande geen juridische oorzaak voorligt en (5) een andere rechtsgrond tot recuperatie ontbreekt.

Weliswaar kan worden aangenomen dat de wil van de verarmde (in casu H.) een vermogensverschuiving kan rechtvaardigen en in die mate een vordering op grond van «verrijking zonder oorzaak» kan uitsluiten. Een dergelijke vordering staat immers slechts open indien er sprake is van een vermogensverschuiving zonder oorzaak. Een oorzaak kan gelegen zijn in onder meer de gedraging van de verarmde, inzonderheid wanneer hij handelde uit vrijgevigheid (animus donandi) of uit eigenbelang. Punt is echter dat het daarbij de bedoeling moet zijn van de verarmde om de verrijking definitief te laten toekomen aan de verrijkte (Cass. 19 januari 2009, RW 2009-10 1084, noot; Cass. 23 oktober 2014, TBBR 2015, noot). Enkel de wil van de verarmde om een definitieve verrijking te creëren, sluit recuperatie uit.

Om die reden beklemtoont een recente stroming in de doctrine terecht (1) dat enkel een concrete beoordeling van de oorzaak bij de beweerde verrijking zonder oorzaak tegemoetkomt aan de behoeften van de praktijk en (2) dat een abstracte benadering in het huwelijks- en het samenwoningsvermogensrecht nooit tot recuperatie op grond van «verrijking zonder oorzaak» zou leiden, met de onbillijke gevolgen van dien (B. Gennart en L. Taymans, «La théorie de l’enrichissement sans cause appliquée au comptes entre ex-époux séparés de biens ou ex-concubins», RTDF 2007, p. 643, nr. 28 en p. 648, nr. 31; Y.-H. Leleu, Droit patrimonial des couples, Brussel, Larcier, 2015, p. 401, nr. 367 en p. 512-513, nr. 452). Het mag daarbij duidelijk zijn dat de affectieve samenlevingsvorm tussen de verrijkte en de verarmde in se niet volstaat als oorzaak tot vermogensverschuiving. De loutere wil van de verarmde bij de vermogensverschuiving voldoet evenmin. Enkel de definitieve wil om afstand te doen van de recuperatie voldoet. Welnu, een dergelijke definitieve wil blijkt in casu niet aan de zijde van H. als verarmde. Een oorzaak voor de vermogensverschuiving ontbreekt. H. heeft recht op recuperatie van voormelde helft ten bedrage van 17.966,65 euro.

4. De vraag rijst naar de al dan niet herwaardering. Hoewel art. 1435 BW aangaande de (te herwaarderen) vergoedingen tussen ex-echtgenoten met een gewezen gemeenschapsstelsel niet speelt ten aanzien van gewezen feitelijke samenwoners (vgl. Y.-H. Leleu, Droit patrimonial des couples, Brussel, Larcier, 2015, p. 404-405, nr. 368; Y.-H. Leleu, «La réévaluation des créances d’enrichissement sans cause entre ex-époux séparés de biens» (noot onder Cass. 27 september 2012), JT 2012, 763), moet worden aangenomen dat de vergoeding op grond van verrijking zonder oorzaak een waardeschuld betreft (Cass. 27 september 2012, T.Fam. 2013, 177, noot). Het gaat derhalve niet om een geldschuld, waarbij het in art. 1895 BW bedoelde nominalisme zou spelen (Ch. Declerck en V. Allaerts, «Grondslag en waardering van vergoedingsrechten en schuldvorderingen tussen partners: ontwikkelingen 2011-2013» in P. Senaeve e.a. (eds.), Themiscahier personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2014, p. 77-79, nrs. 26-28).

Anders dan de notarissen-vereffenaars en de eerste rechter is het hof om die reden voorts van oordeel dat het bedrag van de beoogde recuperatie op geactualiseerde wijze moet worden begroot (en derhalve niet volgens het nominale bedrag ten tijde van de vermogensverschuiving), zodat de meer- of minwaarde van het goed waarin werd geïnvesteerd mee in rekening moet worden gebracht.

5. Het hof volgt H. deels in zijn bezwaar, zodat hij de helft van voormeld bedrag van 85.000 euro en meer precies 42.500 euro kan recupereren.

...

Noot: 

Beëindiging van een feitelijke samenlevingsrelatie kan geen vermogensverschuivng zonder oorzaak veroorzaken. De betalingen tijdens de samenwoonst betreffen de uitvoering van een natuurlijke verbintenis (Hof van Beroep Antwerpen 21/01/2015, RW 2016-2017, 953).

M.V. t/ A.G.

1. Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 14 december 2011 alsmede het verzoekschrift neergelegd op 2 januari 2012, waarmee hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door de heer M.V. (hierna: “de man”) tegen het vonnis van 14 december 2011 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis, de oorspronkelijke zwarigheden ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg te zeggen voor recht dat in het kader van de gerechtelijke vereffening-verdeling, zoals bevolen bij tussenvonnis van 10 juni 2009, volgende vergoeding dient te worden verrekend: een vergoeding van 58 622,50 euro in zijn voordeel en ten laste van mevrouw A.G. (hierna: “de vrouw”), die een vermogensverschuiving zonder oorzaak vormt van zijn vermogen naar het vermogen van de vrouw; ten slotte partijen opnieuw te verwijzen naar de notaris.

3. De vrouw concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

Feiten en retroacten

4. De man en de vrouw hadden een feitelijke samenlevingsrelatie in de periode 2003-2008. De procedure, c.q. de onderscheiden vorderingen van de man kaderen in de nasleep van deze relatiebreuk.

Op dagvaarding van de man werd de vereffening-verdeling bevolen bij tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 10 juni 2009 (dat geen voorwerp uitmaakt van het hoger beroep) en werd notaris H. aangesteld als notaris-vereffenaar.

Gelet op de zwarigheden van 26 november 2010 tegen de staat van vereffening van 17 mei 2010 en het navolgende advies van de notaris-vereffenaar van 15 april 2011 werd de zaak aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, ingevolge de neerlegging van voornoemde stukken door de notaris-vereffenaar.

De man vordert in essentie een terugbetaling van de vrouw ten belope van een bedrag van 58 622,50 euro. Dit bedrag betreft o.a. de inpandgeving van een levensverzekering, waarvoor de man een eenmalige premie zou hebben betaald van 26 500 euro, daterend van bij het begin van de relatie (juni 2003) – dit tot zekerheid voor de hypothecaire lening aangegaan door de vrouw – naast een bedrag van 4 400 euro voor de overname van een personenwagen door de vrouw; ten slotte vordert de man nog een bedrag van 27 722,50 euro uit hoofde van een aantal andere zgn. “niet dagdagelijkse” uitgaven, betaald door storting van zijn rekening naar de rekening van de vrouw.

Volgens de man betreft deze vordering uitgaven die de normale lasten van de feitelijke samenwoning overschrijden. Het zou handelen over bedragen bovenop de bedragen die hij betaald heeft (meer dan 50 000 euro volgens de man) in het kader van de samenleving. Samenvattend stelt de man dat het niet de bedoeling kan zijn dat hij, gespreid over de duur van de relatie, maandelijks ongeveer 1 700 euro zou hebben betaald; solidariteit in de feitelijke samenleving kent zijn financiële grenzen, aldus de man. De man voert aan dat het gaat om uitgaven uit hulpvaardigheid, die niet uit vrijgevigheid gebeurd zijn.

Deze vorderingen worden door de vrouw betwist.

In het hier bestreden vonnis werden alle vorderingen van de man afgewezen als ongegrond.

Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

Beoordeling

...

De grond van de zaak

6. In essentie baseert de man zich voor zijn vordering(en) op de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak.

7. Deze rechtsgrond wordt met een zekere argwaan onthaald in rechtspraak en rechtsleer, om welke reden deze dan ook slechts als ultiem (red)middel kan worden ingeroepen.

8. Zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving, moet de aanspraak van de aanleggende partij worden afgewezen.

De oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog beklemtoond te worden dat wanneer de verarmde speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken – dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd – of handelde uit eigen belang (waardoor een derde eventueel onrechtstreeks bevoordeeld werd) de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, III, p. 54, nr. 40).

9. Men kan zich zelfs afvragen of de herstelvordering (actio de in rem verso) kan worden ingesteld in de rechtsverhouding tussen (gewezen) feitelijke samenlevers.

Het subsidiariteitsvereiste houdt in essentie immers in dat men op deze vordering geen beroep kan doen om de gevolgen van zijn eigen vergetelheid of nalatigheid te herstellen. Het criterium is niet of de verarmde over een alternatief en effectief middel beschikt, maar of hij hierover kon beschikken. Indien men ervoor kiest om, ter gelegenheid van het samenleven of minstens, ter gelegenheid van bepaalde vermogenstransfers, geen regeling te treffen op het vlak van terugbetaling van bepaalde investeringen of geldtransacties, kan men bezwaarlijk van de rechter verwachten om aan dit gegeven dat ofwel wijst op een bewuste keuze (de wetgever heeft immers voorzien in vermogensrechtelijke regeling voor gehuwden en in de mogelijkheid daartoe voor wettelijk samenwonenden) ofwel op een nalatigheid, nadien te remediëren. In de regel behartigt iedereen trouwens zijn eigen belangen.

In dat verband past een restrictieve interpretatie. Van (te) veel vermogensverschuivingen kan achteraf immers beweerd worden dat ze “onrechtvaardig” zijn. Best wordt vermeden dat dit leerstuk een eenvoudig middel wordt om kost wat kost de billijkheid en rechtvaardigheid te laten overheersen, zeker wanneer dit conflicteert met de (vermoede) wil van partijen of met door de wetgever genomen beleidskeuzes.

10. Naar het oordeel van het hof kan de rechtsgrond van de verrijking zonder oorzaak, zelfs los van de beschouwingen in vorig randnummer, geen soelaas bieden, aangezien de man handelde uit vrije wil, c.q. de bijdragen, waarvan de concrete en precieze bestemming trouwens ook ter betwisting staat (althans voor wat betreft de vorderingen ten bedrage van 4 400 euro – voor de beweerde financiering van de overname van een personenwagen door de vrouw – en ten bedrage van 27 722,50 euro, waarvan zelfs geen precieze finaliteit kan worden aangeduid door de man), in het kader van het samenleven heeft uitgevoerd.

10a. Specifiek voor wat de betaling van de premie voor de levensverzekering betreft, dient nog overwogen te worden dat:

– door de man geen exemplaar bijgebracht wordt van de bewuste levensverzekering, evenmin als van het contract van inpandgeving;

– niet is betwist dat de woning – waarvoor de vrouw een hypothecaire lening heeft aangegaan en ter gelegenheid waarvan de man een eenmalige premie betaalde voor een levensverzekering (zgn. tak 23-product) die als zekerheid zou dienen voor dit krediet – de bestemming gezinswoning had (gegeven het feit dat partijen aldaar ook effectief samengewoond hebben in de periode 2003-2008);

– de man kennelijk nooit enige specifieke vergoeding heeft betaald aan de vrouw voor zijn woongenot en kennelijk evenmin bijgedragen heeft in de betaling van de hypothecaire leningslasten;

– de betaling van een eenmalige premie (grondslag voor de verarming van de man) wel degelijk een oorzaak had, namelijk een contractuele verbintenis onderschreven door de man, aangezien uit de stukken blijkt dat de man zich bij notariële akte van 3 september 2003 verbonden had ten opzichte van de NV A.;

– er geen sprake is van een verrijking van de vrouw, aangezien de bedoelde geldtransfer niet aan de vrouw is ten goede gekomen, maar wel aan de verzekeraar, in de vorm van de eenmalige premiebetaling (zie betaling ten bedrage van 26.500 euro aan NV A. op 11 juni 2003);

– de inpandgeving uit haar aard slechts een zekerheidstelling betreft (tot waarborg van een hoofdschuld), waarbij in deze zaak ook niet aangetoond is dat er sprake is van effectieve aanspraken op de gestelde zekerheid door de bank (c.q. daadwerkelijke pandverzilvering), zodat de vraag rijst of de man (mede-)begunstigde van deze levensverzekering is.

10b. Voor wat de andere uitgaven betreft, moet worden opgemerkt dat:

– bij geen van de onderscheiden periodieke (en over verschillende jaren gespreide) stortingen door de man blijkbaar enig voorbehoud werd geformuleerd, in het vooruitzicht van een terugbetaling of verrekening;

– de eventuele ongelijkheid (die in deze zaak zelfs niet aangetoond is door de man) in de respectieve bijdragen in de lasten van de huishouding gevormd door de feitelijke samenwoning er niet noodzakelijk op wijst dat de bijdrageplicht van de financierende partner werd overschreden.

10c. Niet ten onrechte verwijst de vrouw naar de rechtsfiguur van de natuurlijke verbintenis. Naar het oordeel van het hof staat immers ook bij feitelijke samenlevers de solidariteitsgedachte centraal. Het stichten van een gezin, ook al opteert men bewust voor een niet-wettelijke regeling of organisatie van de gezinskern, genereert minstens en alleszins de morele plicht om bij te dragen in de behoeften van het dagelijks leven die voortvloeien uit de feitelijke samenleving. Vandaar dat de uitgaven die vrijwillig zijn gedaan tijdens het feitelijke samenleven ten behoeve van het samenwonen gelden als de uitvoering van een natuurlijke verbintenis, zodat latere vergoedingsaanspraken uitgesloten zijn. De vrijwillige nakoming van een natuurlijke verbintenis kan immers op grond van art. 1235, tweede lid BW geen aanleiding geven tot teruggave.

Door retroactief een deel van de uitgevoerde engagementen uit het veronderstelde geheel van gemaakte afspraken binnen het koppel te lichten, dreigt bovendien ook de consensus die tussen de samenlevers bestond ten tijde van het samenwonen nadien te worden aangetast.

11. De man, die ook niet zonder belang handelde (gelet op het feit dat hij jarenlang een bestendig partnerschap had met de vrouw en met haar trouwens ook samenwoonde), diende bijgevolg het risico in te calculeren dat met een louter feitelijk buitenhuwelijks samenleven gepaard gaat. Indien hij dit risico niet wilde nemen diende hij zich ofwel te onthouden deze betalingen uit te voeren, ofwel duidelijke afspraken tot bewijs ervan vast te leggen in een akte, wat hij evenwel niet gedaan heeft.

12. Het hoger beroep is ongegrond in alle onderdelen.

...

• Hof van Beroep Gent, 4 februari 2016, RW 2017-2018, 1145

samenvatting

De wil van de verarmde kan een vermogensverschuiving rechtvaardigen en in die mate een vordering op grond van «verrijking zonder oorzaak» uitsluiten. Een dergelijke vordering staat immers slechts open indien er sprake is van een vermogensverschuiving zonder oorzaak.

Een oorzaak kan gelegen zijn in onder meer de gedraging van de verarmde, inzonderheid wanneer hij handelde uit vrijgevigheid (animus donandi) of uit eigenbelang.

Punt is echter dat het daarbij de bedoeling moet zijn van de verarmde om de verrijking definitief te laten toekomen aan de verrijkte. Enkel de wil van de verarmde om een definitieve verrijking te creëren, sluit recuperatie uit.

Om die reden beklemtoont een recente stroming in de doctrine terecht (1) dat enkel een concrete beoordeling van de oorzaak bij de beweerde verrijking zonder oorzaak tegemoetkomt aan de behoeften van de praktijk en (2) dat een abstracte benadering in het huwelijks- en het samenwoningsvermogensrecht nooit tot recuperatie op grond van «verrijking zonder oorzaak» zou leiden, met de onbillijke gevolgen van dien.

Het mag daarbij duidelijk zijn dat de affectieve samenlevingsvorm tussen de verrijkte en de verarmde in se niet volstaat als oorzaak tot vermogensverschuiving. De loutere wil van de verarmde bij de vermogensverschuiving voldoet evenmin.

Enkel de definitieve wil om afstand te doen van de recuperatie voldoet. 

Tekst arrest

H. t/ W.

...

I. Relevante feitelijke procedurele elementen

1. H. en W. zijn gewezen feitelijke samenwoners met twee gemeenschappelijke (intussen meerderjarige) dochters (...). Hun samenwoningsrelatie startte begin jaren ’90 en eindigde medio 2007.

2. Krachtens vonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 20 december 2007 en 19 september 2011 fungeren op heden (1) notaris H. en notaris V. als notarissen-vereffenaars in de zin van het oude art. 1209, tweede lid Ger.W. en (2) notaris C. als notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude art. 1209, derde lid Ger.W. met het oog op gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de oude artt. 1207 e.v. Ger.W.) van het onverdeelde vermogen H.-W.

Tot dit onverdeelde vermogen behoort inzonderheid een woning te L. Daarnaast bezitten de partijen elk 375 aandelen in de gezamenlijk opgerichte BVBA H. (op 5 mei 1995). De woning is gebouwd (eind jaren ’90) op een tijdens de feitelijke samenwoning (gezamenlijk) aangekochte (maar door H. exclusief betaalde) grond (op 17 juni 1996) en wordt tot op heden bewoond door H. H. is ook zaakvoerder van de BVBA H., die haar zetel heeft op het adres van de woning.

3. Bij voormeld vonnis van 20 december 2007 beveelt de rechtbank (met akkoord van de partijen) een deskundigenonderzoek met het oog op waardebepaling van de woning. Zij wijst daartoe landmeter-schatter P. aan als deskundige. In zijn voorverslag van 29 april 2008 en zijn eindverslag van 20 mei 2008 bepaalt de deskundige de venale waarde van de woning op 275.000 euro.

4. Na voorafgaande notariële werkzaamheden (...) komen de notarissen-vereffenaars tot een staat van vereffening-verdeling van 4 mei 2012.

Blijkens deze staat:

– is de deskundige, met akkoord van de partijen blijkens een aanvullend verslag van 16 juli 2010, tot een geactualiseerde schatting overgegaan ten bedrage van 320.000 euro;

– richten de notarissen-vereffenaars zich naar deze waarde, niettegenstaande de betwisting van H., terwijl een verdere actualisatie niet nodig wordt geacht;

– heeft H. recht op nominale recuperatie van W. van de helft van de door hem op 17 juni 1996 exclusief betaalde prijs, vermeerderd met de kosten voor de bouwgrond (35.933,29 euro) en meer precies 17.966,65 euro;

...

5. Blijkens de notariële akte van 28 juni 2012 formuleert H. een aantal bezwaren, inzonderheid omtrent: (1) de waarde van de woning; (...); (3) de volgens H. benodigde herwaardering van het te recupereren bedrag wegens de exclusief betaalde prijs + kosten voor de bouwgrond; (...)

W. formuleert geen bezwaren.

6. Bij akte van 11 oktober 2012 brengen de notarissen-vereffenaars advies uit. Zij handhaven hun staat van vereffening-verdeling van 4 mei 2012 (...), terwijl zij aangeven de beheersrekening deels in de lijn van het bezwaar (6) te zullen actualiseren.

II. Beroepen vonnis

1. Op 25 oktober 2012 leggen de notarissen-vereffenaars eensluidende afschriften van de benodigde notariële akten neer ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde, en dit met toepassing van het oude art. 1219, § 2 Ger.W.

2. H. neemt conclusie in de lijn van zijn eerder aangebrachte en door de notarissen-vereffenaars verworpen bezwaren.

W. beoogt de homologatie van de (te actualiseren) staat van vereffening-verdeling.

3. Bij vonnis van 12 september 2013 (...) beoordeelt de rechtbank de bezwaren (...). De rechtbank bevestigt in essentie de zienswijze van de notarissen-vereffenaars.

...

III. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 10 december 2013 stelt H. hoger beroep in. Met zijn hoger beroep beoogt H., met hervorming van het beroepen vonnis (...) de inwilliging van zijn eerder aangebrachte en door de notarissen-vereffenaars en/of de eerste rechter verworpen bezwaren.

...

2. W. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep van H. Zij beaamt de zienswijze van de notarissen-vereffenaars. (...). Zij beoogt de homologatie van de (te actualiseren) staat van vereffening-verdeling. (...).

IV. Beoordeling

...

(3) Volgens H. benodigde herwaardering van het te recupereren bedrag wegens de exclusief betaalde de prijs, vermeerderd met de kosten van de bouwgrond

1. Zoals reeds aangegeven, is de woning te L. gebouwd eind jaren ’90 op een tijdens de feitelijke samenwoning gezamenlijk aangekochte grond. De aankoopakte dateert van 17 juni 1996.

Het staat buiten kijf dat H. op exclusieve wijze de prijs en (akte)kosten voor de bouwgrond ten bedrage van 35.933,29 euro heeft voldaan. H. wil dit bedrag (in globo) recupereren van W., met hetzij indexering, gelet op de stijging van de vastgoedmarktprijzen sinds 2010 tot het beoogde moment van verdeling (art. 890 BW), om zodoende te komen tot een bedrag van 43.500 euro, hetzij weerspiegeling van de door de deskundige in zijn voorverslag van 29 april 2008 en eindverslag van 20 mei 2008 bepaalde grondwaarde ten bedrage van 85.000 euro.

2. Zowel de notarissen-vereffenaars als de eerste rechter gaan in op het verzoek tot recuperatie van H., zonder daaromtrent een rechtsgrond uit te werken.

3. Het hof is van oordeel dat dienaangaande is voldaan aan alle voorwaarden van de rechtsgrond «verrijking zonder oorzaak», die meebrengt dat H. de ten behoeve van W. geïnvesteerde helft bij de aankoop van de bouwgrond kan recupereren. Anders dan H. beoogt, behelst het ten behoeve van W. geïnvesteerde bedrag niet het totaalbedrag van 35.933,29 euro, maar wel de helft en meer precies 17.966,65 euro. Er is immers (1) verarming aan de zijde van H.; (2) verrijking aan de zijde van W.; (3) een oorzakelijk verband tussen de verrijking en de verarming, terwijl (4) dienaangaande geen juridische oorzaak voorligt en (5) een andere rechtsgrond tot recuperatie ontbreekt.

Weliswaar kan worden aangenomen dat de wil van de verarmde (in casu H.) een vermogensverschuiving kan rechtvaardigen en in die mate een vordering op grond van «verrijking zonder oorzaak» kan uitsluiten. Een dergelijke vordering staat immers slechts open indien er sprake is van een vermogensverschuiving zonder oorzaak. Een oorzaak kan gelegen zijn in onder meer de gedraging van de verarmde, inzonderheid wanneer hij handelde uit vrijgevigheid (animus donandi) of uit eigenbelang. Punt is echter dat het daarbij de bedoeling moet zijn van de verarmde om de verrijking definitief te laten toekomen aan de verrijkte (Cass. 19 januari 2009, RW 2009-10 1084, noot; Cass. 23 oktober 2014, TBBR 2015, noot). Enkel de wil van de verarmde om een definitieve verrijking te creëren, sluit recuperatie uit.

Om die reden beklemtoont een recente stroming in de doctrine terecht (1) dat enkel een concrete beoordeling van de oorzaak bij de beweerde verrijking zonder oorzaak tegemoetkomt aan de behoeften van de praktijk en (2) dat een abstracte benadering in het huwelijks- en het samenwoningsvermogensrecht nooit tot recuperatie op grond van «verrijking zonder oorzaak» zou leiden, met de onbillijke gevolgen van dien (B. Gennart en L. Taymans, «La théorie de l’enrichissement sans cause appliquée au comptes entre ex-époux séparés de biens ou ex-concubins», RTDF 2007, p. 643, nr. 28 en p. 648, nr. 31; Y.-H. Leleu, Droit patrimonial des couples, Brussel, Larcier, 2015, p. 401, nr. 367 en p. 512-513, nr. 452). Het mag daarbij duidelijk zijn dat de affectieve samenlevingsvorm tussen de verrijkte en de verarmde in se niet volstaat als oorzaak tot vermogensverschuiving. De loutere wil van de verarmde bij de vermogensverschuiving voldoet evenmin. Enkel de definitieve wil om afstand te doen van de recuperatie voldoet. Welnu, een dergelijke definitieve wil blijkt in casu niet aan de zijde van H. als verarmde. Een oorzaak voor de vermogensverschuiving ontbreekt. H. heeft recht op recuperatie van voormelde helft ten bedrage van 17.966,65 euro.

4. De vraag rijst naar de al dan niet herwaardering. Hoewel art. 1435 BW aangaande de (te herwaarderen) vergoedingen tussen ex-echtgenoten met een gewezen gemeenschapsstelsel niet speelt ten aanzien van gewezen feitelijke samenwoners (vgl. Y.-H. Leleu, Droit patrimonial des couples, Brussel, Larcier, 2015, p. 404-405, nr. 368; Y.-H. Leleu, «La réévaluation des créances d’enrichissement sans cause entre ex-époux séparés de biens» (noot onder Cass. 27 september 2012), JT 2012, 763), moet worden aangenomen dat de vergoeding op grond van verrijking zonder oorzaak een waardeschuld betreft (Cass. 27 september 2012, T.Fam. 2013, 177, noot). Het gaat derhalve niet om een geldschuld, waarbij het in art. 1895 BW bedoelde nominalisme zou spelen (Ch. Declerck en V. Allaerts, «Grondslag en waardering van vergoedingsrechten en schuldvorderingen tussen partners: ontwikkelingen 2011-2013» in P. Senaeve e.a. (eds.), Themiscahier personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2014, p. 77-79, nrs. 26-28).

Anders dan de notarissen-vereffenaars en de eerste rechter is het hof om die reden voorts van oordeel dat het bedrag van de beoogde recuperatie op geactualiseerde wijze moet worden begroot (en derhalve niet volgens het nominale bedrag ten tijde van de vermogensverschuiving), zodat de meer- of minwaarde van het goed waarin werd geïnvesteerd mee in rekening moet worden gebracht.

5. Het hof volgt H. deels in zijn bezwaar, zodat hij de helft van voormeld bedrag van 85.000 euro en meer precies 42.500 euro kan recupereren.

...

• Antwerpen 31 januari 2017 AR: 2015/FA/100, TBBR 2018/4, 230

Samenvatting

Een vermogensverschuiving is niet zonder oorzaak wanneer zij voortvloeit uit de eigen wil van de verarmde.

Tekst arrest

( ... )

1. Wat voorafgaat

Appellante heeft op 5 november 2005 een woning gekocht te Bornem aan de ( ... ).

Nadat partijen in februari 2008 een relatie zijn begonnen, heeft geïntimeerde zich op 7 januari 2009 laten inschrijven op het adres van appellante.

Vervolgens hebben zij op 19 augustus 2009 een verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Bornem.

Uit hun relatie is één kind geboren, te weten: M.-A.R., op ( ... ).

Op 17 september 2009 hebben partijen een onderhandse overeenkomst afgesloten, betreffende een financiële regeling "omtrent het huis dat door hen beiden wordt bewoond, maar (voorlopig) in eigendom is van R.F. ".

In deze overeenkomst is onder meer het volgende bedongen: - "maandelijks zal WR. een som van 600 EUR betalen aan R.F., hetgeen overeenkomt met de helft van de afbetaling van de woning. Vanaf januari 2010 zullen deze bedragen gezien worden als investering ....

- Alle investeringen aan de woning(. .. ) die enkel door WR. worden gedragen, zullen minimaal 2 maal per jaar worden vastgelegd tussen de partijen, om een vlotte opvolging van de staat van de kosten te garanderen.

- In geval dat WR. verhuist en geen mede-eigenaar wil worden van de woning, zal het totaal van deze investeringen aan hem worden terugbetaald."

Die overeenkomst bevatte ook een addendum, door beide partijen ondertekend, houdende de omschrijving van een reeks aankopen tussen 11 juni 2009 en 5 september 2009 voor in totaal 14.599,02 EUR.

Geïntimeerde heeft op 22 februari 2013 een eenzijdige verklaring van beëindiging van de wettelijke samenwoning afgelegd.

Op 22 oktober 2013 heeft geïntimeerde appellante doen dagvaarden

Zijn oorspronkelijke vordering strekte ertoe:

- appellante te horen veroordelen tot betalen van 76.752 EUR, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten aan de conventionele rentevoet van 8 % vanaf de datum van investering of afbetaling woonkrediet tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke intresten sedertdien tot aan de volledige betaling;

- appellante te horen veroordelen tot de gerechtskosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 5.500 EUR, basisbedrag voor vorderingen vanaf 100.000,01 EUR;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Hij baseerde zijn vordering op de verrijking zonder oorzaak en/of de leer van de natrekking om vergoeding te bekomen voor investeringen ten bedrage van 50.955 EUR, voor terugbetaling van het woonkrediet voor 17.040 EUR en onkosten voor 8.757,22 EUR, hetzij in totaal 76.752 EUR, nog te vermeerderen met conventionele intresten.

Appellante besloot tot de ongegrondheid van die vordering en stelde in haar conclusie neergelegd op 24 januari 2014 een tegenvordering, die ertoe strekte geïntimeerde te horen veroordelen tot betalen van een gebruiksvergoeding over de periode van 7 januari 2009 tot 22 februari 2013 van 600 EUR x 38 = 22.800, onder aftrok van de bedragen die hij zou bewijzen effectief betaald te hebben, en tot betalen van de gedingkosten, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 2.300 EUR.

In conclusies neergelegd op 27 februari 2014 vorderde geïntimeerde dan:

- appellante te horen veroordelen tot betalen van 67.996,27 EUR, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten aan de conventionele rentevoet van 8 % vanaf de datum van investering of afbetaling woonkrediet tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke intresten sedertdien tot op de dag van de volledige betaling;

- haar tevens te veroordelen tot betalen van 8.789,79 EUR, te vermeerderen met de intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum der onkosten tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke intresten sedertdien tot op de dag van de volledige betaling;

- de tegeneis af te wijzen als ongegrond;

- appellante te veroordelen tot de gerechtskosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 5.500 EUR. - het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

In conclusies neergelegd op 10 april 2014 herleidde appellante haar tegenvordering en vorderde nog een saldo van 6.560 EUR, meer intresten vanaf 22 februari 2013, meer de betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 2.300 EUR. In zijn syntheseconclusies baseerde geïntimeerde zich in hooforde op de overeenkomst van 17 september 2009, ondergeschikt op de overeenkomst die zij hierover bij notaris MAES hebben bereikt, meer ondergeschikt op de leer van de natrekking, meest ondergeschikt op de verrijking zonder oorzaak.

In het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 24 september 2014 heeft de eerste rechter - de onderhandse overeenkomst van 17 september 2009 absoluut nietig bevonden, nu zij niet bij authentieke akte is verleden;

- de hoofdvordering van geïntimeerde evenwel gegrond verklaard voor 50.956,27 EUR (voor de door hem betaalde materialen en werken uitgevoerd aan de woning), en appellante veroordeeld tot betalen van dit bedrag aan geïntimeerde, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet, en dit op grond van de verrijking zonder oorzaak, nu deze uitgaven kennelijk de normale lasten van het samenleven te boven gingen;

- het overige van de hoofdvordering (de afbetalingen van het hypothecair krediet en diverse onkosten) alsook de tegenvordering ongegrond verklaard;

- partijen ieder in de eigen gerechtskosten verwezen. Dit vonnis is betekend op 8 januari 2015.

2. De vorderingen in beroep

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 6 februari 2015, heeft appellante een naar vorm en termijn regelmatig beperkt hoger beroep ingesteld, in zover zij op grond van de vermogensverschuiving zonder oorzaak veroordeeld werd tot betalen van 50.956,27 EUR, meer de gerechtelijke intresten.

Het hoger beroep strekt ertoe de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren en rechtdoende op de oorspronkelijke tegeneis van appellante, deze tegeneis, voor zover geen compensatie van de prestaties van beide partijen in het kader van de kosten van huishouding zou aanvaard worden, quod non, ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens vordert appellante geïntimeerde te veroordelen tot betalen van een gebruiksvergoeding over de periode van 7 januari 2009 tot 22 februari 2013 van 600 EUR x 38 = 22.800 EUR, onder aftrok van de bedragen die hij bewijst effectief betaald te hebben voor het woningkrediet hetzij 15.840 EUR, blijft verschuldigd 6.960 EUR, meer de intresten vanaf 22 januari 2013.

Zij vordert tevens geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van de procedure, en begroot deze op een rechtsplegingsvergoeding van 2.300 EUR per aanleg, alsook het rolrecht hoger beroep p.m.

Geïntimeerde vorderde in conclusies de laattijdig neergelegde conclusies van appellante van 19 december 2015 uit de debatten te weren, alsook de wering van de niet-meegedeelde stukken. Ter terechtzitting van 27 september 2016 verklaarde geïntimeerde die exceptie van laattijdigheid van conclusies en van wering van stukken niet aan te houden. Geïntimeerde besluit ten gronde tot de ongegrondheid van het beroep en vordert op incidenteel beroep, ingesteld bij conclusies neergelegd op 26 juni 2015, en zoals geherformuleerd in conclusies neergelegd op 28 december 2015:

- appellante te veroordelen tot betaling van 67.996,27 EUR, vermeerderd met de nalatigheidintrest conform de conventionele intrestvoet aan 8 % vanaf de datum investering of afbetaling woningkrediet tot op de dag van de dagvaarding, meer de gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding tot op de dag van de volledige betaling.

- appellante te veroordelen tot betalen van 8. 789, 79 EUR, meer de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum der onkosten tot de datum dagvaarding, meer de gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele betaling.

- ondergeschikt, te oordelen dat de mondelinge overeenkomst tussen partijen in aanwezigheid van notaris MAES van 3 september 2012 bindend is en dienvolgens appellante te veroordelen tot betalen van 85.500 EUR, meer de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 3 september 2012.

- ondergeschikt, notaris MAES met studie te 2540 HOVE, Kapelstraat 90 op te roepen als getuige ten einde onder eed te worden verhoord nopens het bestaan van de overeenkomst van 3 september 2012.

- de initiële tegeneis van appellante af te wijzen als ongegrond.

- appellante te veroordelen tot alle gerechtskosten, met inbegrip de rechtsplegingsvergoeding van 5.500 EUR per aanleg.

- dit alles bij 'vonnis' uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling of kantonnement.

3. Beoordeling

3.1. Over de exceptie van laattijdigheid van de conclusie van appellante van 19 december 201 Sen over het weren van die conclusie en van stukken

Geïntimeerde heeft op de zitting van 27 september 2016 zijn exceptie van laattijdigheid van de conclusie van appellante van 19 december 2015 en van het weren van niet-medegedeelde stukken niet aangehouden.

Er dienen bijgevolg geen conclusies en /of stukken te worden geweerd uit het beraad.

3.2. Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep

Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn tijdig en naar vorm regelmatig ingesteld. Dit vastgesteld zijnde heeft het hof geen middelen van ontvankelijkheid ambtshalve te onderzoeken.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn ontvankelijk.

3.3. Over de gegrondheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep

3.3.1. Het standpunt van partijen

De vordering van geïntimeerde in betalen van 76. 786,06 EUR omvat drie elementen:

- door hem gedane investeringen in het onroerend goed van appellante voor in totaal 50.956,27 EUR;

- door hem verrichte terugbetalingen op het woonkrediet voor het onroerend goed van appellante voor in totaal 17.040 EUR;

- door hem betaalde onkosten voor in totaal 8.789,79 EUR. Hij steunt zich in rechte op het art. 1134 BW, ingevolge de onderhandse overeenkomst van 17 september 2009, verder op de verrijking zonder oorzaak en/of de leer van de natrekking, nu zijn bijdragen aan het woonkrediet en aan de investeringen voor renovatie niet kunnen worden aangezien als bijdrage in het samenleven.

Appellante stelt dat

- de overeenkomst tussen partijen van 17 september 2009 nietig is;

- alle betalingen door geïntimeerde uitgevoerd moeten worden aangezien als een bijdrage aan het samenleven, overeenkomstig het bepaalde onder art. 1477 BW;

- zij niet op de hoogte werd gebracht van de investeringen in het onroerend goed, zoals de onderhandse overeenkomst vereiste;

- de door geïntimeerde uitgevoerde werken gebreken vertonen zodat deze geen meerwaarde betekenden voor haar onroerend goed.

3.3.2. Over de geldigheid van de onderhandse overeenkomst van 17 september 2009

Het artikel 1478, vierde lid BW bepaalt dat de samenwonenden "voorts" hun wettelijke samenwoning naar goeddunken regelen door middel van een overeenkomst, voor zover deze geen beding bevat dat strijdig is met artikel 1477, met de openbare orde of de goede zeden, noch met de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch met de regels die de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen. En, in fine: "Die overeenkomst wordt in authentieke vorm verleden voor de notaris .... "

De tussen wettelijk samenwonenden gesloten samenlevingsovereenkomst is een plechtige akte. Indien de betrokkenen ervoor opteren een samenlevingsovereenkomst op te stellen, dan moet zij om geldig te zijn noodzakelijkerwijze de vorm van een authentieke akte aannemen en dus worden verleden voor een notaris (art. 1478, vierde lid, in fine BW). Doordat het gaat om een formele rechtshandeling, leidt de niet-naleving van deze geldigheidsvereiste tot absolute nietigheid. Ook bij een latere wijziging van de samenlevingsovereenkomst moet de notariële vorm worden aangehouden. (zie ook: Verslag namens de commissie voor de Justitie, Parl. St. Kamer 1995-96, nr. 49K0170/008, 95; en: W. PINTENS, C. DECLERCK, J. DU MONGH en K. VANWINCKELEN, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, lntersentia, 2010, 501, nr. 943; en: J.-F. TAYMANS, 'Les contrats de vie commune' in Y.-H. LELEU, Y. PARENT en J.-F. TAYMANS (eds.), Le couple. Vie commune et rupture, Brussel, Larcier, 2009, 162, nr. 183)

Anders dan wat geïntimeerde voorhoudt heeft het vormgebrek, doordat de wil der partijen niet is vastgelegd door een notaris, wel degelijk vérstrekkende gevolgen: ingevolge het niet nakomen van het zogenaamde wilsformalisme is die overeenkomst absoluut nietig. Immers, de wetgever heeft bij het opmaken van een samenlevingsovereenkomst tussen wettelijk samenwonenden kennelijk dezelfde garanties geeist als bij het opmaken van een huwelijkscontract, en heeft in tegenstelling tot een louter consensueel contract (de regel) geëist dat er een plechtige overeenkomst (de uitzondering) zou worden opgesteld door een notaris. Deze vorm is een essentiële vereiste "ad solemnitatem et non ad probationem" (lees: de vervulling van de formaliteit wordt vereist voor de rechtsgeldigheid van de rechtshandeling en niet slechts voor het bewijs ervan), (zie terzake het plechtig contract en het wilsformalisme o.m. R. DEKKERS, Handboek Burgerlijk Recht, II, 1971, nr. 39 en H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, t. 1, 28-29 ent. Il, 454)

Nu er geen geldige samenlevingsovereenkomst bestaat, kunnen partijen daarvan ook niet de uitvoering eisen.

3.3.3. Over de toepassing van art. 544-554 B.W. c.q. de kosten/eer Geïntimeerde beroept zich tevergeefs op de gevolgen van de natrekking ex. art. 554 BW en/of op de kostenleer (art. 1381 BW):

Het art. 554 BW bepaalt:

"De eigenaar van de grond, die gebouwen, beplantingen en werken met hem niet toebehorende materialen heeft tot stand gebracht, moet de waarde van deze materialen betalen; hij kan ook tot schadevergoeding worden veroordeeld indien daartoe reden is; maar de eigenaar van de materialen heeft niet het recht ze weg te nemen.".

Het art. 555 BW bepaalt:

"Indien de beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand gebracht door een derde met zijn eigen materialen, heeft de eigenaar van het erf het recht die voor zich te behouden, ofwel de derde te verplichten ze weg te nemen ....

Indien de eigenaar verkiest die beplantingen en gebouwen te behouden, moet hij de waarde van de materialen en het arbeidsloon vergoeden, zonder dat de min of meer belangrijke vermeerdering der waarde, die het erf kan hebben verkregen, in aanmerking komt .... "

Het art. 1381 BW bepaalt:

"Hij aan wie de zaak teruggegeven wordt, moet zelfs aan de bezitter te kwader trouw alle noodzakelijke en nuttige uitgaven vergoeden, die tot behoud van de zaak gedaan zijn." De ingeroepen natrekkingsleer (hier in essentie artikel 555 BW) biedt geen uitweg aan de geïntimeerde: er kan slechts een beroep worden gedaan op de natrekkingsleer indien het nagetrokken goed nog individualiseerbaar is, zodat de wegname - strikt gezien - mogelijk blijft, zij het desgevallend met minwaarde/economisch verlies tot gevolg (zie en vgl. Cass. 18 april 1991, Arr. Cass. 1990-91, 891 alsook H. De Page, Traité élémentaire de droit civil beige, VIII, Brussel, Bruylant, p. 9, nr. 420), hetgeen hier evenwel niet het geval is: de geïncorporeerde materialen zijn duidelijk niet vatbaar voor individualisatie en gebeurlijke wegneming.

Artikel 555 BW is bovendien slechts bedoeld voor de situatie waarbij de eigenaar van een onroerend goed, die er niet in het bezit van is, vaststelt dat een derde werken aan het goed heeft uitgevoerd. Een derde is diegene die niet krachtens een overeenkomst heeft gebouwd. Derde is eenieder die gebouwd heeft op de grond van iemand anders of op deze grond werken heeft opgericht op zijn eigen kosten en voor zijn eigen rekening, en waarbij het eigendomsconflict door geen enkele wet en door geen enkele overeenkomst tussen beide partijen werd geregeld (zie ook: F. Van Neste, "Zakenrecht", in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Brussel, Story-Scientia, 1990, 377, nr. 213). Dit maakt artikel 555 BW zinledig in een rechtsverhouding tussen samen/evers, waar de ene partner, desgevallend met bijstand in natura van zijn familie, in de regel bouwt in opdracht en voor rekening van de andere partner, eigenaar van het onroerend goed, hetgeen hier trouwens niet anders was.

De kostenleer is in principe bedoeld voor de situatie waarin de eigenaar zijn onroerend goed terugvordert van een derde die dat goed onder zich heeft en beoogt meer bepaald de hypothese waarin deze derde werken uitvoerde aan het onroerend goed gedurende een tijdspanne of in een periode dat de eigenaar niet in het bezit was van dit goed. Het spreekt voor zich dat geïntimeerde niet kan worden gekwalificeerd als een derde die het onroerend goed van appellante onder zich gehouden heeft. De kostenleer, die uitgaat van de hypothese dat er geen overleg of samenspraak is geweest tussen de vergoedingsgerechtigde en de vergoedingsplichtige, kan in beginsel niet worden toegepast in de verhouding tussen samenlevers, omdat de werken daar in de regel in gezamenlijk overleg worden uitgevoerd, hetgeen hier trouwens kennelijk niet anders was.

3.3.4. Over de verrijking zonder oorzaak

Ook de verrijking zonder oorzaak, die een subsidiair karakter heeft, biedt geen soelaas aan de vordering van geïntimeerde.

Immers, van zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving moet de aanspraak van geïntimeerde worden afgewezen: de oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog onderlijnd dat wanneer de verarmde (bij hypothese geïntimeerde) speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken (het langdurig mogen samenwonen in de voormalige gezinswoning met appellante en hun gemeenschappelijk kind) - dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd- of handelde uit eigen belang de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil beige, III, blz. 54, nr. 40; vgl. met A. DE BERSAQUES, "Le caractère subsidiaire de l'actio de in rem verso", RCJB 1957, (121), 128, nr. 17).

3.3.5. Over de beweerde mondelinge overeenkomst tot vereffening en verdeling bij notaris MAES van 3 september 2012

Geïntimeerde beroept zich in ondergeschikte orde, namelijk "indien het hof de mening zou zijn toegedaan dat met de overeenkomst tussen partijen geen rekening kan worden gehouden en dat in casu geen toepassing kan worden gemaakt van de vermogensverschuiving zonder oorzaak" op het bestaan van een mondelinge overeenkomst in aanwezigheid van notaris MAES, waarbij appellante een vergoeding zou betalen van 85.500 EUR.

Hij verwijst daarvoor naar

- een e-post bericht van notaris MAES van 21 september 2012 dat stelt:

"Ik heb getracht tussen partijen een nieuwe regeling tot stand te brengen. Na een lange bespreking kwam er een nieuw (mondeling) akkoord tussen partijen tot stand, doch de daaropvolgende dag kwam mevrouw FAES terug op de gemaakte afspraken.";

- een e-postbericht van 4 september 2012 van appellante, dat wel degelijk verwijst naar het akkoord over het terug te betalen bedrag, maar waarop is teruggekomen: "Geachte Mevrouw Maes, Alvast bedankt voor uw geduld gisteren. Graag had ik een aantal aanpassingen laten doen in de tekst. Het terug te betalen bedrag van 85.500 EUR mag teruggebracht worden naar 80.000 EUR."

Geïntimeerde meent dat het akkoord tussen partijen bindend was.

Uit de door partijen overgelegde briefwisseling is weliswaar af te leiden dat er tussen partijen onderhandelingen gevoerd werden op basis van hun oorspronkelijke onderhandse overeenkomst die hoger evenwel absoluut nietig is verklaard, en is verder allerminst af te leiden dat er tussen hen een definitief akkoord is tot stand gekomen. Met reden werpt appellante aan geïntimeerde tegen dat zo er al een definitief bindend akkoord zou zijn gesloten, de notaris dat akkoord wel op papier zou hebben gezet.

Ter terechtzitting van 27 september 2016 wierp het hof de vraag op naar de toelaatbaarheid van het door geïntimeerde in meer ondergeschikte orde gevraagde getuigenverhoor, gelet op het bepaalde onder art. 1341 BW, en geïntimeerde heeft daarover standpunt ingenomen.

Het art. 1341 B.W. bepaalt: "Een akte voor een notaris of een onderhandse akte moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375 EUR te boven gaan, zelfs betreffende vrijwillige bewaargevingen; het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten, en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren vóór, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan 375 EUR. Een en ander onverminderd hetgeen wordt voorgeschreven in de wetten betreffende de koophandel."

Te dezen blijkt geen notariële of onderhandse akte te zijn opgesteld over enige regeling tussen partijen aangaande hun vereffening en verdeling, en gelet op het art. 1341 B.W. kan het bewijs door getuigen niet worden toegelaten. Bovendien moet worden vastgesteld dat het verzoek tot bewijs door getuigen onvoldoende bepaald is naar tijd en ruimte om een tegenbewijs mogelijk te maken: ook om die reden is het getuigenbewijs niet toelaatbaar.

Geïntimeerde kan zich derhalve ook niet baseren op enig "mondeling" akkoord tussen partijen.

Kortom: geïntimeerde toont niet aan dat de uitgaven (onder welke vorm ook) die hij verricht heeft tijdens het samenleven van partijen zijn evenredige bijdrage in de kosten van de huishouding en het samenwonen overtreffen.

En ter zake wijst appellante er met reden op dat zijzelf immers ook een ganse reeks uitgaven betaalde (belastingen, verzekeringen, de rekeningen voor nutsvoorzieningen allerhande, de aankoop van de gezinswagen - zie de opsomming onder nr. 6 van haar syntheseconclusies neergelegd op 25 maart 2016 met verwijzing naar haar stukkenbundel). Vermits de (oorspronkelijke) tegeneis van appellante slechts is gesteld voor zover het hof zou oordelen dat er geen compensatie kan gebeuren tussen de prestaties verricht door elk der partijen in het kader van de huishouding, dient daarover verder niets gezegd te worden.

( ... )

4. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Verklaart het beperkt hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, en rechtdoend binnen de perken ervan:

Verklaart het hoger beroep gegrond en het incidenteel beroep ongegrond,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond,

Wijst hem ervan af,

Wijst hem ook af van zijn onderschikte actuele vorderingen; Stelt vast dat de in ondergeschikte orde ingestelde (oorspronkelijke) tegeneis derhalve zonder voorwerp valt,

( ... )
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 10/03/2018 - 19:58
Laatst aangepast op: zo, 10/06/2018 - 17:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.